-A +A

hervorming echtscheidingsrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

HET ECHTSCHEIDINGSRECHT HERVORMD:

GECOÖRDINEERDE TEKST EN OVERGANGSBEPALINGEN

GECOÖRDINEERDE TEKST

 

OUDE TEKST NIEUWE TEKST

 

BURGERLIJK WETBOEK

BOEK I – PERSONEN

TITEL VI

ECHTSCHEIDING

HOOFDSTUK I

GRONDEN TOT ECHTSCHEIDING

 

 

BURGERLIJK WETBOEK

BOEK I – PERSONEN

TITEL VI

ECHTSCHEIDING

HOOFDSTUK I

GRONDEN TOT ECHTSCHEIDING

 

Artikel 229 - Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd.

 

Artikel 229 - § 1. De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is.

Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting van het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervanredelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die ontwrichting.

Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan met alle wettelijke middelen worden geleverd.

§ 2. De onherstelbare ontwrichting bestaat wanneer de aanvraag gezamenlijk wordt gedaan door de twee echtgenoten, na meer dan zes maanden feitelijk gescheiden te zijn of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan overeenkomstig artikel 1255, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 3. De onherstelbare ontwrichting bestaat ook wanneer de aanvraag wordt gedaan door één enkele echtgenoot na meer dan één jaar feitelijke scheiding of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan

overeenkomstig artikel 1255, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

 

Artikel 230 - […]

 Artikel 230 - De echtgenoten kunnen ook door onderlinge toestemming uit de echtscheiden volgens de voorwaarden die vastgesteld zijn in deel IV, boek IV, hoofdstuk XI, afdeling 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

 Artikel 231 - Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd.

Artikel 231 […]

Artikel 232 - Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar, indien daaruit de duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht.

Echtscheiding kan tevens door een der echtgenoten gevorderd worden, indien de feitelijke scheiding van meer dan twee jaar het gevolg is van de toestand van krankzinnigheid of van diepe geestesgestoordheid waarin de andere echtgenoot zich bevindt en uit deze toestand een duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt, en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht. Die echtgenoot wordt vertegenwoordigd door zijn voogd, zijn algemene of bijzondere voorlopige bewindvoerder of, bij gebreke daarvan, door een beheerder ad hoc vooraf door de  voorzitter van de rechtbank aangewezen op verzoek van de eisende partij.

Artikel 232 […]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 233 - De onderlinge en volgehouden toestemming van de echtgenoten, uitgedruktop de wijze die de wet voorschrijft, onder de voorwaarden en na de proeftijden die zij bepaalt, bewijst voldoende dat het samenleven voor hen ondraaglijk is en dat er, te hunnen opzichte, een afdoende grond tot echtscheiding bestaat.

 

Artikel 233 […]

 

HOOFDSTUK III

ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE

TOESTEMMING

 

HOOFDSTUK III

ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE

TOESTEMMING

 

Artikel 275 - Onderlinge toestemming van de echtgenoten wordt niet toegestaan, indien één van beiden op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek minder dan twintig jaar oud is.

Artikel 275 […]

 

Artikel 276 -

Onderlinge toestemming wordt enkel toegestaan indien het huwelijk aangegaan werd ten minste twee jaar vóór het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 276 […]

 

HOOFDSTUK IV

GEVOLGEN VAN ECHTSCHEIDING

 

HOOFDSTUK IV

GEVOLGEN VAN ECHTSCHEIDING

 

Artikel 299 -

Behalve in geval van onderlinge toestemming verliest de echtgenoot tegen wie de echtscheiding, op welke grond ook, is toegestaan, alle voordelen die de andere echtgenoot hem, hetzij bij hun huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk, verleend heeft.

Artikel 299 -

Behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin verliezen de echtgenoten alle voordelen die ze elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend.

Artikel 300 - De echtgenoot die de echtscheiding verkregen heeft, behoudt de voordelen hem door de andere echtgenoot verleend, al waren die wederkerig bedongen en al heeft geen wederkerigheid plaats.

 

Artikel 300 […]

 

Artikel 301 - § 1. De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. § 2. De rechtbank die de uitkering toekent stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand. Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer. De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen. § 3. Indien de uitkering, ingevolge omstandigheden onafhankelijk van de wil van de uitkeringsgerechtigde, in ruime mate ontoereikend is geworden om de in § 1 bedoelde toestand te waarborgen, kan de rechtbank de uitkering verhogen. Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of opheffen. Dit geldt eveneens bij ingrijpende wijziging van de toestand van de uitkeringsplichtige ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. § 4. Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot § 5. De uitkering kan te allen tijde door een kapitaal worden vervangen op grond van een overeenkomst tussen de partijen gehomologeerd door de rechtbank. De rechtbank kan ook de kapitalisatie te allen tijde toekennen op aanvraag van de tot uitkering gehouden echtgenoot. § 6. De uitkering is niet meer verschuldigd bij het overlijden van de tot uitkering gehouden echtgenoot, maar de echtgenoot aan wie de uitkering toekwam mag levensonderhoud vorderen ten bezware van de nalatenschap, dit volgens de voorwaarden voorzien in artikel 205bis, §§ 2, 3, 4 en 5 van het Burgerlijk Wetboek. 

Artikel 301 - § 1. Onverminderd artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de echtgenoten op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien.

§ 2. Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.

In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon.

In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt.

§ 3. De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde.

Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate. De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot.

§ 4. De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte verkeert. In dat geval beantwoordt het bedrag van de uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken.

§ 5. Indien de verweerder aantoont dat de staat van behoefte van verzoeker het gevolg is van een eenzijdig door deze laatste genomen beslissing en zonder dat de noden van de familie deze keuze gerechtvaardigd hebben, kan hij worden ontheven van het betalen van de uitkering of slechts verplicht worden tot het betalen van een verminderde uitkering.

§ 6. De rechtbank die de uitkering toekent, stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.

Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer. De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen.

§ 7. Zelfs in geval van echtscheiding door onderlinge toestemming, en uitgezonderd indien de partijen in dat geval uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen, kan de rechtbank de uitkering verhogen, verminderen of afschaffen in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of door een latere beslissing, indien ten gevolge van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet meer aangepast is.   Indien ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële toestand, die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen, kan de rechtbank eveneens de uitkering aanpassen, tenzij in geval echtscheiding door onderlinge toestemming.

§ 8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen door een kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen de partijen.

Op verzoek van de uitkeringsplichtige, kan de rechtbank eveneens op elk ogenblik de omzetting in een kapitaal toestaan.

§ 9. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding van het huwelijk geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud. Zij mogen in de loop van de procedure evenwel tot een vergelijk komen over het bedrag van die uitkering,met inachtneming van de in artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden.   § 10. De uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van de uitkeringsplichtige, maar de uitkeringsgerechtigde mag levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens de in artikel 205bis, §§ 2, 3, 4 en 5, bepaalde voorwaarden.

De uitkering eindigt in ieder geval definitief in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen. De rechter kan de onderhoudsverplichting beëindigen wanneer de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd.  § 11. De rechtbank kan beslissen dat in geval de uitkeringsplichtige zijn verplichting tot betaling niet nakomt, het de uitkeringsgerechtigde toegestaan is diens inkomsten of diens goederen die hij overeenkomstig hun huwelijksvermogensstelsel beheert, alsmede alle andere bedragen die hem door derden verschuldigd zijn, in ontvangst te nemen.   Deze beslissing kan worden tegengeworpen aan elke derde, huidige of toekomstige schuldenaar, op grond van de kennisgeving ervan die hen door de griffier gedaan wordt op verzoek van de eiser.  § 12. De rechtbank die een uitspraak doet inzake een uitkering tot levensonderhoud mag ambtshalve de voorlopige uitvoering van de beslissing bevelen. Artikel 301bis […]  Artikel 302 - Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst tussen partijen die gehomologeerd werd zoals bepaald is in artikel 1256 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een beschikking van de voorzitter rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek. 

Artikel 301bis -

 Voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij deze uitkering is vastgesteld, kan de rechtbank gebruik maken van dezelfde bevoegdheden als bij artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aan de vrederechter zijn toegekend. In dat  geval is het bepaalde in het zesde lid van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.

 

Artikel 302 -

Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd zoals bepaald is in artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een beschikking van de voorzitter rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek.

 

Artikel 304 –

De ontbinding van het huwelijke door een in rechte toegestane echtscheiding ontneemt aan de kinderen uit dat huwelijk geen enkel voordeel dat hun door de wetten of door de huwelijksvoorwaarden van hun ouders was verzekerd; maar de rechten zullen aan de kinderen slechts op dezelfde wijze en in dezelfde omstandigheden toekomen als wanneer er geen echtscheiding geweest was

Artikel 304 – 

De ontbinding van het huwelijke door een in rechte uitgesproken echtscheiding ontneemt aan de kinderen uit dat huwelijk geen enkel voordeel dat hun door de wetten of door de huwelijksvoorwaarden van hun ouders was verzekerd; maar de rechten zullen aan de kinderen slechts op dezelfde wijze en in dezelfde omstandigheden toekomen als wanneer er geen echtscheiding geweest was. 

Artikel 306 - Voor de toepassing van de artikelen 299, 300 en 301, wordt de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt op grond van artikel 232, eerste lid, geacht de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding is uitgesproken; de rechtbank kan er anders over beslissen indien de eisende echtgenoot het bewijs levert dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot.

 

Artikel 306 - […]

 

Artikel 307 - Wanneer de echtscheiding wordt toegestaan op grond van artikel 232, tweede lid, behoudt elke echtgenoot de

Artikel 307 […]

 

voordelen van de contractuele erfstellingen tezijnen behoeve gedaan door de andereechtgenoot. De rechtbank kan aan een van de echtgenoten ten laste van de ander, een uitkering tot levensonderhoud verlenen die onderworpen is aan de regels bepaald in het volgende artikel.

 

 

Artikel 307bis - De uitkering tot levensonderhoud krachtens de artikelen 306 en 307 mag een derde gedeelte van de inkomsten van de schuldenaar te boven gaan en worden aangepast of afgeschaft al naar de wijzigingen in de behoeften en de bestaansmiddelen van partijen. De nalatenschap van de schuldenaar, vooroverleden zonder kinderen uit zijn huwelijk met de overlevende achter te laten, is aan de laatstgenoemde levensonderhoud verschuldigd volgens de regels van artikel 205

 

Artikel 307bis [….]

 

HOOFDSTUK V – SCHEIDING VAN TAFEL EN

BED

 

HOOFDSTUK V – SCHEIDING VAN TAFEL EN

BED

 

Artikel 308 - Na uitspraak van de scheidingvan tafel en bed blijft de plicht van hulp alleen bestaan ten voordele van de echtgenoot die de scheiding heeft verkregen.

 

Artikel 308 - Na uitspraak van de scheiding van tafel en bed blijft de plicht van hulp bestaan.

 

Artikel 311bis - De artikelen 299, 300 en 302 zijn mede van toepassing op de scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten. Artikel 304 is van toepassing op de scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten zowel als op die door onderlinge toestemming

 

Artikel 311bis - De artikelen 229, 299, 302 en 304 van hetzelfde Wetboek zijn van toepassing bij scheiding van tafel en bed

 

TITEL VII – AFSTAMMING

HOOFDSTUK II – VASTSTELLING VAN DE

AFSTAMMING VAN VADERSZIJDE

 

TITEL VII – AFSTAMMING

HOOFDSTUK II – VASTSTELLING VAN DE

AFSTAMMING VAN VADERSZIJDE

 

Artikel 316bis - Tenzij de echtgenoten op het

tijdstip van de aangifte van de geboorte een

gemeenschappelijke verklaring afgelegd

hebben, is het in artikel 315 bedoelde

vermoeden van vaderschap niet meer van

toepassing:

1° wanneer het kind geboren is meer dan 300

dagen nadat de rechter de overeenkomst

tussen de partijen heeft bekrachtigd in

verband met de aan de echtgenoten gegeven

machtiging om een afzonderlijke

verblijfplaats te betrekken overeenkomstig

artikel 1258, § 2, van het Gerechtelijk

Wetboek, of na de beschikking van de

voorzitter zitting houdend in kort geding die

de echtgenoten machtigt om een afzonderlijke

verblijfplaats te betrekken, of na neerlegging

van het verzoekschrift bedoeld in artikel

1288bís van hetzelfde Wetboek;

2° wanneer het kind geboren is meer dan 300

dagen na de datum waarop de echtgenoten,

blijkens het bevolkingsregister, het

vreemdelingenregister of het wachtregister, op

verschillende adressen zijn ingeschreven,

voor zover ze nadien niet opnieuw zijn

ingeschreven op hetzelfde adres;

3° wanneer het kind geboren is meer dan 300

dagen na een krachtens artikel 223 door de

vrederechter uitgesproken vonnis waarbij de

echtgenoten gemachtigd worden een

afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, en

minder dan 180 dagen na de datum waarop

deze maatregel verstreken is, of nadat de

echtgenoten feitelijk zijn herenigd.

 

Artikel 316bis - Tenzij de echtgenoten op

het tijdstip van de aangifte van de geboorte

een gemeenschappelijke verklaring afgelegd

hebben, is het in artikel 315 bedoelde

vermoeden van vaderschap niet meer van

toepassing:

1° wanneer het kind geboren is meer dan 300

dagen nadat de rechter de overeenkomst

tussen de partijen heeft bekrachtigd in

verband met de aan de echtgenoten gegeven

machtiging om een afzonderlijke

verblijfplaats te betrekken overeenkomstig

artikel 1256, van het Gerechtelijk Wetboek,

of na de beschikking van de voorzitter zitting

houdend in kort geding die de echtgenoten

machtigt om een afzonderlijke verblijfplaats

te betrekken, of na neerlegging van het

verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bís van

hetzelfde Wetboek;

2° wanneer het kind geboren is meer dan 300

dagen na de datum waarop de echtgenoten,

blijkens het bevolkingsregister, het

vreemdelingenregister of het wachtregister,

op verschillende adressen zijn ingeschreven,

voor zover ze nadien niet opnieuw zijn

ingeschreven op hetzelfde adres;

3° wanneer het kind geboren is meer dan 300

dagen na een krachtens artikel 223 door de

vrederechter uitgesproken vonnis waarbij de

echtgenoten gemachtigd worden een

afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, en

minder dan 180 dagen na de datum waarop

deze maatregel verstreken is, of nad

 

BOEK III – OP WELKE WIJZE EIGENDOM

VERKREGEN WORDT

TITEL V – HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS

HOOFDSTUK II – WETTELIJK STELSEL

AFDELING 5 – ONTBINDING VAN HET

WETTELIJK STELSEL

 

BOEK III – OP WELKE WIJZE EIGENDOM

VERKREGEN WORDT

TITEL V – HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS

HOOFDSTUK II – WETTELIJK STELSEL

AFDELING 5 – ONTBINDING VAN HET

WETTELIJK STELSEL

 

Artikel 1428 - In geval van ontbinding van

het wettelijk stelsel door het overlijden van

een der echtgenoten, door gerechtelijke

scheiding van goederen, door echtscheiding of

scheiding van tafel en bed op een der gronden

vermeld in de artikelen 229, 231 en 232, zijn

de echtgenoten of de langstlevende

echtgenoot gehouden een beschrijving en een

schatting op te maken van de

gemeenschappelijke roerende goederen en

schulden.

Deze beschrijving, waarvan de inhoud

geregeld wordt bij de artikelen 1175 en

volgende van het Gerechtelijk Wetboek, mag

onderhands geschieden, wanneer alle

belanghebbende meerderjarige partijen

daarmee instemmen en ingeval er

minderjarigen of onbekwamen zijn, wanneer

de vrederechter aangezocht bij verzoekschrift

daarmee instemt.

Zij moet opgemaakt worden binnen drie

maanden na het overlijden, de overschrijving

van de echtscheiding of van de scheiding van

tafel en bed of de bekendmaking in het

Belgisch Staatsblad van het uittreksel uit de

beslissing die de scheiding van goederen

uitspreekt.

Bij gebreke van een boedelbeschrijving

binnen die termijn kan elke belanghebbende

partij de omvang van het gemeenschappelijk

vermogen bewijzen door alle wettelijke

middelen, zelfs de algemene bekendheid.

 

Artikel 1428 - In geval van ontbinding van

het wettelijk stelsel door het overlijden van

een der echtgenoten, door gerechtelijke

scheiding van goederen, door echtscheiding

of scheiding van tafel en bed op een der

gronden vermeld in artikel 229, zijn de

echtgenoten of de langstlevende echtgenoot

gehouden een beschrijving en een schatting

op te maken van de gemeenschappelijke

roerende goederen en schulden.

Deze beschrijving, waarvan de inhoud

geregeld wordt bij de artikelen 1175 en

volgende van het Gerechtelijk Wetboek, mag

onderhands geschieden, wanneer alle

belanghebbende meerderjarige partijen

daarmee instemmen en ingeval er

minderjarigen of onbekwamen zijn, wanneer

de vrederechter aangezocht bij verzoekschrift

daarmee instemt.

Zij moet opgemaakt worden binnen drie

maanden na het overlijden, de overschrijving

van de echtscheiding of van de scheiding van

tafel en bed of de bekendmaking in het

Belgisch Staatsblad van het uittreksel uit de

beslissing die de scheiding van goederen

uitspreekt.

Bij gebreke van een boedelbeschrijving

binnen die termijn kan elke belanghebbende

partij de omvang van het gemeenschappelijk

vermogen bewijzen door alle wettelijke

middelen, zelfs de algemene bekendheid.

 

Artikel 1429 - De ontbinding van het

wettelijk stelsel door echtscheiding of

scheiding van tafel en bed op een der gronden

vermeld in de artikelen 229, 231 en 232,

maakt de overlevingsrechten niet

opvorderbaar.

De echtgenoot in wiens voordeel een

contractuele erfstelling is bedongen, behoudt

echter het genot daarvan bij het overlijden van

de andere echtgenoot, behoudens het verval

bedoeld in de artikelen 299 en 311bis.

De ontbinding van het wettelijk stelsel door

scheiding van goederen maakt de

overlevingsrechten niet opvorderbaar; de

echtgenoot in wiens voordeel die rechten zijn

bedongen, behoudt echter de bevoegdheid om

ze uit te oefenen bij het overlijden van de

andere echtgenoot.

 

Artikel 1429 - De ontbinding van het

wettelijk stelsel door echtscheiding of

scheiding van tafel en bed op een der

gronden vermeld in artikel 229, maakt de

overlevingsrechten niet opvorderbaar.

De echtgenoot in wiens voordeel een

contractuele erfstelling is bedongen, behoudt

echter het genot daarvan bij het overlijden

van de andere echtgenoot, behoudens het

verval bedoeld in de artikelen 299 en 311bis.

De ontbinding van het wettelijk stelsel door

scheiding van goederen maakt de

overlevingsrechten niet opvorderbaar; de

echtgenoot in wiens voordeel die rechten zijn

bedongen, behoudt echter de bevoegdheid

om ze uit te oefenen bij het overlijden van de

andere echtgenoot.

 

Artikel 1447 - Wanneer het wettelijk stelsel

eindigt door echtscheiding, scheiding van

tafel en bed of scheiding van goederen, kan

elk der echtgenoten in de loop van de

vereffeningsprocedure aan de rechtbank te

zijnen voordele toepassing van artikel 1446

vragen.

Behoudens uitzonderlijke omstandigheden

wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van

de echtgenoot die slachtoffer is van een feit

als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400,

402, 403 of 405 van het Strafwetboek of van

een poging tot een feit als bedoeld in de

artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde

Wetboek, hetzij wanneer de andere

echtgenoot uit dien hoofde is veroordeeld bij

een in kracht van gewijsde gegane beslissing,

hetzij wanneer de beslissing die de

echtscheiding uitspreekt geheel of gedeeltelijk

op dat feit is gegrond

 

Artikel 1447 - Wanneer het wettelijk stelsel

eindigt door echtscheiding, scheiding van

tafel en bed of scheiding van goederen, kan

elk der echtgenoten in de loop van de

vereffeningsprocedure aan de rechtbank te

zijnen voordele toepassing van artikel 1446

vragen.

Behoudens uitzonderlijke omstandigheden

wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van

de echtgenoot die slachtoffer is van een feit

als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400,

402, 403 of 405 van het Strafwetboek of van

een poging tot een feit als bedoeld in de

artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde

Wetboek, wanner de andere echtgenoot uit

dien hoofde is veroordeeld bij een in kracht

van gewijsde gegane beslissing.

 

De rechtbank beslist met inachtneming van de

maatschappelijke en gezinsbelangen die erbij

betrokken zijn en van de vergoedings- of

vorderingsrechten van de andere echtgenoot.

De rechtbank bepaalt de datum waarop de

eventuele opleg opeisbaar wordt.

De rechtbank beslist met inachtneming van

de maatschappelijke en gezinsbelangen die

erbij betrokken zijn en van de vergoedingsof

vorderingsrechten van de andere

echtgenoot.

De rechtbank bepaalt de datum waarop de

eventuele opleg opeisbaar wordt

 

HOOFDSTUK III – OVEREENKOMSTEN DIE HET

WETTELIJK STELSEL KUNNEN WIJZIGEN

 

HOOFDSTUK III – OVEREENKOMSTEN DIE

HET WETTELIJK STELSEL KUNNEN WIJZIGEN

 

Artikel 1459 - Ontbinding van het stelsel

door echtscheiding of door scheiding van tafel

en bed op een der gronden vermeld in de

artikelen 229, 231 en 232, heeft geen

uitkering van het vooruitgemaakte ten

gevolge.

Ontbinding van het stelsel door scheiding van

goederen heeft geen dadelijke uitkering van

het vooruitgemaakte ten gevolge. De

echtgenoten of de echtgenoot in wiens

voordeel is bedongen, behouden echter hun

rechten voor het geval van overleving.

Wanneer de vooruitmaking bedongen is in het

voordeel van een der echtgenoten, kan deze

van de andere echtgenoot zekerheidsstelling

eisen tot waarborg van zijn rechten

 

Artikel 1459 - Ontbinding van het stelsel

door echtscheiding of door scheiding van

tafel en bed op een der gronden vermeld in

artikel 229, heeft geen uitkering van het

vooruitgemaakte ten gevolge.

Ontbinding van het stelsel door scheiding

van goederen heeft geen dadelijke uitkering

van het vooruitgemaakte ten gevolge. De

echtgenoten of de echtgenoot in wiens

voordeel is bedongen, behouden echter hun

rechten voor het geval van overleving.

Wanneer de vooruitmaking bedongen is in

het voordeel van een der echtgenoten, kan

deze van de andere echtgenoot

zekerheidsstelling eisen tot waarborg van

zijn rechten.

 

GERECHTELIJK WETBOEK

 

GERECHTELIJK WETBOEK

 

DERDE DEEL

BEVOEGDHEID

TITEL III

TERRITORIALE BEVOEGDHEID

Artikel 628 - Tot kennisneming van de

vordering is alleen bevoegd:

1° de rechter van de plaats van de laatste

echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats

van de verweerder, wanneer het gaat om een

vordering tot echtscheiding of tot scheiding

van tafel en bed op grond van bepaalde feiten

of een vordering tot omzetting van de

scheiding van tafel en bed in echtscheiding

(…)

 

DERDE DEEL

BEVOEGDHEID

TITEL III

TERRITORIALE BEVOEGDHEID

Artikel 628 - Tot kennisneming van de

vordering is alleen bevoegd:

1° de rechter van de plaats van de laatste

echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats

van de verweerder, wanneer het gaat om een

vordering tot echtscheiding of tot scheiding

van tafel en bed op grond van onherstelbare

ontwrichting

(…)

 

VIERDE DEEL

BURGERLIJKE RECHTSPLEGING

BOEK II

GEDING

TITEL III

TUSSENGESCHILLEN EN BEWIJS

HOOFDSTUK VIII

BEWIJS

AFDELING X

VASTSTELLING VAN OVERSPEL BIJ

GERECHTSDEURWAARDER

Artikel 1016bis - Het bewijs van overspel als

grond tot echtscheiding kan worden geleverd

door vaststelling bij gerechtsdeurwaarder.

Te dien einde richt de echtgenoot zich bij

verzoekschrift, door hem of door zijn

 

VIERDE DEEL

BURGERLIJKE RECHTSPLEGING

BOEK II

GEDING

TITEL III

TUSSENGESCHILLEN EN BEWIJS

HOOFDSTUK VIII

BEWIJS

AFDELING X

VASTSTELLING VAN OVERSPEL BIJ

GERECHTSDEURWAARDER

Artikel 1016bis - Het bewijs van overspel

[…] kan worden geleverd door vaststelling bij

gerechtsdeurwaarder.

Te dien einde richt de echtgenoot zich bij

verzoekschrift, door hem of door zijn

 

advocaat ondertekend, tot de voorzitter van

de rechtbank van eerste aanleg.

Onverminderd hetgeen in artikel 1026 is

bepaald vermeldt het verzoekschrift alle

nuttige inlichtingen en, op straffe van

nietigheid, de plaats of de plaatsen waar de

vaststellingen kunnen worden gedaan die

wijzen op overspel. Bij het verzoekschrift

wordt een uittreksel van de huwelijksakte van

de verzoeker gevoegd en eventueel alle

stukken tot staving van het verzoek.

De voorzitter van de rechtbank kan een

gerechtsdeurwaarder aanstellen om hem toe

te laten, vergezeld van een officier of een

agent van gerechtelijke politie, een bepaalde

plaats of bepaalde plaatsen binnen te gaan om

de nodige vaststellingen te doen die wijzen

op overspel.

Indien blijkt dat de vaststellingen die wijzen

op overspel eveneens kunnen worden gedaan

buiten het gerechtelijk arrondissement, kan

hij de voorzitter van de plaats waar die

vaststellingen dienen te gebeuren verzoeken

de nodige toelating te verlenen.

De aanwezigheid van de officier of de agent

van gerechtelijke politie is kosteloos.

In zijn bevelschrift bepaalt de voorzitter de

plaats of de plaatsen waar en de periode

waarbinnen de vaststellingen kunnen

gebeuren.

Geen enkele vaststelling mag worden gedaan

tussen 21 uur en 5 uur.

 

advocaat ondertekend, tot de voorzitter van de

rechtbank van eerste aanleg.

Onverminderd hetgeen in artikel 1026 is

bepaald vermeldt het verzoekschrift alle

nuttige inlichtingen en, op straffe van

nietigheid, de plaats of de plaatsen waar de

vaststellingen kunnen worden gedaan die

wijzen op overspel. Bij het verzoekschrift

wordt een uittreksel van de huwelijksakte van

de verzoeker gevoegd en eventueel alle

stukken tot staving van het verzoek.

De voorzitter van de rechtbank kan een

gerechtsdeurwaarder aanstellen om hem toe te

laten, vergezeld van een officier of een agent

van gerechtelijke politie, een bepaalde plaats

of bepaalde plaatsen binnen te gaan om de

nodige vaststellingen te doen die wijzen op

overspel.

Indien blijkt dat de vaststellingen die wijzen

op overspel eveneens kunnen worden gedaan

buiten het gerechtelijk arrondissement, kan

hij de voorzitter van de plaats waar die

vaststellingen dienen te gebeuren verzoeken

de nodige toelating te verlenen.

De aanwezigheid van de officier of de agent

van gerechtelijke politie is kosteloos.

In zijn bevelschrift bepaalt de voorzitter de

plaats of de plaatsen waar en de periode

waarbinnen de vaststellingen kunnen

gebeuren.

Geen enkele vaststelling mag worden gedaan

tussen 21 uur en 5 uur.

 

BOEK IV – BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN

HOOFDSTUK XI – ECHTSCHEIDING,

SCHEIDING VAN TAFEL EN BED EN SCHEIDING

VAN GOEDEREN

AFDELING I – ECHTSCHEIDING OP GROND

VAN BEPAALDE FEITEN

 

BOEK IV – BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN

HOOFDSTUK XI – ECHTSCHEIDING,

SCHEIDING VAN TAFEL EN BED EN SCHEIDING

VAN GOEDEREN

AFDELING I – ECHTSCHEIDING OP GROND

VAN ONHERSTELBARE ONTWRICHTING

 

Artikel 1254 - § 1. Behoudens de in deze

afdeling gestelde uitzonderingen, wordt de

zaak in de gewone vorm ingeleid, behandeld

en beslecht.

 

Artikel 1254 - § 1. Tenzij ze is gegrond op

artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek,

kan de vordering wegens onherstelbare

ontwrichting worden ingesteld bij

verzoekschrift zoals bepaald in de artikelen

1034bis en volgende.

Naast de gewoonlijke vermeldingen

waaronder de identiteit van de betrokken

partijen bevat de gedinginleidende akte in

voorkomend geval de vermelding van de

identiteit van de minderjarige ongehuwde en

niet ontvoogde kinderen waarvan beide

echtgenoten de ouders zijn, van de kinderen

die zij hebben geadopteerd, van de kinderen

van een van hen die de andere heeft

geadopteerd, van elk kind van elk van de

echtgenoten waarvan de afstamming is

vastgesteld, evenals van elk kind dat ze

samen opvoeden.

De gedinginleidende akte bevat, in

voorkomend geval,een gedetailleerde

beschrijving van de feiten en, in de mate van

het mogelijke, alle verzoeken met betrekking

tot de gevolgen van de echtscheiding,

onverminderd § 5.

De gedinginleidende akte kan ook de

eventuele vorderingen bevatten inzake de

voorlopige maatregelen met betrekking tot de

persoon, het levensonderhoud en de goederen,

van zowel de partijen als de minderjarige

ongehuwde en niet ontvoogde kinderen

waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de

 

2. Het exploot van dagvaarding bevat naast

de vermeldingen bepaald in artikel 702, op

straffe van nietigheid, een omstandige

opgave van de feiten en, in voorkomend

geval, de opgave van de identiteit van de

minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde

kinderen waarvan beide echtgenoten de

ouders zijn, van de kinderen die zij hebben

geadopteerd, alsmede van de kinderen van

een hunner die de ander heeft geadopteerd.

Het exploot van de dagvaarding kan ook

eisen bevatten betreffende de voorlopige

maatregelen met betrekking tot de persoon,

het levensonderhoud en de goederen van

zowel de partijen als hun kinderen.

In dat geval kan het exploot van dagvaarding

de vermelding bevatten van de plaats, de dag

en het uur van de terechtzitting in kort

geding.

§ 3. De eiser legt uiterlijk op de

inleidingszitting de volgende stukken neer :

1° een uittreksel uit de akte van huwelijk;

2° een uittreksel uit de akten van geboorte

van de

kinderen bedoeld in § 2;

3° een bewijs van nationaliteit van elk van de

echtgenoten.

Wanneer de stukken ontbreken of onvolledig

zijn, wordt de zaak naar de rol verzonden.

 

kinderen die zij hebben geadopteerd en de

kinderen van een van hen die de andere heeft

geadopteerd. Als de eiser wenst

dat die vorderingen onmiddellijk in kort

geding worden ingeleid, dan wordt de

vordering bij gerechtsdeurwaardersexploot

ingeleid met dagvaarding om te verschijnen

voor de voorzitter, zitting houdend in kort

geding, zoals bepaald in artikel 1280, en voor

de rechtbank.

Bij de gedinginleidende akte dienen voor

ieder van de echtgenoten en de eventuele

kinderen, hiervoor opgesomd, door de

verzoekende partij te worden toegevoegd:

1º een bewijs van identiteit, van nationaliteit

en van de inschrijving in het bevolkings-,

vreemdelingen- of wachtregister;

2º de akten van geboorte van de hierboven

vermelde kinderen;

3º een voor eensluidend verklaard afschrift

van de laatste huwelijksakte en van de laatste

huwelijksovereenkomst;

4º indien deze verschilt met de verblijfplaats

die in het Rijksregister is vermeld, het bewijs

van de huidige verblijfplaats of, in

voorkomend geval, een bewijs van de gewone

verblijfplaats in België sinds meer dan drie

maanden.

Indien de voorgelegde documenten in een

vreemde taal zijn opgemaakt, kan de griffie

om een voor eensluidend verklaarde vertaling

ervan verzoeken.

§ 2. De betrokkenen worden ervan vrijgesteld

de diverse in § 1 vermelde bewijzen van

identiteit, van nationaliteit en van inschrijving

in het bevolkings- of vreemdelingenregister

over te leggen, voor zover de respectieve

betrokkenen op de datum van de

gedinginleidende akte zijn opgenomen in het

Rijksregister van de natuurlijke personen,

opgericht bij de wet van 8 augustus 1983 tot

regeling van een Rijksregister van de

natuurlijke personen. De in dit register

opgenomen gegevens gelden tot bewijs van

het tegendeel. De griffier van de rechtbank

controleert in dat geval de identiteitsgegevens

aan de hand van het Rijksregister en voegt

een uittreksel uit het Rijksregister bij het

dossier.

Er geldt tevens vrijstelling van het overleggen

van:

1º de in § 1 vermelde geboorteakten voor

zover de betrokken kinderen in België

geboren zijn;

2º de huwelijksakte, indien het huwelijk in

België plaatsvond.

In beide gevallen vraagt de griffie van de

rechtbank zelf afschrift van de akte op bij de

houder van het register. Hetzelfde geldt

wanneer de akte in België is overgeschreven

en de griffie de plaats van de overschrijving

ervan kent.

§ 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van

toepassing op een vordering in kort geding.

Ze zijn evenmin van toepassing op personen

die zijn ingeschreven in het wachtregister.

§ 4. Als de vermeldingen van de akte van

rechtsingang onvolledig zijn of indien de

griffie bepaalde informatie niet tijdig kon

verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt

de rechter de meest gerede partij uit de nodige

inlichtingen te verstrekken of het dossier van

de procedure te vervolledigen. Elke partij kan

ook zelf het initiatief nemen om het dossier

samen te stellen.

§ 5. Tot aan de sluiting van de debatten

kunnen de partijen of een van de partijen de

zaak of het voorwerp van de vordering

uitbreiden of wijzigen, tegenvorderingen of

aanvullende vorderingen inleiden, en dit aan

de hand van op tegenspraak genomen

conclusies of door conclusies die aan de

andere echtgenoot worden meegedeeld bij

gerechtsdeurwaardersexploot of bij een ter

post aangetekende brief met ontvangstbewijs.

 

Artikel 1255 - Indien, naar aanleiding van

door de eiser aangevoerde feiten, een

strafvervolging wordt ingesteld, blijft de

rechtsvordering tot echtscheiding geschorst

totdat het arrest of het vonnis van de

strafrechter in kracht van gewijsde gaat;

daarna kan zij worden hervat zonder dat uit

het arrest of het vonnis enige grond van niet

ontvankelijkheid of enige prejudiciële

exceptie tegen de eiser mag worden afgeleid.

 

Artikel 1255 - § 1. Indien de echtscheiding

door de partijen gezamenlijk gevorderd wordt

op grond van artikel 229, § 2, van het

Burgerlijk Wetboek, wordt het verzoekschrift

ondertekend door iedere echtgenoot of ten

minste door een advocaat of een notaris.

Als vaststaat dat de partijen sinds meer dan

zes maanden feitelijk gescheiden zijn, spreekt

de rechter de echtscheiding uit.

Als de partijen niet langer dan zes maanden

feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een

nieuwe zitting vast.

Deze heeft plaats op een datum die

onmiddellijk volgt op het verstrijken van de

termijn van zes maanden, of drie maanden na

de eerste verschijning van de partijen.

Tijdens deze zitting spreekt de rechter de

echtscheiding uit indien de partijen hun wil

hiertoe bevestigen.

Wanneer de rechter de echtscheiding

uitspreekt, homologeert hij desgevallend de

tussen de partijen gesloten akkoorden.

§ 2. Indien de echtscheiding gevorderd wordt

door één van de echtgenoten met toepassing

van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk

Wetboek, spreekt de rechter de echtscheiding

uit als hij vaststelt dat de partijen sinds meer

dan één jaar feitelijk gescheiden zijn.

Als de partijen niet langer dan een jaar

feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een

nieuwe zitting vast.

Deze heeft plaats op een datum die

onmiddellijk volgt op het verstrijken van de

termijn van een jaar, of een jaar na de eerste

zitting. Tijdens deze zitting spreekt de rechter

de echtscheiding uit indien een van de

partijen erom verzoekt.

§ 3. Indien de echtscheiding gevorderd wordt

door één van de echtgenoten en de andere

echtgenoot in de loop van de procedure zich

met die vordering akkoord verklaart, wordt de

echtscheiding uitgesproken, mits het

respecteren van de in § 1 bedoelde termijnen.

§ 4. De feitelijke scheiding van de

echtgenoten kan aangetoond worden door alle

wettelijke middelen, met uitzondering van de

bekentenis en de eed, en onder andere door

voorlegging van een getuigschrift van

woonplaats waaruit inschrijvingen op

verschillende adressen blijken.

§ 5. Indien de echtscheiding door een van de

partijen gevorderd wordt met toepassing van

artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek,

en het bewijs van de onherstelbare

ontwrichting geleverd is, kan de rechter de

echtscheiding dadelijk uitspreken.

§ 6. Behoudens uitzonderlijke

omstandigheden is de persoonlijke

verschijning van de partijen vereist in geval

van een gezamenlijke vordering gebaseerd op

artikel 229, § 2, van het Burgerlijk Wetboek,

in de andere gevallen is de persoonlijke

verschijning van de verzoekende partij

vereist.

De zitting heeft in elk geval plaats in

raadkamer.

Onverminderd artikel 1734 poogt de rechter

de partijen te verzoenen. Hij verstrekt hen alle

nuttige inlichtingen over de rechtspleging en

met name over het nut een beroep te doen op

de bemiddeling waarin het zevende deel van

dit Wetboek voorziet. Hij kan de schorsing

van de procedure bevelen teneinde de partijen

de mogelijkheid te bieden alle nuttige

inlichtingen dienaangaande in te winnen. De

duur van de schorsing mag niet meer

bedragen dan één maand.

§ 7. Als een echtgenoot zich in een toestand

van krankzinnigheid of van diepe

geestesgestoordheid bevindt, wordt hij als

verweerder vertegenwoordigd door zijn

voogd, zijn voorlopige bewindvoerder of, bij

gebreke van dezen, door een beheerder ad

hoc die vooraf door de voorzitter van de

rechtbank aangewezen wordt op verzoek van

de eisende partij.

 

Artikel 1256 […]

 

Artikel 1256 - Op ieder ogenblik kunnen de

partijen de rechter verzoeken hun

overeenkomsten te homologeren over de

voorlopige maatregelen met betrekking tot de

persoon, het levensonderhoud en de goederen

van de echtgenoten of van hun kinderen.

Hij kan weigeren de overeenkomst te

homologeren als deze duidelijk in strijd is met

het belang van de kinderen.

Bij gebrek aan een overeenkomst of in geval

van een gedeeltelijke overeenkomst wordt de

zaak, op verzoek van één van de partijen,

verwezen naar de eerst nuttige zitting van de

zaken in kort geding, voor zover deze nog

niet is ingeschreven op de rol van de zaken in

kort geding. Artikel 803 is van toepassing

 

Artikel 1257 […]

 

Artikel 1257 - Onverminderd artikel 302 van

het Burgerlijk Wetboek zijn de tijdens de

echtscheidingsprocedure gehomologeerde

overeenkomsten of de maatregelen bevolen in

kort geding voorlopig in de zin van artikel

1039, eerste lid, van het Gerechtelijk

Wetboek.

Niettemin kunnen de partijen, na het

verstrijken van een termijn van drie maanden

volgend op de homologatie van hun

overeenkomst of de beschikking in kort

geding, om de bekrachtiging van de

maatregelen door de feitenrechter vragen, dit

keer definitief en ook voor de periode die

volgt op de echtscheiding.

De gedeeltelijke akkoorden inzake de

vereffening van het

huwelijksvermogensstelsel die zijn gesloten

gedurende de echtscheidingsprocedure,

blijven gesloten onder de opschortende

voorwaarden van de definitieve uitspraak van

de echtscheiding en van hun bekrachtiging

tijdens de procedure van vereffening en

verdeling

 

Artikel 1258. - § 1. Indien beide echtgenoten

op de inleidingszitting aanwezig zijn en

indien beiden of één van hen erom

verzoeken, houdt de rechter hun de

bedenkingen voor die hij geschikt oordeelt

om een verzoening te bewerken. De

advocaten van de echtgenoten zijn bij dit

onderhoud niet aanwezig totdat er omtrent de

verzoening is beslist.

Van de verzoening wordt proces-verbaal

opgemaakt.

Wanneer geen verzoening tot stand komt,

wordt artikel 735 toegepast.

§ 2. In voorkomend geval bekrachtigt de

rechter de volledige of gedeeltelijke

overeenstemming van de partijen over de

voorlopige maatregelen met betrekking tot

hun persoon, hun onderhoud en hun goederen

Indien de rechter zulks geraden acht,

bekrachtigt hij de volledige of gedeeltelijke

overeenstemming, van de partijen over de

voorlopige maatregelen met betrekking tot de

persoon, het onderhoud en de goederen van

hun kinderen.

Deze bekrachtigde overeenstemming geldt

als vonnis, zoals bepaald in artikel 1043.

Komt het niet tot een bekrachtigde

overeenstemming, dan verwijst hij op

verzoek van één der partijen de zaak naar de

eerste dienstige terechtzitting in kort geding,

voor zover zij nog niet was ingeschreven op

de rol van de zaken in kort geding. Artikel

803 is van toepassing.

Indien één van de partijen niet verschijnt op

de zitting waarnaar de zaak is verwezen, kan

een verstekvonnis tegen haar worden

gevorderd.

 

Artikel 1258 - Behoudens andersluidende

overeenkomst worden de kosten verdeeld

onder de partijen wanneer de echtscheiding is

uitgesproken op grond van artikel 229, §§ 1

en 2, van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer

de echtscheiding uitgesproken is op grond

van artikel 229, § 1, kan de rechter echter

anders beslissen, rekening houdend met alle

omstandigheden van de zaak.

Ze worden ten laste gelegd van de eisende

partij wanneer de echtscheiding wordt

uitgesproken op grond van artikel 229, § 3,

van het Burgerlijk Wetboek

 

Artikel 1259 - De rechter kan worden

geadieerd door een verzoekschrift dat is

ingediend door de partijen met toepassing

van artikel 1288bis.

In dat geval beveelt de rechter dat de zaak op

de rol wordt doorgehaald. De griffie bepaalt

de procedure voor dat verzoekschrift op

grond van artikel 1288ter en volgende.

 

Artikel 1259 […]

 

Artikel 1267 - De eiser mag in elke stand

van het geding zijn vordering tot

echtscheiding veranderen in een vordering tot

scheiding van tafel en bed.

 

Artikel 1267 […]

 

Artikel 1268 - Aanvullende vorderingen en

tegenvorderingen tot echtscheiding kunnen

bij nieuwe op tegenspraak genomen

conclusies worden ingesteld.

Die vorderingen worden niet als nieuwe

vorderingen beschouwd.

 

Artikel 1268 […]

 

Artikel 1269, alinea 2 - Ingeval artikel 232

van het Burgerlijk Wetboek toepassing heeft

gevonden, wordt melding gemaakt van het

tijdstip waarop de feitelijke scheiding een

aanvang heeft genomen

 

Artikel 1269, alinea 2 […]

 

Artikel 1270bis - Wanneer de vordering tot

echtscheiding wordt ingesteld op grond van

feitelijke scheiding, overeenkomstig artikel

232 van het Burgerlijk Wetboek, mag het

bewijs dat de echtgenoten meer dan twee jaar

gescheiden leven, geleverd worden door alle

rechtsmiddelen, met uitsluiting van de eed.

 

Artikel 1270bis […]

 

Artikel 1274 - De termijn om zich in cassatie

te voorzien begint te lopen, voor op

tegenspraak gewezen arresten, van de dag

van de betekening aan de partijen, voor bij

verstek gewezen arresten, van de dag waarop

het verzet niet meer ontvankelijk is.

Voorziening in cassatie tegen een arrest

waarbij echtscheiding wordt uitgesproken,

schorst de tenuitvoerlegging.

 

Artikel 1274 - De termijn om zich in cassatie

te voorzien tegen een beslissing die de

echtscheiding uitspreekt, wordt vastgesteld op

één maand. Deze termijn en de voorziening in

cassatie schorsen de tenuitvoerlegging

 

Artikel 1275 - § 1. Elk exploot van

betekening van een vonnis of arrest waarbij

de echtscheiding op grond van bepaalde

feiten is uitgesproken, wordt onmiddellijk in

afschrift medegedeeld aan de griffier

 

Artikel 1275 - § 1. Elk exploot van

betekening van een vonnis of arrest waarbij

de echtscheiding […] is uitgesproken, wordt

onmiddellijk in afschrift medegedeeld aan de

griffier

 

Artikel 1282 - De eiser of de verweerder in

het geding tot echtscheiding kan, te rekenen

van de datum waarop de dagvaarding tot

echtscheiding is betekend, in iedere stand van

het geding, tot bewaring van zijn rechten

vorderen dat alle roerende goederen van elke

echtgenoot worden verzegeld. Ontzegeling

geschiedt niet dan onder boedelbeschrijving

en onder verplichting voor de partijen om de

voorwerpen in de inventaris beschreven weer

op te leveren of als gerechtelijk bewaarder

voor de waarde daarvan in te staan.

 

Artikel 1282 - De eiser of de verweerder in

het geding tot echtscheiding kan, te rekenen

van de datum waarop de vordering wordt

ingeleid, in iedere stand van het geding, tot

bewaring van zijn rechten vorderen dat alle

roerende goederen van elke echtgenoot

worden verzegeld. Ontzegeling geschiedt niet

dan onder boedelbeschrijving en onder

verplichting voor de partijen om de

voorwerpen in de inventaris beschreven weer

op te leveren of als gerechtelijk bewaarder

voor de waarde daarvan in te staan.

In ieder geval hebben de partijen de

mogelijkheid om een inventaris te laten

opstellen overeenkomstig hoofdstuk II van

boek IV

 

Artikel 1284 - De rechtsvordering tot

echtscheiding vervalt door de verzoening van

de echtgenoten, tot stand gekomen hetzij na

de feiten die deze rechtsvordering hadden

kunnen rechtvaardigen, hetzij na het instellen

van de vordering tot echtscheiding

 

Artikel 1284 […]

 

Artikel 1285 - In beide gevallen mag de

vordering niet worden toegelaten. De eiser

kan echter een nieuwe vordering instellen op

grond van feiten die zich na de verzoening

hebben voorgedaan, en alsdan van de oude

feiten gebruik maken om zijn nieuwe

vordering te staven.

 

Artikel 1285 […]

 

Artikel 1286 - Indien de eiser tot

echtscheiding ontkent dat er verzoening heeft

plaatsgehad, moet de verweerder het bewijs

daarvan leveren, hetzij door geschrift, hetzij

door getuigen, in de vorm die in dit

hoofdstuk is voorgeschreven

 

Artikel 1286 […]

 

Artikel 1286bis - In afwijking van artikel

1017 van dit Wetboek kan de rechter, in

geval van echtscheiding, uitgesproken op

grond van artikel 232 van het Burgerlijk

Wetboek, de eisende partij in de kosten

verwijzen

 

Artikel 1286bis […]

 

AFDELING II

ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE

TOESTEMMING

Artikel 1287 - De echtgenoten die besloten

hebben tot echtscheiding door onderlinge

toestemming over te gaan, moeten hun

wederzijdse rechten waaromtrent het hun

evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen,

vooraf regelen.

Zij kunnen vooraf een boedelbeschrijving

doen opmaken overeenkomstig Hoofdstuk II

– Boedelbeschrijving van Boek IV.

In dezelfde akte moeten zij vaststellen wat zij

zijn overeengekomen met betrekking tot de

uitoefening van de rechten bedoeld in de

artikelen 745bis en 915bis van het Burgerlijk

Wetboek, voor het geval één van hen zou

overlijden vóór het vonnis of het arrest

waarbij de echtscheiding definitief wordt

uitgesproken.

Deze overeenkomsten hebben geen gevolg,

indien afstand wordt gedaan van de

procedure.

Een letterlijk uittreksel van de akte, waaruit

het bestaan van die overeenkomsten blijkt,

moet, voor zover zij betrekking heeft op

onroerende goederen, overgeschreven

worden op het hypotheekkantoor van het

rechtsgebied, waarbinnen de goederen

gelegen zijn, op de wijze en binnen de

termijnen bepaald bij artikel 2 van de

hypotheekwet van 16 december 1851,

gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913

 

AFDELING II

ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE

TOESTEMMING

Artikel 1287 - De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen.

Zij kunnen vooraf een boedelbeschrijving doen opmaken overeenkomstig Hoofdstuk II – Boedelbeschrijving van Boek IV.

In dezelfde akte moeten zij vaststellen wat zij zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, voor het geval één van hen zou overlijden vóór het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken.  Een letterlijk uittreksel van de akte, waaruit het bestaan van die overeenkomsten blijkt, moet, voor zover zij betrekking heeft op onroerende goederen, overgeschreven worden op het hypotheekkantoor van het rechtsgebied, waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 2 van de hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913

Artikel 1288 - Zij zijn ertoe gehouden hun

overeenkomst omtrent de volgende punten

bij geschrift vast te leggen:

1° de verblijfplaats van elk van beide

echtgenoten gedurende de proeftijd;

2° het gezag over de persoon en het beheer

van de goederen van de kinderen en het recht

op persoonlijk contact zoals bedoeld in

artikel 374, vierde lid, van het Burgerlijk

Wetboek wat betreft de kinderen bedoeld in

artikel 1254, zowel gedurende de proeftijd als

na de echtscheiding;

3° de bijdrage van elk van beide echtgenoten

in het levensonderhoud, de opvoeding en de

passende opleiding van voornoemde

kinderen, onverminderd de rechten hen door

Hoofdstuk V van Titel V van Boek I van het

Burgerlijk Wetboek toegekend;

4° het bedrag van de eventuele uitkering te

betalen door de ene echtgenoot aan de

andere, gedurende de proeftijd en na de

echtscheiding, de formule voor de eventuele

aanpassing van die uitkering aan de kosten

van levensonderhoud, de omstandigheden

waaronder dit bedrag na de echtscheiding kan

worden herzien en de nadere bepalingen ter

zake.

Wanneer nieuwe omstandigheden buiten de

wil van de partijen hun toestand of die van de

kinderen ingrijpend wijzigen, kunnen de

beschikkingen bedoeld in het 2° en het 3° van

het voorgaande lid na de echtscheiding

worden herzien door de bevoegde rechter

 

Artikel 1288 - Zij zijn ertoe gehouden hun overeenkomst omtrent de volgende punten bij geschrift vast te leggen:

1° de verblijfplaats van elk van beide echtgenoten gedurende de proeftijd;

2° het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen en het recht op persoonlijk contact zoals bedoeld in artikel 374, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd, zowel gedurende de proeftijd als na de echtscheiding;

3° de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde kinderen, onverminderd de rechten hen door Hoofdstuk V van Titel V van Boek I van het Burgerlijk Wetboek toegekend;

4° het bedrag van de eventuele uitkering te betalen door de ene echtgenoot aan de andere, gedurende de proeftijd en na de echtscheiding, de formule voor de eventuele aanpassing van die uitkering aan de kosten van levensonderhoud, de omstandigheden waaronder dit bedrag na de echtscheiding kan worden herzien en de nadere bepalingen ter zake.

Wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen, kunnen de beschikkingen bedoeld in het 2° en het 3° van het voorgaande lid na de echtscheiding worden herzien door de bevoegde rechter

Artikel 1288bis - De vordering wordt

ingeleid bij verzoekschrift.

Het wordt neergelegd ter griffie van de

rechtbank van eerste aanleg, naar keuze van

de echtgenoten.

Naast de andere verplichte vermeldingen

verwijst het verzoekschrift op straffe van

nietigheid naar de als bijlage opgenomen

overeenkomsten die worden vereist door de

artikelen 1287 en 1288.

Als bijlagen bij het verzoekschrift worden

neergelegd:

1° de overeenkomsten opgesteld met

toepassing van de artikelen 1287 en 1288;

2° in voorkomend geval, de

boedelbeschrijving die in artikel 1287,

tweede lid, wordt bedoeld;

3° een uittreksel uit de akten van geboorte en

uit de akte van huwelijk van de echtgenoten;

4° een uittreksel uit de akten van geboorte

van de kinderen bedoeld in artikel 1254, § 2,

eerste lid;

5° een bewijs van nationaliteit van elk van de

echtgenoten.

Van het verzoekschrift en de bijlagen worden

een origineel en twee afschriften neergelegd.

Wanneer de echtgenoten geen kinderen

hebben, volstaat één afschrift.

Het origineel van het verzoekschrift wordt

door beide echtgenoten of door ten minste

een advocaat of notaris ondertekend

 

 

Artikel 1288bis - De vordering wordt ingeleid bij verzoekschrift. Het wordt neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, naar keuze van de echtgenoten. Naast de andere verplichte vermeldingen verwijst het verzoekschrift op straffe van nietigheid naar de als bijlage opgenomen overeenkomsten die worden vereist door de artikelen 1287 en 1288.

Als bijlagen bij het verzoekschrift worden neergelegd:

1° de overeenkomsten opgesteld met toepassing van de artikelen 1287 en 1288;

2° in voorkomend geval, de boedelbeschrijving die in artikel 1287, tweede lid, wordt bedoeld;

3° een uittreksel uit de akten van geboorte en uit de akte van huwelijk van de echtgenoten;

4° een uittreksel uit de akten van geboortevan de kinderen bedoeld in artikel 1254, § 1, tweede lid;

5° een bewijs van nationaliteit van elk van de echtgenoten.

Van het verzoekschrift en de bijlagen worden een origineel en twee afschriften neergelegd. Wanneer de echtgenoten geen kinderen hebben, volstaat één afschrift.

Het origineel van het verzoekschrift wordt door beide echtgenoten of door ten minste een advocaat of notaris ondertekend.

 

Artikel 1291bis […]

 

Artikel 1291bis- Indien de echtgenoten aantonen dat ze op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend al meer dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn, worden ze vrijgesteld van de verschijning waarin voorzien wordt in artikel 1294.In dat geval worden de artikelen 1295 en volgende toegepast

 

Art 1294 - Behoudens in geval van

toepassing van artikel 1293, verschijnen de

echtgenoten samen en in persoon voor de

voorzitter van de rechtbank of voor de rechter

die het ambt van voorzitter waarneemt,

binnen een maand nadat drie maanden

verlopen zijn te rekenen van het procesverbaal

bedoeld in artikel 1292.

Zij hernieuwen hun verklaring en verzoeken

de magistraat, ieder afzonderlijk, maar in

elkaars tegenwoordigheid, de echtscheiding

uit te spreken.

De termijn van drie maanden wordt geschorst

zolang, in voorkomend geval, de

rechtspleging bepaald in artikel 931, derde

tot zevende lid, of in artikel 1290, vierde lid,

niet tot een einde is gebracht.

 

Art 1294 - Behoudens in geval van toepassing van artikel 1293, verschijnen de echtgenoten samen en in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat of door een notaris voor de voorzitter van de rechtbank of voor de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt, binnen een maand nadat drie maanden verlopen zijn te rekenen van het proces-verbaal bedoeld in artikel 1292.

Zij hernieuwen hun verklaring en verzoeken de magistraat, ieder afzonderlijk, maar in elkaars tegenwoordigheid, de echtscheiding uit te spreken.

De termijn van drie maanden wordt geschorst zolang, in voorkomend geval, de rechtspleging bepaald in artikel 931, derde tot zevende lid, of in artikel 1290, vierde lid, niet tot een einde is gebracht.

 

Artikel 1294bis […]

 

Artikel 1294bis - § 1. Indien een van de partijen niet verschijnt tijdens de zitting waarin artikel 1294 voorziet of in de loop van de procedure meedeelt dat ze die niet wenst voort te zetten, kan de meest gerede partij om de toepassing van artikel 1255 verzoeken. In dat geval neemt de termijn van een jaar voor het bepalen van de zitting waarin artikel 1255, § 2, tweede lid, voorziet een aanvang op de dag van de in artikel 1289 bedoelde verschijning.

§ 2. Indien afstand wordt gedaan van de procedure, verbinden de in artikel 1288  (wijziging wet  31 oktober 2008) bepaalde overeenkomsten de partijen voorlopig, tot wanneer de artikelen 1257 of 1280 worden toegepast. Indien de overeenkomsten niet de vorm van een uitvoerbare titel hebben, wordt, op verzoek van de meest gerede partij, de zaak bepaald op de rechtsdag van kort geding, in overeenstemming met artikel 1256. Indien een van de partijen daarom verzoekt, spreekt de voorzitter een voorlopige beschikking uit, in overeenstemming met de overeenkomsten

 

AFDELING III

SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

Artikel 1305 - In de gevallen waarin de

echtgenoten, echtscheiding op grond van

bepaalde feiten kunnen vorderen, staat het

hun eveneens vrij een vordering tot scheiding

van tafel en bed in te stellen.

In de gevallen waarin zij uit de echt kunnen

scheiden door onderlinge toestemming, staat

het hun eveneens vrij tot scheiding van tafel

en bed over te gaan.

 

AFDELING III

SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

Artikel 1305 - De vordering tot scheiding van

tafel en bed wordt behandeld en gevonnist in

dezelfde vormen als de vordering tot

echtscheiding.

De vordering tot echtscheiding kan te allen

tijde worden omgezet in een vordering tot

scheiding van tafel en bed.

De vordering tot scheiding van tafel en bed

kan te allen tijde worden omgezet in een

vordering tot echtscheiding.

 

Artikel 1306 - De artikelen 1254 tot 1264,

1268 tot 1270 en 1274 tot 1286 zijn van

toepassing op de vordering tot scheiding van

tafel en bed op grond van bepaalde feiten.

De scheiding van tafel en bed door

onderlinge toestemming wordt geregeld door

de bepalingen vermeld in afdeling II van dit

hoofdstuk.

 

Artikel 1306 […]

 

Artikel 1307 - De vordering tot scheiding

van tafel en bed kan bij nieuwe op

tegenspraak genomen conclusie ook worden

ingesteld als tegenvordering op een

oorspronkelijke vordering tot echtscheiding.

De tegenvordering wordt niet als een nieuwe

vordering beschouwd.

 

Artikel 1307 […]

 

AFDELING IV

OMZETTING VAN DE SCHEIDING VAN TAFEL

EN BED IN ECHTSCHEIDING

Artikel 1309 - Wanneer de scheiding van

tafel en bed op grond van bepaalde feiten

twee jaren heeft geduurd sedert de

overschrijving van het beschikkende gedeelte

van het vonnis of van het arrest, waarbij de

scheiding is uitgesproken, kan ieder van de

echtgenoten een vordering tot echtscheiding

instellen bij de rechtbank, die, alle

omstandigheden in acht nemend, de

echtscheiding kan uitspreken.

De vordering wordt ingesteld, behandeld en

berecht op dezelfde wijze als elke andere

burgerlijke rechtsvordering.

De artikelen 1261 tot 1264, 1268 tot 1270,

1274 tot 1276 en 1278, eerste lid, zijn van

toepassing.

 

AFDELING IV

[…]

Artikel 1309 […]

 

Artikel 1310 - Wanneer de scheiding van

tafel en bed door onderlinge toestemming

twee jaren heeft geduurd sedert de

overschrijving van het beschikkende gedeelte

van het vonnis of van het arrest waarbij de

scheiding is uitgesproken, kunnen de

echtgenoten uit de echt scheiden.

Te dien einde verschijnen zij samen, en in

persoon, vóór de voorzitter van de rechtbank

van eerste aanleg van hun keuze of vóór de

rechter die het ambt van voorzitter

waarneemt; zij overhandigen hem:

1° de uitgifte in de vereiste vorm van het

vonnis of van het arrest waarbij de scheiding

van tafel en bed is uitgesproken;

2° de akte van overschrijving van het

beschikkende gedeelte van het vonnis of van

het arrest in de registers van de burgerlijke

stand;

3° hun akte van geboorte en hun akte van

huwelijk;

4° (...)

5° (...)

Zij verzoeken de rechter, ieder afzonderlijk,

doch in elkaars tegenwoordigheid, hun de

echtscheiding uit te spreken.

Nadat is gehandeld zoals in de artikelen 1295

en 1296 is bepaald, spreekt de rechtbank de

echtscheiding uit) wanneer zij oordeelt dat de

partijen hebben voldaan aan de voorwaarden

en de formaliteiten, bepaald door de wet.

De artikelen 1299 tot 1304, eerste lid, zijn

van toepassing

 

Artikel 1310 […]

 

DEEL V.

BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT

TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE

SCHULDENREGELING

TITEL I.

VOORAFGAANDE REGELS

HOOFDSTUK V.

GOEDEREN DIE NIET IN BESLAG KUNNEN

WORDEN GENOMEN

 

DEEL V.

BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT

TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE

SCHULDENREGELING

TITEL I.

VOORAFGAANDE REGELS

HOOFDSTUK V.

GOEDEREN DIE NIET IN BESLAG KUNNEN

WORDEN GENOMEN

 

Artikel 1412 - De beperkingen en

uitsluitingen waarin de artikelen 1409,

1409bis en 1410, § 1, § 2, 1° tot 7°, §3 en § 4

voorzien, zijn niet van toepassing:

1° wanneer de overdracht of het beslag wordt

verricht wegens de onderhoudsverplichtingen

bedoeld in de artikelen 203, 203bis, 205, 206,

207, 213, 223, 301, 303, 306, 307, 336 of 364

van het Burgerlijk Wetboek, in artikel 1280,

eerste lid, van dit Wetboek of in een

overeenkomst, gesloten krachtens artikel

1288 of 1306 van dit Wetboek;

2° wanneer het loon, het pensioen of de

toelage moet worden uitgekeerd aan de

echtgenoot of aan een andere

uitkeringsgerechtigde bij toepassing van de

artikelen 203ter, 221, 301bis van het

Burgerlijk Wetboek of van artikel 1280,

vijfde lid, van dit Wetboek;

(…)

 

Artikel 1412 - De beperkingen en

uitsluitingen waarin de artikelen 1409,

1409bis en 1410, § 1, § 2, 1° tot 7°, §3 en § 4

voorzien, zijn niet van toepassing:

1° wanneer de overdracht of het beslag wordt

verricht wegens de onderhoudsverplichtingen

bedoeld in de artikelen 203, 203bis, 205, 206,

207, 213, 223, 301, 303, […], 336 of 364 van

het Burgerlijk Wetboek, in artikel 1280

 

eerste lid, van dit Wetboek of in een

overeenkomst, gesloten krachtens artikel

1288 […] van dit Wetboek;

2° wanneer het loon, het pensioen of de

toelage moet worden uitgekeerd aan de

echtgenoot of aan een andere

uitkeringsgerechtigde bij toepassing van de

artikelen 203ter, 221, 301, § 11 van het

Burgerlijk Wetboek of van artikel 1280,

vijfde lid, van dit Wetboek;

STRAFWETBOEK

Artikel 391bis - Met gevangenisstraf van

acht dagen tot zes maanden en met geldboete

van vijftig frank tot vijfhonderd frank of met

een van die straffen alleen, onverminderd de

toepassing van strengere straffen, indien

daartoe grond bestaat, wordt gestraft hij die,

na door een rechterlijke beslissing waartegen

geen verzet of hoger beroep meer openstaat,

te zijn veroordeeld om een uitkering tot

onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan

zijn bloedverwanten in de nederdalende of in

de opgaande lijn, meer dan twee maanden

vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan

te kwijten.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in

de omstandigheden omschreven in het eerste

lid, niet voldoet aan de verplichtingen

bepaald in de artikelen 203bis, 206, 207, 301,

303, 306, 307, 336 en 353-14 van het

Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 1288,

3° en 4°, en 1306, derde lid, van het

Gerechtelijk Wetboek.

Dezelfde straffen zijn van toepassing op de

echtgenoot die zich vrijwillig geheel of ten

dele onttrekt aan de gevolgen van de

machtiging door de rechter verleend

krachtens de artikelen 203ter, 221 en 301bis

van het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde

lid, en 1306, eerste lid, van het Gerechtelijk

Wetboek wanneer tegen die machtiging geen

verzet of hoger beroep meer openstaat.

Hetzelfde geldt voor de echtgenoot die, na te

zijn veroordeeld, hetzij tot een van de

verplichtingen op de niet-nakoming waarvan

door de eerste twee leden van dit artikel straf

is gesteld, hetzij ingevolge de artikelen

203ter, 221 en 301bis van het Burgerlijk

Wetboek en 1280, vijfde lid, en 1306, eerste

lid, van het Gerechtelijk Wetboek zich

vrijwillig ervan onthoudt de door de sociale

wetgeving voorgeschreven formaliteiten te

vervullen en zijn echtgenoot of zijn kinderen

aldus berooft van de voordelen waarop zij

aanspraak konden maken.

Dezelfde straffen gelden voor eenieder die

het toezicht op de gezinsbijslag of andere

sociale uitkeringen vrijwillig belemmert, door

na te laten de nodige documenten te bezorgen

aan de instellingen belast met de vereffening

van die uitkeringen, door valse of onvolledige

aangiften te doen, of door de bestemming te

wijzigen die de persoon of de overheid,

aangewezen overeenkomstig artikel 29 van

de wet van 8 april 1965 betreffende de

jeugdbescherming, het ten laste nemen van

minderjarigen die een als misdrijf

omschreven feit hebben gepleegd en het

herstel van de door dit feit veroorzaakte

schade, eraan gegeven heeft.

In geval van een tweede veroordeling wegens

een van de in dit artikel omschreven

misdrijven, gepleegd binnen een termijn van

vijf jaar te rekenen van de eerste, kunnen de

straffen worden verdubbeld.

 

STRAFWETBOEK

Artikel 391bis -Met gevangenisstraf van acht

dagen tot zes maanden en met geldboete van

vijftig frank tot vijfhonderd frank of met een

van die straffen alleen, onverminderd de

toepassing van strengere straffen, indien

daartoe grond bestaat, wordt gestraft hij die,

na door een rechterlijke beslissing waartegen

geen verzet of hoger beroep meer openstaat,

te zijn veroordeeld om een uitkering tot

onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan

zijn bloedverwanten in de nederdalende of in

de opgaande lijn, meer dan twee maanden

vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan

te kwijten.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in

de omstandigheden omschreven in het eerste

lid, niet voldoet aan de verplichtingen

bepaald in de artikelen 203bis, 206, 207, 301,

303, […], 336 en 353-14 van het Burgerlijk

Wetboek) en in de artikelen 1288, 3° en 4°,

en […] van het Gerechtelijk Wetboek.

Dezelfde straffen zijn van toepassing op de

echtgenoot die zich vrijwillig geheel of ten

dele onttrekt aan de gevolgen van de

machtiging door de rechter verleend

krachtens (de artikelen 203ter, 221 en 301, §

11 van het Burgerlijk Wetboek en 1280,

vijfde lid, […] van het Gerechtelijk Wetboek)

wanneer tegen die machtiging geen verzet of

hoger beroep meer openstaat.

Hetzelfde geldt voor de echtgenoot die, na te

zijn veroordeeld, hetzij tot een van de

verplichtingen op de niet-nakoming waarvan

door de eerste twee leden van dit artikel straf

is gesteld, hetzij ingevolge de artikelen

203ter, 221 en 301 § 11 van het Burgerlijk

Wetboek en 1280, vijfde lid, [...] van het

Gerechtelijk Wetboek zich vrijwillig ervan

onthoudt de door de sociale wetgeving

voorgeschreven formaliteiten te vervullen en

zijn echtgenoot of zijn kinderen aldus berooft

van de voordelen waarop zij aanspraak

konden maken.

Dezelfde straffen gelden voor eenieder die

het toezicht op de gezinsbijslag of andere

sociale uitkeringen vrijwillig belemmert, door

na te laten de nodige documenten te bezorgen

aan de instellingen belast met de vereffening

van die uitkeringen, door valse of onvolledige

aangiften te doen, of door de bestemming te

wijzigen die de persoon of de overheid,

aangewezen overeenkomstig artikel 29 van

de wet van 8 april 1965 betreffende de

jeugdbescherming, het ten laste nemen van

minderjarigen die een als misdrijf

omschreven feit hebben gepleegd en het

herstel van de door dit feit veroorzaakte

schade, eraan gegeven heeft.

In geval van een tweede veroordeling wegens

een van de in dit artikel omschreven

misdrijven, gepleegd binnen een termijn van

vijf jaar te rekenen van de eerste, kunnen de

straffen worden verdubbeld.

 

WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEKEN

GRIFFIERECHTEN

 

WETBOEK DER REGISTRATIE-, HYPOTHEEKEN

GRIFFIERECHTEN

 

Artikel 1269(1) – alinea 3 Voor de vordering

bedoeld in artikel 1259 van het Gerechtelijke

Wetboek wordt geen recht geheven

 

Artikel 1269(1) – alinea 3 [...]

 

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 42 Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding

§ 1. Voor de toepassing van artikel 229, §§ 2 en 3, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de

periode van feitelijke scheiding die voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet in

aanmerking genomen.

§ 2 . De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek blijven van toepassing op

de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de

inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken.

Het recht op levensonderhoud na echtscheiding blijft bepaald door het bepaalde in de vroegere

artikelen 301, 306, 307 en 307bis van hetzelfde Wetboek, onverminderd het bepaalde in de §§

3 en 5.

§ 3. Indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet,

overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, blijft het in

artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten

krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden.

§ 4. Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 301, §§ 2, 3 en 5, van hetzelfde

Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, kan men zich beroepen op feiten die voorafgaan aan de

inwerkingtreding van deze wet.

§ 5. Artikel 301, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toepassing

op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan

de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, § 4, bepaalde

termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze

de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan overschrijden.

§ 6. Artikel 1274 van het Gerechtelijk Wetboek1, zoals gewijzigd bij artikel 28, is niet van

toepassing op de arresten die uitgesproken zijn voor de inwerkingtreding van deze wet, indien

de debatten voordien werden afgesloten.

 

Artikel 43 Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding

Artikel 1294bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 36, is niet van

toepassing op overeenkomsten die de partijen hebben getekend vóór de inwerkingtreding van

deze wet.

 

 

 

 

 

 

WERKNOTA BETREFFENDE DE HERVORMING VAN DE ECHTSCHEIDING uitgaande van het Kabinet van mevrouw Laurette ONKELINX Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie  Waarschuwing  Deze nota geeft de doelstellingen weer van de Minister en berust op een ruwe schets van een voorontwerp van wet dat ze in de loop van de komende weken beoogt voor te leggen aan de Ministerraad. Deze nota verbindt de regering dus niet.   INLEIDING  1. Algemene inleiding  Er is een algemene consensus om het begrip schuldloze echtscheiding in België in te voeren. Het regeerakkoord voorziet dat: “als een huwelijk, ondanks alle inspanningen misloopt, het mogelijk moet zijn deze traumatische ervaring zoveel mogelijk te beperken. Daarom zal de mogelijkheid van schuldloze echtscheiding in de verschillende bestaande echtscheidingsvormen worden ingevoerd”.  De Staten-generaal van het Gezin hebben unaniem voorgesteld de echtscheiding wegens duurzame ontwrichting in het Belgisch recht te integreren. Theoretisch zijn er twee opties mogelijk: behoud van de andere echtscheidingsgronden (dit wordt door een grote meerderheid van de Staten-generaal weerhouden) of het creëren van een aparte rechtsgrond.  Het doel van dit voorontwerp van wet is het zoveel mogelijk beperken van de schadelijke gevolgen van de procedure op de relaties tussen de partijen. Elke scheiding brengt problemen mee en het is belangrijk dat die niet worden verergerd door procedureproblemen en de vaak vruchteloze debatten over de schuldvraag.  De schuldloze echtscheiding (of echtscheiding wegens duurzame ontwrichting) zou de echtscheiding op grond van bepaalde feiten en de echtscheiding na twee jaar feitelijke scheiding moeten vervangen. Er wordt voorgesteld om één enkele echtscheidingsprocedure goed te keuren, dit evenwel zonder afstand te doen van de formule van de echtscheiding door onderlinge toestemming, die veel succes kent.  2. Unificatie van de procedures  Momenteel bestaan er twee procedures: de echtscheiding op grond van bepaalde feiten (in de meest ruime betekenis: ze bevat ook de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding) en de echtscheiding door onderlinge toestemming. Met de doelstelling te vereenvoudigen, wordt voorgesteld de procedures tot één enkele samen te voegen. De procedure door onderlinge toestemming wordt evenwel niet opgegeven: ze wordt toegevoegd aan de gemeenschappelijke basis van de gewone procedures. Dank zij deze formule zullen de echtgenoten in onderlinge overeenstemming uit de echt kunnen scheiden, zonder daarom noodzakelijk alle problemen in verband met hun scheiding te moeten oplossen. Het zal hen vrij staan om het wél te doen, maar de overeenkomsten die ze zijn aangegaan vóór de scheiding zullen even belangrijk blijven als ze vandaag zijn: ze verbinden hen voor de toekomst (bij de andere gevallen van echtscheiding zullen de akkoorden die voor of tijdens de procedure werden gesloten slechts een voorlopige uitwerking hebben).  De artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek worden samengevoegd in één enkel artikel, dat voorziet dat de echtscheiding kan worden aangevraagd op eenvoudige vaststelling van de duurzame ontwrichting tussen de echtgenoten.  Deze vaststelling kan voortkomen uit:  - ofwel de innerlijke overtuiging van de rechter; - ofwel het verstrijken van een bepaalde termijn tijdens dewelke men feitelijk gescheiden is (één jaar of zelfs 6 maanden): indien deze termijn niet volledig is verstreken op het moment van de aanvraag, zou de rechter een wachttijd kunnen opleggen, zodat de termijn wel verstreken is wanneer de rechterlijke uitspraak volgt; - ofwel wegens ernstige fout (welke fout: zie hierna); in dit stadium moet de fout niet worden bewezen, aanwijzingen volstaan, aangezien de gevolgen beperkt zijn (versnelling van de procedure); - ofwel de gezamenlijke verklaring van de echtgenoten.   3. Behouden van de fout?  De meeste auteurs en personen die zich in de praktijk bezighouden met het familierecht, stellen vast dat het debat over de fout vaak nutteloos is. De reden voor de ontwrichting is zeer vaak moeilijk uit te maken en leidt meestal tot een complexe ingewikkeldheid van de dagdagelijkse problemen. Zoals Jean Carbonnier reeds schreef in 1974, slepen de huwelijksproblemen zich voort met de tijd en tussen vier muren, terwijl het recht zich richt op de feiten die publiek zijn en die zich net hebben voorgedaan. Soms is het zelfs de meest perverse van de echtgenoten die het laken naar zich toe trekt, want de pijn die hij of zij veroorzaakt door diens houding is niet bewezen, omdat het mettertijd en in huiselijke kring gebeurt, terwijl hij of zij er in slaagt een eenmalig – of zelfs incidenteel – gedrag te bewijzen dat kan worden beschouwd als een grove belediging vanwege de andere partner.  De fout moet niet meer centraal staan bij de echtscheiding. Die moet worden uitgesproken wanneer de scheiding onvermijdelijk is, welke ook de reden is. Het voorontwerp van wet voorziet niettemin dat indien er sprake is van wreedaardig gedrag, de procedure kan worden versneld. In feite toont het bestaan van een fout zonder meer het onherstelbare karakter aan van de ontwrichting van het huwelijk, en welk bewijs het slachtoffer vrijstelt van de door de wet opgelegde bedenkingstermijnen. Het debat betreffende het in rekening brengen van de fout als het erop aankomt uitspraak te doen over de gevolgen van de echtscheiding, is veel delicater, in het bijzonder voor wat de uitkering tot levensonderhoud betreft. In Frankrijk heeft de wet van 2004 elke verwijzing afgeschaft naar de fout en de schuldige kan in alle gevallen financiële steun bekomen (compenserende prestatie). Kan men toestaan dat de echtgenoot die zich schuldig maakte aan verfoeilijk gedrag tegenover de andere partner niet alleen makkelijk de echtscheiding kan verkrijgen, maar ook financiële steun? In het bijzonder in kringen van vrouwen- en progressieve organisaties gaan er talrijke stemmen op om een burgerrechtelijke sanctie te behouden (zonder afbreuk te doen aan strafrechtelijke sancties).  Er wordt dus voorgesteld om het begrip fout te behouden in de wetgeving, maar niet meer om er een echtscheidingsgrond van te maken. Dit zal twee gevolgen hebben: de procedure versnellen en het recht op een uitkering tot onderhoud na de echtscheiding beperken.   4. Uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding  Met het huidige systeem kan alleen de echtgenoot die de echtscheiding verkreeg ten nadele van de andere partij (degene die de echtscheiding aanvraagt wegens feitelijke scheiding wordt geacht schuldig te zijn) recht hebben op een uitkering tot levensonderhoud. Indien de echtscheiding wordt uitgesproken krachtens een feitelijke scheiding van meer dan 2 jaar, wordt de aanvrager geacht schuldig te zijn en moet hij bewijzen dat de scheiding te wijten is aan een fout van de andere echtgenoot om na de echtscheiding financiële steun te kunnen verkrijgen.  De Staten-generaal van het Gezin waren in 2004 met betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding van mening dat: 1/ de wetgever zal moeten kiezen de fout al dan niet te behouden om de toekenning van een uitkering tot levensonderhoud toe te laten/te verbieden; 2/ men de toekenningscriteria moet verfijnen door in het bijzonder rekening te houden met de sociaal-economische situatie van de partijen en met de keuzes die werden gemaakt tijdens het samenleven; 3/ er een maximumtermijn moet worden vastgelegd (ofwel in de wet, ofwel door de rechter en, in dat geval, moet de wetgever beslissen of de rechter verplicht is een termijn vast te leggen of of hij kan doen zoals nu het geval is; een meerderheid van de groep stelt voor om de rechter ertoe te verplichten een termijn vast te leggen op basis van welbepaalde criteria, zoals deze die hiervoor werden genoemd).  De voorgestelde hervorming opteert voor een verruimd basisrecht, aangezien het zelfs zal openstaan voor de echtgenoot die de echtscheiding zou hebben gevraagd en bekomen zonder concrete vorderingsgrond. De uitsluiting zal alleen mogelijk zijn indien de mogelijke schuldenaar bewijst dat de aanvrager een zware fout heeft begaan, waardoor het onmogelijk werd om nog verder samen te leven. Ook al maakt de hervorming het mogelijk dat de rechter de schuldloze echtscheiding uitspreekt, het is voorbarig te overwegen elke verwijzing naar de fout uit te sluiten voor wat de financiële gevolgen betreft. Het rechtvaardigheidsgevoel zou kunnen worden gekwetst indien de echtgenoot die door zijn onaangepaste gedrag de breuk heeft veroorzaakt niettemin financiële steun verkrijgt. Het principe van de verantwoordelijkheid blijft dus bestaan, ook al zal het voortaan niet meer aan degene die de echtscheiding aanvraagt zijn om de fout te bewijzen, maar aan de mogelijke schuldenaar om dat bewijs te leveren in hoofde van de aanvrager.  Hieruit voortvloeiend wordt voorgesteld om het recht op de uitkering tot levensonderhoud “af te grendelen”, meer in het bijzonder door het in de tijd te beperken.  De voornaamste wijzigingen luiden als volgt:  - indien de echtscheiding eenzijdig wordt uitgesproken, moet de uitkering tot levensonderhoud worden betaald; alleen de echtgenoot die zich schuldig maakte aan een zware fout, waardoor het samenleven onmogelijk werd (zie hierboven) zal niet de mogelijkheid hebben om een uitkering aan te vragen;  - expliciet rekening houden met de economische middelen van de partijen;  - zoals voorgesteld door de Staten-generaal van het Gezin, evenals in meerdere bestaande wetsvoorstellen, beperking in de tijd van de uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding (belangrijk logisch gevolg van het feit dat men de uitkering onafhankelijk van elke fout zou kunnen toekennen); de keuze van een termijn is steeds willekeurig, minst willekeurig lijkt om de maximumtermijn voor het betalen van een uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding te bepalen op de termijn van het samenleven (dit zou overeenstemmen met een zekere billijkheid: zo is het voor een behoeftige echtgenoot die reeds een bepaalde leeftijd heeft veel moeilijker om de maatschappelijke draad weer op te nemen dan voor een jonge persoon);  - aan de rechter de mogelijkheid geven de uitkering aan te passen (quantum en duur), in functie van de economische keuzes die de partijen maakten tijdens het samenleven (men denkt hierbij in het bijzonder aan de echtgenoot die zich wijdde aan het huishouden of aan de opvoeding van de kinderen);  - verplichting voor de aanvragende echtgenoot om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en om zijn rechten voor sociale voorzieningen te doen gelden;  - bovendien het behouden van de grote lijnen van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek (behouden van het plafond van een derde van het netto-inkomen, van het economisch criterium van de levensstandaard tijdens het samenleven, automatische aanpassing aan het indexcijfer, overdracht van bedragen, enz.).   5. Echtscheiding door onderlinge toestemming  In de schoot van de Staten-generaal van het Gezin bleek er een meerderheid te zijn voor het behouden van de echtscheiding door onderlinge toestemming. Deze procedure kent heel wat succes (70% van de echtscheidingen in 2003).  Deze formule zal vast en zeker aan belang inboeten indien men de schuldloze echtscheiding toestaat en in het bijzonder indien men toestaat dat de echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk onmiddellijk kan worden uitgesproken indien ze wordt aangevraagd door beide echtgenoten.  Er wordt evenwel niet overwogen de regels voor verdelingen en vereffeningen te wijzigen en de uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding zal vastgelegd worden in het vonnis dat die echtscheiding uitspreekt of daarna. Met andere woorden: zelfs in het kader van de echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk, blijft de inzet na de echtscheiding een inzet waarover betwistingen kunnen ontstaan.  Daarom moet de echtscheiding door onderlinge toestemming worden behouden volgens de grote lijnen van de huidige vorm, want in tegenstelling met andere vormen van echtscheiding, komen de partijen overeen over alle gevolgen van de ontwrichting alvorens ze uit de echt scheiden.  Er wordt dus voorgesteld de echtscheiding door onderlinge toestemming te behouden, maar deze vorm wel te integreren in de andere echtscheidingsvormen (enig artikel 229 Burgerlijk Wetboek).  Dit gezegd zijnde, wordt de formule van de echtscheiding door onderlinge toestemming versoepeld voor meerdere aspecten ervan:  - afschaffing van de minimumleeftijd (momenteel 20 jaar); - afschaffing van de minimumduur van het huwelijk; - mogelijkheid om gedeeltelijke akkoorden te bekrachtigen tijdens de procedure (artikel 1257, tweede lid van het ontwerp: teneinde te vermijden dat dergelijke akkoorden overhaast worden afgesloten, wordt er een gebiedend beschermingsmechanisme voorgesteld: het akkoord moet worden afgesloten tijdens de procedure en moet minstens na 3 maanden het voorwerp zijn van een nieuwe bekrachtiging).  Het voorgestelde proceduremechanisme zal het mogelijk maken “bruggen” te slaan van de ene procedure naar de andere, indien de relaties tussen de echtgenoten in de loop van de procedure evolueren. Indien bijvoorbeeld de echtgenoten een echtscheidingsprocedure opstarten middels een “zuivere” echtscheiding door onderlinge toestemming (overeenkomst voorzien in artikel 1288, houdende een volledig akkoord over de echtscheiding en de gevolgen ervan) en niet meer akkoord gaan over de uitkering tot levensonderhoud, maakt §5 van artikel 1288 het mogelijk door te gaan met de procedure en de afgesloten akkoorden blijven voorlopig bestaan. De inspanningen die voordien geleverd werden om tot een akkoord te komen zijn dus niet volledig de bodem ingeslagen (in tegenstelling tot de huidige situatie, waarbij de hele procedure ab initio moet worden hernomen). Omgekeerd maakt artikel 1257 het mogelijk om, indien een geschilprocedure wordt opgestart en er tijdens die procedure een, zelfs gedeeltelijk, akkoord wordt gesloten, het voortbestaan ervan te bevorderen.     6. Rechtsmiddelen  Er wordt voorgesteld dat tegen beslissingen die de echtscheiding uitspreken geen beroep kan worden aangetekend. Wegens de inhoud van de voorgestelde hervorming is het weinig waarschijnlijk dat echtscheidingsaanvragen het voorwerp kunnen zijn van echte betwistingen. De rechtbank zal in de meeste gevallen de echtscheiding uitspreken op grond van de eenvoudige vaststelling van het tijdsverloop of van het respecteren van de procedure (eventuele dubbele verschijning, enz.). Beroep aantekenen heeft dus weinig zin indien de rechtbank de echtscheiding uitspreekt. Men zou de mogelijkheid om beroep aan te tekenen kunnen gebruiken als een vertragingsmanoeuvre. Het omgekeerde blijft mogelijk. Men kan beroep aantekenen tegen een beslissing die de echtscheiding weigert.  Cassatieberoep blijft mogelijk, maar - opnieuw om vertragingsmanoeuvres te beperken - wordt de termijn om in Cassatieberoep te kunnen gaan vastgelegd op één maand (in plaats van drie maanden in het gemeen recht).    VOORGENOMEN WIJZIGINGEN  1. Er moeten bepalingen worden gewijzigd van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerechtelijk Wetboek.  2. Vervanging van artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek.  §1. De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Het bewijs van het ontwrichte karakter van de scheiding kan met alle wettelijke middelen worden aangebracht.  Deze bepaling verheft het unieke karakter van de reden voor de echtscheiding tot regel: de duurzame ontwrichting van het huwelijk. Dit mag worden aangetoond met alle wettelijke middelen, zodat de rechter de echtscheiding altijd zal kunnen uitspreken, indien hij er innerlijk van overtuigd is dat er geen enkele toenadering meer mogelijk is tussen de echtgenoten. De rechter zal natuurlijk alleen de echtscheiding willen uitspreken, indien er ernstige bewijzen worden aangebracht, zodat de eerste paragraaf maar zelden zal worden toegepast. De volgende paragrafen stellen vermoedens in, waarop men meestal gebruik van zal maken.  §2. Het vermoeden van de duurzame ontwrichting bestaat wanneer de aanvraag gezamenlijk wordt geformuleerd door de twee echtgenoten, na meer dan 6 maanden feitelijk gescheiden te zijn of wanneer dit zich tot tweemaal toe heeft voorgedaan, zoals vermeld in artikel 1255, §1 van het Gerechtelijk Wetboek.  Dit bevestigt de wil om de procedure te versoepelen wanneer beide echtgenoten akkoord zijn om te scheiden. Het procedureel luik (Gerechtelijk Wetboek, nieuw art. 1255) maakt het de partijen mogelijk om gezamenlijk de echtscheiding aan te vragen, zonder voordien de gevolgen van de scheiding te moeten regelen: de voorafgaande overeenkomsten, die thans verplicht zijn, worden facultatief (zie Gerechtelijk Wetboek, nieuwe artikelen 1255, §1 en 1287). Met andere woorden: het akkoord kan beperkt zijn tot de echtscheiding alleen.  Indien de aanvraag gezamenlijk gebeurt, volstaan 6 maanden feitelijke scheiding om de echtscheiding onmiddellijk uit te spreken.  Indien die periode van 6 maanden niet is verstreken, wordt een nieuwe zitting vastgelegd, zoals het in het nieuwe artikel 1255, §1 van het Gerechtelijk Wetboek staat.  §3. Het bestaan van de duurzame ontwrichting wordt ook vermoed wanneer de aanvraag wordt geformuleerd door één enkele echtgenoot na meer dan één jaar feitelijke scheiding of wanneer dit zich tot tweemaal toe heeft voorgedaan, zoals in artikel 1255, §2 van het Gerechtelijk Wetboek staat.  De duurzame ontwrichting kan eveneens worden vastgesteld op basis van de eenzijdige verklaring van een van de echtgenoten. Men kan er immers van uitgaan dat louter door het feit dat men de echtscheiding aanvraagt en men hiertoe een rechtzaak inspant, dit reeds een duidelijke aanwijzing is van een ernstige ontwrichting. Men moet er hier niettemin over waken niet overhaast te werk te gaan, zelfs nog meer dan in geval van gezamenlijke verklaring. Daarom zou de termijn van feitelijke scheiding minstens één jaar moeten bedragen.  §4. Het wordt ook nog vermoed wanneer één van de echtgenoten bewijst dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de andere partij een ernstige fout heeft begaan, waardoor het voortzetten van het samenleven onmogelijk wordt.  In dit stadium van de procedure is de inzet relatief klein, aangezien het vaststellen van het bestaan van dergelijk gedrag alleen het versnellen van de procedure tot gevolg zal hebben. Daarom volstaan ernstige aanwijzingen op het vlak van de bewijslast (zie nieuw art. 1255, §4 van het Gerechtelijk Wetboek).  3. Vervanging van artikel 301.  Artikel 301 reglementeert de uitkering tot levensonderhoud na de echtscheiding.  §1. Zonder afbreuk te doen aan artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de echtgenoten op elk moment van de echtscheidingsprocedure overeenkomen over het bedrag en over de eventuele uitkering tot levensonderhoud die een van beiden aan de andere moet storten en de nadere regels krachtens dewelke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien.  Deze paragraaf verheft de mogelijkheid tot regel voor de echtgenoten om op elk moment overeen te komen over de uitkering tot levensonderhoud na de scheiding. Indien dat akkoord echter tijdens de procedure wordt gesloten, zullen de gevolgen ervan krachtens artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek beperkt zijn.     §2. Bij gebrek aan een akkoord zoals bedoeld in paragraaf 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op vraag van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan, ten laste van de andere echtgenoot.  Dit lid verheft het principe tot regel dat een uitkering wordt toegekend ten voordele van de behoeftige echtgenoot. Deze uitkering is zelfs verschuldigd aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft aangevraagd, zonder een fout in hoofde van de andere echtgenoot te hebben bewezen. Ze is ook verschuldigd aan eender welke van de echtgenoten, zelfs indien de echtscheiding wordt uitgesproken op basis van het nieuwe artikel 229, §4 van het Burgerlijk Wetboek (echtscheiding de plano uitgesproken wegens beledigend gedrag), wat verklaarbaar is, aangezien de fout normaal gezien uitgesloten is uit het debat over de echtscheiding zelf (de fout is alleen beoogd door artikel 229, §4 als bewijs van de duurzame ontwrichting van het huwelijk en heeft alleen de versnelling van de procedure tot gevolg).  Deze uitkering is niet verschuldigd aan de echtgenoot die een zware fout beging die het onmogelijk maakt de samenleving voort te zetten.  Het tweede lid sluit het voordeel van het verkrijgen van een uitkering alleen uit indien de echtgenoot een zware fout beging die het onmogelijk maakt de samenleving verder te zetten. Alhoewel de hervorming het aan de rechter toestaat een schuldloze echtscheiding uit te spreken, bleek het voorbarig te zijn dat men zou overwegen elke verwijzing uit te sluiten naar de fout voor wat de financiële gevolgen betreft. Het rechtvaardigheidsgevoel zou kunnen worden gekwetst indien de echtgenoot die door diens onaangepast gedrag de breuk heeft veroorzaakt niettemin financiële steun krijgt. Het principe van de verantwoordelijkheid blijft dus bestaan, ook al zal het voortaan niet meer aan degene die de echtscheiding aanvraagt zijn om de fout te bewijzen, maar aan de mogelijke schuldenaar om dat bewijs te leveren in hoofde van de aanvrager. Er werd besloten het begrip “fout” niet te definiëren. Het moet over een zware fout gaan. De “lichtste” fout kan dus niet worden weerhouden, zoals dat het geval is bij de verantwoordelijkheid in het gemeen recht. De jurisprudentie zal zich laten leiden door de “catalogus” van “gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen” van het bestaande artikel 231. Het overspel blijft een reden om te worden uitgesloten van het toekennen van een uitkering tot levensonderhoud, maar het zal een fout zijn zoals een andere en het zal in dit ontwerp geen voordeel meer kunnen halen uit eender welk ernstig vermoeden.  De rechtbank legt het bedrag vast van de uitkering tot levensonderhoud en zal daarbij met name rekening houden met de bezittingen en inkomsten van de echtgenoten, met de levensstijl van de partijen tijdens het samenleven, met de duur van de samenleving, met de leeftijd van de partijen, met het gedrag van de partijen tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.  Het derde lid bevat de criteria waarop de rechtbank een beroep zal moeten doen om het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud te bepalen. De huidige tekst blijft behouden (rekening houden met de bezittingen en inkomsten van de echtgenoten, met hun levensstijl tijdens hun samenleving) en de beoordelingsbevoegdheid van de rechter blijft uitgebreid, maar er worden diverse criteria toegevoegd: - duur van de samenleving en leeftijd van de partijen: een in de steek gelaten echtgenoot verdient een beter lot indien hij of zij op oudere leeftijd is en indien het huwelijk lang duurde, dan indien hij of zij nog op de leeftijd is waarbij herinschakeling op de arbeidsmarkt nog makkelijk is;  - gedrag van de partijen gedurende het huwelijk inzake de organisatie van hun noden, het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna: dit is een belangrijke nieuwigheid van de hervorming; de uitkering tot levensonderhoud moet hoger liggen naargelang de keuzes die de partijen samen maakten tijdens het samenleven en die de professionele loopbaan van een van de echtgenoten belemmerde; de uitkering kan daarentegen lager liggen en de aanvraag ervan kan zelfs worden verworpen indien vaststaat dat ze afkomstig is van een persoon die elke beroepsactiviteit staakte voor het eigen gemak (tenzij kan worden bewezen dat de verwerende partij voorstander was van een dergelijke keuze).  Het plafond van één derde van de inkomsten van de schuldenaar blijft behouden (vierde lid).  In geen enkel geval mag de duur van de uitkering langer zijn dan de duur van het huwelijk. De rechter kan in voorkomend geval echter:  - deze duur uitbreiden, rekening houdend met samenleving voor het huwelijk; - deze duur inperken, rekening houdend met de procedures die plaatsvonden voor de echtscheiding en die aanleiding gaven tot het toekennen van een uitkering tot levensonderhoud aan een van de echtgenoten, krachtens de artikelen 213, 221 of 223 van dit Wetboek of van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek.  Dit lid bevat een belangrijke nieuwigheid: de uitkering is ambtshalve beperkt in de tijd. Het gaat erom dat men het idee dat de uitkering moet worden aangepast in functie van de leeftijd van de partijen en van de duur van het huwelijk wat moet verplichten (zie hoger). Het vastleggen van een termijn is het logische gevolg van de hervorming van het recht hebben op een uitkering, aangezien de aanvrager nu geen fout van de andere moet bewijzen om dat recht te verkrijgen. Teneinde misbruiken te vermijden die zouden kunnen voortkomen uit deze situatie, is het recht op een uitkering in de tijd beperkt. De keuze van een termijn is altijd min of meer willekeurig: de duur van het huwelijk lijkt het best overeen te stemmen met het opgeworpen idee, namelijk dat men rekening houdt met de leeftijd van de partijen en met de opofferingen die men moest doen als gevolg van het feit dat één van de partijen veel moest investeren in het samenleven. Het is bijvoorbeeld evident dat een vrouw van 50 jaar die een hele loopbaan heeft laten schieten na 20 jaar samenleven een betere uitkomst verdient dan een jonge persoon van 30 jaar die twee jaar gehuwd was.  De rechter heeft de mogelijkheid om rekening te houden met de duur van het samenleven vóór het huwelijk. De doelstelling is essentieel van economische aard (de gevolgen verzachten van de scheiding voor de echtgenoot die in zijn of haar gezin “investeerde”) en deze verduidelijking is nuttig, rekening houdend met het stijgend aantal koppels dat ongehuwd samenleeft alvorens in het huwelijk te treden. De rechter kan daarentegen de termijn verminderen door rekening te houden met de duur van de echtscheidingsprocedure of nog preciezer met de periode tijdens dewelke een uitkering tot levensonderhoud werd betaald door de schuldenaar, krachtens de huwelijksverplichtingen. Het is de bedoeling te vermijden dat de duur van een procedure nadeel berokkent aan de schuldenaar (men moet vermijden dat een van de partijen de procedure versnelt, ten nadele van bijvoorbeeld een bemiddeling).  Tot slot biedt het laatste lid aan de schuldenaar de mogelijkheid om het recht op de uitkering tot levensonderhoud te betwisten, indien hij bewijst dat de schuldeiser zich in zekere zin vrijwillig heeft ontzegd van inkomsten en door zijn gedrag tijdens het samenleven zijn eigen berooidheid heeft veroorzaakt:  Indien de schuldenaar aantoont dat de schuldeiser zich tijdens het samenleven vrijwillig van inkomsten heeft ontzegd en dat deze beslissing werd genomen ondanks het ontbreken van een familiale noodzaak, kan hij worden ontheven van het betalen van de uitkering of alleen verplicht worden tot het betalen van een verminderde uitkering.  Alhoewel de hervorming ertoe strekt de echtgenoot te beschermen die een economisch nadeel heeft ondergaan wegens zijn of haar investering in het gezin, mag men niet degene bevoordelen die zich ten onrechte en wegens ongerechtvaardigde redenen terugtrok uit het beroepsleven. De rechtbank zal naar billijkheid oordelen.   §3. Zelfs bij toepassing van artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, en uitgezonderd indien de partijen in dat geval uitdrukkelijk het tegengestelde zijn overeengekomen, kan de rechtbank de uitkering verhogen, verminderen of afschaffen in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of door een latere beslissing, indien ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet meer aangepast is.  Dit lid geeft aan de rechtbank de bevoegdheid om, in overeenstemming met het vroegere artikel 301, de uitkering te wijzigen in geval van veranderde omstandigheden. Maar die bevoegdheid blijft bestaan, zelfs in geval van een andersluidende overeenkomst (“klassieke” onderlinge toestemming, art. 1288 van het Gerechtelijk Wetboek), teneinde te verhelpen aan de soms onrechtvaardige gevolgen van de toepassing van de contractuele principes bij deze materie (art. 1134, Burgerlijk Wetboek). De jurisprudentie sluit unaniem de theorie van de onvoorzienbaarheid uit, wat betekent dat de contractueel vastgelegde uitkering alleen kan worden herzien indien overeenstemmend met de voorwaarden die in de overeenkomst zelf werden voorzien. Van deze regel kan alleen worden afgeweken inzake het ouderlijk gezag en de bijdrage van elke echtgenoot voor de kinderen in geval van echtscheiding door onderlinge toestemming. De uitzondering wordt dus uitgebreid tot de uitkering tot levensonderhoud tussen ex-echtgenoten en de uitkering kan worden herzien indien de omstandigheden veranderen, ongeacht of ze al dan niet door een overeenkomst werd vastgelegd (deze nieuwe regel is zelfs van toepassing in geval van echtscheiding op gezamenlijk verzoek, voorafgegaan door de volledige overeenkomsten – nieuwe artikelen 1255, §1 en 1288 van het Gerechtelijk Wetboek). Teneinde echter voor de partijen de mogelijkheid te behouden om, zoals nu, over een “onveranderlijke” uitkering te onderhandelen, zal de bevoegdheid van de rechtbank uitgesloten zijn indien de overeenkomst dit nadrukkelijk voorziet (men keert in zekere zin het huidige systeem om, dat de partijen verplicht de redenen voor een herziening te voorzien; met het ontwerp kan de rechtbank, indien de partijen hiervan geen gewag maken, de uitkering herzien indien de omstandigheden veranderen; alleen indien de partijen het specifiek uitsluiten kan de rechtbank deze bevoegdheid worden ontnomen).  Indien ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en de verdeling van het gemeenschappelijk patrimonium of de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële situatie, die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud die het voorwerp was van een vonnis of van een overeenkomst, die gebeurden voor het opmaken van de rekeningen van de vereffening, kan de rechtbank eveneens de uitkering aanpassen, tenzij in geval van toepassing van artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek.  Andere nieuwigheid: de rechtbank zal de uitkering kunnen aanpassen indien, als gevolg van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk patrimonium of de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële situatie, waardoor de aanpassing gerechtvaardigd is. Hiermee wil men verhelpen aan een ander gevolg van de jurisprudentie inzake het begrip nieuw element. De uitkeringen tot levensonderhoud kunnen worden herzien indien de omstandigheden veranderen, maar wel op voorwaarde dat er een nieuw element opduikt. Dit is niet het geval indien dat element voorzienbaar was, zelfs in zekere mate. Indien een uitkering tot levensonderhoud dus wordt vastgelegd kort na de scheiding, terwijl de procedure van vereffening en verdeling nog aan de gang is (de ervaring toont aan dat dit jaren kan duren), kunnen de wijzigingen van de financiële situatie van de partijen in regel geen verandering meebrengen voor de uitkering. Op dit punt zal de hervorming niet van toepassing zijn wanneer de partijen overeenkwamen om een beroep te doen op de conventionele echtscheiding (art. 1288 van het Gerechtelijk Wetboek): het voornaamste belang daarvan bestaat er inderdaad in dat men een transactie toestaat die op een globale manier rekening houdt met de situatie van de partijen.  § 4. De uitkering kan op elk moment worden vervangen door een kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen de partijen. Op vraag van de echtgenoot, die tot uitkering gehouden is, kan de rechtbank eveneens op elk moment de omzetting in een kapitaal toestaan.  De kapitalisatie blijft mogelijk zoals in het vroegere artikel 301.  §5. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding van het huwelijk geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud.  Deze tekst herneemt een vroegere regel: men kan geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud voor het huwelijk ontbonden is, d.w.z. voor het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt in kracht van gewijsde is getreden.  De §§ 6 (de uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van de tot uitkering gehouden echtgenoot, maar de echtgenoot aan wie de uitkering toekwam mag levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens de voorwaarden voorzien in artikel 205, § 2, 3, 4 en 5 van dit Wetboek) en 7 (de schuldeiser kan zich door de rechtbank doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen) bevatten geen nieuwigheden.  §8. De rechtbank die een uitspraak doet inzake een uitkering tot levensonderhoud mag van ambtswege de voorlopige uitvoering bevelen van de beslissing. Deze is inroepbaar tegen elke derde, huidige of toekomstige schuldenaar, op basis van de betekening die hen door de griffier gedaan wordt op verzoek van de eiser.  Momenteel kan een rechtbank, behalve bij de door de wet voorziene uitzonderingen, niet van ambtswege de voorlopige uitvoering van haar beslissing bevelen. Deze regel is zelfs van toepassing op het vlak van de uitkering tot levensonderhoud, daar waar de gerechtigde op een uitkering tot levensonderhoud over andere belangrijke voordelen beschikt inzake de gedwongen uitvoering (verbod op kantonnering – art. 1404 van het Gerechtelijk Wetboek, geen beperkingen van inbeslagneming – art. 1412, enz.). Er wordt voorgesteld om in dat geval de voorlopige uitvoering van ambtswege toe te laten.  4. Artikel 229 is van toepassing bij scheiding van tafel en bed.  Deze rechtsfiguur wordt vaak beschouwd als voorbijgestreefd. Ze wordt zelden toegepast. Men ziet echter niet welk voordeel er zou bestaan bij het afschaffen ervan.  Zoals voor de echtscheiding, wordt er slechts één enkele rechtsgrond voor bepaald.    5. In hoofdstuk XI, boek IV, van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, worden de titels vervangen door een Eerste Afdeling met als titel “De Echtscheiding”.  Voorgesteld wordt om artikel 1254 te vervangen.  §1.  Met het oog op de vereenvoudiging van de rechtspleging wordt voorgesteld de invoering mogelijk te maken van de procedure van het verzoekschrift op tegenspraak (art. 1034bis G.W)  Het tweede en derde lid bevatten nauwelijks nieuwigheden (gebruikelijke vermeldingen, identiteiten van de partijen en van de kinderen, een gedetailleerde beschrijving van de feiten) behalve dat er duidelijk wordt gesteld dat de inleidende akte, in de mate van het mogelijke, alle verzoeken moet bevatten met betrekking tot de gevolgen van de echtscheiding, zonder afbreuk te doen aan een aanvullende vordering in de loop van de procedure.  Het vierde lid biedt aan de eisende partij de mogelijkheid om in de akte van rechtsingang de eventuele verzoeken te beogen inzake de voorlopige maatregelen met betrekking tot hun persoon, hun levensonderhoud en hun goederen. Die mogelijkheid bestaat nu reeds. Maar terwijl het belangrijkste thans is de kosten te beperken (een enkel deurwaardersexploot kan tegelijk de rechtbank en de rechters in kort geding vatten – enkel het inschrijvingsgeld is verschuldigd), verdwijnt dit voordeel aangezien in geval van een verzoekschrift, er geen andere kost is dan het inschrijvingsgeld. Men heeft het niet opportuun geacht de voorzitter te vatten via een verzoekschrift aangezien de termijn van verschijning in kort geding zeer kort is (2 dagen) en de manier om het verzoekschrift over te brengen moeilijkheden zou kunnen opleveren (betekening bij gerechtsbrief). Om die reden vermeldt de tekst van het ontwerp: Als de eiser wenst dat zijn vorderingen onmiddellijk in kort geding worden ingesteld, dan zal de vordering bij deurwaardersexploot worden ingesteld met een dagvaarding om te verschijnen voor de in kort geding recht sprekende voorzitter, zoals bepaald door artikel 1280, en voor de rechtbank.  Bijgevolg zal de eiser de keuze hebben:   - hij kan een vordering tot echtscheiding in de strikte zin instellen door gebruik te maken van de inleidende akte die hem het meest gepast lijkt (verzoekschrift, dagvaarding of proces-verbaal van vrijwillige verschijning); - hij kan een vordering tot echtscheiding met voorlopige maatregelen instellen voor de rechtbank. Deze kan evenwel slechts een overeenkomst bekrachtigen (art. 1256 van dit voorontwerp; huidig artikel 1258) of de zaak verwijzen naar een volgende zitting in kort geding; - hij kan een vordering tot echtscheiding in de strikte zin instellen en vervolgens later de rechter in kort geding vatten, bij dagvaarding (of vrijwillige verschijning, maar niet bij verzoekschrift); - hij kan tenslotte, met een enkel exploot van dagvaarding, de vordering tot echtscheiding voor de rechtbank instellen en ook de vordering betreffende de voorlopige maatregelen instellen bij de voorzitter.  Het vijfde lid vermeldt de stukken die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd.  Tenslotte bepaalt de tekst: Als de vermeldingen van de akte van rechtsingang onvolledig zijn of als sommige bijlagen ontbreken, nodigt de rechter de meest gerede partij uit de nodige inlichtingen te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen.  De sanctie is dus niet de nietigverklaring maar wel de verdaging van de zaak (gevolg van niet-procederen).  §2  Te allen tijde kunnen de partijen of één van de partijen de zaak of het voorwerp van de vordering uitbreiden of wijzigen, tegenvorderingen of aanvullende vorderingen inleiden, en dit aan de hand van op tegenspraak genomen conclusies of door conclusies meegedeeld te hebben aan de andere echtgenoot door deurwaardersexploot of door ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.  Deze tekst herneemt en verduidelijkt het huidige artikel 1268 dat een grote soepelheid aan de dag legt inzake tegenvorderingen en aanvullende vorderingen (d.w.z. door de echtscheiding te funderen op nieuwe feiten die niet waren ingeroepen in de aanvankelijke vordering). Dit zijn geen nieuwe vorderingen en ze moeten dus niet beantwoorden aan de vereisten van artikel 807 G.W. Met het oog op het veiligstellen van de rechten van de verdediging moeten deze vorderingen daarentegen ter kennis gebracht worden van de andere partij aan de hand van op tegenspraak genomen conclusies of, bij gebrek hieraan, door overgelegde conclusie met de andere partij bij deurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief. Het behoud van deze soepelheid van procedure is vereist, ook als enkel artikel 229 B.W. slechts één enkele grond wijdt aan de echtscheiding: het kan met name zo zijn dat een echtscheiding gezamenlijk wordt ingesteld op grond van artikel 229§2 maar dat één van de partijen zich bedenkt waardoor de andere de grond van de vordering zal kunnen wijzigen door zich te beroepen op §3 (om die reden vermeldt de tekst ab initio “de partijen of één van de partijen”).  7. Het ontworpen artikel 1255 van het Gerechtelijk Wetboek bevat de voornaamste nieuwe procedurebepalingen. Het is geënt op het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek.  §1  Hier bedoelt men de echtscheiding die door de partijen gezamenlijk gevorderd wordt krachtens artikel 229, §2 in ontwerp van het Burgerlijk Wetboek:  Zo de echtscheiding gezamenlijk gevorderd wordt op grond van artikel 229bis B.W., wordt het verzoekschrift ondertekend door iedere echtgenoot, of ten minste door een advocaat of een notaris. De partijen kunnen vermelden dat ze artikel 1288 zullen toepassen.  Zoals thans het geval is bij de echtscheiding door onderlinge toestemming, wordt het verzoekschrift ondertekend door iedere echtgenoot of ten minste door een advocaat of een notaris (als een andere akte van rechtsingang gekozen is maar de partijen er geen enkel belang bij zouden hebben, gaat men terug tot het gemeen recht).  Zoals voorheen is aangegeven, wordt gesuggereerd om in hoofdzaak de rechtspleging te behouden van de echtscheiding door onderlinge toestemming: hiervoor kunnen de partijen vermelden dat ze artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek zullen toepassen (“volledige” echtscheiding door onderlinge toestemming: voorafgaande voorwaarden, enz.) De belangrijkste nieuwigheid is dat het niet meer gaat om een verplichting, zodat de overeenstemming van de partijen beperkt kan worden tot enkele punten, zelfs tot de echtscheiding alleen.  Tweede lid: Als vastgesteld is dat de partijen sinds meer dan 6 maanden gescheiden zijn spreekt de rechter de echtscheiding uit.  Voor wat de echtscheiding zelf betreft, kan zoals aangegeven in het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, de echtscheiding zelf onverwijld worden uitgesproken indien de partijen langer dan zes maanden gescheiden zijn.  Zoniet: Als de partijen niet langer dan 6 maanden gescheiden zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting vast. Deze kan plaatshebben op een datum onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van 6 maanden, of 3 maanden na de eerste verschijning van de partijen. Tijdens deze zitting spreekt de rechter de echtscheiding uitindiens de partijen hun wil hiertoe bevestigen.  Een proeftermijn van drie maanden wordt dus opgelegd, zonder dat deze volledige termijn of de termijn van de feitelijke scheiding langer is dan 6 maanden (de tekst geeft dus aan dat de tweede zitting plaatsvindt op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van 6 maanden, of 3 maanden na de eerste verschijning).  Om het behoud van de “klassieke” rechtspleging met onderlinge toestemming veilig te stellen, staat in het laatste lid tenslotte vermeld: Wanneer de rechter de echtscheiding uitspreekt, homologeert hij desgevallend de overeenkomsten waarvan sprake in artikel 1288.   §2  Indien de echtscheiding gevorderd wordt door één van de echtgenoten met toepassing van artikel 229, §3, spreekt de rechter de echtscheiding uit als hij vaststelt dat de partijen sinds meer dan één jaar gescheiden zijn  In deze paragraaf bedoelt men de hypothese waarbij de ontwrichting vastgesteld is op grond van de verklaring van één enkele echtgenoot, die de echtscheiding om die reden vordert. Ook hier zijn er proeftermijnen vastgelegd, maar ze zijn langer, om nog meer te verhinderen dat een beslissing die zo belangrijk is als een echtscheiding, te snel genomen wordt door één enkele echtgenoot.   Als de partijen niet langer dan één jaar gescheiden zijn stelt de rechter een nieuwe zitting vast. Deze zal plaatsvinden op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van één jaar, of zes maanden na de eerste zitting. Als één van de partijen erom verzoekt, spreekt de rechter tijdens deze zitting de echtscheiding uit.  De eiser moet het bewijs leveren dat de partijen sinds meer dan één jaar gescheiden zijn vooraleer de rechter de echtscheiding uitspreekt. Zoniet wordt de zaak verdaagd naar een tweede verschijning minstens 6 maanden na de eerste verschijning (of onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van één jaar). Tijdens die tweede zitting zal de rechter de echtscheiding uitspreken indien één van de partijen dat eist.  §3.  De feitelijke scheiding van de echtgenoten kan aangetoond worden door aanwending van alle middelen van recht, met uitzondering van de bekentenis en de eed, en met name na voorlegging van een getuigschrift van woonplaats waaruit inschrijvingen op verschillende adressen blijken.  De bekentenis kan als bewijsmiddel niet volstaan aangezien het instellen van een termijn bedoeld is om de echtgenoten te beschermen tegen een overhaaste beslissing om uit de echt te scheiden.  §4.  Als de echtscheiding, met toepassing van artikel 229, §4, gevorderd wordt door één van de partijen en het bewijs van de ingeroepen feiten aangetoond is, ten minste met ernstige aanwijzingen, spreekt de rechter de echtscheiding onverwijld uit.  Hier bedoelt men de hypothese waarbij de echtscheiding gevorderd wordt door één van de partijen, ingevolge een grove fout. In deze fase volstaan ernstige aanwijzingen aangezien de inzet betrekkelijk zwak is: de vaststelling van de aanwezigheid van dergelijke gedragingen zal enkel de versnelling van de rechtspleging tot gevolg hebben. Men zal niet uit het oog verliezen dat het ontwerp er hoofdzakelijk toe strekt zoveel mogelijk de schade te beperken die veroorzaakt wordt door de steeds meer voorkomende foutbetwisting in echtscheidingsprocedures. Als het erom gaat vast te stellen dat de ontwrichting van het huwelijk duurzaam is, dan is het niet nodig om stevige bewijselementen te eisen. In het bijzonder zal dan de regel “ le criminel tient le civil en état” niet van toepassing zijn zodat een lopende strafprocedure de rechtspleging niet kan vertragen.  Dit mechanisme is geënt op de vroegere echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten: vóór de hervorming van 1994, werd aan de partijen een termijn opgelegd van 6 maanden tussen de aanvang van de procedure (op verzoekschrift) en het rechtsgeding zelf (bij dagvaarding); die termijn kon door de rechtbank ingekort worden in geval van “buitengewone omstandigheden” (in de praktijk wanneer het bewijs van de grove fout van bij de aanvang voldoende was gestaafd).    §5.  In elke hypothese, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, is de aanwezigheid van de partijen tijdens de eerste verschijning vereist. Deze heeft plaats in de raadkamer. Zonder afbreuk te doen aan artikel 1734, poogt de rechter hen te verzoenen. Hij kan hen alle nuttige inlichtingen verschaffen over de rechtspleging en met name over het nut een beroep te doen op de bemiddelingsprocedure zoals voorzien in het zevende deel van dit Wetboek. Hij kan de schorsing opdragen van de procedure teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen dienaangaande in te winnen. De duur van de schorsing mag niet meer bedragen dan één maand.  Deze bepaling geldt voor alle echtscheidingsprocedures. Indien de procedure verzacht dient te worden ingevolge de hierboven aangehaalde redenen, is het belangrijk de mechanismen ervan te versterken om te verhinderen dat deze versoepeling een toename teweegbrengt van het aantal echtscheidingen die overhaast zouden zijn ingeleid en verder gezet. Zonder te vervallen in excessief paternalisme, is het opportuun dat de rechter de partijen persoonlijk kan ontmoeten tijdens de eerste verschijning die met gesloten deuren plaatsheeft.  De rechter tracht een verzoening tot stand te brengen. Opdat deze efficiënt zou zijn (in tegenstelling met het huidige artikel 1258, §1 dat in de praktijk nooit wordt toegepast), kan hij inlichtingen van algemene orde verstrekken over de procedure (zonder over te gaan tot het geven van een volledige consultatie wat in strijd zou zijn met artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de magistraten geen consultaties mogen geven) en in het bijzonder over het belang van een beroep te doen op de bemiddelingsprocedure van het zevende deel van het Wetboek (wet van 21 februari 2005). Deze verduidelijking is nuttig want, vermits de bemiddeling van die aard is dat ze niet kan worden opgelegd aan de partijen, moeten deze laatste geïnformeerd worden over het nut van deze alternatieve wijze om hun geschil te regelen. De rechter kan een schorsing van de procedure bevelen om de doeltreffendheid van deze poging te bevorderen. De duur van de schorsing mag echter niet langer bedragen dan één maand.    8.   Artikel 1256 in ontwerp bepaalt:  Op ieder ogenblik kunnen de partijen de rechter verzoeken hun overeenkomsten te homologeren over de voorlopige maatregelen met betrekking tot de kinderen, de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de echtgenoten.  Hij kan weigeren om de overeenkomst te homologeren als deze duidelijk in strijd is met het belang van de kinderen.   Bij gebrek aan een overeenkomst of in geval van een gedeeltelijke overeenkomst, wordt de zaak, op verzoek van één van de partijen, verwezen naar de eerste gepaste zitting van de zaken in kort geding, voor zover deze nog niet is ingeschreven op de rol van de zaken in kort geding. Artikel 803 is van toepassing.  Deze bepaling is identiek aan het huidige artikel 1258, §2. Het gaat erom de bekrachtiging door de feitenrechter van volledige of gedeeltelijke overeenkomsten over de voorlopige maatregelen mogelijk te maken. De beoordelingsbevoegdheid van de rechter varieert al naargelang de overeenkomst de ouders of de kinderen aanbelangt.  Bij gebrek aan een overeenkomst blijft de rechter in kort geding uitsluitend bevoegd.  9.  Nieuw artikel 1257 van het Wetboek:  Zonder afbreuk te doen aan artikel 302 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1288 van dit Wetboek zijn de bekrachtigde of gehomologeerde overeenkomsten tijdens de echtscheidingsprocedure of de bevolen maatregelen in kort geding voorlopig in de zin van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek.  Niettemin kunnen de partijen minstens 3 maanden na de bekrachtiging of de homologatie van hun overeenkomst of uitspraak in kort geding om de bekrachtiging van de maatregelen door de feitenrechter vragen, dit keer definitief en met inbegrip van de periode die volgt op de echtscheiding.  Het voorlopige karakter van de maatregelen die tijdens de procedure werden genomen, wordt met deze tekst bevestigd. Het is belangrijk te verhinderen dat de maatregelen die noodzakelijkerwijs met spoed werden genomen of de overeenkomsten die in een crisissituatie werden afgesloten, gevolgen zouden hebben op lange termijn. Deze oplossing – die thans doorgaans is toegestaan – kent in de huidige teksten twee uitzonderingen, die op dit punt niet werden aangepast:  - artikel 302 van het Burgerlijk Wetboek: beslissingen betreffende de kinderen blijven uitvoerbaar na de rechtspleging;  - artikel 1288 (in ontwerp) van het Gerechtelijk Wetboek: hypothese van overeenkomsten die aan de echtscheiding door onderlinge instemming voorafgingen.  Niettemin moet de bescherming die de wet aan de partijen toekent – die hen beschermt tegen een te snel onderhandelde overeenkomst door de gevolgen ervan te beperken – niet beletten dat een zekere efficiëntie wordt nagestreefd. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat de partijen over een voorlopige overeenkomst onderhandelen, of zich samen schikken naar een uitspraak in kort geding en de gevolgen hiervan wensen te bestendigen. Die methode komt tegemoet aan de doelstelling van het ontwerp namelijk de goede verstandhouding tussen de partijen aan te moedigen door gedeeltelijke overeenkomsten tijdens de rechtspleging in de hand te werken. Het tweede lid biedt de partijen dus de mogelijkheid om ten minste 3 maanden na de bekrachtiging of homologatie van hun overeenkomst of verwijzing in kort geding, de bekrachtiging te vragen van de maatregelen door de feitenrechter, dit maal definitief en met inbegrip van de periode na de echtscheiding.   10. Nieuw artikel 1264:  Behoudens andersluidende overeenkomst worden de kosten verdeeld onder de partijen wanneer de echtscheiding is uitgesproken op grond van artikel 229, §2 van het Burgerlijk Wetboek.  Ze worden ten laste gelegd van de eisende partij wanneer de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van artikel 229, §3 van het Burgerlijk Wetboek.  Ze worden gecompenseerd wanneer de echtscheiding is uitgesproken op grond van artikel 229, §4 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij het bestaan van feiten die de verweerder verweten worden niet duidelijk betwistbaar is, waarbij ze desgevallend ten laste worden gelegd van deze laatste.   Dit artikel voorziet dat, behoudens andersluidende overeenkomst, de kosten worden gedeeld onder de partijen wanneer de echtscheiding samen werd gevorderd en dus uitgesproken wordt op grond van artikel 229, §2 van het Burgerlijk Wetboek.  Ze worden ten laste gelegd van de eisende partij wanneer de echtscheiding eenzijdig wordt gevorderd (nieuw artikel 229, §3 van het Burgerlijk Wetboek): het is logisch dat de partij die de echtscheiding vordert zonder grond, soms tegen het advies in van zijn partner, de kosten draagt.  Tenslotte kunnen de kosten wanneer de echtscheiding is uitgesproken op grond van artikel 229, §4 van het Burgerlijk Wetboek, ’t is te zeggen wegens een grove fout die de verweerder wordt verweten, in de regel gecompenseerd worden (frequente oplossing in familierecht: zie art. 1017, derde lid Gerechtelijk Wetboek). Men mag niet uit het oog verliezen dat het doel van het ontwerp ertoe strekt de schuldbetwisting zoveel mogelijk te vermijden. Dit rechtvaardigt het feit dat de rechtbank zich zal kunnen beperken tot een summier onderzoek van de bewijzen die haar ter beschikking worden gesteld. Het mag niet zo zijn dat deze doelstelling in het gedrang zou komen door een betwisting over de kosten waarvan de inzet in feite toch beperkt is. Het is slechts wanneer de aanwezigheid van feiten die de verweerder worden verweten niet werkelijk betwistbaar is, dat de kosten ten zijnen laste gelegd worden.  11. Artikel 1271 van het voorontwerp voorziet dat de beslissingen die de echtscheiding uitspreken niet in aanmerking komen voor hoger beroep.  Gelet op de inhoud van de voorgestelde hervorming is het weinig waarschijnlijk dat de vorderingen tot echtscheiding het voorwerp kunnen zijn van werkelijke betwistingen. Het vaakst zal de rechtbank de echtscheiding uitspreken op eenvoudige vaststelling van het verstrijken van de tijd of van het naleven van de procedure (eventueel twee verschijningen, enz.) Het beroep heeft dus geen nut als de rechtbank de echtscheiding uitspreekt. Het zou kunnen aangewend worden als vertragingsmanoeuvre.  Verzet blijft mogelijk.  Het hoger beroep blijft mogelijk tegen een beslissing die de echtscheiding weigert.    12. Artikel 1274: de Cassatievoorziening blijft mogelijk, maar steeds met dezelfde bedoeling, namelijk vertragingsmanoeuvres te beperken, wordt de termijn om in Cassatie te voorzien vastgesteld op één maand (in plaats van drie in het gemeen recht).  Men behoudt het opschortende karakter van de termijn en van de voorziening rekening houdend met het permanente karakter van de situatie van de personen.  13. Het artikel 1276 is aangepast ingevolge wijzigingen die werden voorgesteld in verband met de rechtsmiddelen (voorgestelde artikels 1271 en 1274).  14. Opschonen van artikel 1282 (de woorden “de dagvaarding tot echtscheiding” worden vervangen door de woorden “de inleiding van de vordering” en aan het tweede lid wordt toegevoegd: “in ieder geval hebben de partijen de mogelijkheid om een inventaris te laten opstellen krachtens hoofdstuk II van Boek IV”).  15. Het voorgestelde artikel 1288 behoudt hoofdzakelijk de bestaande regelgeving inzake de echtscheiding door onderlinge toestemming. De rechtspleging past echter in het kader van de echtscheiding ingevolge duurzame ontwrichting, wanneer deze gezamenlijk wordt ingesteld door de echtgenoten (art. 229, §2 Burgerlijk Wetboek en nieuw 1255, §1 Gerechtelijk Wetboek).  §1  Wanneer de echtscheiding gezamenlijk wordt gevorderd zoals gesteld in artikel 1255, §1, kunnen de partijen vooraf hun respectieve rechten regelen terwijl het hen niettemin vrij zal staan hierover een vergelijk te treffen.  Het beginsel van de echtscheiding door onderlinge toestemming blijft dus behouden.  De overeenkomsten kunnen de formuleringen hernemen die in het derde lid zijn vermeld. Het zijn dezelfde als nu:  De partijen kunnen hun overeenkomst schriftelijk vaststellen. Het betreft overeenkomsten die strekken tot   1e de verblijfplaats van elke echtgenoot gedurende de proeftijd;  2e het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen en het recht op persoonlijk contact als bedoeld in artikel 374 vierde lid van het Burgerlijk Wetboek voor wat de kinderen betreft als bedoeld in artikel 1254, zowel tijdens de proefperiode als na de echtscheiding;  3e de bijdrage van iedere echtgenoot voor het levensonderhoud, de opvoeding en de adequate opleiding van deze kinderen, onverminderd de rechten die hen worden toegekend via Hoofdstuk V, Titel V, Boek I van het Burgerlijk Wetboek;  4e het bedrag van de eventuele uitkering tot levensonderhoud die door één van de echtgenoten moet worden betaald aan de andere tijdens de proefperiode en na de echtscheiding, de formule van de eventuele aanpassing van de kosten van het levensonderhoud, de omstandigheden waarin en de modaliteiten volgens welke dit bedrag kan worden herzien na de echtscheiding;  5e de uitoefening van de rechten bepaald door de artikels 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek voor het geval één van hen komt te overlijden voor de uitspraak van het vonnis of het arrest dat de echtscheiding definitief uitspreekt.  Ten einde de volledige informatie van de partijen te waarborgen, geeft het volgende lid aan:  De overeenkomsten moeten de vermelding bevatten dat de partijen ervan op de hoogte zijn gesteld dat, indien de rechtspleging tot een resultaat leidt, zij gebonden zijn door hun verbintenis en dat de overeenkomsten inderdaad ook na de echtscheidingsprocedure van kracht zijn.  Tenslotte wordt het volgende bepaald, zoals ook nu het geval is:  Een letterlijk uittreksel van de akte die deze overeenkomsten vaststelt - voor zover deze betrekking hebben op onroerende goederen – moet worden overgeschreven bij het Hypotheekkantoor van de zetel waar de goederen gevestigd zijn op de wijze en binnen de termijnen voorzien in artikel 2 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913.  De voornaamste nieuwigheid staat in het tweede lid van deze paragraaf en in §5. Als de partijen onvolledige overeenkomsten afsluiten is de procedure – in tegenstelling met wat thans voorzien is – niettemin ontvankelijk.  Het tweede lid stelt: Als de procedure niet bij consensus wordt voortgezet, hebben de overeenkomsten slechts gevolgen in de zin van artikel 1257.  De overeenkomsten zullen dus een beperkt effect hebben, zoals gesteld in §5 (dit geldt ook wanneer de overeenkomsten volledig zijn maar de procedure niet wordt voortgezet). Enkel de volledige en niet-gewijzigde overeenkomsten die aan de gang zijn (behalve toepassing van §4) zullen gevolgen hebben op lange termijn, zoals thans in geval van echtscheiding door onderlinge toestemming.  §2  De overeenkomsten worden gevoegd bij het verzoekschrift bedoeld in artikel 1254.     §3  Uiterlijk 8 dagen na de indiening, stuurt de griffie twee kopieën van het verzoekschrift en de bijlagen ervan naar de procureur des Konings.  Voor het overige zijn de artikelen 766 en volgende van toepassing.  Deze tekst betreft het advies van het openbaar ministerie aan wie het verzoekschrift en de bijlagen (in het bijzonder de overeenkomsten) worden verzonden zoals thans het geval is (thans art.1288ter van het Gerechtelijk Wetboek). De rechtspleging is vereenvoudigd en men verwijst naar het gemeen recht (art. 766 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek).  §4  De overeenkomsten die in de loop van de rechtspleging gewijzigd zijn hebben slechts gevolgen binnen de beperkingen van artikel 1257.  Wanneer de echtgenoten of één van de echtgenoten zich beroepen op nieuwe en onvoorziene omstandigheden waarvan het bewijs naar behoren is geleverd en die de situatie van één van beiden of die van de kinderen ernstig wijzigen, kunnen ze niettemin gezamenlijk een voorstel van wijziging van hun aanvankelijke overeenkomsten voorleggen ter beoordeling van de rechter.  Na kennis te hebben genomen van het advies van de procureur des Konings of na toepassing van artikel 931, derde tot zevende lid, kan de rechter de partijen oproepen als hij dat wenselijk acht teneinde hen voor te stellen de voorstellen tot wijziging van hun overeenkomsten betreffende hun minderjarige kinderen aan te passen wanneer deze in strijd blijken te zijn met de belangen van deze laatste.  De rechter kan ambtshalve beslissen om de kinderen te horen krachtens artikel 931, derde tot zevende lid.  Wanneer hij de bepalingen toepast die voorzien zijn in het derde tot vierde lid, stelt de rechter een nieuwe datum vast voor een bijkomende verschijning.  Tijdens deze verschijning kan de rechter de bepalingen die duidelijk in strijd zijn met de belangen van de minderjarige kinderen doen schorsen of wijzigen.  Behoudens het geval voorzien in artikel 1293 G.W. kunnen de partijen thans de voorafgaande overeenkomsten niet wijzigen in de loop van de rechtspleging tenzij deze ab initio worden hernomen.  Deze sanctie heeft zware gevolgen, aangezien de echtgenoten zich in een juridisch vacuüm bevinden en zij opnieuw moeten onderhandelen of een rechtsgeding aanspannen.  Het voorontwerp verzacht de sanctie maar maakt het als dusdanig niet mogelijk dat de overeenkomsten onbeperkt herzien kunnen worden (wat het marchanderen in de loop van het proces mogelijk maakt). Het voorziet dat wanneer de overeenkomsten gewijzigd worden in de loop van de rechtspleging deze hun bestendig karakter verliezen en nog slechts het beperkt effect hebben van een overeenkomst die tijdens de rechtspleging tot stand is gekomen (nieuw artikel 1257: de bekrachtigde en gehomologeerde overeenkomsten tijdens de echtscheidingsprocedure of de maatregelen de in kort geding werden bevolen zijn voorlopig in de zin van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek maar de partijen kunnen ten minste drie maanden na de bekrachtiging of de homologatie van hun overeenkomst of het bevel in kort geding de bekrachtiging van de maatregelen door de feitenrechter vragen, dit maal definitief en met inbegrip van de periode die volgt op de echtscheiding). Kortom, als de partijen in de loop van de rechtspleging van mening veranderen, dan wordt de procedure verder gezet en zijn de voorgaande onderhandelingen niet als dusdanig ontkracht, hoewel dit toch in geringe mate het geval is.  Bovendien blijft het huidige stelsel van artikel 1293 G.W. behouden met het tweede lid en volgende wanneer de echtgenoten of één van de echtgenoten gewag maken van nieuwe en onvoorziene omstandigheden die de situatie grondig wijzigt van henzelf, van één van hen of van de kinderen: in dit geval kunnen ze gezamenlijk een voorstel tot wijziging van hun aanvankelijke overeenkomsten voorleggen aan de beoordeling van de rechter.  §5.  Wanneer de overeenkomsten die bij het verzoekschrift zijn gevoegd alle vermeldingen bevatten als bepaald in §1, dan worden deze gehomologeerd door de rechtbank en worden zij voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging.  Wanneer de overeenkomsten onvolledig zijn, of één van de partijen dit aangeeft in de loop van de rechtspleging, hebben ze de gevolgen voorzien in artikel 1257.  Deze bepaling bevestigt de intentie tot soepelheid van dit ontwerp. Hierdoor kan men gebruik maken van de “overstapmogelijkheid” van de zuivere minnelijke echtscheiding tot de gedeeltelijke echtscheiding in betwisting. Dit heeft tot gevolg dat de partijen van de ene vorm naar de andere kunnen overstappen zonder de procedure ab initio te moeten hernemen.  Als de partijen zich verbinden tot alle elementen als bedoeld in §1 (zoals thans in het kader van echtscheiding door onderlinge toestemming), zullen ze hiertoe gebonden zijn na afloop van de rechtspleging en zal de rechtbank hun overeenkomsten homologeren en uitvoerbaar maken.  Maar als de partijen of één van de partijen van mening verandert, zullen hun overeenkomsten behouden blijven binnen de beperkingen van artikel 1257 G.W. (wat hen de overgangsmogelijkheid in omgekeerde zin biedt, vermits de partijen kunnen vragen dat de voorlopige overeenkomsten definitief worden na een bedenktijd van drie maanden).  Art. 16:  In artikel 1305 blijft de procedure van de scheiding van tafel en bed conform aan deze van de echtscheiding.  De vordering tot echtscheiding kan te allen tijde worden omgezet in vordering tot scheiding van tafel en bed en omgekeerd.  De echtgenoten die gescheiden zijn van tafel en bed kunnen te allen tijde de echtscheiding vorderen.  Art. 17:  Zijn opgeheven:  De artikels 231, 232, 233, 275, 276, 295, 299, 300, 306, 307, 307bis van het Burgerlijk Wetboek.  De artikels 1265, 1266, 1267, 1268, 1269 tweede lid, 1270bis, 1284 tot 1287 van het Gerechtelijk Wetboek. 

0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 17:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.