-A +A

387ter BW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 387ter:.

§ 1. Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de reeds geadieerde familierechtbank worden gebracht, overeenkomstig de in artikel 1253ter/7 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene procedure (infra).

De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing.
De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.(art. 1412 Ger.W. voorziet in de onbeperkte beslagbaarheid waarbij de onbeslagbare inkomsten buiten spel worden gesteld).

De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

§ 2. Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd § 3, wordt de zaak bij de aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.

§ 3. In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing.

De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.

§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen.

De vroegere termen bezoekrecht en omgangsrecht, zijn vervangen door de termen verblijfsregeling en recht op persoonlijk contact. Wanneer uw ex-partner verhindert dat u op een normale wijze deze rechten kan uitoefenen, heeft u verschillende mogelijkheden :     

 

 

 

• het neerleggen van herhaalde strafklacht en de strikte opvolging hiervan door een advocaat, middels tussenkomstmelding, contact met parket en verklaring van benadeelde;

• het uitsturen van een rechtstreekse dagvaarding of het neerleggen van een klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter;

• het laten betekenen en pogen tot uitvoeren van het vonnis (het laten sommeren tot afgifte van de kinderen door de gerechtsdeurwaarder) met uitvoering (desnoods beslag) voor de kosten door een gerechtsdeurwaarder waarbij telkenmale opnieuw de kosten voor de herhaalde uitvoeringen in rekening worden gebracht aan de tegenpartij;

• het vorderen van een dwangsom tot 1.000 € per maal per keer dat het omgangrecht onmogelijk wordt gemaakt, waarbij deze dwangsommen onbeperkt kunnen uitgevoerd, zelfs met overschrijding van de onbeslagbare inkomsten en dus op het volledige inkomen.

• een vordering tot wijziging van de verblijfsregeling.

• een vordering instellen teneinde onder bepaalde voorwaarden dwang te laten uitoefenen (het kind onder begeleide dwang laten ophalen.  

 

 

 

 blijvende saisine van de familierechtbank

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 1253ter/7.

§ 1. In afwijking van de bepalingen van het derde deel, titel III, blijven de zaken die worden geacht spoedeisend te zijn, ingeschreven op de rol van de familierechtbank, ook in geval van een uitspraak in hoger beroep. In geval van nieuwe elementen kan dezelfde zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht, binnen een termijn van 15 dagen, bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. Deze nieuwe elementen moeten, op straffe van nietigheid, worden aangeduid in de conclusie of in het schriftelijk verzoek.

Onder "nieuwe elementen" wordt verstaan :
1° over het algemeen, een feit dat niet bekend was bij het eerste verzoek;
2° met betrekking tot een uitkering tot levensonderhoud, nieuwe omstandigheden waarin de partijen of de kinderen verkeren, en die hun situatie ingrijpend kunnen wijzigen;
3° met betrekking tot de organisatie van de verblijfsregeling, het recht op persoonlijk contact en de uitoefening van het ouderlijk gezag, nieuwe omstandigheden die de toestand van de partijen of die van het kind kunnen wijzigen. In dit laatste geval kan de rechtbank dit nieuwe verzoek echter enkel inwilligen indien het belang van het kind zulks rechtvaardigt.

§ 2. Indien er op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van de in § 1, eerste lid, geboden mogelijkheid om de zaak opnieuw voor de rechtbank te brengen, kan de rechter in zijn vonnis de bevoegdheid uitoefenen die hem wordt toegekend in [2 artikel 780bis]2.

§ 3. Artikel 730, § 2, a), is niet toepasselijk op de zaken waarvoor dit artikel bepaalt dat ze voortdurend aanhangig blijven bij de rechtbank.]
Bij het opleggen van een dwangsom in toepassing van art. 387ter BW kan de rechter bepalen dat voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde dwangsom artikel 1412 Ger.W. van toepassing is, dit wil concreet zeggen dat er onbeperkt beslag kan gelegd worden zonder dat rekening dient gehouden met de onbeslagbare delen van de inkomsten en dus met uitsluiting van de bescherming geboden door de bepalingen vervat in de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1, § 2, 1° tot 7°, § 3 en§ 4 Ger.W.

Rechtsleer:

• De wet van 18 juli 2006: promotie van het gelijkmatig verdeeld verblijf voor kinderen van gescheiden ouders en optimalisering van de uitvoeringsmaatregelen tegen de onwillige ouders in RW 2006-2007, 1422
•. DE MAEYER en C. VERGAUWEN, "De civielrechtelijke tenuitvoerlegging van beslissingen inzake een verblijfsregeling of recht op persoonlijk contact" (noot onder Cass. 25 februari 2011 ), RABG 2012, (292) 292-294.
• P. SENAEVE, "Drie jaar toepassing van artikel 387ter BW (wet van 18 juli 2006)", T.Fam. 2010, (114) 120-122.
•. P. SENAEVE, "Art. 387ter BW" in Comm. Pers., Mechelen, KIuwer, los bi. (2010), (161) 176-178 en  X., Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Boek I. Personen, Titel IX., Afd. II, De goederen van het kind, 1-40 (40 p.) - oktober 2010
•. A. BEKKERS en P. SENAEVE, "Het overgangsrecht van de wet van 30 juli 2013", T. Fam. 2014, (148) 152.
•. K. DEVOLDER en P. TAELMAN, "De familie- en jeugdrechtbank. Analyse van de wet van 30 juli 2013" in B. ALLEMEERSCH, P. TAELMAN, P. VAN ORSHOVEN en B.
• VANLERBERGHE (eds.), Nieuwe justitie, lntersentia, Antwerpen, 2014, (81) 138;
• D. PIRE, "Tribunal de la familie, compétence territoriale et dossier unique: 'une familie, un dossier, un juge"', RTDF 2014, (449) 461.
•. K. WAGNER, Dwangsom in APR, Mechelen, Kluwer, 2003, 22-24.
•. Zie M. BUNKENS, "Overzicht van rechtspraak (2003-2011) - De dwangsom in het familierecht", T. Fam. 2012, (4) 12.
•. P. SENAEVE, "Drie jaar toepassing van artikel 387ter BW (wet van 18 juli 2006)", T.Fam. 2010, (114) 132.
•. K. DEVOLDER, "De invoering van een familie- en jeugdrechtbank. Commentaar bij de wet van 30 juli 2013", T.Fam. 2014, (128) 146.
• P. SENAEVE, "Het hoorrecht van minderjarigen sinds de wet op de familie- en jeugdrechtbank", T.Fam. 2014, (176) 182-183, nrs. 29-33.
•. P. SENAEVE, "Drie jaar toepassing van artikel 387ter BW (wet van 18 juli 2006)", T.Fam. 2010, (114) 131.
•. A. VANDERHAEGHEN, "Dwangsom bij uitvoering van omgangsregeling" (noot onder Gent 22 mei 2012), NJW 2013, (955) 956.
•. M. BUNKENS, "Overzicht van rechtspraak (2003-2011) - De dwangsom in het familierecht", T. Fam. 2012, (4) 7.
• X., Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer
• GALLUS, N., L'exécution forcée en nature des obligations de faire (art. 387ter C.civ.) In: X., Actualités en droit de l'exécution forcée, 207-226
• MARESCHAL, M., L’article 387ter du Code civil ou le renforcement de la complexité procédurale en matière familiale, Act.dr.fam. 2008, afl. 4, 69-81
• REUSENS, F., Quant au champ d'application de l'article 387ter du Code civil, Rev.trim.dr.fam. 2010, afl. 4, 1238-1239
• BAUGNIET, N., [La compétence des juridictions qui pourraient être amenées à statuer sur une demande introduite sur base de l'article 387ter nouveau du Code civil], Rev.trim.dr.fam. 2008, afl. 1, 215-216
• VANBOCKRIJCK, H., De toepassing van art. 387ter, 1ste lid B.W. in geval van hoger beroep, T.Fam. 2007, afl. 8, 182-184
• CARRE, D., La recevabilité d’une demande fondée sur l’article 387ter du Code civil : deux questions pratiques, Act.dr.fam. 2010, afl. 7, 143-147
 

Rechtspraak:

• Beslagr. Gent 8 mei 2012, RW 2013-14, 1590.
•. HR 17 januari 2014, EB. Tijdschrift voor scheidingsrecht 2014/41; B.E.S. ChlN-A-FAT, "Zware inspanningsverplichting voor de rechter in omgangszaken", EB. Tijdschrift voor scheidingsrecht 2014/61.
•. Jeugdrb. Nijvel 26 februari 2014, Act.dr.fam. 2014, 231;
 

Strafrechtelijk:

Het niet afgeven van kinderen wordt strafbaar gesteld door artikel 432 van het Strafwetboek het misdrijf vereist geen intentie om de andere ouder te krenken het louter niet afgeven maakt het misdrijf uit.

Als ouder is men verplicht om al het mogelijke te doen of om zijn gezag ten aanzien van het kind ten volle aan te wenden om de afgifte te kunnen laten plaatsvinden Gent 30 juni 1998, A.J.T. 1998-99, 318.

vaak wordt ook de noodtoestand ingeroepen om een kind niet mee te geven.

Zie Corr Veurne 23 januari 2007 met noot, RW 2007-2008, 411:

Moet worden vrijgesproken van het misdrijf voorzien in artikel 432 SW: (niet afgeven kinderen) de moeder die slechts tijdelijk de rechterlijke beslissingen in verband met de verblijfsregeling van de kinderen niet naleeft, omdat ze zich vanuit haar perceptie zorgen maakt om de kinderen, gezien de ontwikkelingen binnen het gezin van de vader, en waarbij de verdere evolutie aangeeft dat haar bezorgdheid niet onredelijk was, laat staan te kwader trouw,

I. Op strafrechtelijk gebied

Ingevolge een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 16 december 2000 kreeg de beklaagde een recht op persoonlijk contact met haar kinderen D. en L.G. als volgt:

– om de veertien dagen van de vrijdagavond 18 uur tot de zondagavond 18 uur;

– om de veertien dagen de woensdagnamiddag tot 18 uur die voorafgaat aan het weekend waarin het recht op persoonlijk contact kan worden uitgeoefend;

– in de grote vakantie: in periodes van vijftien dagen beurtelings bij de ouders; in principe de tweede helft van juli en augustus in de pare jaren en de eerste helft van juli en augustus in de onpare jaren,

– de helft van alle overige schoolvakanties: de tweede helft in de pare jaren en de eerste helft in de onpare jaren.

Conform dit arrest mocht de beklaagde de kinderen bij haar hebben op vrijdag 25 juni 2004 vanaf 18 uur tot en met zondag 27 juni 2004 tot 18 uur.

Uit het gerechtelijk onderzoek volgt dat zij aan de burgerlijke partij op 27 juni 2004 liet weten dat ze de kinderen ‘s avonds niet zou meegeven. Uiteindelijk werden de kinderen pas terug aan de burgerlijke partij afgegeven op 31 juli 2004, dit nadat de beklaagde gedurende de tweede helft van juli haar recht op persoonlijk contact had uitgeoefend.

Hieruit volgt dat zij alleszins bewust vanaf 27 juni 2004 vanaf 18 uur tot en met 15 juli 2004 de kinderen niet heeft afgegeven aan de burgerlijke partij.

De beklaagde had twee dagen voordien, namelijk op 25 juni 2004, klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd bij de onderzoeksrechter te Brugge wegens beweerde verwaarlozing en verlating van haar minderjarige dochters door de burgerlijke partij. Zij had op 27 juni 2004 de politie Westkust ingelicht van het feit dat zij de kinderen die dag niet met hun vader zou meegeven. Zij bevestigde deze verklaring op 30 juni 2004 ten overstaan van de verbalisanten.

Zij verklaarde op 14 juli 2004 ten overstaan van de Procureur des Konings: «(...) In de voorbije zes maanden heb ik vastgesteld dat de kinderen bijzonder agressief waren onderling, dat hetzelfde zich voordeed op school, waar mijn oudste dochter, en sedert langer dan zes maanden, constant ruzie maakt, moeilijk kan omgaan met andere mensen, zodat psychologische behandeling werd aangeraden. Ik wijt die agressiviteit of verhoogde agressiviteit in de laatste zes maanden aan de constante ruzies die in die periode voorvielen tussen G. en zijn echtgenote S. Halverwege juni heeft G. halsoverkop zijn echtgenote verlaten en is hij gaan intrekken bij een zekere D.D. te T. Deze vrouw heeft vijf kinderen uit verschillende relaties en ik trok op onderzoek naar T. alwaar ik vernam dat zij een bijzonder slechte reputatie geniet. Ik heb er ook vernomen dat mevrouw D. nog vooraleer G. zijn intrek bij haar genomen had haar kinderen (...) in de steek heeft gelaten om gedurende drie dagen samen met G., die vrachtwagenbestuurder is, op verplaatsing te gaan. Ik heb mij burgerlijke partij gesteld voor de heer onderzoeksrechter te Brugge, daar mijn kinderen een week in dit gezin verbleven hebben, (...), wat ik onverantwoord vind gelet op de tekst die u kan lezen in de kopie van de klacht van de burgerlijke partijstelling. Mijn raadsman heeft op 25 juni 2004 een dagvaarding in kort geding betekend aan G. om op 30 juni 2004 (...) mij het hoederecht te zien toewijzen. Sedert 25 juni 2004 verblijven de kinderen effectief bij mij en weiger ik die af te geven aan G. Ik blijf bij die weigering en ik handel in het belang van de kinderen».

Op 15 juli 2004 bevestigde de beklaagde haar verklaringen zoals afgelegd ten overstaan van de politie Westkust en van de procureur des Konings. Zij verbond er zich toen evenwel toe de kinderen terug ter beschikking te stellen van hun vader.

Uit verdere informatie blijkt dat D.D., bij wie de kinderen van de beklaagde en de burgerlijke partij einde juni 2004 één week verbleven, rechtlijnig en resoluut is in haar dagdagelijkse leven, haar bewoordingen en haar beslissingen. Zij heeft gezag over haar kinderen die beleefd zijn, en haar woning is voorzien van de nodige elementaire luxe en goed onderhouden.

De Rechtbank stelt vast dat de beklaagde, thans 38 jaar oud en met een blanco strafregister, behoudens deze periode begin juli 2004, de rechterlijke beslissingen in verband met de verblijfsregeling van de kinderen steeds naleefde, zowel vóór juli 2004 als nadien.

Het is begrijpelijk dat zij zich, vanuit háár perceptie, vanaf juni 2004 zorgen maakte om de kinderen, gezien de ontwikkelingen binnen het gezin van de vader. De verdere evolutie geeft aan dat haar bezorgdheid niet onredelijk was, laat staan te kwader trouw.

In die omstandigheden volgt de Rechtbank de argumentatie van de verdediging, ingediend ter zitting van 9 januari 2007, die tot de vrijspraak van de beklaagde moet leiden.

..."          

Dwangmaatregelen uitgesproken door de rechtbank

• Hof van Beroep Gent, 01/04/2010, AR 2009-RK-0046, juridat

samenvatting

Ingeval één ouder weigert de rechterlijke beslissing m.b.t. het verblijf van de kinderen uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht om de nodige maatregelen te treffen (bvb het verbeuren van een dwangsom).

In de rechtspraktijk zijn er tegenstrijdige strekkingen over welke rechter hiervoor bevoegd is. Beide partijen kleven de stelling aan dat de rechter die de niet-nageleefde beslissing genomen heeft, bevoegd blijft, ook na het in kracht van gewijsde treden van de echtscheiding. Het hof roept ambtshalve geen exceptie van onbevoegdheid in. Een ingrijpen van de wetgever is wenselijk.

tekst arrest

2009/RK/46 - In de zaak van:

C..................K......., wonende te
...................................,
doch die woonplaats heeft gekozen op het kantoor van haar raadsman, hierna vermeld,
appellante, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzitting van 18 maart 2010- in persoon is verschenen,

tegen:

D.................. C................., clark-chauffeur, wonende te
...................................,
geïntimeerde, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzitting van 18 maart 2010- in persoon is verschenen,

velt het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 17 februari 2009, heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op 7 januari 2009 in kort geding werd verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk.
Daarin werd geoordeeld over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure tussen de partijen.

De zaak werd voor het hof behandeld in openbare terechtzitting van 18 maart 2010.

Beide partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden. Zij waren tevens in persoon aanwezig en werden gehoord.

Eerste advocaat-generaal Anita HARREWYN werd op dezelfde terechtzitting gehoord in haar advies, dat mondeling werd uitgebracht gelet op de omstandigheden van de zaak.

De partijen zagen af van hun recht tot het formuleren van een repliek.

De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien.

De appellante legde een stukkenbundel neer met een inventaris, die 16 stukken vermeldt.

De geïntimeerde legde een stukkenbundel neer met een inventaris, die 7 stukken vermeldt.


de relevante feiten, de procedurevoorgaanden en de vorderingen

1. De partijen huwden op 17 mei 2002.

Zij hebben één kind uit hun huwelijk met name S............. D..........., geboren te ................

2. De geïntimeerde stelde bij dagvaarding van 3 december 2004 een vordering in tot echtscheiding op grond van art. 231 BW (oud), alsmede tot het bekomen van voorlopige maatregelen in kort geding.

De echtscheiding tussen de partijen is blijkbaar inmiddels definitief.

3. Bij beschikking van 23 december 2004 (bij verstek ten aanzien van de geïntimeerde) nam de voorzitter onder meer volgende maatregelen:

- de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door beide ouders;
- het hoofdverblijf van het kind bij de moeder en de inschrijving ervan in het bevolkingsregister op haar woonplaats;
- een secundair verblijf bij de vader de zaterdag om de veertien dagen van 10 tot 18 uur, ingaande op zaterdag 25 december 2004, en telkens met wissel in het station van Roeselare;
- de toekenning van de kinderbijslag aan de moeder;
- de veroordeling van de geïntimeerde tot betaling vanaf 1 januari 2005 van een onderhoudsbijdrage voor het kind van maandelijks 100 EUR en van een persoonlijke onderhoudsuitkering voor de geïntimeerde van eveneens 100 EUR per maand.

De gedingkosten werden gevoegd bij het geding ten gronde.

4. Bij de bestreden beschikking in kort geding van 7 januari 2009 nam de voorzitter (na politioneel onderzoek d.d. 4 december 2008) onder meer volgende maatregelen:

- het verbeuren van een dwangsom van 150 EUR per inbreuk door de appellante op de naleving van het omgangsrecht, vast te stellen na klacht van de geïntimeerde;
- de nieuwe aanvang van het secundair verblijf bij de vader tijdens het tweede weekend dat volgt op de betekening van desbetreffende beschikking.

De appellante werd verwezen in de kosten, begroot op 75 EUR rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van de geïntimeerde.

5. De appellante vordert voor het hof de persoonlijke verschijning van de partijen, minstens een sociale studie te bevelen dan wel minstens het kind te horen.

In afwachting van de bevolen onderzoeksmaatregel vraagt de appellante de schorsing van het omgangsrecht van de geïntimeerde.

Wat betreft de vordering van de geïntimeerde tot het bekomen van een dwangsom vraagt zij deze als ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk, minstens ongegrond af te wijzen.

Tot slot betracht zij de veroordeling van de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten in beide instanties, enkel wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, begroot.

6. De geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoofdberoep.

Bij incidenteel beroep vordert hij een uitbreiding van het secundair verblijf tot elke zaterdag van 10 tot 18 uur, waarbij elke ouder het kind brengt. 

Hij vraagt de verwijzing van de appellante in de kosten van beide instanties, zoals begroot.

7. De appellante vraagt de afwijzing van het incidenteel beroep als ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk, minstens ongegrond.

beoordeling

de ontvankelijkheid van de beroepen

Beide hogere beroepen zijn ontvankelijk.

De overigens niet gestaafde exceptie van onontvankelijkheid van het incidenteel beroep faalt naar recht.

de bevoegdheid van de kort geding rechter (c.q het hof) ex art. 387ter, § 1 BW.

1. Het hof stelt te dezen vast dat de geïntimeerde, bij conclusies neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kort-rijk op 11 september 2008, de voorzitter in kort geding heeft geadieerd onder meer in toepassing van art. 387ter, § 1, 1ste lid BW.

Op dat ogenblik was de echtscheiding tussen de partijen reeds in kracht van gewijsde getreden (stuk 5 van de geïntimeerde: de echtscheiding werd uitgesproken bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 22 september 2006 en de echtscheiding werd overgeschreven in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Roeselare op 25 oktober 2006).

2. Naar luidt van art. 387ter, § 1, 1ste lid BW kan, ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissing m.b.t. het verblijf van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht, die dan de nodige maatregelen kan treffen.

In afwijking van art. 569, 5° Ger.W. - dat bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen - is de bevoegde rechter degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering voor deze laatste wordt gebracht.

Als beginsel geldt dus dat de rechter, die de niet-nageleefde beslissing heeft genomen, optreedt (art. 387ter, § 1, eerste lid BW).

Deze rechter kent de problematiek en is het best geplaatst om te oordelen of het aangewezen is om dwang- of andere uitvoeringsmaatregelen te nemen.

De wetgever heeft nochtans getracht rekening te houden met de versnippering van de bevoegdheden in deze materie over de on-derscheiden rechtscolleges.

Dit is een probleem dat zich vooral stelt bij gehuwde ouders, die zich naargelang van de onderscheiden fases van de procedure (dringende voorlopige maatregelen, voorlopige maatregelen, na echtscheiding) tot verschillende rechtscolleges moeten wenden, met name tot de vrederechter, de voorzitter van de rechtbank rechtsprekend in kort geding en de jeugdrechtbank.

De oplossing die de wetgever in de wet heeft opgenomen, bestaat er in dat indien de zaak, nadat een rechter uitspraak heeft gedaan en er uitvoeringsmoeilijkheden optreden, inmiddels bij een andere rechter aanhangig werd gemaakt, de vordering inzake tenuitvoerlegging voor deze laatste rechter gebracht dient te worden, en niet voor de rechter die gevonnist heeft (art. 387ter, § 1, eerste lid in fine BW).

Deze laatste bepaling geeft in de rechtspraktijk echter aanleiding tot onderscheiden interpretaties.

3. Een eerste strekking houdt voor dat deze wetsbepaling dient gelezen te worden in het licht van de temporele bevoegdheid van de verschillende rechtscolleges: de zaak kan maar aanhangig gemaakt worden bij de oorspronkelijke rechter in zoverre deze nog temporeel bevoegd is.

De voorzitter rechtsprekend in het kader van de voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure overeenkomstig artikel 1280 Ger.W. kan in die optiek, eens de echtscheiding in kracht van gewijsde is getreden, niet meer geadieerd worden i.v.m. het probleem van niet-uitvoering van zijn beschikking.

De gedupeerde ouder moet alsdan een procedure voor de jeugdrechtbank aanhangig maken (H. V....... B..........., "Twee jaar toepassing van de wet van 18 juli 2006 inzake het verblijfsco-ouderschap en de uitvoering en sanctionering van verblijfs- en omgangsregelingen" in P. S........., F. S......... en G. V...............(eds.), Knelpunten echtscheiding, afstamming en verblijfsregelingen, Intersentia, Antwerpen-Oxford, 2009, 230 (met verwijzing naar rechtspraak in voetnoot 177)).

4. Anderen zijn daarentegen van oordeel dat de rechter die de niet-nageleefde beslissing genomen heeft, bevoegd blijft voor de vordering gesteund op artikel 387ter, § 1 BW.

Zij menen aldus dat deze bepaling een prorogatie van bevoegdheid inhoudt zolang geen ander rechter geadieerd werd aangaande de inhoud van de verblijfsregeling (N. G..........., "L'exécution forcée en nature des obligations de faire (art. 387ter C.civ.)" in F. G....... (ed.), Actualités en droit de l'exécution forcée, Comm. Université-Palais, Luik, Anthemis, 2010, 213 (met verwijzing naar rechtspraak in voetnoot 17).

Daarbij steunen zij zich op een letterlijke lezing van de tekst van de wet, die bepaalt: "tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt".

Volgens deze tweede strekking heeft de wetgever willen afwijken van de regels van volstrekte bevoegdheid aangaande betwistingen over het verblijfs- en omgangsrecht en dit in afwachting van de oprichting van een familierechtbank.

5. Op grond van het procedureverloop is het duidelijk dat beide partijen deze tweede strekking aankleven.

Het is immers in die optiek dat de geïntimeerde opnieuw de voorzitter in kort geding heeft geadieerd, hierin nimmer (noch in eerste aanleg, noch in graad van hoger beroep) tegengesproken door de appellante, evenmin als over de wijze van rechtsingang.

Nergens blijkt overigens dat inmiddels een procedure bij de jeugdrechtbank zou zijn aanhangig gemaakt.

In de concrete omstandigheden eigen aan de zaak acht het hof het niet aangewezen om, op grond van de problematiek van de temporele bevoegdheid van de kort geding rechter in eerste aan-leg (c.q. in hoger beroep), een mogelijke exceptie van onbevoegdheid op grond van de eerste strekking ambtshalve in te roepen.

De daaruit voortvloeiende versnippering van bevoegdheden (met procesvertraging) zou trouwens het belang van het kind geenszins dienen.

Gelet op de mogelijke discussie acht het hof een ingrijpen van de wetgever ter zake, ter verduidelijking van de kwestieuze wetsbepaling, wenselijk.

de noodzaak voor het hof om S...........te horen

Het past om S............. te horen vooraleer nader te beslissen.

De te bevelen maatregel belangt haar zeker aan, zonder dat haar mening doorslaggevend kan zijn bij één of andere beslissing over (dwanguitvoering van) het verblijf in haar belang.

Het kind beschikt over het vereiste onderscheidingsvermogen (artikel 931, 3de lid Ger.W.). Het is niet wijs van ene of gene ouder te pogen haar te beïnvloeden.

Om uit de impasse te geraken worden beide partijen best na het verhoor van hun dochter opnieuw door het hof gehoord.

De partijen worden in die zin verzocht op de pleitdatum eveneens aanwezig te zijn.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op het artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

verklaart het principaal en incidenteel beroep ontvankelijk;

alvorens verder recht te doen:

beveelt dat de minderjarige S.................... D..............., geboren te R........................ in persoon zal verschijnen om gehoord te worden in raadkamer van het hof door raadsheer Sabine DE BAUW op

woensdag 14 april 2010 om 15.00 uur

in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Koophandelsplein 23, eerste verdieping, lokaal 35;

bepaalt de termijn voor verzending aan de andere partij en neerlegging van syntheseconclusies ter griffie van het hof voor:

- de appellante uiterlijk op 12 mei 2010;
- de geïntimeerde uiterlijk op 10 juni 2010;

stelt de zaak voor verdere behandeling op de terechtzitting van:

donderdag 24 juni 2010 om 10.30 uur
(gezamenlijke pleitduur 30 minuten)

verzoekt de partijen alsdan ook in persoon aanwezig te zijn;

houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op een april tweeduizend en tien.


zie ook:

Jeugdrechtbank Turnhout 14 juni 2013, T.Fam. 2015/1 , p. 16

samenvatting:

De jeugdrechter (vandaag de familierechtbank) kan een dwangsom opleggen om het persoonlijk contact tussen een minderjarige en een ouder stipt te laten naleven.

Voordeel van de koppeling van de niet uitvoering geven aan het omgangsrecht aan de verbeurte van een dwangsom is dat het contact tussen ouder en kind snel hersteld kan worden zelfs afgedwongen. Het opleggen van een dwangsom in deze omstandigheden is gerechtvaardigd. Ten deze werd een dwangsom opgelegd van 750 euro per keer dat een ouder zou weigeren het kind mee te geven.

tekst vonnis:

Inzake: C.W. t./ D.O.

1. Procedure

( .... )

2. Voorgaanden

Partijen zijn uit de echt gescheiden bij onderlinge toestemming bij vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 9 september 2004.

M.b.t. hun minderjarige kinderen T.O. (zoon) en L.O. (dochter) werd een gelijkmatig verdeeld verblijf voorzien met wissel op vrijdag om 18 uur.

Moeder startte middels verzoekschrift van 17 april 2012 een procedure op waarbij zij ondermeer vorderde dat m.b.t. T.O. het gelijkmatig verdeeld verblijf zou worden hervormd en enkel nog een recht op persoonlijk contact zou worden verleend aan vader in onderling overleg. Vader stelde een tegenvordering in waarbij werd gevraagd dat L.O. bij hem haar hoofdverblijf zou hebben en aan moeder een secundair verblijfsrecht zou worden toegekend.

De jeugdrechtbank achtte het nuttig, alvorens ten gronde te oordelen, om T.O. en L.O. te horen. L.O. werd een eerste maal gehoord op 6 juni 2012. In haar verhoor verklaarde L.O. 'dat ze week-om week naar papa en mama gaat en dat ze het goed vindt'. Wel gaf ze aan 'dat ze vanaf september, wanneer ze naar de middelbare school gaat, liefst van maandag tot vrijdag bij haar papa zou zijn omdat ze denkt dat haar papa en stiefmama haar beter zullen kunnen helpen met haar schoolwerk dan mama omdat ze bij haar mama met veel zijn.'

Na het horen van L.O. oordeelde de jeugdrechtbank in haar vonnis van 3 augustus 2012 dat er geen omstandigheden waren om de verblijfsregeling voor L.O. te wijzigen. De rechtbank motiveerde "dat L.O. 12 jaar oud is en door vader erg onder druk wordt gezet om goed te presteren op school. Zij haalt geen enkel argument aan waarom het verblijf bij moeder niet aangenaam zou zijn". Verder oordeelde de rechtbank "dat het voorbarig is om te speculeren over slechte schoolresultaten en al anticiperend de oorzaak van een eventueel falen bij moeder te leggen."

Vader tekende hoger beroep aan tegen het vonnis. Ook het hof van beroep te Antwerpen bevestigde de verblijfsregeling in zijn arrest van 27 maart 2013 na L.O. op 11 maart 2013 een tweede maal te hebben gehoord.

L.O. gaf in haar verklaring voor het hof wel een reden op waarom ze liever bij vader zou zijn. Ze stelt dat ze bij moeder niet goed kan studeren, dat ze niet altijd op de computer kan omdat de anderen die ook nodig hebben en dat T.O. die in de kamer naast haar zit, zijn muziek nogal luid zet. Bij vader zou het rustiger zijn en kan ze wel altijd de computer gebruiken. Lies verklaarde dat ze met de nieuwe partners van haar ouders goed overeen komt.

Het hof oordeelde dat de week-om-week regeling behouden dient te blijven en dit om volgende reden: 'L.O. is 12,5 jaar en zij zit in het eerste jaar middelbaar.

Haar verblijf is gelijk verdeeld tussen mama en papa in een week-om-week regeling, die blijkbaar goed functioneert. Zij geeft thans aan meer bij papa te willen zijn, doch de beweegredenen daartoe lijken eerder van praktische aard te zijn en ingegeven door de weg van de minste weerstand en mogelijk wat meer luxe en vrijheid in het milieu van de vader. Het belang van een minderjarige loopt evenwel niet noodzakelijk samen met zijn of haar wensen.'

Op 5 april 2013 diende L.O. om 18 uur te worden teruggebracht naar moeder doch vader belde om 17 uur dat hij L.O. niet zou brengen. Nadien volgde er nog officiële briefwisseling tussen de advocaten van partijen. L.O. verblijft sedertdien onafgebroken bij haar vader.

3. Vorderingen

Moeder vordert middels haar verzoekschrift van 9 april 2013 toekenning van een dwangsom om te verzekeren dat vader de verblijfsregeling inzake L.O. zoals gestipuleerd in het vonnis van de jeugdrechtbank van 3 augustus 2012 en zoals bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2013 zal naleven. Zij vraagt tevens artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren voor de tenuitvoerlegging van de dwangsom.

Vader besluit tot de ongegrondheid van de vordering. In ondergeschikte orde vraagt hij L.O. te horen omtrent de reden van weigering om naar moeder te gaan. Minstens vraagt hij dat de op te leggen dwangsom zou worden geplafonneerd tot maximum 1.000 euro, en te zeggen dat er geen reden is om artikel 1412 Ger. W. van toepassing te verklaren.

4. Beoordeling

Onderhavig geschil betreft dus enkel de vordering tot het opleggen van een dwangsom om het naleven van de thans geldende rechterlijke beslissingen aangaande de verblijfsregeling van L.O. te waarborgen.

De verblijfsregeling zelf ligt in deze procedure niet ter beoordeling van de rechtbank voor. Na L.O. hierin telkens te hebben gehoord, hebben de voorgaande uitspraken geoordeeld dat het in het belang is van L.O., die nog geen 13 jaar oud is, om evenveel tijd bij beide ouders door te brengen.

Niettemin bestaat er thans een feitelijke situatie die afwijkt van de tweeverblijfsregeling opgelegd bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing. L.O. verblijft bij vader en gaat niet naar moeder.

Het standpunt van vader is dat L.O. er zelf voor zou kiezen om aan de verblijfsregeling geen uitvoering te geven. De naleving van een rechterlijke beslissing is nochtans de verantwoordelijkheid van de ouders. De ouders hebben de opvoedkundige plicht om hun kinderen aan te zetten tot het naleven van rechterlijke beslissingen. Als verantwoordelijke vader zou de heer D.O. het belang van de stipte naleving van de verblijfsregeling bij moeder moeten beseffen en daar actief aan meewerken. Het volstaat niet te stellen dat hij zijn dochter niet tegenhoudt.

L.O. heeft een schrijven gericht aan de rechtbank, gedateerd 4 april 2013, dit is na het arrest van 27 maart 2013. Hieruit maakt de rechtbank op dat vader L.O. niet naar behoren heeft voorbereid op en ingelicht omtrent de motivering en de draagwijdte van de tussengekomen rechterlijke beslissing. Het is in de eerste plaats de taak van vader en moeder om L.O. uit te leggen dat de rechter heeft beslist in haar belang, ook al wordt dit door het kind ervaren als het 'negeren van haar wensen'.

Vader wordt geacht zijn dochter te kunnen bewegen om naar moeder te gaan. Het is alleszins niet in het belang van een dertienjarig meisje om toe te geven aan haar wensen wanneer deze ingaan tegen rechterlijke uitspraken. Het is evenmin in het belang van een kind om de volledige verantwoordelijkheid omtrent de uitvoering van rechterlijke beslissingen in haar schoenen te schuiven, hetgeen vader in deze blijkt te doen. Het is daarentegen volledig in haar belang dat L.O. duidelijk weet aan welke regeling zij zich momenteel wel dient te houden. De ouders dienen hierbij hun onderlinge spanningen opzij te schuiven waardoor de rust in beide gezinnen kan weerkeren en de uitoefening van de week-omweek regeling in betere omstandigheden, zonder onderhuidse spanningen, kan verlopen. De houding van L., die volgens vader elk contact met moeder zou weigeren, blijkt ook het gevolg te zijn van de verstoorde verstandhouding tussen vader en moeder die blijkbaar op de spits werd gedreven door het skivakantie-incident.

De door vader aangehaalde reden van de weigering van de contacten door L.O. zijn niet van aard om geen uitvoering te geven aan het arrest. De verwijzing van vader naar de afweging van het recht op fysieke integriteit en het recht op bescherming van het gezins- en familieleven betreffen de toepassing van dwangmaatregelen ex artikel 387ter, § 1, vijfde lid BW en niet het uitspreken van de dwangsom. De dwangsom op zich, zal L. niet raken. Indien vader het arrest naleeft, zal het evenmin voor hem nadelige gevolgen hebben.

Vader vraagt in ondergeschikte orde om L.O. nogmaals te horen omtrent haar reden van weigering om naar moeder te gaan. Zoals hierboven gesteld is het in eerste instantie vader die zijn ouderlijk gezag dient aan te wenden teneinde ervoor te zorgen dat de verblijfsregeling wordt nageleefd. De rechtbank is van mening dat L.O. hieromtrent niet dient te worden gehoord. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het horen van L.O. voor een derde maal, enkel nog meer onzekerheid in haar hoofde schept.

Vader laat verstaan dat hij niet actief zal meewerken aan de uitvoering van de gerechtelijke uitspraken inzake de verblijfsregeling van L.O. Volgens hem is het bruuskeren van L.O. niet in haar belang. De kans is reëel dat vader het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2013 verder naast zich neer zal blijven leggen, zich verschuilend achter de wil van zijn dochter.

Uit de houding van vader blijkt dat hij zich niet voldoende inspant en niet pedagogisch doortastend optreedt, noch wenst op te treden tegen de weigering van het kind. Nergens blijkt dat vader getracht heeft om L.O., na het arrest van 27 maart 2013, nog positief te motiveren om naar moeder te gaan.

Met het opleggen van een dwangsom beoogt de rechtbank dat vader het verblijf van L.O. bij haar moeder wel stipt zou naleven.

Voordeel van de koppeling van de niet uitvoering geven aan het omgangsrecht aan de verbeurte van een dwangsom is dat het contact tussen moeder en L.O. snel hersteld kan worden zelfs afgedwongen. Het opleggen van een dwangsom in deze omstandigheden is gerechtvaardigd. Een dwangsom van 750 euro per keer dat vader weigert om het kind mee te geven of te brengen op een tijdstip waarop het overeenkomstig het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2013, bij haar moeder dient te verblijven, zoals door moeder gevorderd, komt redelijk voor.

Het bedrag van de dwangsom moet immers voldoende hoog zijn om een afschrikkend karakter te hebben, en een bedrag van 750 euro per keer dat vader weigert of nalaat om het kind naar moeder te brengen, beantwoordt daaraan.

De rechter bepaalt vrij de modaliteiten van de verbeurte van een dwangsom en kan aldus ook ambtshalve de opgelegde dwangsom maximeren. Het moet vermeden worden dat de dwangsommen zouden oplopen tot een fabelachtig bedrag. Er is reden om ambtshalve het bedrag van de dwangsommen te maximeren op een bedrag van 25.000 euro.

Het staat partijen uiteraard vrij om, in het belang van het kind, onderling een afwijkende verblijfsregeling overeen te komen, bijvoorbeeld tijdens de schoolvakanties. Gelet op de bewijsproblematiek bij het verbeuren van de dwangsom dienen zij dit steeds voorafgaandelijk en schriftelijk of per bevestigde e-mail te doen.

OM DEZE REDENEN, ( ... )

Verklaart de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond.

Beveelt dat D.O., geboren ( ), wonend te ( ... ),het verblijfs-

recht van L.O., geboren ( ) bij moeder, zoals bevestigd in

het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart 2013, strikt dient na te leven, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 750 euro te betalen aan C.W. per keer dat hij zou nalaten of weigeren L.O. naar moeder te brengen op een tijdstip waarop ze overeenkomstig voornoemd arrest bij haar moeder dient te verblijven, en dit nadat huidig vonnis aan hem zal zijn betekend.

Maximeert het bedrag van de dwangsommen op 25.000 euro.

Stelt dat voor de tenuitvoerlegging van de dwangsom artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.
 

Nog dit: 

Rechtspraak

• Cass. (1°k) AC C.10.0471.N, 25/02/2011, RABG 2012, afl 5, 290, met noot:

De rechter heeft de mogelijkheid om op basis van artikel 387ter, §3, Burgerlijk Wetboek, in geval van absolute noodzaak en onverminderd de mogelijkheid een beroep te doen op artikel 584 Gerechtelijk Wetboek, bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming te verlenen een beroep te doen op dwangmaatregelen. De rechter is hierbij niet gebonden door eerdere rechterlijke beslissingen over dwangmaatregelen voor de uitvoering van beslissingen met betrekking tot het recht op persoonlijk contact met de kinderen.

• Hof van beroep Brussel 21 maart 2007, T.Fam. 2007, afl. 8, 176 met noot.

De bevoegde rechter inzake uitvoeringsproblemen rond opgelegde maatregelen in graad van beroep gewezen, is niet de rechter die het beroepsarrest heeft gewezen, maar wel de rechter in eerste aanleg.

• Hof van Beroep te Antwerpen, 15e Kamer – 7 september 2009, RW 2010-2011, 1139

Wie een kind niet afgeeft tegen de omgangsregeling in, maakt zich schuldig aan art. 432 Sw. Dit artikel  vereist niet dat de rechterlijke beslissing, waarin uitspraak is gedaan over de bewaring en de omgang van een kind, kracht van gewijsde heft. Evenmin is vereist dat deze beslissing werd betekend. Het volstaat dat de beslissing uitvoerbaar is.

Openbaar ministerie en C.D. t/ T.J.

...

De rechtstreeks gedaagde vraagt de vrijspraak.

Zij voert allereerst aan dat de beslissing in kort geding van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 22 oktober 2007 nog niet definitief is en niet uitvoerbaar is. Het misdrijf van niet-afgifte van een kind vereist niet dat de rechterlijke beslissing, waarin uitspraak is gedaan over de bewaring van een kind, in kracht van gewijsde is gegaan en vereist evenmin dat deze beslissing werd betekend. Het volstaat dat de beslissing uitvoerbaar is, wat in casu, gelet op de aard van de beslissing (kort geding), het geval was.

De schuld van de rechtstreeks gedaagde aan de haar ten laste gelegde feiten, zoals bij tussenarrest gepreciseerd, is bewezen gebleven na hernieuwd onderzoek door het hof ter terechtzitting gedaan en aan de hand van de stukken die vervat zijn in het strafdossier en waarop het hof vermag acht te slaan, en om de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, door de rechtstreeks gedaagde niet weerlegd zijnde, die het hof onderschrijft en alhier overneemt.

...

NOOT – De kennisgeving van de rechterlijke beslissing als bestanddeel van het misdrijf niet-afgifte van kinderen, Bart De Smet, RW 2010-2011, 1139 

• De dwangsom (eventueel in kortgeding gevorderd (Vz. rb. Ieper, 21/12/2010 T.Vred 2012, 1-2, 13)

Advocaten Elfri De Neve en F. Berten

I. Antecedenten

[...]

In de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming waarvan evenwel door geen van de partijen een afschrift wordt voorgelegd was er blijkbaar overeengekomen dat het hoofdverblijf van [M] bij zijn moeder (verweerster) zou worden gevestigd, met een secundair verblijf bij zijn vader (eiser) iedere eerste, derde en eventueel vijfde weekend van de maand vanaf vrijdagavond om 18.00 uur tot zondagavond om 18.00 uur, alsook tijdens de helft van de schoolvakanties, waarbij voorts werd overeengekomen dat de moeder [M] tot bij de vader zou brengen en deze laatste [M] na afloop van het secundaire verblijf opnieuw bij de moeder zou brengen. Tevens werd overeengekomen dat de vader een onderhoudsbijdrage voor [M] zou betalen ten bedrage van 125 europer maand, gekoppeld aan de index, en dat de ouders elk voor de helft zouden instaan voor de buitengewone kosten voor [M].

Deze regeling blijkt aanvankelijk tezijn uitgevoerd, met dien verstande dat de vader blijkbaar instaat voor zowel het ophalen als het terugbrengen van [M]. Wel stelt de eiser dat de regeling rond oktober 2009 werd aangepast naar een bezoekrecht voor (eiser) om de veertien dagen . Het is niet onmiddellijk duidelijk wat hiermee precies wordt bedoeld.

De eiser voert aan zonder op dit punt door de verweerster te worden tegengesproken dat hij [M] sinds april 2010 niet meer te zien krijgt. Volgens de eiser weigert de verweerster hem totaal wederrechtelijk om het secundaire verblijf van [M] uit te oefenen.

Naar aanleiding hiervan diende de eiser meermaals klacht in bij de politie, waarbij hij op 27 september 2010 uiteindelijk overging tot dagvaarding van de verweerster in kortgeding.

II. De vordering

De eiser (in de voorliggende beschikking ook de vader) vordert in hoofdorde dat de bestaande regeling omtrent het verblijf van [M], zoals bepaald in de regelingsakte die bij vonnis van deze rechtbank van 11 januari 2006 werd gehomologeerd, zou worden omgekeerd, in die zin dat hij vordert dat er zou worden gezegd voor recht dat het hoofdverblijf van [M] voortaan bij hem zou worden gevestigd met een secundair verblijf bij de verweerster (in de voorliggende beschikking ook de moeder ), waarbij voortaan de moeder hem een onderhoudsbijdrage van 125 euro per maand zou betalen, evenals de helft van de buitengewone kosten.

In ondergeschikte orde vordert de eiser dat een dwangsom van 750 euro zou worden opgelegd per dag dat de verweerster het secundaire verblijf van de eiser niet naleeft.

III. De procedure [...]

IV. Beoordeling

1. De urgentie en het voorlopig karakter van het gevorderde

De verweerster betwist dat de zaak spoedeisend is en verblijfsregelingpanne die is verstreken tussen het ontstaan van de moeilijkheden omtrent de verblijfsregeling en de dagvaarding in kort geding. Ook het Openbaar Ministerie stelde in zijn mondelinge advies ter terechtzitting in hoofdorde de hoogdringendheid van de vordering in kort geding in vraag.

In zoverre de eiser thans in kort geding een fundamentele wijziging van de verblijfsregeling (en de eraan gekoppelde onderhoudsregeling) van [M] nastreeft, kan zijn vordering in elk geval niet als spoedeisend worden beschouwd, daar niet valt in te zien waarom een dergelijke wijziging dringend” zou

zijn. Het beoordelen van een dergelijke vordering vereist immers een doorgedreven beoordeling van de grond van de zaak, wat in beginsel toekomt aan de bevoegde rechtsmacht in dezen, nl. de jeugdrechtbank.

[...]

Te dezen blijkt de eiser reeds sinds april 2010 te zijn verstoken van enig contact met zijn zoon [M], wat als zodanig een essentieel problematisch gegeven inhoudt, niet alleen in het licht van de rechten van de eiser als vader, maar ook wat de belangen van [M] betreft, die op heden aldus reeds acht maanden geen normaal contact heeft gehad met zijn vader.

In dit verband kan er worden aangenomen dat een gewone behandeling voor de jeugdrechtbank (art. 387bis BW) niet binnen een korte termijn tot een regeling zal leiden, zodat het gevaar bestaat dat [M] de eerstvolgende weken of zelfs maanden verstoken zou blijven van contact met zijn vader, wat de spoedeisendheid aantoont (vgl. F. Swennen en T. Toremans, Kort geding en personen- en familierecht” in Kort geding, Vlaamse Conferentie van de Balie te Antwerpen, Larcier, 2009 (83-143), 126, nr. 116).

Op dit punt en slechts op dit punt wordt de zaak dan ook spoedeisend geacht, nl. in zoverre er thans geen contact meer is tussen [M] en zijn vader.

De maatregel die strekt tot het remediëren van de voormelde problematische situatie, heeft voorts slechts een voorlopig karakter.

De voorzitter, rechtsprekend in kort geding, heeft dan ook de rechtsmacht om de gegrondheid van dit aspect van de vordering inhoudelijk te beoordelen (vgl. Cass. 11 mei 1990, RW 1990-91, 987, met noot J. Laenens; Cass. 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, 956, nr. 244; S. Beernaert in RW 2001-02 (1341-1350), 1342, nrs. 7-8).

Voor het overige, nl. in zoverre er een fundamentele wijziging van de verblijfsregeling en de eraan gekoppelde onderhoudsbijdrage wordt nagestreefd, moet de vordering bij gebrek aan gebleken hoogdringendheid ongegrond worden verklaard.

2. De gevorderde maatregel

Noch uit de door de partijen voorgelegde stukken en de door hun respectievelijke raadslieden meegedeelde gegevens, noch uit de verklaringen die de partijen in persoon aflegden ter terechtzitting van 25 november 2010, valt er een objectieve reden af te leiden waarom het secundaire verblijf van de thans 8jarige [M] bij zijn vader plots, vanaf ongeveer april 2010, geen doorgang meer zou kunnen vinden.

De in dit verband door de moeder geuite bezwaren, zoals deze blijken uit de verklaringen die zij aan de verbalisanten aflegde, kunnen prima facie geenszins overtuigen. De moeder haalt immers een reeks vage bezwaren aan en maakt melding van bijzonder diffuse klachten bij [M], die volgens haar bang”zou zijn om naar zijn vader te gaan. Voorts blijkt zij bij een psycholoog te zijn langs geweest, en heeft zij [M] zelfs op de wachtlijst van het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg L. te Ieper geplaatst.

In zoverre er daadwerkelijk sprake is van ernstige psychische klachten en angsten bij [M], blijkt in elk geval nergens uit dat deze specifiek te wijten zouden zijn aan de omgang met zijn vader, zodat niet valt in te zien waarom de moeder aanstuurt op de tussenkomst van een neutrale persoon, waaromtrent zij zich blijkbaar ook reeds tot het CAW De P.in Ieper heeft gewend (zie de verklaring van de moeder aan lokale politie te Ieper d.d. 23 juli 2010).

Het bovenstaande klemt temeer daar de verblijfsregeling in het verleden blijkbaar geen noemenswaardige problemen opleverde, waarbij niet valt in te zien waarom die problemen er thans plots wel zouden zijn.

Uit de door de vader voorgelegde klachtbrieven blijkt voorts dat de moeder er blijkbaar alles aan doet om het secundaire verblijf van [M] bij de vader te fnuiken. Stuitend is voorts te moeten vaststellen dat de moeder, met flagrante miskenning van het beginsel van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, [M] in een andere school heeft ingeschreven zonder de vader hierin ook maar in het minst te kennen.

In de lijn van het advies van het Openbaar Ministerie, dat op inhoudelijk vlak stelde het standpunt van de vader bij te treden, moet de vordering van de eiser principieel gegrond worden verklaard in zoverre wordt gevorderd om bij wijze van voorlopige matregel een dwangmaatregel, nl. een dwangsom, te koppelen aan de secundaire verblijfsregeling, zoals bepaald in de regelingsakte, voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming.

Dienvolgens wordt bij toepassing van artikel 387ter van het Burgerlijk Wetboek gestatueerd zoals hierna bepaald, waarbij deze maatregel wordt beperkt tot het veertiendaagse verblijf van [M] bij zijn vader, dat duidelijkheidshalve in de voorliggende beschikking wordt heromschreven. Het lijkt daarentegen niet opportuun om bij wijze van voorlopige maatregel ook aan een bijzondere vakantieregeling een dwangsom te koppelen.

De aldus opgelegde maatregel is essentieel voorlopig en zal van rechtswege vervallen in zoverre er uiterlijk binnen de zeven dagen na de betekening van de voorliggende beschikking geen procedure bij de jeugdrechtbank aanhangig zou zijn gemaakt.

OM DEZE REDENEN, [...]

Verklaart het verzoekschrift tot heropening van de debatten ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond;

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:

Zegt bij wijze van voorlopige maatregel voor recht zonder afbreuk te doen aan de wederzijdse rechten en plichten van de partijen zoals bepaald in de regelingsakte, voorafgaand aan hun echtscheiding door onderlinge toestemming dat [M] behoudens andersluidend akkoord tussen de partijen, secundair bij zijn vader (eiser) zal verblijven in de volgende zin, waarbij de vader [M] zal afhalen bij de moeder (verweerster) en hem na afloop van het secundaire verblijf ook zal terugbrengen naar de moeder: alternerend n op de twee weekends zal [M] verblijven bij zijn vader, waarbij het weekend zal aanvangen de vrijdagavond om 18.00 uur en eindigen de zondagavond om 18.00 uur;

Zegt voor recht dat het eerstvolgend weekend dat [M] bij zijn vader (eiser) zal doorbrengen, zal doorgaan op het eerste weekend dat volgt op de betekening van de voorliggende beschikking, en zegt voorts voor recht dat deze voorlopige regeling zal doorlopen tijdens de vakantieperiodes;

Zegt voor recht dat vanaf de betekening van de onderhavige beschikking aan de moeder (verweerster), er door de moeder (verweerster) ten voordele van de vader (eiser) een dwangsom zal worden verbeurd van 350 euro voor elke inbreuk die op het voormelde secundaire verblijf zou worden gemaakt, waarbij onder n inbreuk” wordt verstaan het niet-naleven van een weekendverblijf, overeenkomstig de modaliteiten zoals hierboven nader omschreven;

Zegt voor recht dat er boven het bedrag van 7.000 euro in elk geval geen dwangsom meer verbeurd zal worden;

Zegt voor recht dat de voormelde voorlopige regeling van rechtswege vervalt in zoverre er uiterlijk binnen de zeven dagen na de betekening van de voorliggende beschikking geen procedure bij de jeugdrechtbank aanhangig zou zijn gemaakt.

[...]

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 02/07/2015 - 07:54
Laatst aangepast op: do, 02/07/2015 - 08:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.