tijdelijkheid van het onderhoudsgeld
De nieuwe wet echtscheidingswet voorzag dat op de oude en de nog hangende echtscheiding de beperking zou gelden inzake de duurtijd van de onderhoudsverplichting.
Ook voor deze oude echtscheidingen zou dus voor elke verplichting tot betaling van onderhoudsgeld verstrijken na de tijd die het huwelijk heeft geduurd, te rekenen vanaf 1 september 2007 (art. 42, §5, lid 2 Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding). Wanneer de rechter in een echtscheidingsvonnis uitgesproken voor 1 september 2007 het recht op persoonlijk onderhoudsgeld in tijd had beperkt, dan blijft deze beperkingen gelden, zonder dat deze termijn langer kan zijn dan de tijd die het huwelijk heeft geduurd te rekenen vanaf 1 september 2007 (art. 42, §5, lid 3 Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding).
Het Grondwettelijk Hof heeft op 3 december 2008, RABG 2009/241 met noot (via paswoord jurisquare) en RW 2008-2009, 1466, evenwel artikel 42, § 5, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding vernietigt.
Hierna volgt de tekst van dit arrest:
(VZW C.F.F.B. E.A./MINISTERRAAD)
(Advocaten: Mr. D. Renders en Mr. E. Jacubowitz loco Mr. M. De
Maeyer)
In zake: het beroep tot gehele of gedeeltelijke (art. 7, 42 en 44)
vernietiging van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming
van de echtscheiding, ingesteld door de vzw Conseil des femmes
francophones de Belgiques en anderen.
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december
2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10
december 2007, hebben de VZW C.F.F.B., met maatschappelijke zetel te
B., (...), de VZW V.F., met maatschappelijke zetel te B., (...), de
VZW L.F., met maatschappelijke zetel te Brussel, (...), D.D.,
wonende te I., (...), D.R., wonende te B., (...), en B.M., wonende
te S.-H., (...), beroep tot gehele of gedeeltelijke (art. 7, 42 en
44) vernietiging ingesteld van de wet van 27 april 2007 betreffende
de hervorming van de echtscheiding (bekendgemaakt in het B.S. 7 juni
2007).
De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen
hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft
ook een memorie van wederantwoord ingediend.
(...)
II. In rechte A
A.1.1. De verzoekende partijen zijn, enerzijds, drie verenigingen
met als maatschappelijk doel de verdediging van vrouwen of van het
gezin en, anderzijds, een man en twee vrouwen die in het huwelijk
zijn getreden onder de gelding van de wet die aan de bestreden wet
voorafging, en die, in voorkomend geval, uit de echt zijn gescheiden
en een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding hebben
verkregen bij een vonnis dat is gewezen vóór de bestreden wet van 27
april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding.
Zij voeren een enig middel aan dat is afgeleid uit de schending,
door de artikelen 7, 42 en 44 van de bestreden wet, van de artikelen
10, 11 en 11 bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen
met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van
de mens alsook met artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij
het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen
22 en 23 van de Grondwet, met de algemene beginselen van het recht
op de eerbiediging van het gewijsde, op de eerbiediging van de
verworven rechten, op de eerbiediging van de rechten van de
verdediging alsook op de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen
en de rechtszekerheid en, ten slotte, met de wet van 10 mei 2007 ter
bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.
A.1.2. De verzoekende partijen betwisten in de eerste plaats dat de
artikelen 7, 42 en 44 van de bestreden wet vanaf 1 september 2007 de
regel toepassen volgens welke de duur van de door één van de
ex-echtgenoten verkregen uitkering tot levensonderhoud na
echtscheiding, behoudens buitengewone omstandigheden, niet langer
mag zijn dan de duur van het huwelijk, zelfs indien de echtgenoten
in het huwelijk zijn getreden vóór de inwerkingtreding van de
bestreden wet. Zij voeren in het bijzonder aan dat die bepalingen de
door één van de ex-echtgenoten verkregen uitkering tot
levensonderhoud na echtscheiding beperken tot de duur van het
huwelijk, zelfs al zouden alle aspecten met betrekking tot de
verkregen uitkering tot levensonderhoud het voorwerp hebben
uitgemaakt van een voorheen gewezen onherroepelijk vonnis.
De verzoekende partijen stellen dat de bestreden artikelen daardoor
discriminerend zijn aangezien ze twee fundamenteel verschillende
categorieën van personen op identieke wijze behandelen: enerzijds,
de echtgenoten die in het huwelijk zijn getreden vóór de aanneming
van de bestreden wet, die de fundamentele levenskeuzes hebben kunnen
maken die de wet volgens hen sterk op het spel zou zetten;
anderzijds, de echtgenoten die in het huwelijk zijn getreden of die
in het huwelijk zouden treden vanaf de aanneming van de nieuwe wet,
die zouden weten waaraan ze zich te houden hebben.
De verzoekende partijen stellen verder dat die maatregel
onrechtstreeks maar zeker de categorie van vrouwen in het algemeen
en in het bijzonder die van vrouwen die in het huwelijk zijn
getreden vóór de aanneming van de wet en die zich veeleer aan het
gezin hebben gewijd dan een bezoldigde beroepsactiviteit uit te
oefenen, discrimineert.
Voor het overige zou de wetgever, door de bestreden wet aan te
nemen, het voortaan mogelijk maken, door zijn persoonlijk optreden
en niet meer uitsluitend op basis van elementen die betrekking
hebben op de persoonlijke situatie van één van de echtgenoten, het
evenwicht op de helling te zetten dat werd bereikt met een met het
gezag van gewijsde beklede gerechtelijke beslissing die, per
definitie, geen enkele nieuwe situatie heeft gekend ten aanzien van
één van beide ex-echtgenoten, in tegenstelling tot de algemene
categorie van rechtzoekenden ten aanzien van wie het gezag van
gewijsde door de wetgever niet meer op de helling kan worden gezet.
A.2.1. De Ministerraad stelt dat het aangevoerde middel niet
ontvankelijk is aangezien het in werkelijkheid een lacune in de
wetgeving zou aanklagen en niet een discriminatie met betrekking tot
de tekst van de bestreden wet. De Ministerraad is van mening dat de
overgangsbepaling die volgens de verzoekende partijen had moeten
worden aangenomen, niet op relevante wijze had kunnen uitgaan van
het criterium van een huwelijk gesloten vóór de inwerkingtreding van
de bestreden wet. De Ministerraad stelt dat de partijen hun aandacht
concentreren op de situatie van de echtgenoot die zijn loopbaan
opoffert ten voordele van de opvoeding van en de zorg voor de
kinderen, terwijl het instituut van het huwelijk steeds meer wordt
losgemaakt van de keuze kinderen te hebben.
Bovendien zou het door de verzoekende partijen gewenste verschil in
behandeling onvermijdelijk tot gevolg hebben gehad dat men twee
categorieën van gescheiden personen zou laten voortbestaan waarbij
veruit de grootste categorie is samengesteld uit personen op wie de
nieuwe wet niet van toepassing zou zijn gedurende meerdere
decennia.
A.2.2. De Ministerraad stelt bovendien dat het middel niet gegrond
is.
De omstandigheid dat het recht op de uitkering tot levensonderhoud
ten vroegste pas zal eindigen na een duur die gelijk is aan die van
het huwelijk, vanaf de inwerkingtreding van de wet, zou net zijn
gecreëerd om de betrokken ex-echtgenoot veel tijd te geven om zich
voor te bereiden op het toekomstige verlies van het recht op de
uitkering tot levensonderhoud en om hem in staat te stellen de
maatregelen te nemen om dat te ondervangen.
Bovendien, indien de ex-echtgenoot zich buiten zijn wil om nog in
een staat van behoefte bevindt bij het verstrijken van die periode,
kan de rechtbank de termijn van de uitkering tot levensonderhoud
verlengen, desnoods door die uitkering te verminderen. De uitkering
tot levensonderhoud zou niet moeten worden benaderd vanuit de
invalshoek van een man-vrouw-relatie, maar vanuit de invalshoek
van een onderhoudsplichtige-onderhoudsgerechtigde-relatie.
In zoverre de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang worden
gelezen met de in het middel bedoelde wet van 10 mei 2007, zou de
kritiek onontvankelijk zijn, in de eerste plaats omdat de
Ministerraad niet erin slaagt te bepalen om welke wet van 10 mei
2007 het gaat, en vervolgens omdat de wet van 10 mei 2007 dezelfde
waarde heeft als de bestreden wet, zodat deze daaraan geen afbreuk
kan doen.
De Ministerraad doet nog opmerken dat het recht op de uitkering tot
levensonderhoud onder de gelding van de oude wet niet zo
onaantastbaar was als de verzoekende partijen laten verstaan.
Bovendien vergeten de verzoekende partijen rekening te houden met
het nieuwe artikel 301 § 4, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek,
dat het de rechter mogelijk maakt de duur van de uitkering tot
levensonderhoud te verlengen indien daaraan behoefte wordt gevoeld
door omstandigheden buiten de wil van de onderhoudsgerechtigde om.
De verzoekende partijen lijken ten slotte te stellen dat het
onbeperkt toegekende voordeel van de uitkering tot levensonderhoud
zonder artikel 42 § 5 van de bestreden wet onaantastbaar zou zijn
geweest.
Niets zou echter minder waar zijn, zoals zou blijken uit de
parlementaire voorbereiding, en meer in het bijzonder uit de studie
van professor Yves-Henri Leleu volgens welke de nieuwe wet, zelfs
zonder die bepaling, van toepassing zou zijn geweest op het vonnis
dat de verzoekende partijen verkeerd als onherroepelijk aanmerken.
A.3. De verzoekende partijen antwoorden dat ze niet de
ongrondwettigheid van een lacune in de wetgeving aanvoeren, maar de
ongrondwettigheid van een dispositief dat onmiddellijk op iedereen
van toepassing is zonder in verschillende behandelingen te voorzien
voor categorieën van personen die zich in essentieel verschillende
situaties bevinden.
De verzoekende partijen begrijpen niet waarom het problematisch zou
zijn dat het grootste deel van de gescheiden personen in eerste
instantie onder een oude juridische regeling zou blijven vallen. Zij
herinneren eraan dat de wetgever in 1976, ter gelegenheid van de
hervorming van de huwelijksvermogensstelsels, rekening had gehouden
met de complexiteit van de persoonlijke situaties om
overgangsbepalingen aan te nemen.
Bovendien kan men de solidariteit tussen ex-echtgenoten na
echtscheiding niet op de helling zetten op grond van de enige
omstandigheid dat één van de echtgenoten zou profiteren van de
andere. Indien dat de bedoeling was van de wetgever, had een
clausule moeten worden ingevoerd waardoor de rechter in bepaalde
gevallen de situatie van de ex-echtgenoten van periode tot periode
kon herzien, gelet op de eventuele kwade trouw van één van de
ex-echtgenoten.
De bestreden wet maakt het de rechter weliswaar mogelijk op te
treden in geval van buitengewone omstandigheden. Maar, zo menen de
verzoekende partijen, de gelijkheid zou meer in acht zijn genomen
indien voor de personen die in het huwelijk zijn getreden onder de
gelding van de wet die aan de bestreden wet voorafging, was bepaald
dat de regeling dezelfde is als vroeger, in voorkomend geval,
behoudens buitengewone omstandigheden, wat het bestreden dispositief
zou hebben tenietgedaan en het daarnaast mogelijk zou hebben gemaakt
situaties te corrigeren waarin de ex-echtgenoot die zich in een
staat van behoefte bevindt, te kwader trouw misbruik zou maken van
de situatie.
Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat het argument met
betrekking tot de tegenstrijdigheid van een wet met de artikelen 10,
11 en 1 1bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
een andere wet, volgens een vaste rechtspraak volkomen toelaatbaar
is, precies in zoverre ze in samenhang wordt gelezen met de
Grondwet.
A.4.1. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen uit
het oog verliezen dat de bestreden wet een overgangsregeling invoert
waarin de in artikel 301 § 4 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde
termijn ingaat op de datum van de inwerkingtreding van de bestreden
wet. Zo kan voor een echtpaar waarvan het huwelijk tien jaar zou
hebben geduurd en dat tien jaar vóór de inwerkingtreding van de
bestreden wet uit de echt zou zijn gescheiden, de
onderhoudsgerechtigde nog aanspraak maken op de betaling van de
uitkering tot levensonderhoud gedurende een nieuwe periode van tien
jaar. Die situatie zou het de onderhoudsgerechtigde mogelijk moeten
maken zich
voor te bereiden op het toekomstige verlies van zijn recht op de
uitkering tot levensonderhoud.
A.4.2. Het in de bestreden wet opgenomen criterium van de
buitengewone omstandigheden is een open criterium waarvan de
interpretatie zal afhangen van iedere bijzondere feitelijke
situatie, waardoor de rechtbank, zonder dat dat criterium het
voorwerp dient uit te maken van een of andere aanpassing, rekening
kan houden met bijzondere, buitengewone omstandigheden buiten de wil
van de onderhoudsgerechtigde om
.
A.4.3. Ten slotte herinnert de Ministerraad eraan dat de vraag met
betrekking tot de retroactiviteit van de wet ten aanzien van de
gerechtelijke beslissingen niet echt wordt gesteld, maar wel die
over de onmiddellijke gevolgen van de nieuwe wet. Het gaat er
trouwens niet om het gezag van gewijsde van de gerechtelijke
beslissingen op de helling te zetten aangezien het in de tijd
onbeperkte karakter van de uitkering tot levensonderhoud, behoudens
bij een merkbare wijziging van de situatie van de
onderhoudsplichtige of -gerechtigde, uit de wet voortvloeide. De
wetgever kan de wet echter steeds wijzigen.
B
Ten aanzien van de bestreden bepalingen en van het onderwerp van het
beroep
B.1.1. Artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij
artikel 7 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van
de echtscheiding, bepaalt:
[...]
§ 4. De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het
huwelijk.
In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank de
termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij
bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om
redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte
verkeert. In dit geval beantwoordt het bedrag van de uitkering aan
het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van behoefte van de
uitkeringsgerechtigde te dekken.
[...].
B.1.2. Artikel 42 van de voormelde wet bepaalt: [...]
§ 5. Artikel 301 § 4 van hetzelfde wetboek, zoals gewijzigd bij
artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud,
die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de
inwerkingtreding van deze wet.
Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in
artikel 301 § 4 bepaalde termijn een aanvang op de datum van de
inwerkingtreding van deze wet.
Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van
toepassing, zon
der dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan
overschrijden.
[...].
B.1.3. Artikel 44 van de voormelde wet bepaalt: Deze wet treedt in
werking op 1 september 2007.
B.2. Volgens de Memorie van Toelichting is de hervorming van het
echtscheidingsecht geïnspireerd op de conclusies van de in 2004
gehouden Staten-generaal van het Gezin, waarin met name werd
gesuggereerd een maximumtermijn vast te leggen met betrekking tot de
uitkering tot levensonderhoud, waarbij die beperking een belangrijk
logisch gevolg [is] van het feit dat men de uitkering onafhankelijk
van elke fout zou kunnen toekennen. De wetgever heeft geoordeeld
dat het minst willekeurig lijkt om de maximumtermijn voor het
betalen van een uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding te
bepalen op de termijn van het samenleven, wat billijk leek
aangezien het voor een behoeftige echtgenoot die reeds een bepaalde
leeftijd heeft veel moeilijker [is] om de maatschappelijke draad
weer op te nemen dan voor een jonge persoon (Parl. St. Kamer
2006-07, Doc. 51-2341/001, p. 9 en 10). Het in de tijd beperkte
karakter van de uitkering kan daarenboven worden verklaard door de
bekommernis de uitkeringsgerechtigde ertoe [aan te zetten] [...]
nieuwe bestaansmiddelen aan te boren, iets wat hij misschien zal
hebben veronachtzaamd in de wetenschap dat de uitkering niet in de
tijd beperkt is (Parl. St. Kamer 2006-07, Doc. 51-2341/018, p.
103).
B.3. Het beroep beoogt de vernietiging van de
voormelde bepalingen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt
echter dat de verzoekende partijen niet de nieuwe regeling inzake
onderhoudsuitkering na echtscheiding, vervat in artikel 301 van het
Burgerlijk Wetboek, als zodanig aanvechten, doch slechts de werking
van die nieuwe regeling in de tijd, zoals ze is vastgesteld bij
artikel 42 § 5 van de bestreden wet.
Ten gronde
B.4. De verzoekende partijen leiden een enig middel
af uit de schending, door artikel 42 § 5 van de voormelde wet van 27
april 2007, van de artikelen 10, 11 en 11 bis van de Grondwet, al
dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het
eerste aanvullend protocol bij dat verdrag, met de artikelen 22 en
23 van de Grondwet, met de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van
discriminatie tussen vrouwen en mannen en met de algemene beginselen
van het recht op eerbiediging van het gezag van gewijsde, op
eerbiediging van de verworven rechten, op eerbiediging van de
rechten van de verdediging en op eerbiediging van het gewettigd
vertrouwen en de rechtszekerheid. Zij klagen twee discriminaties
aan.
Met betrekking tot de eerste aangevoerde discriminatie
B.5. De verzoekende partijen voeren aan dat de wetgever, met de
invoering van de nieuwe regeling inzake onderhoudsuitkering, twee
categorieën van personen die zich
in een fundamenteel verschillende situatie bevinden, op dezelfde
wijze behandelt: enerzijds, diegenen die, aangezien zij vóór de
inwerkingtreding van de wet betreffende de hervorming van de
echtscheiding in het huwelijk zijn getreden, keuzes hebben kunnen
maken waarbij één echtgenoot uit werken gaat terwijl de andere zich
met de kinderen en met het gezin zou bezighouden, waarbij de
laatstgenoemde op gewettigde wijze kon vertrouwen op de
omstandigheid dat hij bij een echtscheiding een uitkering tot
levensonderhoud zou genieten zolang zijn financiële situatie,
precair geworden door de gezinskeuze die hij had gemaakt, niet
aanzienlijk zou zijn verbeterd; anderzijds, diegenen die, aangezien
zij in het huwelijk treden ná de inwerkingtreding van de nieuwe wet,
weten waaraan zij zich te houden hebben wat betreft de gevolgen van
die wet ten aanzien van hun rechten op een uitkering tot
levensonderhoud in het geval van een echtscheiding
.
Die situatie zou bovendien een onrechtstreekse discriminatie
uitmaken ten nadele van de vrouwen, aangezien zij, in de overgrote
meerderheid van de gevallen, diegenen zijn die ervoor hebben gekozen
niet te werken of zulks enkel deeltijds te doen, wat door officiële
statistieken wordt bevestigd.
B.6. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich
niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke
doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens
moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende
vereisten van het algemeen belang.
B.7. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht,
vermag hij te oordeen dat die beleidswijziging met onmiddellijke
ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe
gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11
van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling
of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt
waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het
vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat
laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een
bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat
een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het
ontbreken van een overgangsregeling kan verantwoorden.
B.8. De toetreding tot het huwelijk doet voor de personen die in het
huwelijk treden niet de rechtmatige verwachting ontstaan dat de
wettelijke regeling inzake echtscheiding op hen van toepassing zal
blijven, zelfs al oordeelt de wetgever dat hij ze dient te wijzigen
om redenen van algemeen belang.
Artikel 44 van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat die wet in
werking treedt op 1 september 2007. Overeenkomstig artikel 2 van het
Burgerlijk Wetboek is de nieuwe wet van toepassing op de toekomstige
gevolgen van onder het stelsel van de vroegere wet ontstane
situaties die zich voordoen of zich voortzetten onder de gelding van
de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan
onherroepelijk vastgestelde rechten.
B.9. De personen die in het huwelijk waren getreden bij de
inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 en die, op die datum,
geen enkele echtscheidingsprocedure
hebben opgestart, hebben niet het onherroepelijke recht verworven
uit de echt te kunnen scheiden met toepassing van de bepalingen van
de vroegere wet.
B.10. Aangezien de vordering tot echtscheiding die zij met
toepassing van de nieuwe wet zouden instellen, door de bepalingen
van die wet zal worden geregeld, zal hun recht op een uitkering tot
levensonderhoud eveneens door de nieuwe wet worden geregeld, zonder
dat de in het middel aangevoerde bepalingen zijn geschonden.
B. 11. Voor zover erin wordt aangeklaagd dat de bestreden bepalingen
de personen die onder de gelding van de nieuwe wet uit de echt
scheiden, op dezelfde manier behandelen, zonder een onderscheid te
maken naargelang zij vóór of ná de inwerkingtreding van die wet in
het huwelijk zijn getreden, is het middel niet gegrond.
Met betrekking tot de tweede aangevoerde discriminatie
B.12. De verzoekende partijen doen gelden dat door de beperking van
de duur van de uitkering tot levensonderhoud onmiddellijk van
toepassing te maken, zelfs op de uitkeringen die zijn toegekend bij
vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet definitief geworden
rechterlijke beslissingen, de wetgever de in B.3. vermelde
bepalingen schendt, in het bijzonder in zoverre op discriminerende
wijze afbreuk is gedaan aan het gezag van gewijsde dat met die
rechterlijke beslissingen gepaard gaat, alsook aan de gewettigde
verwachtingen van de personen die ze hadden verkregen.
B.13. Artikel 42 van de wet van 27 april 2007 stelt de
overgangsbepalingen vast die met name betrekking hebben op het
nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, dat de vroegere
regeling van de na echtscheiding verschuldigde uitkering tot
levensonderhoud heeft gewijzigd.
Wat betreft het recht op een uitkering van personen die op grond van
bepaalde feiten uit de echt zijn gescheiden vóór de inwerkingtreding
van de wet, heeft de nieuwe wet geen gevolgen voor dat recht dat
definitief is verworven of uitgesloten op de dag van de
inwerkingtreding ervan (art. 42 § 3).
De duur van de uitkering, toegekend vóór 1 september 2007, de datum
van inwerkingtreding van de wet, kan daarentegen niet langer zijn
dan de duur van het huwelijk met toepassing van artikel 42 § 5 van
de bestreden wet, dat verwijst naar het nieuwe artikel 301 § 4 van
het Burgerlijk Wetboek. Die beperking is dus zelfs van toepassing op
de uitkeringen na echtscheiding die zijn vastgesteld bij een vonnis
dat definitief is geworden vóór de inwerkingtreding van de wet.
Indien de uitkering werd toegekend voor onbepaalde duur, wordt ze
beperkt in de tijd en kan de duur ervan niet langer zijn dan de duur
van het huwelijk, waarbij die duur ingaat op de datum van de
inwerkingtreding van de nieuwe wet, namelijk 1 september 2007.
Indien de uitkering werd toegekend voor een bepaalde duur, blijft ze
van toepassing zonder echter een duur die gelijk is aan die van het
huwelijk, die ook op 1 september 2007 ingaat, te kunnen
overschrijden. Ten slotte kan een verlenging van de duur van de
uitkering worden toegekend door de rechter, voor buitengewone
omstandigheden, met toepassing van hetzelfde nieuwe artikel 301 § 4
van het Burgerlijk Wetboek, en onder de bij die bepaling
vastgestelde voorwaarden.
B.14. Die door de wetgever gewenste uitzondering werd verantwoord
doordat, aangezien het een regel met betrekking tot een termijn
betreft, men diende aan te nemen dat ze een procedureregel was en
bijgevolg, volgens de regels van het overgangsrecht, onmiddellijk
van toepassing was, zelfs op de echtscheidingen uitgesproken vóór de
inwerkingtreding van de nieuwe wet. Zo preciseerde de minister van
Justitie:
[...] men [past] de algemene beginselen van het overgangsrecht
[toe] [...], zoals men dat overigens in 1998 heeft gedaan vóór de
nieuwe wet betreffende de verjaring.
Dat is de enige oplossing die de rechten van de partijen met elkaar
verzoent en die het gelijkheidsbeginsel respecteert. (Parl. St.
Senaat 2006-07, nr. 3-2068/4, p. 89).
Over dat standpunt werd lang gediscussieerd. Zo wierp een senatrice
het volgende op:
[...] een wet die de manier regelt waarop men het bedrag van de
onderhoudsuitkering vaststelt [is] geen procedurewet [...], maar een
wet ten gronde. Het overgangsrecht waarover de minister het heeft
geldt dus in dit geval niet.
Waarom bestaan er overigens alleen overgangsbepalingen voor artikel
301 § 4, dit wil zeggen voor de looptijd van de onderhoudsuitkering?
Wat met de toepassing van het overgangsrecht op het principe van de
uitkering zelf en op de berekening ervan? (ibid., p. 90).
De minister heeft geantwoord [...] dat een afwijking van de
algemene principes van het overgangsrecht aanleiding zal geven tot
problemen voor het Arbitragehof (ibid., p. 90).
Een in de Senaat ingediend amendement om § 5 van artikel 42 te
schrappen, werd verworpen. Het werd met name verantwoord door de
volgende overweging:
Deze bepaling doet afbreuk aan het gezag van gewijsde onder de
vorige wet. Het principe is dat beslissingen genomen vóór de
inwerkingtreding van de wet betreffende de alimentatie, niet kunnen
worden herzien. Als de alimentatie in het verleden door de geldende
wetgeving niet werd beperkt in de tijd, kan zij nu ook niet vanaf de
datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, worden beperkt tot de
duur van het huwelijk. Dit zou onbillijk zijn jegens de partijen die
hun rechten hebben verkregen krachtens de oude wetgeving (Parl. St.
Senaat 2006-07, nr. 3-2068/2, amendement nr. 35, p. 32).
B.15. De bestreden bepalingen zouden in geen geval ertoe mogen
leiden rechterlijke beslissingen die in kracht van gewijsde zijn
gegaan, in het geding te brengen. Indien zij een dergelijke
doelstelling zouden hebben, zouden zij de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet schenden doordat zij aan een categorie van personen het
voordeel van rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden,
zouden ontzeggen, wat door geen enkele omstandigheid kan worden
verantwoord.
B.16. Indien in de beslissing tot toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud de duur van die uitkering werd vastgesteld, schendt
artikel 42 § 5, derde lid van de bestreden wet het gezag van
gewijsde aangezien het bepaalt dat die duur van toepassing
[blijft], zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het
tweede lid
kan overschrijden, met andere woorden dat die duur niet langer kan
zijn dan de duur van het huwelijk, waarbij die termijn een aanvang
neemt op de datum van inwerkingtreding van de wet.
B.17. Indien in de beslissing tot toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud geen duur werd vastgesteld, kon die beslissing door
de rechter worden gewijzigd onder de voorwaarden van het vroegere
artikel 301 § 3 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalde:
Indien de uitkering, ingevolge omstandigheden onafhankelijk van de
wil van de uitkeringsgerechtigde, in ruime mate ontoereikend is
geworden om de in § 1 bedoelde toestand te waarborgen, kan de
rechter de uitkering verhogen.
Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende
wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet
meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of
opheffen.
Dit geldt eveneens bij ingrijpende wijziging van de toestand van de
uitkeringsplichtige ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn
wil.
Daaruit volgt dat de rechterlijke uitspraak waarbij een
onderhoudsuitkering werd toegekend, niet kan worden beschouwd als
een beslissing die onherroepelijk vastgestelde rechten doet
ontstaan.
B.1 8. Door echter, onder voorbehoud van de toepassing van het
vroegere artikel 301 § 3 van het Burgerlijk Wetboek, de regeling van
een in de tijd onbeperkte uitkering te vervangen door een regeling
die de uitkering van rechtswege beëindigt na een duur die gelijk is
aan die van het huwelijk, doet de wetgever op discriminerende wijze
afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van de personen wier
situatie onder de gelding van de vroegere wet was vastgesteld en
enkel onder de bij die wet vastgestelde voorwaarden kon worden
gewijzigd.
B.19. Het nieuwe artikel 301 § 4, tweede lid van het Burgerlijk
Wetboek maakt het de rechtbank weliswaar mogelijk de termijn [te]
verlengen, in geval van buitengewone omstandigheden, indien de
uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van die
termijn om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat
van behoefte verkeert. In hetzelfde artikel wordt echter
verduidelijkt dat in dit geval [...] het bedrag van de uitkering
[beantwoordt] aan het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van
behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken, met andere woorden
een bedrag dat meestal veel lager zal zijn dan het bedrag dat werd
toegekend met toepassing van het vroegere artikel 301 § 1 van het
Burgerlijk Wetboek. Volgens die bepaling diende de uitkering de
uitkeringsgerechtigde in staat te stellen rekening houdend met zijn
inkomsten en mogelijkheden, [...] in zijn bestaan te voorzien op een
gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. Het bedrag dat
overeenstemt met de staat van behoefte van de
uitkeringsgerechtigde is eveneens lager dan het bedrag dat wordt
toegekend bij het nieuwe artikel 301 § 3 van het Burgerlijk Wetboek,
volgens hetwelk de rechtbank [...] het bedrag van de
onderhoudsuitkering vast[legt] die ten minste de staat van behoefte
van de uitkeringsgerechtigde moet dekken en die rekening [dient te
houden] met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met
de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de
uitkeringsgerechtigde.
B.20. Hoewel de wetgever vermocht te beslissen dat, voor de met
toepassing van de nieuwe wet uitgesproken echtscheidingen, de
uitkering tot levensonderhoud zal worden bepaald binnen de bij die
wet vastgestelde beperkingen, met name met betrekking tot de duur
ervan, is het niet redelijk verantwoord diezelfde regeling toe te
passen op de uitkeringen die, onder de gelding van de vroegere wet,
zijn toegekend bij vóór de inwerkingtreding van die wet definitief
geworden rechterlijke beslissingen.
B.21. In die mate is het middel gegrond.
Om die redenen,
het Hof
vernietigt artikel 42 § 5 van de wet van 27 april 2007 betreffende
de hervorming van de echtscheiding.
(...)
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site doorzoekbaar met Ctrl-F op uw pc
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.









