-A +A

aannemingsovereenkomsten voor werken zonder bouwvergunning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Aannemingsovereenkomsten die gesloten werden of uitgevoerd werden zonder vergunning en/of regularisatie zijn strijdig met de openbare orde en worden ambtshalve vernietigd.  dit is een toepassing van het adagium Nemo auditur turpitudinem suam allegans. De  nietig verklaarde aannemingsovereenkomsten kunnen geen gevolg meer sorteren. De bouwheer kan veroordeeld worden tot een kostendekkende vergoeding voor verbruikte materialen en arbeid (verrijking zonder oorzaak op grond van natrekking).

Het recht op vergoeding kan evenwel toch worden afgewezen op grond van het adagium in paris causa turpitudinis cessat repetitio.

Rechtspraak:

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 28 november 2013, AR nr. C.13.0233.N28 november 2013, RW 2015-2016, 1108

NV V.A. t/ M., NV V.P. en NV B.P.F.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 9 september 2011.....

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 1131 BW kan een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak, uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg hebben.

Een overeenkomst met een ongeoorloofd voorwerp is krachtens art. 6 BW nietig.

De geoorloofdheid van de oorzaak en het voorwerp van een overeenkomst dient te worden beoordeeld naar het tijdstip van het sluiten ervan.

2. De appelrechters stellen vast dat:

– de overeenkomst tussen de partijen van 26 augustus 2000 de verkoop tot voorwerp had van een op te richten woning overeenkomstig een op 30 december 1998 afgeleverde stedenbouwkundige vergunning;

– tijdens de uitvoering van de bouwwerken op enkele punten werd afgeweken van de stedenbouwkundige vergunning.

De appelrechters oordelen dat in de mate “er niet werd gebouwd overeenkomstig deze stedenbouwkundige vergunning (...) er in feite gebouwd werd zonder verleende vergunning, wat een bouwmisdrijf uitmaakt”, waaruit zij afleiden dat de overeenkomst die “bouwsels in oprichting tot voorwerp heeft waaraan (niet verjaarde) bouwmisdrijven kleven als nietig is te beoordelen”.

3. Door op deze gronden de overeenkomst nietig te verklaren, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Nog dit: 
• Rb. Leuven 11 juni 2008, RABG 2009/19, 1369
I. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van:
                het afschrift van een vonnis op 12 januari 2004 uitgesproken door de vrederechter van het kanton Diest;
                het verzoekschrift tot hoger beroep op 16 april 2004 ter griffie neergelegd;
                het tussenvonnis van 17 januari 2007;
                de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;
                de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
 
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 14 mei 2008. De zaak werd volledig hernomen.
II. De feiten
Op 12 juni 2001 bestelde A.B. bij NV M.P. (hierna: M.) een veranda voor de prijs van 600.000 BEF (thans 14.873,61 EUR).
De bestelbon bepaalde: gewenste leveringstermijn: 10 weken.
In verband met de betaling van een voorschot vermeldt de bestelbon: ontvangen 1 wisselbrief t.b.v. 108.000.
Op 9 oktober 2001 schreef de advocaat van A.B. aan M.:
“U heeft op de overeenkomst vermeld dat deze veranda binnen de 10 werkweken zou geplaatst worden, doch mijn cliënte heeft nog altijd niets vernomen en uit telefonisch contactname zou moeten blijken dat de veranda nog in productie zou moe¬ten genomen worden.
Uit informatie blijkt dat mijn cliënte op de gezegde ligging geen aanhorige gebouwen mag aanbrengen, zodanig dat het plaatsen van de veranda alsdusdanig op het gezegd adres zinloos is.
U als gespecialiseerde aannemer moet van deze reglementering op de hoogte zijn te meer omdat de plaatsing diende te gebeuren in uw eigen gemeente.
Gezien de overeenkomst derhalve op wettelijke basis niet kan worden uitgevoerd, dient de koop-verkoop als ontbonden te worden beschouwd en ik zou U dan ook dank weten om terugbetaling te doen van het betaalde voorschot van 108.000 BEF door storting […].”
 
De advocaat van M. reageerde bij schrijven d.d. 24 oktober 2001. Hij schreef dat werknemers van M. zich begin september bij A.B. hadden aangeboden om de werken te starten maar door A.B. terug naar huis waren gestuurd vermits het ‘haar alsdan niet paste’.
Verder is het niet de taak van M. om bij het aangaan van de overeenkomst na te gaan of de reglementeringen betreffende de bouwvergunning werden of kunnen worden nageleefd.
Bij schrijven d.d. 25 juni 2002 schreef de advocaat van M. aan de advocaat van A.B. dat zijn cliënte had vastgesteld dat A.B. een veranda liet zetten door een derde. Hij vorderde wegens contractbreuk een schadevergoeding van 20% of 144.000 BEF (thans 3.569,67 EUR). Na aftrek van het ontvangen voorschot bleef nog 892,42 EUR te betalen.
III. De vorderingen in eerste aanleg
Op 3 september 2002 liet M. dagvaarding betekenen aan A.B. M. vorderde de ontbinding van de overeenkomst in het nadeel van A.B. en haar veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van 892,42 EUR, meer de vergoedende interest sedert 12 juni 2004, de gerechtelijke interest en de kosten.
A.B. stelde een tegenvordering in. Zij vorderde de ontbinding van overeenkomst en terugbetaling van het betaalde voorschot ten bedrage van 2.677,25 EUR, meer de verwijlinterest vanaf 9 oktober 2001, de gerechtelijke interest en de kosten.
IV. De beslissing van de vrederechter
De vrederechter verklaarde de vordering van M. ontvankelijk en gegrond en veroordeelde A.B. tot betaling van 892,42 EUR, meer de verwijlinterest aan de gerechtelijke interestvoet vanaf 25 juni 2002 tot de dag van algehele betaling en de kosten.
De tegenvordering van A.B. werd ontvankelijk, maar ongegrond verklaard.
V. De vorderingen in beroep
                vraagt dat de tegen haar ingestelde vordering als ongegrond wordt afgewezen. Zij herneemt haar tegenvordering en vraagt dat de rechtbank zou zeggen dat de overeenkomst nietig is, minstens ontbonden moet worden in het nadeel van M. en vraagt de veroordeling van M. om te betalen 2.677,25 EUR meer de verwijlinterest vanaf 9 juli 2001 en de gerechtelijke interest.
                 vraagt het aangevochten vonnis te bevestigen.
 
VI. Beoordeling
1.            In het tussenvonnis heeft de rechtbank het hoger beroep reeds ontvankelijk verklaard.
2.            Het attest van 12 december 2001 van de burgemeester van Scherpenheuvel-Zichem vermeldt dat volgens het B.P.A. dat geldt voor de woning van A.B. geen bouwvergunning kan bekomen worden om achteraan de woning een veranda te plaatsen over de volledige breedte van de achtergevel. Het B.PA bepaalt dat de aanhorige gebouwen een breedte mogen beslaan van niet meer dan 6/10 van de breedte van de achtergevel van de hoofdgebouwen.
Dit wordt bevestigd door de door A.B. neergelegde bouwvoorschriften.
1.            Uit de thans door A.B. bijgebrachte stukken blijkt dat de veranda, zoals bij M. aangekocht, de volledige breedte van de achtergevel beslaat. Voor deze veranda kan geen bouwvergunning bekomen worden.
2.            Een overeenkomst die tot voorwerp heeft een verbintenis die een ongeoorloofde toestand creëert is nietig (J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”, TBBR, 2004, 310 en voetnoot 82; Cass. 19 mei 2005, rolnr. C030103F, www.jure.juridat.just.fgov.be).
3.            Voor de veranda zoals zij bij M. besteld werd, kan geen bouwvergunning worden bekomen. De uitvoering van de overeenkomst heeft tot gevolg dat een ongeoorloofde toestand wordt gecreëerd. De overeenkomst is dan ook nietig.
4.            De nietigheid van de overeenkomst heeft tot gevolg dat M. niet-uitvoering van de overeenkomst kan vorderen en evenmin schadevergoeding kan vorderen omdat A.B. de overeenkomst niet uitvoert.
 
M. vordert enkel schadevergoeding op grond van het feit dat A.B. haar contractuele prestaties niet naleeft.
De vordering van M. is ongegrond.
7. Het feit dat A.B. zelf de verplichting had om voorafgaand aan een gebeurlijke beslissing tot aankoop van een veranda te informeren naar de wettelijke vereisten met betrekking tot de noodzaak tot het bekomen van een bouwvergunning en de voorwaarden die hierdoor worden opgelegd is dan ook niet relevant. Evenzo is het feit dat A.B. geen poging gedaan heeft om de maten van de veranda zo te laten aanpassen dat toch een bouwvergunning kon bekomen worden, niet relevant.
M. vordert immers van A.B. geen schadevergoeding op grond van deze feiten. M. vordert enkel schadevergoeding omdat A.B. de overeenkomst niet naleeft en haar verbintenis tot afname en betaling van de veranda niet naleeft.
8. De nietigheid van de overeenkomst heeft ook tot gevolg dat partijen dienen terug¬geplaatst te worden in de situatie waarin ze zich bevonden voor het afsluiten van de overeenkomst. M. dient het door A.S. betaalde voorschot terug te betalen. De tegenvordering van A.B. is gegrond.
9. A.B. heeft door een andere aannemer een veranda laten bouwen zonder bouwvergunning. Zij overtreedt hierdoor manifest de wet, ook voor deze veranda moet zij een bouwvergunning hebben.
 
Dit verandert echter niets aan het feit dat de tussen haar en M. afgesloten overeenkomst nietig is.
De rechtbank zou zelfs ambtshalve de nietigheid van de overeenkomst die in strijd is met de openbare orde, moeten vaststellen en de uitvoering van deze overeenkomst moeten weigeren.
 
10. De waarde van het geding dient begroot te worden op het bedrag dat M. nu nog als schadevergoeding vordert, hetzij 892,42 EUR + het voorschot (2.677,25 EUR) dat M. ontving en waarvan M. vraagt dat zij het mag behouden en waarvan A.B. de terugbetaling vordert. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 650,00 EUR (vordering tussen 2.500,01 EUR en 5.000,00 EUR).
11. A.B. vordert het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat volgens haar 200,00 EUR bedraagt. Het is echter niet zo dat zij afziet van een eventueel hoger bedrag. Zij vraagt de toepassing van het basisbedrag.
12. De rechtbank statueert niet ultra petita wanneer zij aan A.B. een rechtsplegings¬vergoeding van 650,00 EUR toekent, ook al begroot zij zelf het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding op 200,00 EUR. Wanneer een partij verwijst naar het basisbedrag komt het de rechtbank toe dit bedrag vast te stellen, ook al is dit hoger dan het door de partij vermelde bedrag (Cass. 15 juni 2007, rolnr. C040555N, www.jure.juridat.just.fgov.be).
 
VII. Uitspraak
De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in aanleg van hoger beroep.
Het hoger beroep is gegrond.
De rechtbank hervormt het aangevochten vonnis, behalve in zoverre dit de vorderingen ontvankelijk heeft verklaard.
De vordering van M. is ongegrond.
De tegenvordering van A.B. is in de hierna bepaalde mate gegrond.
De rechtbank vernietigt de tussen partijen afgesloten overeenkomst met betrekking tot de aankoop en plaatsing van een veranda en veroordeelt NV M. tot terugbetaling van het voorschot ten bedrage van tweeduizend zeshonderd zevenenzeventig euro vijfentwintig cent (2.677,25 EUR), te vermeerderen met de verwijlinterest aan de wettelijke interestvoet vanaf 9 juli 2001 en de gerechtelijke interest.
De rechtbank veroordeelt NV M. tot de kosten. Deze kosten moeten voor NV M. niet begroot worden omdat zij te haren laste blijven en worden voor A.B. begroot op 342,10 EUR (rechtsplegingsvergoeding procedure vrederechter) + 82,00 EUR (rolrecht) + 650,00 EUR (rechtsplegingsvergoeding procedure beroep).
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: zo, 06/03/2016 - 14:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.