Gerechtelijke reorganisatie Wet continuiteit ondernemingen geen verlenging van de opschorting bij onvoldoende garanties van de realisatie van de oorspronkelijke doelstellingen
Er kan geen verlenging van de opschorting worden toegestaan wanneer onvoldoende garanties kunnen geboden worden voor het welslagen van het herstelplan binnen de vooropgestelde doelstellingen.
(NV S.)
Gezien het verzoekschrift met bijlagen d.d. 21 april 2009, strekkend tot het bekomen van een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord;
Gezien de beschikking van 23 april 2009, waarbij de heer P. Smeets werd aangesteld als gedelegeerd rechter;
Gezien het vonnis d.d. 5 mei 2009 waarbij de opschorting bepaald werd tot
4 september 2009;
Gezien het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4 augustus 2009 ertoe strekkend tot het bekomen van een verlenging van de opschorting;
Gezien het vonnis d.d. 6 augustus 2009 waarbij de opschorting bepaald werd tot 26 januari 2010;
Gezien het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 januari 2010 ertoe strekkend tot het bekomen van een verlenging van de opschorting;
Gezien het vonnis d.d. 26 januari 2010 waarbij de opschorting bepaald werd tot 5 mei 2010;
Gezien het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 14 april 2010 ertoe strekkend tot het bekomen van een bijzondere verlenging van de opschorting;
Gezien de toelichting door verzoekster op de zitting van 27 april 2010 verstrekt en de dan ook door de gedelegeerd rechter uitgebrachte verslag;
De procedure van gerechtelijke reorganisatie werd door vonnis van 5 mei 2009 geopend en thans wordt voor de derde maal een verzoekschrift tot verlenging ingediend zodat de maximale duur van de opschorting daardoor zou worden overschreden.
In haar verzoekschrift van 8 januari 2010 heeft verzoekster zelf een strikte timing vooropgesteld (tot 5 mei 2010) waaraan de rechtbank gevolg heeft gegeven.
Deze timing kon niet aangehouden worden omdat een kandidaat-investeerder draalde met het afleveren van de nodige boekhoudkundige elementen en bovendien de aangezochte financier (Rabo Bank) geen kredieten wilde verstrekken.
In de al van in den beginne voorgenomen verkoop van onroerende goederen blijkt op heden evenmin iets concreet gerealiseerd te zijn.
Van buitengewone omstandigheden die de vraag tot verlenging zouden kunnen staven is dan ook geen sprake vooral wanneer men vaststelt dat de bank kredieten weigert wegens te negatieve cijfers van de kandidaat-inversteerder en de ontoereikendheid van de dekkingswaarde van het machinepark.
Voor het overige worden andere compartimenten “de komende weken uitonderhandeld (en geïmplementeerd)”.
In feite komt men tot de vaststelling dat één jaar van opschorting weinig uitvoering heeft gekend van nochtans van bij het begin duidelijk gestelde doeleinden (zoals samenwerkingsverbanden en verkoop van onroerende goederen).
De vordering is dus ongegrond.
In ondergeschikte orde wordt een wijziging van de procedure gevraagd (van collectief akkoord naar overdracht onder gerechtelijk gezag). Dergelijke wijziging kan niet in ondergeschikte orde worden gevraagd maar dient het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke procedure.
OM DEZE REDENEN, De rechtbank,
Gelet op de toepassing van de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 10 juni 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek.
Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.
Aanvullende Rechtspraak:
• Kh. Tongeren 27 september 2010, 27 september 2010, RABG 2011/9, 651
samenvatting
Een ingetrokken reorganisatieplan waarbij aa de rechtbank wordt verzocht over te gaan tot een overdracht onder gerechtelijk gezag, verleent aan de rechtbank een beoordelingsruimte om te oordelen of deze overdracht onder gerechtelijk gezag al dan niet binnen de procedure van de opschorting valt.
Wanneer er onvoldoende middelen zijn om de normale bedrijfsvoering verder te zetten en er geen enkele waarborg is voor de overname van het personeel, moet de rechtbank een afweging van belangen maken of de schuldeisers en personeelsleden er al dan niet baat bij hebben dat er op korte termijn wordt overgegaan tot een rea¬lisatie van de activa dan wel een gerechtsmandataris wordt aangesteld.
Uittreksel vonnis
(R. NV/L. NV)
De inleidende dagvaarding werd betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder M. Reynders te Genk op 3 september 2010.
Zij strekt ertoe het reorganisatieplan van verweerster te horen intrekken en een overdracht onder gerechtelijk gezag te horen bevelen. Gezien de inhoud van de dagvaarding werden de procureur des Konings en de gedelegeerd rechter uitgenodigd voor de zitting.
Partijen hebben hun standpunt uiteengezet op de zitting van 20 september 2010. De heer C. Stuyck, substituut-procureur des Konings heeft advies gegeven en de gedelegeerd rechter heeft verslag gedaan.
VOORGAANDE
Verweerster heeft aanvraag tot gerechtelijke reorganisatie ingediend op 18 september 2009.
Bij beschikking van 18 september 2009 werd een gedelegeerd rechter aangesteld.
Bij vonnis van 5 oktober 2009 werd een voorlopige opschorting toegestaan met het oog op een collectief akkoord.
Het plan werd neergelegd ter griffie op 1 maart 2010.
De algemene vergadering van de schuldeisers werd gehouden op 22 maart 2010.
Bij vonnis van 29 maart 2010, werd het plan gehomologeerd. In tegenstelling met wat aanlegster voorhoudt werd dit vonnis bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 april 2010. Het plan voorzag een uitbetaling aan de schuldeisers vóór 31 augustus 2010.
Deze uitkering is niet gebeurd en verweerster erkent dat zij niet in de mogelijkheid is deze betalingen te doen.
Aanlegster vraagt de intrekking van het plan overeenkomstig artikel 58 WCO. Tegelijkertijd vraagt zij dat een procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag wordt geopend en dat een nieuwe periode van opschorting zou worden toegekend.
Noch aanlegster noch het Openbaar Ministerie vorderen het faillissement van verweerster. Zij wenst ook geen aangifte van staking van betaling te doen omdat zij meent dat in het kader van de WCO een betere realisatie mogelijk is.
TEN GRONDE
1. Artikel WCO bepaalt dat een schuldeiser de intrekking van het plan kan eisen wanneer het niet stipt wordt uitgevoerd. In casu is dit het geval en verweerster heeft ook niet de mogelijkheden om dit in de nabije toekomst te doen. Het plan dient dan ook te worden ingetrokken.
2. Aanlegster vordert de opening van een overdracht in gerechtelijk gezag in toepassing van artikel 59 § 2 WCO. Iedere schuldenaar kan deze vordering stellen. Aan¬legster duidt aan zelf geïnteresseerd te zijn in een eventuele overname. Het feit dat zij de vordering stelt en niet verweerster kan verklaard worden door de verschillende tussenkomst van het fonds sluiting ondernemingen volgens artikel 61 § 3, laatste lid WCO.
3. Door de rechter-verslaggever worden tijdens de behandeling van de zaak terecht opmerkingen gemaakt over de onduidelijkheid van de Iiquiditeitspositie van verweerster tijdens de gevraagde periode. De financiële situatie is de laatste maanden niet verbeterd integendeel. Er is dan ook te verwachten dat zij op zeer korte termijn in betalingsmoeilijkheden zal geraken. Over de huidige schuldpositie onder meer ten aanzien de institutionele schuldeisers worden zelfs geen gegevens bijgebracht. Nochtans zal ook in de periode van overdracht onder gerechtelijk gezag de uitbating moeten voortgezet worden.
4. Ook aanlegger heeft dit begrepen en vordert gelijktijdig de toekenning van een nieuwe bescherming. Uit de tekst van de WCO volgt dat de eerder aan verweerster toegekende opschorting door de homologatie van het plan een einde heeft genomen. Deze homologatie sluit immers de procedure van gerechtelijke reorganisatie. De intrekking van het plan heeft voor gevolg dat de schuldeisers hun oorspronkelijke vordering hernemen en deze ook kunnen uitvoeren.
Waar er nog onduidelijkheid zou kunnen bestaan over de uitvoering zolang het plan niet is ingetrokken, is het na de intrekking duidelijk dat na intrekking het plan elke uitwerking verliest en de schuldeisers hun integrale rechten hernemen. Aanlegster vraagt daarom een nieuwe bescherming gedurende zes maanden om de gerechtsmandataris toe te laten in die periode een overnemer te zoeken.
Aanlegster stelt zonder meer dat de rechtbank verplicht is een nieuwe opschorting toe te staan omdat anders de overdracht geen zin heeft. Het woord “kan” zou enkel aanduiden dat dit moet gebeuren als er geen bescherming meer lopend is.
Niet iedereen is het daarover eens.
Windey stelt dat de overdracht gebeurt buiten de gerechtelijke reorganisatie (J. WIN-DEY, “La loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises”, JT 2009, 247, nrs. 48 en 50). Ook Buyttebier en Gesquière wijzen op het feit dat heel de procedure gesteund is op een initiatief van de schuldenaar en dat alle tussenprocedu¬res vanuit dat uitgangspunt geschreven zijn met alle gevolgen van dien (K. BYTTE-BIER, R. DIRIx, M. TISON en M. VANMEENEN (eds.), Gerechtelijke reorganisatie, Ant¬werpen, Intersentia, 2010, 230-2311, nrs. 32-33).
Bijgevolg is het niet vanzelfsprekend dat een overdracht onder gerechtelijk gezag noodzakelijk in een periode van gerechtelijke reorganisatie moet gebeuren. De rechtbank heeft een appreciatiebevoegdheid en dit is logisch. Het is de onderneming in moeilijkheden die aanspraak kan maken op een bescherming tegen de schuldeisers en niet een kandidaat-overnemer.
4. Naast de procedurele vraag of de overdracht al dan niet binnen een procedure van opschorting valt, is een meer fundamenteel probleem. Er kan niet ernstig worden betwist dat verweerster haar betalingen heeft gestaakt. Zij heeft kunnen overleven dankzij de bescherming van de WCO. De schuldeisers van verweerster waren ingevolge deze procedure gedurende een jaar in de onmogelijkheid om hun niet betwiste schuldvordering ten uitvoer te leggen. Verweerster had in die periode ruim de mogelijkheid om te zoeken naar een overnemer indien de onderneming inderdaad waard is om gered te worden.
Dit is niet gebeurd. Het is dan ook duidelijk dat de ontman¬teling van de onderneming onvermijdelijk is geworden. Verweerster sluit zich op de zitting aan bij het standpunt van aanlegster dat de overdracht met een beter resultaat kan gebeuren in het kader van de WCO. Als voornaamste argument wordt aange¬haald dat de klanten van verweerster op zeer korte termijn bediend worden en dat een onderbreking van de activiteit tot verlies van cliënteel zal leiden. Dit argument is in strijd met de vaststelling dat verweerster nu reeds ongeveer de helft van haar omzet heeft verloren omdat zij niet langer erkend wordt door OVAM.
De aanhoudende financiële moeilijkheden hebben de positie van verweerster als ondernemer reeds aanzienlijk verzwakt.
5. Verzoekster stelt zelf uitdrukkelijk dat een overdracht onder gerechtelijk gezag geen zin heeft zonder een bijkomende opschorting van zes maanden omdat verweerster zonder deze bescherming niet kan overleven. Een nieuwe procedure van gerechtelijke reorganisatie veronderstelt toch dat er minstens voldoende middelen zijn om de normale bedrijfsvoering voort te zetten. Dit is niet het geval.
De aanzienlijke omzetverliezen kunnen niet anders dan tot een Iiquiditeitsprobleem leiden. In die omstandigheden zal een eventueel aan te stellen gerechtsmandataris moeten vaststellen dat hij moet gaan onderhandelen over een overdracht terwijl een normale bedrijfsvoering niet meer mogelijk is. De eventuele continuïteit van de onderneming zal er alleszins toe leiden dat enkel de bruikbare activa worden overgenomen. De keuze voor een overdracht onder gerechtelijk gezag op verzoek van een schuldeiser heeft voor gevolg dat er geen enkele waarborg is voor de overname van het personeel.
Het resultaat van deze realisatie is dus noch voor de onderneming noch voor haar schuldeisers noch voor het personeel noch voor het algemeen belang voordeliger dan een liquidatie na faillissement. Deze laatste kan bovendien vlugger en met minder formaliteiten gebeuren omdat duidelijk is waartoe een eventuele overnemer van de activa gehouden is.
6. Ook bij de toepassing van de WCO moet een afweging gemaakt worden van belangen. Het is duidelijk dat de wetgever het voortbestaan van de onderneming als prioriteit heeft gesteld. De rechtbank onderschrijft deze doelstelling. In casu is er van continuïteit geen sprake meer. De kans dat een gerechtsmandataris de mogelijkheid heeft verschillende kandidaat-ovememers te contacteren, offertes in te winnen en ontwerpen van verkoop voor te leggen is gering.
Verweerster heeft immers in de eerdere procedure zo veel tijd laten verloren gaan dat er geen reserves meer zijn om deze periodes te overbruggen. Dit tijdverlies is allicht het gevolg van het feit dat eerdere pogingen om de onderneming onder een andere vorm te laten voortbestaan zijn mislukt.
Dit bewijst op zich reeds dat een overdracht van de onderneming als geheel niet haalbaar is. Zowel de schuldeisers als de personeelsleden hebben er belang bij dat thans op korte termijn wordt overgegaan tot realisatie van de activa vanuit een voor de overnemer duidelijke situatie. Alleen reeds het feit dat bij het openen van een nieuwe opschorting geen samenloop zal ontstaan en de onzekerheid over verplichtingen ten aanzien van het personeel hebben voor gevolg dat de situatie voor de overnemer niet duidelijk is.
In die zin is de vordering tot intrekking van het plan gegrond.
Er kan echter geen overdracht onder gerechtelijk gezag worden bevolen en bijgevolg kan evenmin een bijkomende opschorting worden toegekend.
De artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank, uitspraak doende op tegenspraak, Verklaart de vordering ontvankelijk en deels gegrond.
Trekt het reorganisatieplan van de NV L. zoals gehomologeerd bij vonnis van 29 maart 2010 in.
Beveelt de publicatie van onderhavig vonnis bij uittreksel, door toedoen van de grif-fier, in het “Belgisch Staatsblad” en zulks binnen de vijf dagen.
Verklaart de vordering tot opening van een gerechtelijke reorganisatie met het oog op de verkoop onder gerechtelijk gezag en tot het bekomen van een bijkomende opschorting ongegrond.
veroordeelt verwerende partij tot de kosten begroot op: dagvaarding en rolzetting:
rechtsplegingsvergoeding: […]
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder rechtsmiddel en zonder borgstelling.
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Instantie:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
- login of registreer om te reageren
-

Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
