-A +A

aansprakelijkheid voor dieren feitelijk meesterschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/03/2009

De aanspreakelijkheid van artikel 1385 B.W. stelt de feitelijke meester, de feitelijke bewaarder, die dezelfde macht heeft als de eigenaar aapsrakelijk.

Hij die een paard van een eigenaar op stal zet is op dat ogenblik de feitelijke meester en draagt de aansprakelijkheid van artikel 1385 B.W.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1354
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV K.V. t/ H.F.

1. Wat voorafgaat

1.1. Op 23 december 2005 zijn H.F. enerzijds en NV K.V. anderzijds vrijwillig verschenen voor de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren.

Mevrouw H.F. zet als haar versie uiteen dat zij op 15 juli 2005 omstreeks 15u20 gestampt werd door het paard van J.P., verzekerde van NV K.V., en dat dit gebeurde bij het binnenbrengen van het paard in de paardenbox. Zij voert aan dat zij daarbij verwond werd in het aangezicht. Zij voert ook aan dat op dat ogenblik haar paarden normaal buiten dienden te staan en dat zij zich genoodzaakt zag, omdat niemand aanwezig was, zelf het paard van J.P. binnen te brengen in de box, alvorens haar eigen paard te kunnen berijden. Zij is van oordeel dat zij op het ogenblik van het schadegeval geenszins het meesterschap van het paard van de verzekerde van NV K.V. had.

Zij beweert dat J.P., de verzekerde van NV K.V., voor haar schade aansprakelijk is op grond van art. 1385 BW. Zij vordert een provisionele schadevergoeding van 500 euro en het bevelen van een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek met aanstelling van een geneesheer-deskundige.

NV K.V. zet uiteen dat zij de aansprakelijkheidsverzekeraar buiten overeenkomst is van J.P., de eigenaar van het paard «Try Out», dat de schadeverwekkende daad stelde. Zij voert aan dat op de boerderij van de ouders van haar verzekerde vijf paarden op stal staan, twee van J.P. zelf en drie van de familie F. Zij voert ook aan dat haar verzekerde, eigenaar van het schadeverwekkend dier, op het ogenblik van het schadegeval het meesterschap over het dier niet had en dat geïntimeerde zelf het meesterschap over het dier had op het ogenblik van de schadeverwekkende daad van het dier.

1.2. In het beroepen vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren van 18 september 2007 verklaart de eerste rechter de eis van H.F. gegrond door NV K.V. te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 500 euro en door het bevelen van een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek met aanstelling van dr. D.

De eerste rechter oordeelt dat de derde niet-eigenaar van het dier slechts als bewaarder kan worden beschouwd als de eigenaar het volledige meesterschap over het dier werkelijk aan de derde heeft overgedragen. De eerste rechter oordeelt dat de loutere feitelijke macht die iemand over het dier heeft onvoldoende is om deze als bewaarder van het dier te beschouwen, en hij oordeelt dat H.F. niet over een niet-ondergeschikte bevoegdheid van leiding en toezicht beschikte.

De eerste rechter oordeelt dat het feit dat er tussen partijen zou zijn afgesproken dat H.F. de paarden van de verzekerde van NV K.V. op stal diende te zetten wanneer zij haar paarden wou laten grazen en berijden, niet betekent dat de verzekerde van NV K.V. hierdoor het meesterschap over zijn paarden aan H.F. had overgedragen.

2. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 15 januari 2008 heeft NV K.V. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren van 18 september 2007. Het hoger beroep is gericht tegen H.F., hierna geheten geïntimeerde.

...

5. Nieuwe beoordeling van de vraag of de toepassingsvoorwaarden van art. 1385 BW vervuld zijn voor de aansprakelijkheid van de verzekerde van appellante voor de schade van geïntimeerde door de daad van het paard, waarvan hij eigenaar is

5.1. Appellante is gegriefd doordat de eerste rechter niet heeft geoordeeld dat geïntimeerde als bewaarder van het dier zelf aansprakelijk is voor de door het dier veroorzaakte schade, omdat op het ogenblik van het schadetoebrengend feit, volgens appellante, geïntimeerde het meesterschap over het dier had. De verzekerde van appellante betwist niet de eigenaar te zijn van het dier, dat de schade heeft veroorzaakt bij geïntimeerde. Het is niet betwist dat de verzekerde van appellante in het buitenland was op het ogenblik van de schadeverwekkende daad. Het is niet betwist dat de schadeverwekkende daad van het dier gebeurde op het ogenblik dat geïntimeerde het paard «Try Out» vanuit de weide naar de paardenbox van «Try Out» bracht, omdat zij zelf met haar eigen paard, dat op dezelfde boerderij gestald was, wilde gaan rijden in die weide.

5.2. Art. 1385 BW roept een wettelijk en onweerlegbaar vermoeden van schuld in het leven voor de autonome daad van het dier, dat schade heeft veroorzaakt en welke schuld aan de eigenaar of de bewaarder van dat dier wordt aangerekend. Om als bewaarder van een dier aansprakelijk te worden gesteld voor de door dat dier veroorzaakte schade, is het voldoende dat de bewaarder, op het ogenblik van het schadetoebrengend feit, het meesterschap over het dier had, wat inhoudt dat hij de macht had om, zonder inmenging van de eigenaar, het dier te leiden en toezicht erover uit te oefenen, en dat hij dezelfde macht had als de eigenaar om het dier te gebruiken.

5.3. Het hof oordeelt in de feiten dat geïntimeerde op het ogenblik van het schadetoebrengend feit de niet- ondergeschikte macht had om, zonder inmenging van de eigenaar, het dier te leiden en toezicht erover uit te oefenen. Immers, geïntimeerde heeft in de feiten op 15 juli 2005 het dier «Try Out», zonder inmenging van de eigenaar, vanuit de weide naar de paardenbox van het paard «Try Out» geleid en heeft er toezicht over uitgeoefend, en zij beschikte op het ogenblik van het schadetoebrengend feit over dezelfde macht als de eigenaar om te beslissen dat het dier zich op dat ogenblik moest verplaatsen van de weide naar de paardenbox. Zij besliste aldus over het gebruik van het dier op het ogenblik van het schadeverwekkende feit.

Geïntimeerde besliste op 15 juli 2005 op het ogenblik van het schadetoebrengend feit zelf op welk ogenblik het paard «Try Out» van de weide naar de paardenbox moest terugkeren. Dat was louter afhankelijk van haar beslissing om haar paard in de weide te gaan berijden.

De eigenaar van het dier was op het ogenblik van het schadetoebrengend feit onbetwist in het buitenland. Hij had het volledige meesterschap over het paard «Try Out» op het ogenblik van het schadetoebrengend feit werkelijk aan geïntimeerde overgedragen.

Het hof oordeelt dat geïntimeerde op het ogenblik van het schadetoebrengend feit het meesterschap over het dier had.

Het ging niet om een toevallige feitelijke detentie door geïntimeerde over het paard «Try Out». Het is geïntimeerde die op 15 juli 2005 besliste om haar paard in de weide te berijden en om dienvolgens het paard «Try Out», eigendom van de verzekerde van appellante, uit de weide te halen en het naar zijn paardenbox te brengen. De verklaring van mevrouw E.T., die geen partij is in deze zaak, bevestigt de visie van appellante dat geïntimeerde niet de toevallige detentie had van het paard «Try Out». Het paard van geïntimeerde is gestald op dezelfde boerderij. Het is niet betwist dat er niet meer dan vijf paarden gestald zijn, drie van de familie van geïntimeerde en twee van de verzekerde van appellante. Het is niet betwist dat die toestand vijf jaar bestond. Ook die concrete omstandigheden tonen aan dat het hier niet om een toevallige detentie gaat, maar om een niet-ondergeschikte bevoegdheid van geïntimeerde om het paard «Try Out» naar zijn box te brengen, wanneer geïntimeerde haar paard wil gaan berijden in de weide en om het paard «Try Out» terug in de weide te brengen, wanneer het paard van geïntimeerde terug in de paardenbox staat.

Het hoger beroep van appellante is gegrond.

Noot: 

Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349


Zie ook Hof van Beroep 23/04/2012, AR 2009AR2158, juridat

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde sub 1 strekte ertoe appellante en geïntimeerde sub 2 in solidum te horen veroordelen tot betaling van (1) een provisie van 2.175,70 euro ten titel van materiële schade en (2) een provisie van 1 euro ten titel van lichamelijke schade, telkens plus de vergoedende intresten vanaf 11 november 2006 en de gerechtelijke intresten.

Alvorens verder recht te doen werd om de aanstelling van een geneesheer - deskundige gevraagd teneinde o.a. de letsels te beschrijven die geïntimeerde sub 1 had opgelopen op 11 november 2006.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard t.a.v. geïntimeerde sub 2 en eisende partij veroordeeld in de gerechtskosten in hoofde van deze partij, (2) de vordering ontvankelijk een deels gegrond verklaard t.a.v. appellante, (3) appellante veroordeeld tot betaling van een provisie van 1 euro en (4) alvorens verder recht te spreken Dr. Luc ENGELS aangesteld als deskundige met een welomschreven opdracht.
1.3. In hoger beroep vraagt appellante de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren.

1.4. Geïntimeerden vragen beiden (voor zoveel als nodig) de bevestiging van het bestreden vonnis.

Geïntimeerde sub 1 vraagt bovendien appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep (= incidentele vordering en geen incidenteel beroep).

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 11 november 2006 zich een ongeval voordeed in de manege "GENTRY" te Lennik, uitgebaat door de verzekerde van appellante .

Tijdens het voederen van de paarden werd geïntimeerde sub 1 gebeten door het paard "PIPOT", eigendom van geïntimeerde sub 2, als gevolg waarvan hij kwetsuren opliep.

III. Bespreking.

3.1. De vordering van geïntimeerde sub 1 is gegrond op artikel 1385 B.W.

In het licht van voornoemde bepaling dient nagegaan te worden wie de bewaarder van het dier was op het ogenblik dat het ongeval zich voordeed.

3.2. Hierbij wordt opgemerkt dat geïntimeerde sub 1 de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis waarin zijn vordering ingesteld tegen geïntimeerde sub 2 werd afgewezen als zijnde ongegrond.

Bijgevolg staat vast dat geïntimeerde sub 2 op het ogenblik van de feiten niet de bewaarder was van het dier dat zijn eigendom is.

Appellante stelt verder in haar conclusie dat zij zal aantonen dat het gedrag van het paard niet abnormaal of onvoorzienbaar was en dat de schade werd aangericht door een fout van het slachtoffer.

Zij betwist bijgevolg evenmin dat de eerste rechter haar als de bewaarder van het paard in kwestie aanduidde.

3.3. Appellante is de mening toegedaan dat het slachtoffer zelf een fout beging en derhalve ten beloop van ¾ moet instaan voor zijn eigen schade.

De bewaarder van een dier is bevrijd van zijn aansprakelijkheid indien hij kan aantonen dat de schade te wijten is aan een vreemde oorzaak, zijnde o.a. een daad van het slachtoffer.

3.4. Het slachtoffer is zelf eigenaar van een paard en weet bijgevolg hoe om te gaan met dergelijke dieren. Het was dus geen leek die de manege - uitbaatster hielp met het voederen van de paarden.

3.5. Verwezen wordt naar de verklaring van de uitbaatster van de manege waarin gesteld wordt dat geïntimeerde sub 1 een "verkeerde" beweging zou gemaakt hebben waardoor het paard opgehitst werd.

Deze verklaring overtuigt het hof niet. Het werd opgesteld op 4 januari 2007 - d.i. ongeveer 2 maanden na het ongeval - en de vraag stelt zich hoe die uitbaatster het gebeuren zo nauwgezet kan relateren als zij 4 boxen verder met iemand stond te praten.

Het enige dat vaststaat is dat geïntimeerde sub 1 een gebaar heeft gemaakt opdat het paard achteruit zou bewegen teneinde het voedsel door de opening - die hiervoor voorzien is - te kunnen steken. Op dat ogenblik slaagde het paard er in geïntimeerde sub 1 vooralsnog te bijten door het hoofd door die opening te steken.

Het gebaar dat geïntimeerde maakte naar het dier toe is blijkbaar gebruikelijk om een paard zijn hoofd te doen keren. Appellante bewijst het tegendeel niet.

3.6. Appellante erkent zelf dat het paard Pipot een "dominant" karakter heeft.

Na de feiten liet zij overigens op de box van dat paard het bordje aanbrengen "gevaarlijk paard". De vergelijking met het aanbrengen van plaatjes met "gevaarlijke hond" op gaat niet op.

In de gegeven omstandigheden mocht van de manege - uitbaatster verwacht worden dat zij dat paard zelf voederde en die klus niet overliet aan een toevallige derde die dat paard niet of minder kende.

3.7. Derhalve dient besloten te worden dat geïntimeerde sub 1 geen enkele fout beging en dat de verzekerde van appellante, als bewaarder van het kwestieuze paard, instaat voor de schade veroorzaakt door een dier dat zich abnormaal of onvoorzienbaar heeft gedragen.

Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd.

Voor zoveel als nodig wordt verwezen naar de pertinente motieven van de eerste rechter die als herhaald worden beschouwd in zoverre ze niet tegenstrijdig zijn met de in dit arrest ontwikkelde motieven.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/04/2010 - 19:15
Laatst aangepast op: do, 23/05/2013 - 12:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.