Echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT) in de nieuwe echtscheidingswet
|
varianten:
De EOT na feitelijke scheiding van meer dan 6 inwerkingtreding: |
Wenst u een modelovereenkomst te ontvangen |
krachtlijnen van de nieuwe EOT regeling:
de minimumleeftijd van 20 jaar wordt afgeschaft
de minimumduur van het huwelijk, op dit ogenblik twee jaar, wordt
afgeschaft;
de huwelijkspartners worden vrijgesteld van de tweede
verschijning, , wanneer zij aantonen dat ze op het ogenblik waarop
de vordering tot echtscheiding wordt ingediend al meer dan 6 maanden
feitelijk gescheiden zijn.
(art. 1291bis Ger. W. nieuw);
indien er een tweede verschijning EOT noodzakelijk is, dan kunnen
de echtgenoten zich op deze tweede verschijning laten
vertegenwoordigen door een advocaat of een notaris (art. 1294 Ger. W. nieuw);
indien een partij niet verschijnt op de tweede verschijning of in
de loop van de procedure meedeelt dat ze die niet wenst voort te
zetten, dan kan de meest gerede partij de toepassing verzoeken van
artikel 1255 §2, hetgeen betekent dat dan de overgang wordt gemaakt
naar de EOO (art. 1294bis § 1 Ger. W. nieuw);
In dat geval neemt de termijn van een jaar voor het bepalen van de zitting waarin artikel 1255, § 2, tweede lid, voorziet een aanvang op de dag van de in artikel 1289 bedoelde verschijning. Verduidelijking: De echtscheiding onderlinge toestemming waarbij een van de echtgenoten op de tweede verschijning niets meer komt opdagen kan dus op basis van artikel 1255 paragraaf twee worden omgezet in een echtscheiding op basis van onherstelbare ontwrichting volgens de derde variant (artikel 229 paragraaf drie Burgerlijk Wetboek), zijnde de de echtscheiding aangevraagd door huwelijkspartner, zonder medewerking van de andere en na een reflectie periode van meer dan een jaar die volgt op een eerste echtscheidingsaanvraag. Die periode van meer dan een jaar wordt evenwel alsdan verkort in die zin, dat deze periode aanvang neemt vanaf de eerste verschijning voor de rechter met oog op EOT in het kader van artikel 1289 Gerechtelijk Wetboek.
Korter: wanneer een EOT afspringt na de eerste verschijning, kan elke huwelijkspartners, een jaar na de eerste verschijning voor de rechter in het kader van de EOT, de echtscheiding bekomen op grond van onherstelbare ontwrichting op basis van een verklaring voor de rechter in toepassing van artikel 229 paragraaf drie Burgerlijk Wetboek en artikel 1255 paragraaf twee Gerechtelijk Wetboek, juncto artikel 1294 bis §1 Gerechtelijk Wetboek.
Indien afstand wordt gedaan van de EOT procedure, verbinden de overeenkomsten afgesloten tussen partijen in het kader en met oog op de EOT (deze van artikel 1288) de partijen voorlopig, tot er uitspraak is in kortgeding (art. 1280) of tot er andere gehomologeerde akkoorden zijn afgesloten.
hierbij dient de verwezen te worden naar de wet van
31 oktober 2008. Oorspronkelijk werd verwezen naar het behoud van de
maatregelen genomen conform artikel 1287. De wetgever erkende dat
dit een misschrijving was en heeft een en ander gewijzigd naar
artikel 1288 dat betrekking heeft op de verblijfplaats, het
ouderlijk gezag en het levend onderhoud.
Indien de overeenkomsten
niet de vorm van een uitvoerbare titel hebben, wordt, op verzoek van
de meest gerede partij, de zaak bepaald op de rechtsdag van kort
geding, in overeenstemming met artikel 1256.
Indien een van de
partijen daarom verzoekt, spreekt de voorzitter een voorlopige
beschikking uit, in overeenstemming met de overeenkomsten. Deze
bepalingen zoals deze ingeschreven staan in artikel 1294bis, § 2,
van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 36, zijn
niet van toepassing op overeenkomsten die de partijen hebben
getekend vóór de inwerkingtreding van de nieuwe echtscheidingswet.
de uitkering na echtscheiding wordt in principe wijzigbaar in geval van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen (art. 301 § 7 eerste lid B.W. nieuw).
Artikel 301 - § 1. Onverminderd artikel 1257 van het
Gerechtelijk Wetboek kunnen de echtgenoten op elk ogenblik
overeenkomen omtrent de eventuele
uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels
volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien.
Artikel 301 § 7. Zelfs in geval van echtscheiding
door onderlinge toestemming, en uitgezonderd indien de partijen in
dat geval uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen,
kan de rechtbank de uitkering verhogen, verminderen of afschaffen in
het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of door een latere
beslissing, indien ten gevolge van nieuwe omstandigheden
onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet meer
aangepast is.
Indien ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de
vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of van
de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding
geeft tot een wijziging van hun financiële toestand, die een
aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke
het voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten
vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen, kan de rechtbank
eveneens de uitkering aanpassen, tenzij in geval echtscheiding door
onderlinge toestemming.
Indien partijen die reeds meer dan 6 maanden
feitelijk gescheiden leven, aanspraak wensen te maken op één enkele
verschijning, dient dit uitdrukkelijk te worden aangegeven in het
inleidend verzoekschrift.
Tevens is het aangewezen, om de griffie toe te laten de termijn van
meer dan 6 maanden te verifiëren, een historiek van adressen van de
partijen bij te voegen.
wettelijke bepalingen: uittreksels uit het gerechtelijk wetboek
E
CHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE TOESTEMMINGDe nieuwe bepalingen ingevolge de wet toepasselijk vanaf 1 september 2007 worden in het zwart weergegeven. De niet gewijzigde bepalingen worden cursief en in het blauw weergegeven
Artikel 1287 - De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen.
Zij kunnen vooraf een boedelbeschrijving doen opmaken overeenkomstig Hoofdstuk II Boedelbeschrijving van Boek IV.
In dezelfde akte moeten zij vaststellen wat
zij zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 745bis
en 915bis
van het Burgerlijk Wetboek, voor het geval één van hen zou overlijden vóór het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken.
Een letterlijk uittreksel van de akte,
waaruit het bestaan van die overeenkomsten blijkt, moet, voor zover zij betrekking heeft op onroerende goederen, overgeschreven worden op het hypotheekkantoor van het rechtsgebied, waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 2 van de hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913
Artikel 1288 - Zij zijn ertoe gehouden hun overeenkomst omtrent de volgende punten bij geschrift vast te leggen:
1° de verblijfplaats van elk van beide echtgenoten gedurende de proeftijd;
2° het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen en het recht op persoonlijk contact zoals bedoeld in artikel 374, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd, zowel gedurende de proeftijd als na de echtscheiding;
3° de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde kinderen, onverminderd de rechten hen door Hoofdstuk V van Titel V van Boek I van het Burgerlijk Wetboek toegekend;
4° het bedrag van de eventuele uitkering te betalen door de ene echtgenoot aan de andere, gedurende de proeftijd en na de echtscheiding, de formule voor de
eventuele aanpassing van die uitkering aan de kosten van levensonderhoud, de omstandigheden waaronder dit bedrag na de echtscheiding kan worden herzien en de nadere bepalingen ter zake.
Wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen, kunnen de beschikkingen bedoeld in het 2° en het 3° van het voorgaande lid na de echtscheiding worden herzien door de bevoegde rechter
Artikel 1288bis - De vordering wordt ingeleid bij verzoekschrift. Het wordt neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, naar keuze van de echtgenoten. Naast de andere verplichte vermeldingen verwijst het verzoekschrift op straffe van nietigheid naar de als bijlage opgenomen overeenkomsten die worden vereist door de artikelen 1287 en 1288.
Als bijlagen bij het verzoekschrift worden neergelegd:
1° de overeenkomsten opgesteld met toepassing van de artikelen 1287 en 1288;
2° in voorkomend geval, de boedelbeschrijving die in artikel 1287, tweede lid, wordt bedoeld;
3° een uittreksel uit de akten van geboorte en uit de akte van huwelijk van de echtgenoten;
4° een uittreksel uit de akten van geboortevan de kinderen bedoeld in artikel 1254, § 1, tweede lid;
5° een bewijs van nationaliteit van elk van de echtgenoten.
Van het verzoekschrift en de bijlagen worden een origineel en twee afschriften neergelegd. Wanneer de echtgenoten geen kinderen hebben, volstaat één afschrift.
Het origineel van het verzoekschrift wordt door beide echtgenoten of door ten minste een advocaat of notaris ondertekend.
ongewijzigde bepalingen:
Art. 1288ter. <ingevoegd bij W
1994-06-30/33, art. 29, Inwerkingtreding : 1994-10-01> Binnen acht
dagen te rekenen van de neerlegging, zendt de griffie aan de
procureur des Konings twee afschriften van het verzoekschrift en de
bijlagen.
Art. 1289. <W 1994-06-30/33, art. 30, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01> Binnen een maand te rekenen van de dag van de
neerlegging van het verzoekschrift, verschijnen de echtgenoten samen
en in persoon voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg
of voor de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt.
Zij geven hem hun wil te kennen.
Art. 1289bis. <ingevoegd bij W 1994-06-30/33, art. 31,
Inwerkingtreding : 1994-10-01> In uitzonderlijke omstandigheden kan
de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van
voorzitter waarneemt, na inzage van het verzoekschrift en de
bijlagen, bij gemotiveerde beschikking vrijstelling verlenen van
persoonlijke verschijning zoals bepaald in de artikelen 1289 en
1294, en aan een echtgenoot toestemming verlenen om zich te laten
vertegenwoordigen door een bijzondere gemachtigde, advocaat of
notaris.
Art. 1289ter. <ingevoegd bij W 1994-06-30/33, art. 32,
Inwerkingtreding : 1994-10-01> De procureur des Konings brengt
schriftelijk advies uit over de vormvereisten, de toelaatbaarheid
van de echtscheiding en over de inhoud van de overeenkomsten tussen
de echtgenoten met betrekking tot hun minderjarige kinderen.
Het advies wordt ter griffie neergelegd ten laatste op de dag vóór
de verschijning van de echtgenoten bedoeld in artikel 1289, tenzij
het wegens de omstandigheden van de zaak terstond op de zitting van
de verschijning van de echtgenoten schriftelijk of mondeling wordt
uitgebracht, in welk geval dit op het zittingsblad wordt vermeld.
Kan het advies niet tijdig worden uitgebracht, dan wordt de
voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van
voorzitter waarneemt daarvan ten laatste op de dag vóór de zitting
verwittigd en wordt de oorzaak van de vertraging op het zittingsblad
vermeld.
Art. 1290. De rechter houdt aan beide echtgenoten samen en aan ieder
van hen in het bijzonder, (...) zodanige bedenkingen en vermaningen
voor als hij gepast oordeelt hij brengt hun alle gevolgen onder het
oog, waartoe hun stap zal leiden. <W 1-7-1972, art. 4>
(Onverminderd artikel 931, derde tot zevende lid, kan hij aan de
partijen voorstellen de beschikkingen van de overeenkomsten met
betrekking tot hun minderjarige kinderen te wijzigen wanneer die hem
strijdig lijken met de belangen van deze laatsten.
De rechter kan, ten laatste bij de verschijning van de echtgenoten
waarin artikel 1289 voorziet, ambtshalve beslissen tot het horen van
de kinderen, zoals bepaald in artikel 931, derde tot zevende lid.
(De rechter bepaalt, wanneer hij toepassing maakt van het tweede of
het derde lid, binnen een maand na de neerlegging ter griffie van
het proces-verbaal van de eerste verschijning of van het onderhoud
bedoeld in het vorige lid, een nieuwe datum voor de verschijning van
de echtgenoten.) <W 1997-05-20/47, art. 13, 033; Inwerkingtreding :
07-07-1997>
Tijdens deze verschijning kan de rechter de beschikkingen die
kennelijk strijdig zijn met de belangen van de minderjarige kinderen
laten schrappen of wijzigen.) <W 1994-06-30/33, art. 33, 026;
Inwerkingtreding : 1994-10-01>
Art. 1291. <W 1994-06-30/33, art. 34, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01> Indien de aldus voorgelichte echtgenoten in hun
voornemen volharden, verleent de rechter hun ervan akte dat zij de
echtscheiding aanvragen en daarin onderling toestemmen
Artikel 1291bis- Indien de echtgenoten aantonen dat ze op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend al meer dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn, worden ze vrijgesteld van de verschijning waarin voorzien wordt in artikel 1294.In dat geval worden de artikelen 1295 en volgende toegepast.
Art. 1292. <W 1-7-1971, art. 6> De griffier maakt een omstandig
proces-verbaal op van al hetgeen gezegd en gedaan is ter uitvoering
van de artikelen 1289 tot 1291; de overgelegde stukken blijven
gevoegd bij het proces-verbaal.
Hij zendt, binnen vijftien dagen, aan de procureur des Konings een
eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van de
verschijning (...). <W 1997-05-20/47, art. 14, 033; Inwerkingtreding
: 07-07-1997>
Art. 1293. <W 1994-06-30/33, art. 35, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01> Wanneer de echtgenoten of één van hen nieuwe en
onvoorzienbare omstandigheden aanvoeren waardoor hun toestand, de
toestand van één van hen of die van hun kinderen ingrijpend wordt
gewijzigd en indien daarvan naar behoren het bewijs wordt geleverd,
kunnen zij gezamenlijk een voorstel tot wijziging van hun
oorspronkelijke overeenkomsten ter beoordeling aan de rechter
voorleggen.
Nadat de rechter kennis heeft genomen van het advies van de
procureur des Konings of na toepassing van artikel 931, derde tot
zevende lid, kan hij de partijen oproepen indien hij zulks wenselijk
acht, ten einde hen voor te stellen de voorstellen tot wijziging van
de overeenkomsten met betrekking tot hun minderjarige kinderen aan
te passen, wanneer die hem strijdig lijken met de belangen van deze
laatsten.
De rechter kan, ten laatste bij de verschijning van de echtgenoten
waarin artikel 1294 voorziet, ambtshalve beslissen tot het horen van
de kinderen, zoals bepaald in artikel 931, derde tot zevende lid.
(De rechter bepaalt, wanneer hij toepassing maakt van het tweede of
derde lid, binnen een maand na de neerlegging ter griffie van het
proces-verbaal van de verschijning bedoeld in het tweede lid of van
het onderhoud bedoeld in het derde lid, een nieuwe datum voor de
tweede verschijning waarin artikel 1294 voorziet.
Tijdens deze verschijning kan de rechter de beschikkingen die
kennelijk strijdig zijn met de belangen van de minderjarige kinderen
laten schrappen of wijzigen.) <W 1997-05-20/47, art. 15, 033;
Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Art 1294 - Behoudens in geval van toepassing van artikel 1293, verschijnen de echtgenoten samen en in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat of door een notaris voor de voorzitter van de rechtbank of voor de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt, binnen een maand nadat drie maanden verlopen zijn te rekenen van het proces-verbaal bedoeld in artikel 1292.
Zij hernieuwen hun verklaring en verzoeken de magistraat, ieder afzonderlijk, maar in elkaars tegenwoordigheid, de echtscheiding uit te spreken.
De termijn van drie maanden wordt geschorst zolang, in voorkomend geval, de rechtspleging bepaald in artikel 931, derde tot zevende lid, of in artikel 1290, vierde lid, niet tot een einde is gebracht.
Artikel 1294bis - § 1. Indien een van de partijen niet verschijnt tijdens de zitting waarin artikel 1294 voorziet of in de loop van de procedure meedeelt dat ze die niet wenst voort te zetten, kan de meest gerede partij om de toepassing van artikel 1255 (procedure echtscheiding op basis van onherstelbare ontwrichting) verzoeken. In dat geval neemt de termijn van een jaar voor het bepalen van de zitting waarin artikel 1255, § 2, tweede lid, voorziet een aanvang op de dag van de in artikel 1289 bedoelde verschijning.
§ 2. Indien afstand wordt gedaan van de procedure, verbinden de in artikel 1287 bepaalde overeenkomsten de partijen voorlopig, tot wanneer de artikelen 1257 of 1280 worden toegepast. Indien de overeenkomsten niet de vorm van een uitvoerbare titel hebben, wordt, op verzoek van de meest gerede partij, de zaak bepaald op de rechtsdag van kort geding, in overeenstemming met artikel 1256. Indien een van de partijen daarom verzoekt, spreekt de voorzitter een voorlopige beschikking uit, in overeenstemming met de overeenkomsten.
Noot: De regel inzake de geldigheid van akkoorden die gesloten werden in het kader van een EOT, na het afspringen ervan in toepassing van artikel 1294 bis paragraaf twee Gerechtelijk Wetboek is niet toepasselijk op overeenkomsten die voor 1 september 2007 werden ondertekend. deze oude overeenkomsten EOT , afgesloten voor 1 september 2007, zijn dus voor partijen niet bindend indien de EOT na 1 september 2007 afspringt alvorens de echtscheiding definitief wordt.
Art. 1295. Nadat de rechter aan de echtgenoten zijn opmerkingen
heeft gemaakt, wordt hun, indien zij volharden, akte verleend van
hun verzoek (...): de griffier van de rechtbank maakt een
proces-verbaal op, dat getekend wordt door de rechter en de
griffier, alsmede door de partijen, tenzij dezen verklaren niet te
kunnen tekenen of daartoe niet in staat te zijn, in welk geval
daarvan melding wordt gemaakt. <W 1-7-1972, art. 9>
Art. 1296. De rechter plaatst terstond, onderaan op het
proces-verbaal, zijn beschikking inhoudende dat over een en ander
door hem binnen drie dagen aan de rechtbank in raadkamer verslag zal
worden uitgebracht, op de schriftelijke conclusie van de procureur
des Konings, aan wie de griffier de stukken te dien einde meedeelt.
Art. 1297. <W 1994-06-30/33, art. 37, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01> Indien de procureur des Konings vaststelt dat aan de
wettelijke voorwaarden, naar vorm en inhoud, is voldaan, geeft hij
zijn conclusie in de volgende bewoordingen : " De wet laat toe ".
In het tegenovergestelde geval met zijn conclusie van
ontoelaatbaarheid gemotiveerd zijn.
Art. 1298. De rechtbank kan, wanneer het verslag wordt uitgebracht,
geen andere punten onderzoeken dan die welke in artikel 1297 zijn
vermeld. Blijkt daaruit dat, naar het oordeel van de rechtbank, de
partijen aan de voorwaarden hebben voldaan en de formaliteiten
hebben in acht genomen die door de wet bepaald zijn, dan (spreekt
zij de echtscheiding uit) (en homologeert zij de overeenkomsten met
betrekking tot de minderjarige kinderen); in het tegenovergestelde
geval verklaart de rechtbank dat er geen grond bestaat om (de
echtscheiding uit te spreken) en geeft de redenen van de beslissing
op. <W 1994-06-30/33, art. 38, 026; Inwerkingtreding : 1994-10-01>
<W 1997-05-20/47, art. 17, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Art. 1299. Hoger beroep tegen het vonnis waarbij de echtscheiding is
(uitgesproken) is slechts toegelaten indien het ingesteld wordt door
het openbaar ministerie (binnen één maand) te rekenen van de
uitspraak. Het wordt aan beide echtgenoten betekend. <W
1994-06-30/33, art. 39, 026; Inwerkingtreding : 1994-10-01>
Art. 1300. Hoger beroep tegen het vonnis waarbij beslist is dat er
geen grond bestaat om de echtscheiding (uit te spreken), is slechts
toegelaten indien het ingesteld wordt door beide partijen,
afzonderlijk of gezamenlijk (binnen één maand) te rekenen van de
uitspraak. Het wordt aan de procureur des Konings betekend. <W
1994-06-30/33, art. 40, 026; Inwerkingtreding : 1994-10-01>
Art. 1301. Binnen tien dagen na de betekening van het beroep doet de
procureur des Konings aan de procureur-generaal bij het hof van
beroep de uitgifte toekomen van het vonnis en de stukken waarop dit
is gewezen.
De procureur-generaal geeft schriftelijk zijn conclusie binnen tien
dagen na ontvangst van de stukken; de voorzitter of de raadsheer die
hem vervangt, brengt verslag uit aan het hof van beroep, in
raadkamer, en de eindbeslissing wordt genomen binnen tien dagen na
het overleggen van de conclusie van de procureur-generaal.
Het arrest is niet vatbaar voor verzet.
Art. 1303. (Wanneer de echtscheiding is uitgesproken bij een in
kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier,
binnen één maand, een uittreksel bevattende het beschikkende
gedeelte (en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde
treden) van het vonnis of het arrest bij aangetekende zending met
ontvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
plaats waar het huwelijk voltrokken is of, wanneer het huwelijk niet
in België voltrokken is, aan (de ambtenaar van de burgerlijke stand
van Brussel).) <W 1994-06-30/33, art. 42, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01> <W 1997-05-20/47, art. 18, 033; Inwerkingtreding :
07-07-1997>
Ten aanzien van vonnissen, (gaat die termijn van één maand eerst in)
na het verstrijken van de termijn van hoger beroep en ten aanzien
van arresten, na het verstrijken van de termijn van voorziening in
cassatie. <W 1994-06-30/33, art. 42, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01>
(lid 3 opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 42, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01>
(Binnen één maand na de ontvangst van het uittreksel van het vonnis
of het arrest), schrijft de ambtenaar van de burgerlijke stand het
beschikkend gedeelte over in zijn register; er wordt melding van
gemaakt op de kant van de akte van huwelijk, indien deze in België
is opgemaakt of overgeschreven.
Art. 1304. <W 1994-06-30/33, art. 43, 026; Inwerkingtreding :
1994-10-01> Het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt
uitgesproken, heeft ten aanzien van derden eerst gevolg vanaf de dag
waarop het is overgeschreven. (Ingeval een van de echtgenoten
overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven maar nadat het
vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van
gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit
de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van
overschrijving overeenkomstig artikel 1303.) <W 1997-05-20/47, art.
19, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Ten aanzien van de goederen van de echtgenoten heeft de beslissing
echter gevolg vanaf het proces-verbaal opgemaakt ter uitvoering van
artikel 1292.
Ten aanzien van de persoon van de echtgenoten heeft de echtscheiding
gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde gaat.
Uittreksel uit het B.W. Art. 301.
§ 1. Onverminderd artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen
de echtgenoten op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele
uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels
volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien.
§ 2. Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de
rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een
latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een
uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere
echtgenoot.
De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de
verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de
voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.
In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan
de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen
375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit
dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging
tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van
hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon.
In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek
van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing
over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de
verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening
houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen
van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen
van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels
vaststelt.
§ 3. De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast
die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde
moet dekken.
De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de
echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische
situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen,
baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de
leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de
organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen
tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig
beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate.
De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het
inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot.
§ 4. De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het
huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank
de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat
hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn,
om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van
behoefte verkeert. In dat geval beantwoordt het bedrag van de
uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van
behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken.
§ 5. Indien de verweerder aantoont dat de staat van behoefte van
verzoeker het gevolg is van een eenzijdig door deze laatste genomen
beslissing en zonder dat de noden van de familie deze keuze
gerechtvaardigd hebben, kan hij worden ontheven van het betalen van
de uitkering of slechts verplicht worden tot het betalen van een
verminderde uitkering.
§ 6. De rechtbank die de uitkering toekent, stelt vast dat deze van
rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer
van de consumptieprijzen.
Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer
van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of
het arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde
heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de
twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege
aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het
indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.
Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de
vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad
van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer. De rechtbank kan
nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing
van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen.
§ 7. Zelfs in geval van echtscheiding door onderlinge toestemming,
en uitgezonderd indien de partijen in dat geval uitdrukkelijk het
tegenovergestelde zijn overeengekomen, kan de rechtbank de uitkering
verhogen, verminderen of afschaffen in het vonnis dat de
echtscheiding uitspreekt of door een latere beslissing, indien ten
gevolge van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de
partijen het bedrag ervan niet meer aangepast is. Indien ten gevolge
van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van
het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid die tussen
de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun
financiële toestand, die een aanpassing rechtvaardigt van de
uitkering tot levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis
of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de
vereffeningsrekeningen, kan de rechtbank eveneens de uitkering
aanpassen, tenzij in geval echtscheiding door onderlinge
toestemming.
§ 8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen door een
kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen de
partijen. Op verzoek van de uitkeringsplichtige, kan de rechtbank
eveneens op elk ogenblik de omzetting in een kapitaal toestaan.
§ 9. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding van het huwelijk geen
afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud.
Zij mogen in de loop van de procedure evenwel tot een vergelijk
komen over het bedrag van die uitkering, met inachtneming van de in
artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden.
§ 10. De uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van de
uitkeringsplichtige, maar de uitkeringsgerechtigde mag
levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens de in
artikel 205bis, §§ 2, 3, 4 en 5, bepaalde voorwaarden. De uitkering
eindigt in ieder geval definitief in geval van een nieuw huwelijk
van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste
een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen
anders overeenkomen. De rechter kan de onderhoudsverplichting
beëindigen wanneer de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een
andere persoon als waren zij gehuwd.
§ 11. De rechtbank kan beslissen dat in geval de uitkeringsplichtige
zijn verplichting tot betaling niet nakomt, het de
uitkeringsgerechtigde toegestaan is diens inkomsten of diens
goederen die hij overeenkomstig hun huwelijksvermogensstelsel
beheert, alsmede alle andere bedragen die hem door derden
verschuldigd zijn, in ontvangst te nemen. Deze beslissing kan worden
tegengeworpen aan elke derde, huidige of toekomstige schuldenaar, op
grond van de kennisgeving ervan die hen door de griffier gedaan
wordt op verzoek van de eiser.
§ 12. De rechtbank die een uitspraak doet inzake een uitkering tot
levensonderhoud mag ambtshalve de voorlopige uitvoering van de
beslissing bevelen.».
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site doorzoekbaar met Ctrl-F op uw pc
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.









