-A +A

Aanhangigheid en samenhang

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer een partij in een geding oordeelt dat een zaak zo nauw verbonden is met een andere zaak waardoor het wenselijk is de beide zaken samen te behandelen, kan zij de exceptie van samenhangigheid (exceptie van samenhang of connexiteit) inroepen, waarna de zaken samen kunnen behandeld. Ook de rechter kan hiertoe ambtshalve het initiatief nemen. (art. 29 Gerechtelijk Wetboek).

Hoewel de exceptie van aanhangigheid de openbare orde niet raakt en de verweerder deze exceptie niet in limine litis opwerpt, biedt art. 565 Ger.W. de rechtbank wel de mogelijkheid om de exceptie ambtshalve op te werpen om aldus onderling tegenstrijdige rechterlijke beslissingen te vermijden.

 uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

 Art. 29. Aanhangigheid bestaat telkens wanneer vorderingen met hetzelfde voorwerp en wegens dezelfde oorzaak worden ingesteld tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanigheid optreden voor verschillende rechtbanken, bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen om in eerste aanleg uitspraak te doen.

Art. 30. Rechtsvorderingen kunnen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.


Art. 565. In geval van aanhangigheid worden de vorderingen samengevoegd, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een der partijen.
De verwijzing geschiedt naar de volgende voorrang:
1° de rechtbank die over de zaak een ander vonnis heeft gewezen dan een beschikking van inwendige orde, heeft altijd voorrang;
2° de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken;
3° de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel;
4° de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter;
(4°bis De vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank;) <W 1994-07-11/33, art. 36, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
5° de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht.
Wanneer evenwel een van de vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, is alleen deze bevoegd om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen.
Wanneer twee of meer vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van twee onderscheiden rechtbanken behoren, kan de verwijzing geschieden naar de hierboven bepaalde voorrang.
De bepalingen van de artikelen 661 en 662 zijn van toepassing in geval van verwijzing uit hoofde van aanhangigheid.


Art. 854. De onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, moet worden voorgedragen voor alle exceptie of verweer behalve wanneer zij van openbare orde is.

Art. 855. De partij mag de bevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, alleen afwijzen in zover zij meedeelt welke rechter volgens haar bevoegd is.

Art. 856. In geval van aanhangigheid of van samenhang moet de vordering tot verwijzing worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 854 en 855.
Indien de samenhangende zaken voor een zelfde rechter aanhangig zijn, kunnen zij, zelfs ambtshalve, worden gevoegd.

Op grond van deze bepalingen van het gerechtelijk wetboek maakt de aanhangigheid een grond tot verwijzing naar een andere rechtbank alwaar er een vordering met zelfde oorzaak werd ingesteld tussen zelfde partijen en in zelfde hoedanigheid voor zover de rechtbank waarnaar verweren wordt ook in eerste aanleg uitspraak doet. 


Cassatie 01/04/2010, AR C.09.0131.N, juridat

Geen samenhang tussen vorderingen waarvan de ene in eerste aanleg behandeld wordt en de andere in laatste aanleg

1. Krachtens artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangend worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Krachtens artikel 566 van voormeld wetboek kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, 2° tot 5° van voormeld wetboek.
Krachtens voormeld artikel 565, 2° tot 5°, gebeurt de verwijzing met de volgende voorrang:

2° de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken;
3° de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel;
4° de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter;
4°bis de vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank;
5° de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht.

2. De door die bepaling opgelegde voorrang onderstelt dat de vorderingen hangende zijn voor rechtscolleges van dezelfde rang en er kan geen sprake zijn van samenhang wanneer de ene vordering hangende is voor een rechtscollege dat in eerste aanleg uitspraak dient te doen en de andere voor een rechtscollege dat in hoger beroep uitspraak moet doen.

Aan deze regel dat de te verwijzen vordering tot dezelfde aanleg dient te behoren als de vordering waarmee ze desgevallend zal worden gevoegd, wordt evenwel geen afbreuk gedaan door de loutere beslissing van de appelinstantie die de beslissing omtrent de samenhang hervormt.

 

Nog dit: 

Rechtspraak:

• Vredegerecht te Zomergem, 23 maart 2012, RW 2013-2014, 394

D. t/ N.

...

De verweerder verwees tijdens zijn pleidooi naar het door hem op 25 januari 2012 ter griffie van de Jeugdrechtbank te Gent neergelegde verzoekschrift waarbij hij de wijziging nastreeft van de regeling betreffende het verblijf, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen van de gedingpartijen. In het bijzonder vordert hij een bilocatieregeling volgens een week-weekstramien. Hij vordert ook te zeggen voor recht dat “partijen elkaar geen onderhoudsbijdrage verschuldigd zijn overeenkomstig art. 203bis, § 2 BW; de studietoelagen voor de kinderen, alsook de eventuele achterstallen zullen toekomen aan de verweerder, zonder tussenkomst van de andere partij”.

Deze zaak wordt voor de jeugdrechtbank ingeleid op 22 maart 2012.

Ter terechtzitting van 24 februari 2012 hebben de gedingpartijen standpunt ingenomen over de problematiek van de aanhangigheid.

De essentie van het verhaal is dat de vrederechter en de jeugdrechter, als bodemrechters, geadieerd zijn om te beslissen over de alimentatieplicht van de ouders ten opzichte van hun minderjarige kinderen. Het dient daarbij te worden beklemtoond dat de verweerder zich voor deze identieke vorderingen baseert op een door de gedingpartijen op 2 juni 2009 onderschreven overeenkomst (die werd geregistreerd op 28 september 2010), waarin is opgenomen dat door hem vanaf 1 juni 2008 geen alimentatie meer moet worden betaald. Volgens hem werd die overeenkomst gesloten op basis van een gewijzigde verblijfsregeling betreffende de kinderen, die immers volgens een week-weekregeling bij vader en moeder zouden verbleven hebben sinds 1 juni 2008. Telkens wordt door de verweerder 1 juni 2008 (vermeld in de voormelde overeenkomst van 2 juni 2009) als scharnierdatum aangehaald.

Het voorwerp van zijn alimentatievordering is derhalve identiek in de beide procedures. In de procedure voor de vrederechter wordt immers, onder meer, gevraagd “akte te willen nemen van de minnelijke overeenkomst tussen partijen houdende afschaffing van de plicht tot betaling van een onderhoudsbijdrage door de vader aan de moeder, zoals neergeschreven in de geregistreerde onderhandse akte van 2 juni 2009”. Minstens vraagt de verweerder te zeggen voor recht dat hij vanaf 1 juni 2008 aan de moeder geen onderhoudsbijdrage meer verschuldigd is, gelet op de gewijzigde middelen van de partijen. Met andere woorden, de afschaffing van de bijdrage in het onderhoud wordt bij equivalent gevorderd vanaf 1 juni 2008. In de procedure voor de jeugdrechtbank wordt de afschaffing van de voormelde alimentatiebijdrage gevraagd omdat de gedingpartijen “dit ook onderling overeengekomen (zijn) vanaf 1 juni 2008. Deze overeenkomst werd op schrift gesteld op 2 juni 2009”. De verweerder vraagt de jeugdrechter om op die basis de alimentatiebijdrage af te schaffen.

Bovendien komt de vordering, om de verweerder te machtigen om de studietoelagen voor de kinderen rechtstreeks en zonder tussenkomst van de andere partij te ontvangen, ook zowel voor in de huidige procedure als in de procedure voor de jeugdrechtbank.

3.4. Anders dan de verweerder ter terechtzitting liet gelden, is de vrederechter van oordeel dat geen bevoegdheidsprobleem bestaat in het voorliggende dossier. Art. 591, 7o Ger.W. verleent aan de vrederechter immers een bijzondere bevoegdheid inzake onderhoudsvorderingen. Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt hij kennis van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud, met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van art. 336 BW en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest.

De bevoegdheid van de vrederechter is echter niet exclusief. Er is allereerst de volheid van bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, zoals bepaald in art. 568, eerste lid Ger.W. Bovendien is het mogelijk dat een alimentatievordering door een ander rechtscollege, bv. door de jeugdrechtbank, beslecht wordt met toepassing van de regels betreffende de samenhang en de tegenvorderingen.

3.5. Concreet in het voorliggende dossier werd zowel aan de vrederechter van het kanton Zomergem, als aan de Jeugdrechtbank te Gent, rechtsprekende in eerste aanleg, gevraagd om uitspraak te doen over het onderhoudsvraagstuk betreffende de kinderen, en waarbij de verweerder alvast terugkeert naar 1 juni 2008. Er is dus sprake van vorderingen met hetzelfde voorwerp (alimentatievraagstuk vanaf 1 juni 2008), die wegens dezelfde oorzaak (onderhoudsplicht op basis van een afstammingsband) worden ingesteld tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanigheid (vader en moeder) optreden voor verschillende rechtbanken (vrederechter en jeugdrechter), bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen zijn om in eerste aanleg uitspraak te doen. Er is derhalve sprake van een probleem van aanhangigheid en niet van een bevoegdheidsprobleem (de vrederechter werd niet geadieerd voor wat de verblijfsregeling betreft).

Spijts de exceptie van aanhangigheid de openbare orde niet raakt (H. Boularbah en J.F. Van Drooghenbroeck (eds.), Les Défenses en Droit Judiciaire, Brussel, Larcier, 2010, 71), biedt art. 565 Ger.W. de rechtbank wel de mogelijkheid om de exceptie van aanhangigheid ambtshalve op te werpen. Dat de verweerder aldus niet voor elk ander verweer (“in limine litis”) deze exceptie heeft opgeworpen, belet de rechtbank niet ter zake ambtshalve op te treden (J.F. Van Droogenbroeck, Cassation et jurisdiction – iura dicit curia, Brussel, Bruylant en Parijs, L.G.D.J., 2004, p. 292, nr. 310). De reden voor die ambtshalve tussenkomst van de rechter ligt in de preventie van onderling tegenstrijdige uitspraken (vgl. M. Castermans, Gerechtelijk Privaatrecht, Gent, Story-Publishers, 2009, p. 74, nr. 97; A. Fettweis, Handboek voor Gerechtelijk recht, II, De bevoegdheid, Antwerpen, Standaard, 1971, 102).

De bepalingen van art. 565, tweede lid en art. 566 Ger.W. betreffende de voorrang bij verwijzing in geval van aanhangigheid van vorderingen raken echter wel de openbare orde (Cass. 11 mei 1979, Arr.Cass. 1978-79, 1084, Pas. 1979, I, 1071).

3.6. Art. 565, tweede lid, 2o Ger.W. bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg, waarvan de jeugdrechtbank een afdeling is, voorrang heeft boven de andere rechtbanken.

De jeugdrechtbank, en niet de vrederechter, is bevoegd (vgl. art. 387bis BW) om te beslissen over een vordering betreffende de verblijfsregeling van minderjarige kinderen. Betwistingen over een verblijfsregeling van de kinderen bij hun ouders vinden immers hun oorzaak in het ouderlijk gezag, terwijl betwistingen over de alimentatieplicht van die ouders ten opzichte van hun kinderen hun grondslag vinden in de afstammingsband. Krachtens art. 566 Ger.W. kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, die, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank worden samengevoegd met inachtneming van de voorrang bepaald in art. 565, tweede lid, 2o tot 5o Ger.W. Bij samenhang en gelet op de voormelde voorrang beslist de jeugdrechtbank derhalve ook over de alimentatievordering die, zo blijkt uit het voorgelegde verzoekschrift, gesteld is (Brussel 4 oktober 2010, Act.dr.fam. 2011, 100, noot Q. Fischer; Gent 6 april 1999, TGR 1999, 25; Gent 16 maart 1998, TGR 1999, 103; Jeugdrb. Gent 22 mei 1989, TGR 1990, 59). Dit is ook logisch, omdat de verblijfsregeling relevant is voor de oplossing van het alimentatievraagstuk (Q. Fischer, “La connexité et le tribunal de la jeunesse”, Act.dr.fam. 2011, 104 e.v.).

3.7. De bepalingen van art. 661 en 662 Ger.W. zijn van toepassing in geval van verwijzing uit hoofde van aanhangigheid (art. 566 in fine Ger.W.). De verzending van het dossier gebeurt derhalve zonder tussenkomst van de arrondissementsrechtbank.

Daarom past het, met het oog op een goede rechtsbedeling, de zaak te verwijzen naar de Jeugdrechtbank te Gent. De rechtbank zal ook beslissen over de gedingkosten.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: ma, 23/06/2014 - 17:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.