-A +A

aanranding van de eerbaarheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Aanranding van de eerbaarheid is iedere met de zeden strijdige en als dusdanig gewilde daad, welke op of met behulp van een welbepaalde persoon, zonder diens geldige toestemming wordt gepleegd en waarbij het algemene eerbaarheidsgevoel wordt gekrenkt. Dit misdrijf vereist het stellen van handelingen met een bepaalde ernst, die afbreuk doen aan de seksuele integriteit van een persoon zoals die ook door het collectief bewustzijn van een bepaalde maatschappij op een bepaald tijdstip, wordt ervaren. Het veronderstelt dat de pleger de bij wet verboden handeling wil stellen, in de objectieve wetenschap dat deze immoreel of obsceen is.

 

Uitreksel uit het strafwetboek


Art. 372
[Elke aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijke of vrouwelijke geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar, wordt gestraft met opsluiting [van vijf jaar tot tien jaar].
De aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging door een bloedverwant in de opgaande lijn [of adoptant] gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een minderjarige, zelfs indien deze de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, maar niet ontvoogd is door het huwelijk, wordt gestraft met [opsluiting] van tien jaar tot vijftien jaar.]
[Dezelfde straf wordt toegepast indien de schuldige hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer is of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft.]


Art. 372bis
[...] Opgeheven: homoseksualiteit

Opgeheven bij art. 1 W. 18 juni 1985 (B.S., 8 augustus 1985).

Art. 373
[De aanranding van de eerbaarheid, met geweld of bedreiging gepleegd op personen van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar.
Wordt de aanranding gepleegd op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met opsluiting [van vijf jaar tot tien jaar].
Is de minderjarige geen volle zestien jaar oud, dan is de straf [opsluiting] van tien jaar tot vijftien jaar.]


Art. 374
Aanranding bestaat, zodra er een begin van uitvoering is.

Art. 376
Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid de dood veroorzaakt van de persoon op wie zij is gepleegd, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.
Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid is voorafgegaan door of gepaard gegaan met de handelingen bedoeld in artikel 417ter , eerste lid, of opsluiting, wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.
Indien de verkrachting of de aanranding van de eerbaarheid gepleegd is op een persoon die ingevolge zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid bijzonder kwetsbaar is, of onder bedreiging van een wapen of een op een wapen gelijkend voorwerp, wordt de schuldige gestraft met dwangarbeid van tien tot vijftien jaar.
Art. 377
Is de schuldige een bloedverwant in de opgaande lijn of adoptant; behoort hij tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben; heeft hij misbruik gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen; is hij een geneesheer, heelkundige, verloskundige of officier van gezondheid aan wie het kind ter verzorging was toevertrouwd; of is de schuldige, wie hij ook zij, in de gevallen van de artikelen 373, 375 en 376, door een of meer personen geholpen in de uitvoering van de misdaad of van het wanbedrijf; of is hij hetzij de broer of de zus van het minderjarige slachtoffer of ieder ander persoon die een gelijkaardige positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft, dan worden de straffen bepaald als volgt:
In de gevallen van artikel 372, eerste lid, en van artikel 373, tweede lid, is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar;
(...)
In het geval van artikel 373, eerste lid, wordt het minimum van de gevangenisstraf verdubbeld;
In de gevallen van artikel 373, derde lid, 375, vierde lid, en 376, derde lid, bedraagt de opsluiting ten minste twaalf jaar;
In het geval van artikel 375, eerste lid, bedraagt de opsluiting ten minste zeven
jaar; In de gevallen van artikel 375, vijfde en zesde lid en van artikel 376, tweede lid) bedraagt de opsluiting ten minste zeventien jaar.
(...)
Art. 377bis
In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke stand, zijn geboorte, zijn vermogen, zijn geloof of levensbeschouwing, een handicap of een fysieke eigenschap

Art. 378
In de gevallen omschreven in dit hoofdstuk worden de schuldigen veroordeeld tot ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31.

[Art. 378bis kenbaar maken van verkrachting en aanranding op de eerbaarheid
[Publicatie en verspreiding door middel van boeken, pers, film, radio, televisie of op enige andere wijze, van teksten, tekeningen, foto's, enigerlei beelden of geluidsfragmenten waaruit de identiteit kan blijken van het slachtoffer van een in dit hoofdstuk genoemd misdrijf zijn verboden, tenzij met schriftelijke toestemming van het slachtoffer of met toestemming, ten behoeve van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, van de procureur des Konings of van de met het onderzoek belaste magistraat.
Overtredingen van dit artikel worden gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van driehonderd [euro] tot drieduizend [euro] of met een van die straffen alleen.]]
 

Rechtspraak:

 

•• Cass. (2e k.) AR P.05.0876.N, 20 september 2005 ; J. dr. jeun. 2007 (samenvatting), afl. 266, 42; , Pas. 2005, afl. 9-10, 1682; , R.W. 2005-06, afl. 42, 1661 en noot VANDEPLAS, A., Aanranding van de eerbaarheid bij verrassing


Het bij aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging bedoelde geweld als bestanddeel van het misdrijf kan erin bestaan dat het slachtoffer, wegens het onverhoede handelen van de dader, geen gelegenheid had om weerstand te bieden en zich te verzetten tegen plotselinge en onvoorziene onzedelijke daden die het niet vrijwillig zou hebben geduld.

• • Cass. (2e k.) AR P.04.0595.F, 16 juni 2004 (B.K.B.D. e.a. / G.F.; M.B.A.)  N.C. 2006, afl. 2, 123; , Pas. 2004, afl. 5-6, 1048.

Een verkrachting kan tevens een aanranding van de eerbaarheid zijn. (Artt. 372, 373 en 374, Sw.).

•• Cass. (2e k.) AR P.95.1312.N, 7 januari 1997 (De Backer / Baele), A.J.T. 1998-99, 172, noot STEVENS, L., De aanranding van de eerbaarheid ;  Arr. Cass. 1997, 31; , Bull. 1997, 32; , Pas. 1997, I, 32; , R.W. 1997-98, 116 , noot VANDEPLAS, A.

Het misdrijf aanranding van de eerbaarheid bestaat slechts wanneer handelingen met een zekere graad van zwaarwichtigheid worden gesteld, waardoor de sexuele integriteit van een persoon wordt aangetast, zoals deze door het collectief bewustzijn van een bepaalde maatschappij en op een bepaald tijdstip wordt ervaren (art. 372, 373 en 374 Sw.).

•• Gent 23 september 1997, A.J.T. 1997-98, 260, noot ARNOU, P.; , R.W. 1997-98, 855  noot VANDEPLAS, A., Noot ARNOU, P., Sadomasochisme: wel ontucht, geen slagen?

De ongedwongen en voorafgaande toestemming van het slachtoffer kan rechtvaardigend werken ten aanzien van lichte slagen en/of verwondingen aan meerderjarigen toegebracht in het kader van een sadomasochistische beleving van de seksualiteit, nu elkeen in beperkte mate en ter bereiking van een redelijk doel over zijn lichamelijke integriteit beschikt.

•• Luik 25 april 1986, J.L. 1986, 663.

Er kan eenheid van opzet bestaan tussen verkrachtingen in 1982/1983 en aanranding van de eerbaarheid in 1984, op dezelfde persoon gepleegd. Niettegenstaande opslorping, dient de burgerlijke vordering behandeld te worden.

•• Cass. 30 oktober 2007

Artikel 375, tweede lid, Strafwetboek somt een aantal gevallen op waarin depersoon op wie de strafbare daad wordt gesteld, geacht wordt zijn toestemmingniet te hebben verleend; die opsomming is niet beperkend en louter exemplatief,zodat de afwezigheid of het gebrek aan toestemming ook uit andere feitelijke gegevens kan blijken (1). (1) Cass., 2 nov. 1999, AR P.98.1366.N, nr 581.

Overzicht strafbepalingen + strafverzwaring waarop artikel 7 betrekking heeft


Strafwetboek

Discriminatiewet
Art. 372
aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld, op
kinderen tot 16 jaar
5 - 10 jaar 7 - 10 jaar
idem, maar door familieleden 10 - 15 jaar 12 - 15 jaar
Art. 373 aanranding van de eerbaarheid, met geweld of bedreiging 6 m - 5 jaar 1 - 5 jaar
+ dader oefent gezag uit over slachtoffer 1 - 5 jaar 2 - 5 jaar
=> Slachtoffer = jongeren tussen 16 en 18 jaar 5 - 10 jaar 7 - 10 jaar
+ dader oefent gezag uit over slachtoffer 10 - 15 jaar 12 - 15 jaar
=> Slachtoffer = jongeren minder dan 16 jaar 10 - 15 jaar 12 - 15 jaar
+ dader oefent gezag uit over slachtoffer 12 - 15 jaar 14 - 15 jaar
Art. 374 [Geen strafbepalingen]
Art. 376 Verkrachting/ aanranding eerbaarheid + dood 20 - 30 jaar 22 - 30 jaar
Verkrachting/ aanranding eerbaarheid + foltering 15 - 20 jaar 17 - 20 jaar
+ dader oefent gezag uit over slachtoffer 17 -20 jaar 19 - 20 jaar
Verkrachting/ aanranding eerbaarheid + kwetsbare
personen
10 - 15 jaar 12 - 15 jaar
+ dader oefent gezag uit over slachtoffer 12 - 15 jaar 14 - 15 jaar
Art. 377 [Geen nieuwe strafbepalingen]
Art. 378 [Geen strafbepalingen]
Art.378bisPublicatie identiteit slachtoffer 2 m - 2 jaar 4 m - 2 jaar

 

Commentaar: 

Rechtspraak Hof van Cassatie AR P.11.2120.N, juridat

samenvatting

Het in het eerste lid van het artikel 373 Strafwetboek bedoelde geweld of bedreiging als bestanddeel van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd, sluit in dat het slachtoffer wegens fysieke dwang niet in de mogelijkheid was zich te onttrekken aan de feiten die het niet vrijwillig zou hebben geduld, of dat het wegens het onverhoeds handelen van de dader geen gelegenheid had om zich ertegen te verzetten, dan wel die feiten slechts duldde ten gevolge van een door morele dwang bij dit slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad; het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld of de bedreiging moet beoordeeld worden in het licht van de fysieke en mentale weerbaarheid van het slachtoffer waarbij onder meer ook de leeftijd van het slachtoffer of de gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende factoren kunnen zijn (1). (1) Zie: Cass. 7 maart 1989, AR 1930, AC 1988-1989, nr. 380 met conclusie adv.-gen. Guido D’Hoore.

tekst arrest

Nr. P.11.2120.N
P. J. A. D. H.,
beklaagde,
eiser,

tegen

verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 17 november 2011.
...
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van de artikelen 373 en 483 Strafwetboek: uit de door de appelrechters vastgestelde feiten vermochten zij het bestaan van geweld of bedreiging in de betekenis van voormelde wetsartikelen niet af te lei-den; aldus verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht dat de eiser schuldig is aan aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging.

2. Het in het eerste lid van het artikel 373 Strafwetboek bedoelde geweld of de bedreiging als bestanddeel van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd, sluit in dat het slachtoffer wegens fysieke dwang niet in de mogelijkheid was zich te onttrekken aan de feiten die het niet vrijwillig zou hebben geduld, of dat het wegens het onverhoeds handelen van de dader geen gelegenheid had om zich ertegen te verzetten, dan wel die feiten slechts duldde ten gevolge van een door morele dwang bij dit slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad.

Het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld of de be-dreiging moet beoordeeld worden in het licht van de fysieke en mentale weer-baarheid van het slachtoffer. Hierbij kunnen onder meer ook de leeftijd van het slachtoffer of de gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende factoren zijn.

3. Het staat aan de rechter om in feite te oordelen of de door de beklaagde uit-gevoerde handelingen of uitgesproken woorden als geweld of bedreiging in de zin van de vermelde wetsartikelen moeten worden beschouwd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van feiten door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet be-voegd is, is het niet ontvankelijk.

4. De appelrechters stellen vast dat:
- de feiten waaraan zij de eiser schuldig verklaren, meermaals plaatsvonden op niet nader te bepalen data in de periode van 1 mei 2003 tot 31 augustus 2008;
- het slachtoffer geboren is op 1 december 1994;
- de eiser als stiefvader gezag had over het slachtoffer;
- het slachtoffer onder meer verklaarde dat "als ik dat ook niet toeliet kwam die wel s aan spullen van het leger om mee te nemen naar huis", "dus voor Af-ghanistan is hij dat beginnen te zeggen maar dat van dat die mij wat zou aan-doen was van t begin" en "soms sloeg ik hem ook in zijne maag dat die zou stoppen maar dan zei die als ge dat nog s doet dan doe ik u wat."

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat "de door de [eiser] gepleegde aanrandingen werden gepleegd en door het minderja-rige slachtoffer werden ondergaan onder fysieke of zedelijke dwang."

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel
Eerste onderdeel
5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden niet het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer dat het algemeen opzet als moreel misdrijfbestanddeel niet bewezen is.

6. Aanranding van de eerbaarheid is een opzettelijk misdrijf. Het veronderstelt dat de pleger de bij wet verboden handeling wil stellen, in de objectieve weten-schap dat deze immoreel of obsceen is.

7. Het arrest stelt vast dat de eiser verklaard heeft: "Het klopt dat ik onzedige aanrakingen heb gedaan op Glenn toen ik met hem ging douchen. (...) Hij vroeg zelf regelmatig om dit te doen. Ik vind dat aan de ene kant dat dit niet kan. Het mag inderdaad niet. (..) Ik heb tegen hem gezegd dat ik daarmee ging stoppen als hij groter werd." Aldus stelt het arrest vast dat de eiser ervan bewust was dat hij onzedige aanrakingen heeft gepleegd op het minderjarige slachtoffer toen hij met hem ging douchen.

Met die overweging die de onopzettelijke of onbedoelde aard uitsluit van de aan de eiser toegeschreven onzedige aanraking, beantwoordt het ar-rest het bedoelde verweer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel
8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden niet het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer dat de te-lastlegging niet bewezen is op basis van de concrete besluiten van de door hen aangestelde deskundige; zij halen het deskundigenverslag enkel aan bij de beoor-deling van de strafmaat, maar niet bij de beoordeling van de schuld.

9. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een middel zijn aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormen.

10. Het verweer waarnaar de eiser in het onderdeel verwijst, bevat enkel een bijkomend argument ter staving van zijn verweer dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit.

11. De appelrechters hoefden dat argument niet afzonderlijk te weerleggen. Ze beantwoorden eisers verweer over diens schuld met de redenen die het arrest be-vat.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel
12. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: de krachtens artikel 378 Strafwetboek verplichte ontzet-ting van de rechten, genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek, is een bijko-mende straf; krachtens artikel 8 Probatiewet kan ook voor die straf uitstel van de tenuitvoerlegging worden verleend; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser toepassing heeft gevraagd van de Probatiewet; de appel-rechters gelasten het uitstel van de tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf, maar niet van de bijkomende straf van de ontzetting; die beslissing waarbij het uitstel voor de bijkomende straf wordt geweigerd, is niet met redenen omkleed.

13. Het feit dat de rechter een deskundige aanstelt om het met redenen omkleed advies, bedoeld in artikel 9bis Probatiewet, uit te brengen, houdt niet in dat de ei-ser om uitstel van tenuitvoerlegging heeft gevraagd.
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser om uitstel van tenuitvoerlegging van de straf heeft gevraagd.

Bij ontstentenis van daartoe strekkende vraag, vereist artikel 195 Wetboek van Strafvordering niet dat de rechter uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom hij geen uitstel of probatie-uitstel verleent.

De appelrechters vermelden de redenen waarom zij uitstel van tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf verlenen. Zij dienden niet te motiveren waarom zij het niet-gevraagde uitstel van tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van de ontzetting niet verlenen.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel
14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters veroordelen de eiser tot betaling aan de verweerster I. T. in eigen naam van een morele schadevergoeding van 250 euro, te vermeerderen met de vergoedende inte-rest vanaf 1 januari 2006; zij beantwoorden evenwel niet het in eisers appelcon-clusie aangevoerde verweer dat de verweerster I. T. "zelf stelt pas kennis te hebben gekregen van de feiten sedert 6/2008 zodat in extremis eventuele morele schade derhalve slechts vanaf dan ontstaat."

15. Het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een schadevergoeding van 250 euro aan de verweerster in eigen naam, "meer de vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum 1 januari 2006", zonder eisers verweer over de aan-vangsdatum van verweersters schade te beantwoorden.
Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het arrest in zoverre dit de aan de verweerster I. T. in eigen naam toe-gekende schadevergoeding vermeerdert met de vergoedende interesten vanaf 1 ja-nuari 2006.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de verweerster tot één vijfde van de kosten en veroordeelt de eiser tot de overige kosten.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten op 183,48 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: do, 17/11/2016 - 14:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.