-A +A

1526 bis gerechtelijk wetboek minnelijke wederinkoop goederen na beslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

1526 bis gerechtelijk wetboek
 

 
Wanneer u een beslag betekend wordt op roerend goed en een gerechtsdeurwaarder uw goederen heeft opgeschreven, stelt zich vooreerst de vraag naar uw mogelijkheden. Indien u onvermogend bent en u niet in staat bent ook uw andere schulden terug te betalen, heeft het weinig zin afbetalingen voor te stellen. De overige schuldeisers zouden ook nadien beslag kunnen leggen en gelet op uw onvermogen bent u wellicht niet in staat om al uw schuldeisers terug te betalen.
 
Op dat ogenblik is het instellen van een procedure collectieve schuldenregeling weinig zinvol, gezien hiermee op korte termijn de daadwerkelijke verkoop van uw inboedel niet kan vermeden worden. Mede gelet op uw overige schulden waardoor afbetaling op dit ogenblik weinig zinvol zijn en u in een uitzichtloze situatie zouden brengen door maandelijkse tekorten, zal elke goede advocaat u dan adviseren  een bod kenbaar te maken van een derde persoon, die bereid is uw inboedel in der minne te kopen.
 
Deze derde persoon kan een familielid zijn, een vriend, of eigenlijk elke derde.. De geboden prijs dient overeen te stemmen met de vermoedelijke opbrengst. Hoe hoger het bod, hoe meer kans op aanvaarding. Raadpleeg onmiddellijk uw advocaat. Deze zal voor u een document opstellen,  zoals door U te ondertekenen, aan te vullen met naam en adres van de voorgestelde koper en de voorgestelde prijs. U dient dit document zo vlug mogelijk aangetekend te versturen naar de gerechtsdeurwaarder, waarbij de allerlaatste dag hiertoe 10 dagen na het beslag (het opschrijven van de goederen) is.
 
U zal nadien een antwoord van de deurwaarder ontvangen. In geval van positief antwoord, dient de koopsom door de koper binnen de 5 dagen na ontvangst van het akkoord ter kantore van de deurwaarder betaald. In geval van weigering kan het bod eventueel verhoogd, of kan een procedure worden ingesteld voor de beslagrechter, teneinde de schuldeiser te dwingen met het bod in te stemmen.
 
 
De gerechtsdeurwaarder mag enkel uw bod weigeren wanneer hij argumenteert dat het geboden bod te laag is in verhouding tot de verwachte opbrengst. De opbrengst in gedwongen verkoop van een inboedel ligt meestal zeer laag en in elk geval veel lager dan de prijs die u destijds voor deze goederen heeft betaald.
 
Wanneer de gerechtsdeurwaarder weigert om andere redenen, bv. omdat het bod te laag is in verhouding tot de schuld, heeft u terecht de gelegenheid deze weigering door uw advocaat ongedaan te laten verklaren via de beslagrechter, waarbij hierin wellicht succes zal geboekt worden.
 
Uw advocaat kan eventueel een eigen gerechtsdeurwaarder laten instellen om de waarde van de goederen te laten schatten wanneer er discussie bestaat over de waarde. Meestal zal hierdoor het probleem door tussenkomst van uw advocaat kunnen geregeld worden. Zijn er nog problemen dan kan uw advocaat de beslagrechter de knoop laten doorhakken via een procedure.
 
 
Wanneer het bod wordt aanvaard en de prijs betaald is, zullen de goederen uw woonplaats niet dienen te verlaten.
 
Nadat aldus gehandeld is, zal U een PV van de gerechtsdeurwaarder ontvangen ter attesttering van de minnelijke verkoop. Dit PV dient aan uw advocaat overgemaakt, waarna wij deze een akte van bruikleen zal kunnen opstellen. Door deze overeenkomst wordt het kosteloos gebruik door u van deze goederen gewaarborgd. Hierna kan er geen beslag meer gelegd worden op deze goederen en zal u op dit punt bevrijd zijn van verdere druk door de gerechtsdeurwaarders.
 
 
Rechtspraakoverzicht:
 
• Wanneer een beslagene tijdig en regelmatig een bod conform art. 1526 bis Ger. W. heeft geformuleerd om tot de verkoop in der minne over te gaan en hij op een later opnieuw wordt geconfronteerd met een nieuw beslag door een andere schuldeiser alvorens er definitief beslist is over zijn eerste voorstel tot minnelijke verkoop dient hij niet opnieuw deze procedure in te leiden. Deze later aantredende beslaglegger kan zonder meer in de procedure worden betrokken.
(Brussel 8 oktober 1997, RW 1997-98, 1079).

Ook in het kader van een collectieve schuldbemiddeling en meer bepaald in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling die de verkoop van de beslagbare goederen van de verzoekers impliceert, kan de beslagrechter de schuldbemiddelaar verzoeken een gerechtsdeurwaarder te gelasten om de verkoop van de inboedel uit te voeren conform de bepalingen van artikel 1526 Ger.W. De gerechtsdeurwaarder zal dan een proces-verbaal van minnelijke verkoop opstellen, zijn kosten en honoraria van deze prijs aftrekken en het saldo storten aan de schuldbemiddelaar die het tussen de schuldeisers zal verdelen rekening houdend met de wettelijke redenen van voorrang.(Beslagr. Bergen nr. 00/820/A, 1 maart 2001, Jaarboek Kredietrecht 2001, 453, noot BEDORET, C.).

Een bod geformuleerd conform artikel 1526 bis gerechtelijk wetboek dient geformuleerd te worden binnen de 10 dagen. Wanneer er verschillende beslagen gelegd zijn en er één bod tijdig en een ander bod ontijdig werd gedaan, brengt dit de onregelmatigheid van het bod niet met zich mee. De vastgestelde niet-ontvankelijkheid van sommige inkennisstellingen doet geen afbreuk aan de rechtsgevolgen van de andere ontvankelijk bevonden voorstellen en heeft dit niet de niet-ontvankelijkheid van de onderhavige vordering tot gevolg. Bij pluraliteit van schuldeisers moet de gerechtsdeurwaarder alle beslagleggende schuldeisers betrekken bij het aanbod en kan hij de goederen pas verkopen indien hij het akkoord heeft van alle schuldeisers. (

Beslagr. Gent 2 februari 1999, T.G.R. 1999, 101).

Indien de schuldeisers stellen dat het bod ontoereikend is dragen zij hiervan de bewijslast. Sinds de recentste wetswijziging werd hieraan evenwel toegevoegd dat de loutere stelling van de gerechtsdeurwaarder dat het bod onvoldoende is in verhouding met de waarde van de goederen volgens zijn oordeel voldoende is, dit in tegenstelling tot de schuldeisers die wanneer zij stelling innemen de bewijslast dragen

van het ontoereikend karakter van de voorgestelde prijs. Geen enkele andere reden van weigering kan in overweging genomen worden. Zeker niet de overweging dat de voorgestelde prijs niet in verhouding staat met het bedrag van de vordering of dat de minnelijke verkoop een feitelijke organisatie van onvermogen uitmaakt waarna de schuldeisers geen uitvoeringsmogelijkheid meer beschikken. Dit soort overwegingen zijn strijdig met de wet en kunnen worden aangevochten bij de beslagrechter. Overwegingen aangaande de ongeloofwaardigheid van de voorgestelde koper en/of mogelijke collusie tussen de schuldenaar en de koper zijn al even irrelevant (Beslagr. Gent 2 februari 1999, T.G.R. 1999, 101).

Het voorstel tot minnelijke verkoop is niet aan bepaalde vormvereisten onderworpen (Beslagr. Gent 10 februari 1998, RW 1998-99, 373).

Eens de termijn van minnelijke verkoop conform art. 1526 bis verstreken is zou de beslagrechter nog steeds een onderhandse verkoop van in beslag genomen roerende goederen kunnen toestaan onder bepaalde voorwaarden wanneer te verwachten is dat een dergelijke verkoop, gelet op de aard van de goederen, betere resultaten oplevert dan een openbare verkoop (Beslagr. Antwerpen 15 oktober 1997, RW 1997-98, 540, noot DIRIX, E.).

De kosten van beslaglegging en de kosten van de opstelling van het proces-verbaal van minnelijke verkoop kunnen niet op de koper worden verhaald. Evenmin kan de betaling van deze kosten afhankelijk worden gesteld van de aanvaarding of afwijzing van het minnelijk bod. In geval van een verkoop in der minne komen de kosten van het proces-verbaal van verkoop in der minne in de plaats van de kosten van het proces-verbaal van openbare verkoop, zodat het past er dezelfde bestemming aan te geven als de kosten van beslag en ze op te nemen in de bevoorrechte kosten. (Beslagr. Luik 27 januari 1997, Bull. Bel. 1999, 857).

De termijn van 8 dagen verleend aan de koper om de prijs te betalen van een minnelijke verkoop na beslag begint pas te lopen vanaf het ogenblik dat de schuldenaar wordt ingelicht over de toestemming van al de schuldeisers.
Wanneer de bestemmeling van een brief onder gewone omslag beweert nooit de brief van de gerechtsdeurwaarder te hebben ontvangen waarin hij in kennis werd gesteld van het akkoord van de schuldeiser betreffende het bod van aankoop, moet het bewijs van het verval worden geleverd door degene die het inroept. Bij gebreke aan een aangetekende brief kan de schuldeiser dit bewijs niet leveren (Beslagr. Luik 8 september 1993, JLMB 1993, 1286, noot DE LEVAL, G.; , TBBR 1994, 268). Er dient een onderscheid te maken tussen de kosten van het proces-verbaal en de eigenlijke kosten van de verkoop (vervoer en huur van de zaal) die betaald worden door de koper bovenop de prijs. Maar bij een verkoop in der minne zijn de eigenlijke kosten van de verkoop onbestaande. De kosten van het proces-verbaal van de verkoop in der minne vervangen evenwel deze van de openbare verkoop zodat deze kosten hetzelfde lot moeten ondergaan. De verkoop in der minne wordt immers verwezenlijkt in het belang van alle schuldeisers (Rb. Luik 20 januari 1997, P&B 1997, 228).


 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 31/12/2009 - 12:14
Laatst aangepast op: ma, 27/12/2010 - 10:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.