-A +A

aansprakelijkheid kredietgever: niet vermelding eerdere schulden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een loutere vermelding gesteld in het handschrift van de agent dat er geen kredieten in omloop zijn, terwijl het krediet wordt aangewend om 2 kredieten te salderen voldoet niet aan de informatieplicht van de kredietgever en de agent.

zie terzake Vred. Sint-Niklaas (2e kanton), 8 december 1999. Tijdschrift Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.) Jaargang 2002 Volgnummer 1-2, pagina 105. Voor de tekst van dit vonnis: klik hier

zie terzake Trib. Namur (1e chambre civ.), 5 juin 2000 Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2002, Volgnummer 1-2, Pagina 120:
 

Samengevat : Een kredietgever is gehouden tot informatie en raadgevingsplicht conform artikel 11 WCK. De kredietgever dient rekening te houden met het beperkte beperkte inzicht van de consument in het voorwerp van het krediet en met de invloed ervan op zijn vermogen en zijn inkomen. Daarom moet de kredietgever de consument bijzonder wijzen op de draagwijdte van de hem gevraagde informatie en de juridische en economische gevolgen van de niet-naleving van het contract.

Ook de consument heeft een informatieplicht zoals voorzien in art. 10 WCK. Wanneer de consument tekortschiet in deze verplichting door vroegere leningen niet te vermelden, dient zijn aansprakelijkheid niet al te streng te worden beoordeeld rekening houdend met zijn intellectueel zwakkere positie in vergelijking met de kredietgever, op wie derhalve een zwaardere informatieverplichting rust.

Immers, in toepassing van artikel 11 2° WCK moet de professionele kredietgever het soort krediet zoeken dat het best aan de consument is
aangepast. Hij moet zich derhalve informeren over de financiële toestand van de consument en wel op een wijze dat hij kennis verwerft of moest hebben
van verschillende vroegere leningen die de consument had aangegaan.

 

Ook het aangaan van het ene krediet om andere terug te betalen, waarbij ook het litigieuze krediet diende om eerder krediet te salderen brengt de aansprakelijkheid van de kredietgever mee. De rechter heet dit cavalerie of schuldruiterij.


Het niet respecteren van de verplichtingen opgelegd door artikel 11 wordt beteugeld door artikel 92 WCK.

Rb. Gent (9e kamer), 10 december 1999, Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2002, Volgnummer 1-2, Pagina 82

uiitreksel:

"3.2.4. De culpa in contrahendo (art. 1382- 1383 B.W.) en de tekortkomingen
van de kredietverstrekker op de informatieplicht voorzien bij artikel 10, 11 en 15 WCK

Conform artikel 15 van de Wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet,
mag de kredietgever slechts een kredietaanbod doen wanneer hij, op basis van
gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, hetzij via de centrale gegevensbank bij de Nationale Bank van België (die tot op heden als “negatieve” centrale slechts wanbetalingen registreert), hetzij via ondervraging van de aspirant-kredietnemer (art. 10 WCK), redelijkerwijze mag aannemen dat deze laatste in staat zal zijn zijn contractuele terugbetalingsverplichting na te komen. Deze wetsbepaling legt de kredietgever aldus de plicht op, alvorens het krediet toe te staan, op nauwgezette wijze de kredietwaardigheid van een aspirantkredietnemer te onderzoeken.

Ingevolge artikel 11 tweede lid WCK moet de kredietgever bovendien het krediet zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, gelet op de financiële toestand van de consument ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst. In elk geval zal de kredietgever, op straffe
van de sancties vermeld in artikel 92 WCK, dus een krediet moeten weigeren
indien hij na zijn onderzoek tot het besluit komt dat de kredietnemer het
krediet normaal niet zal kunnen terugbetalen (Rb. Kortrijk 11 september 1998,
T. Vred. 1998, nr. 11-12, 595).

De kredietgever gaat hier een inspannings-en geen resultaatsverbintenis aan:
kent hij krediet toe in omstandigheden waarin een normaal redelijk en voorzichtig kredietgever zich zou hebben onthouden, dan kan hij aansprakelijk worden gesteld.

Artikel 92 van de WCK laat naast de aldaar gestelde specifieke sanctie ook toepassing van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregels
toe (Vred. Brasschaat 27 mei 1997, o.c., 558).

Op grond van de verstrekte gegevens komt de rechtbank tot de vaststelling
dat de appellante krediet heeft verleend aan geïntimeerden in omstandigheden
waarin een normaal, redelijk en voorzichtig kredietgever dit niet zou hebben
gedaan. Hierbij is het determinerend dat appellante niet aantoont dat zij aan geïntimeerden uitdrukkelijk hebben gevraagd welke leningen/kredietopeningen zij toen al bij andere instellingen hadden afgesloten.

Appellante brengt een stuk voor, meer bepaald een financieringsaanvraag voor
de aankoop van een voertuig met een inlichtingsformulier betreffende de koper
(terwijl het terzake een lening op afbetaling betreft bestemd voor verbouwingswerken) waarop vermeld is onder
• de rubriek nr. 3, Vermogenstoestand: ‘ onroerend goed’ “ Hypothecaire lasten 2.600.000 frank bij ..., aflossing 18.000 frank per maand, schuldsaldoverzekering inbegrepen”.
• de rubriek nr. 5, schuld wegens vroegere aankoop op krediet:
“ voorwerp: kaskrediet op naam van A (kledingzaak echtgenote) ad
500.000 frank”. terwijl er nergens een rubriek voorzien is voor een concrete en gerichte vraag naar lopende contracten van leningen op afbetaling noch voor aangegane kredietopeningen (zie stuk 6 van appellante).

Dit stuk dat eenzijdig is vermits het uitgaat van appellante en enkel ondertekend is door een gevolmachtigde van appellantes filiaal in ..., kan geenszins het bewijs leveren dat appellante zich van haar actieve informatieplicht omtrent alle bestaande schulden heeft gekweten, meer bepaald van schulden uit hoofde van leningen op afbetaling of kredietopeningen.
Het onvolledig onderzoek van appellante op basis van een verkeerd formulier
m.b.t. een aankoop op afbetaling, ligt aan de oorsprong van het toestaan van de lening.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat, benevens de hypothecaire lening, geïntimeerden sedert begin januari 1994 bij diverse kredietinstellingen tien leningsovereenkomsten én drie kredietopeningen hadden aangegaan voor een totaal nominaal bedrag van 6.425.000 frank met een maandelijkse terugbetalingsverplichting van ongeveer 125.500 frank alleen voor de leningsovereenkomsten, zonder rekening te houden met debetintresten en de kapitaalaflossingen m.b.t. de kredietopeningen.

Verder blijkt uit de ingewonnen inlichtingen dat eerste geïntimeerde een
maandinkomen als bediende genoot van ongeveer 72.000 frank (loonfiche 10/95) terwijl voor de tweede geïntimeerde een niet nader bepaald variabel inkomen als zelfstandige opgegeven is, voortkomend uit de kledingzaak die zij pas sedert april 1995 was opgestart.

Het staat derhalve vast dat geïntimeerden van meet af aan niet kredietwaardig
waren (72.000 frank van inkomen t.o.v. 125.500 frank leningslast + 18.000 frank hypothecaire last = 143.500 frank maandtermijnen).

Mits een ernstige, juiste en volledige vraagstelling naar alle schulden, zou appellante onderhavig zoveelste krediet nooit hebben toegestaan.

Evenwel staat tegenover de “actieve informatieplicht” van de bankier ter
voorkoming van overmatige schuldenlast van de consument de “passieve
informatieverplichting” van de consument.
Hij moet te goeder trouw meewerken aan het onderzoek van de kredietgever,
2002 – 91 hetgeen artikel 10 WCK hem expliciet oplegt. De informatie die hij verschaft in antwoord op de hem gestelde vragen moet juist en volledig zijn.
De rechtspraak kent vele voorbeelden van foutieve verzwijging en situaties
waarin expliciet naar bestaande leningskosten werd geïnformeerd en waarbij
de consument deze op foutieve wijze verheelde (zie D. BLOMMAERT, “Aansprakelijkheid bij (consumenten) kredietverlening”, T. Vred. 1998, nr. 11-12,“Themanummer Consumentenkrediet”).

Deze situatie is terzake niet aan de orde vermits appellante aan geïntimeerden
geen verklaring in verband met alle lopende leningen en kredietopeningen
heeft gevraagd. Het inlichtingsformulier (stuk 6 van de appellante) is bovendien
niet door geïntimeerden ondertekend alhoewel er daartoe onderaan een ruimte
is voorzien. Appellante beging een tekortkoming aan haar actieve onderzoeksplicht door geïntimeerden niet te verzoeken de verstrekte inlichtingen voor “oprecht verklaard” te laten ondertekenen
en hen daardoor op de ernst en waarachtigheid van hun verklaringen te
wijzen.


Waar een foutieve onvolledige passieve informatieverstrekking in hoofde van de
geïntimeerden niet bewezen is, komt een tekortkoming aan hun verplichtingen
om de juiste informatie te verstrekken, wel bewezen voor.
Volgens de verstrekte inlichtingen en voornamelijk blijkens de door geïntimeerden voorgebrachte prijsoffertes, hebben zij medegedeeld dat de lening tot doel had herstel- en verbeteringswerken aan hun eigendom te bekostigen. In hun beroepsbesluiten erkennen zij evenwel dat zij “krediet om krediet” aangingen, omdat de draaglast van de bestaande leningsschulden
te groot geworden was (p. 1 en 2 van de besluiten neergelegd op
21 oktober 1998). Geïntimeerden hebben appellante door hun valse informatie ongetwijfeld misleid. Een herfinanciering van bestaande kredieten vormt een negatief signaal bij de kredietwaardigheidsbeoordeling en zou appellante ertoe bewogen hebben gerichte vragen te stellen naar de volledige schuldpositie en niet alleen naar de hypothecaire lasten en aankopen op afbetaling.

De rechtbank is van oordeel dat zowel het onvolledig lichtzinnig onderzoek van
appellante als de onjuiste informatie verstrekt door geïntimeerden een foutief
gedrag uitmaken in het licht van de WCK waarvoor beide partijen in de hierna
bepaalde mate aansprakelijk dienen te worden gesteld wegens hun samenlopende fouten, meer bepaald hun onrechtmatige daden bij het sluiten van de kredietovereenkomst (culpa in contrahendo). In geval van de schending van de actieve onderzoekverplichting in hoofde van de kredietgever biedt artikel 92 WCK de rechter de mogelijkheid om de consument geheel of gedeeltelijk te ontslaan van de nalatigheidsintresten en om zijn verplichtingen
te verminderen tot de prijs bij contante betaling van het ontleend bedrag,
met behoud van het voordeel van de termijnbetaling, onverminderd de andere
gemeenrechtelijke sancties.

De rechtbank is van oordeel dat appellante voldoende gesanctioneerd
is door de verplichtingen van geïntimeerden te herleiden tot het openstaand
nominaal bedrag van de lening met behoud van het voordeel van de termijnbetalingen en dat geïntimeerden wegens hun eigen foutief gedrag de conventionele nalatigheidsintresten verschuldigd blijven aan de gevorderde rentevoet van 10,05 % die binnen de wettelijke norm gesteld bij artikel 28 WCK valt en dit vanaf de aanmaning d.d. 17 januari 1997.

Er is geen enkele grond om een gemeenrechtelijke sanctie toe te passen
lastens appellante nu geïntimeerden geen bijkomende schadevergoeding
vorderen noch in concreto verantwoorden.

4. Besluit
De vordering van appellante dient herleid te worden tot:
- nominaal bedrag van de lening: 300.000 fr.
- betaalde termijnen: - 98.930 fr. 201.070 fr.
De gerechtelijke compensatie met de aan geïntimeerden verschuldigde terugbetaling van de verzekeringskost van 6.998 frank dient uitgesproken te worden zodat er in hoofdsom 194.072 frank verschuldigd blijft, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan 10,05 % vanaf de datum van aanmaning nl. 17 januari 1997.

OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2, 24,
34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935
op het gebruik van de talen in gerechtszaken,
Ontvangt elk hoger beroep.
Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk
gegrond.

Bevestigt het provisioneel vonnis van 12 september 1997 en het eindvonnis van
23 januari 1998 met dien verstande dat:
1. geïntimeerden solidair worden veroordeeld om aan appellanten te betalen de
definitieve som van 194.072 frank, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan 10,05 % vanaf 17 januari 1997 tot 11 april 1997 en van dan af de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet;
2. alle betalingen uitgevoerd door geïntimeerden rechtstreeks of onrechtstreeks
via loonbeslag of anderszins sedert de aanmaning van 17 januari 1997 dienen in
mindering te komen van het bedrag van 194.072 frank;
3. geïntimeerden gemachtigd worden hun schuld van 194.072 frank af te betalen met afkortingen van 9.893 frank vanaf 16 februari 1998.
Veroordeelt de geïntimeerden tot alle kosten van beide aanleggen."

 

0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:17
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.