-A +A

aansprakelijkheid van bestuurders van een failliete vennootschap wegens wanbeleid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De bestuurders van een vennootschap begaan een buitencontractuele fout wanneer zij door de systematische en bewuste niet-betaling van schulden van de vennootschap de vennootschap een vals krediet verleenden, wat hen in staat stelde om bepaalde schuldeisers wel en andere niet te betalen  en de deficitaire activiteit van de vennootschap voort te zetten.

Op basis van dit principe kunnen schuldeisers van en failliete vennootschap zich tegen de voormalige bestuurders richten op basis van hun buitencontractuele aansprakelijkheid.

Voor de toepassing van dit principe wordt verwezen naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, alwaar de fiscus zich gedupeerd voelde wegens jarenlange uitgebleven betalingen.
 

Rechtspraak:

• Cass. 17.10. 2008, RABG/8, 537

Luidens artikel 530 van het Wetboek van Vennootschappen, kunnen, indien bij faillissement van de vennootschap, de schulden de baten overtreffen, de bestuurders of gewezen bestuurders, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap tot beloop van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement.

Indien de kennelijke grove fouten van die bestuurders hebben bijgedragen tot het faillissement van afzonderlijke failliete venootschappen die op grond van een rechterlijke beslissing als een geheel worden vereffend met vorming van een enkele boedel, moet het tekort worden vastgesteld op grond van het verschil tussen baten en schulden van de gehele boedel.

• Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, 7e Kamer – 21 juni 2005, RW 2006-2007, 1286


Belgische Staat, minister van Financiën t/ N. e.a.

...

2. De feiten

Verweerders waren vanaf 30 december 1987 de (gedelegeerde) bestuurders van de NV R.T., voorheen de PVBA T.V.R. en zoon. Derde verweerder werd benoemd tot voorzitter van de raad van bestuur, en eerste en tweede verweerders werden benoemd tot gedelegeerd bestuurder, belast met het dagelijks bestuur van de vennootschap. De vennootschap had als maatschappelijk doel het vervoer van goederen over de weg.

Op 15 mei 1997 werd de vennootschap door de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen failliet verklaard «op bekentenis». Eiseres vernam van de curator dat zij als bevoorrecht schuldeiser geen enkel dividend zou ontvangen.

Op het ogenblik van het faillissement had de vennootschap aanzienlijke belastingschulden. Aan achterstallige verkeersbelasting over de jaren 1994, 1995 en 1996 was een bedrag verschuldigd van 10.327,43 euro. Aan achterstallige bedrijfsvoorheffing sedert 1993 tot de datum van het faillissement, was een bedrog verschuldigd van 49.935,30 euro.

Eiseres betoogt dat het voortdurend en systematisch niet betalen van deze belastingen een onrechtmatige daad van verweerders uitmaakt en dat verweerders gehouden zijn tot vergoeding van de schade die de schatkist hierdoor leed.

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerders solidair te horen veroordelen tot betalen van een schadevergoeding van 68.911,83 euro, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, berekend op een bedrag van 60.013,44 euro. Hoewel eiseres haar vordering aanvankelijk beperkte tot 1 fr. provisioneel, breidt zij in conclusie haar vordering tot deze bedragen uit.

Eerste verweerder vraagt de afwijzing van de vordering. Subsidiair vraagt eerste verweerder de rechtbank te beslissen dat de onbetaald gebleven verkeersbelasting onder geen enkel beding kan worden verhaald op de bestuurders.

Tweede en derde verweerders vragen de afwijzing van de vordering.

3. Beoordeling

a) De ontvankelijkheid van de vordering

...

Verweerders voeren aan dat eiseres, als individuele schuldeiser en in het raam van het faillissement, niet voor eigen rekening een vordering kan instellen tegen een bestuurder van de vennootschap die een fout zou hebben begaan. Verweerders betogen dat enkel de curator deze aansprakelijkheidsvordering kan stellen.

De vordering van eiseres is gebaseerd op art. 1382 B.W. Eiseres voert aan dat zij een eigen schade leed als gevolg van een fout die – aldus eiseres – aan verweerders toerekenbaar is. De schade die eiseres beweert te hebben geleden, werd niet veroorzaakt door het faillissement en bestaat ook niet in een aantasting van het vermogen van de vennootschap. De rechtbank besluit dat eiseres – naast de vordering die de curator eventueel zou kunnen stellen tegen de bestuurders – gerechtigd is vergoeding te vorderen voor schade die zijzelf leed door het onrechtmatig handelen dat zij de bestuurders verwijt.

b) De grond van de zaak

Met toepassing van art. 62, eerste lid, W. Venn. en art. 63, derde lid, W. Venn. (oud, thans art. 527 W. Venn.), zijn de bestuurders en dagelijks bestuurders van de naamloze vennootschap overeenkomstig het gemene recht verantwoordelijk voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur.

Hoewel de gewone bestuursfout in beginsel een contractueel karakter heeft, kan zij onder omstandigheden ook een buitencontractuele fout uitmaken en leiden tot de aansprakelijkheid van de bestuurders ten aanzien van derden en dit op grond van de artikelen 1382-1383 B.W. Hiervoor is vereist dat deze bestuursfout een schending is van een aan iedereen opgelegde zorgvuldigheidsnorm of een schending is van een specifieke wettelijke of reglementaire verplichting.

Uit de gegevens die voorliggen moet de rechtbank besluiten dat verweerders zeker niet handelden zoals van zorgvuldige bestuurders kan worden verwacht.

Met kennis van zaken wat betreft de slechte financiële toestand van de vennootschap, hebben verweerders sedert 1993 en 1994 tot aan het faillissement, nagenoeg iedere betaling van bedrijfsvoorheffing op de lonen van het personeel en iedere betaling van verkeersbelasting, gestaakt. Door het wetens en willens niet betalen van deze belastingen, en door ook de betalingen aan de RSZ te staken, verleenden verweerders de vennootschap een vals krediet, dat hen in staat stelde andere schuldeisers te betalen en de deficitaire activiteit van de vennootschap verder te zetten.

Verweerders wijzen erop dat de transportsector onder hevige concurrentie gebukt gaat en de economie zwak was. Dit is geen verantwoording voor het gedurende jaren niet betalen van bedrijfsvoorheffing en verkeersbelasting. De slechte financiële toestand van de vennootschap vereiste minstens dat er drastische herstelmaatregelen zouden worden voorgesteld en genomen. Dit is duidelijk niet gebeurd.

Alles wijst erop dat de tactiek van verweerders er in bestond de activiteiten van de vennootschap zo lang mogelijk te rekken en terzelfder tijd de geduldige schuldeisers op een afstand te houden. Hierbij stond zo goed als vast dat de vennootschap niet in staat zou zijn de middelen bijeen te brengen die nodig waren om de belastingschulden te betalen. De rechtbank is van oordeel dat verweerders zich op die wijze schuldig maakten aan een fout in de zin van artikel 1382 B.W.

Tweede en derde verweerders voeren aan dat enkel de heer N. zich bezighield met het bestuur van de vennootschap. De heer N. liet tweede en derde verweerders verstaan dat het verderzetten van de activiteiten van de vennootschap doenbaar was.

Er wordt niet aannemelijk gemaakt dat tweede en derde verweerders zich niet met het bestuur van de vennootschap zouden hebben ingelaten. Zij kunnen niet op een geloofwaardige wijze aanvoeren dat zij geen kennis zouden hebben gehad van de deficitaire activiteit van de vennootschap. Door hun stilzitten hebben ook zij op een foutieve wijze deel gehad aan het ontstaan van de schade.

Verweerders wijzen op de eigen aansprakelijkheid van eiseres, die op de hoogte zou zijn geweest van de slechte financiële situatie van de vennootschap en niets zou hebben ondernomen.

Dit verweer is niet terecht. De omstandigheid dat eiseres de vennootschap en verweerders de kans heeft geboden om de toestand te regulariseren, om alsnog aangiftes inzake bedrijfsvoorheffing in te dienen en een aanvang te nemen met de betaling van achterstallen, kan haar niet worden verweten. De heer N., die in contact was met eiseres, heeft ook laten verstaan dat er verbetering op komst was, dat er betalingen zouden worden uitgevoerd of reeds waren uitgevoerd, dat één van de voertuigen zou worden verkocht enz. De verplichting tot het betalen van bedrijfsvoorheffing en verkeersbelasting volgt bovendien uit de wet en is niet afhankelijk van ingebrekestellingen en dwangmaatregelen die door de fiscus worden getroffen.

De schade die eiseres leed door het foutieve handelen van verweerders is naar behoren aangetoond en is gelijk aan het bedrag van de niet-betaalde belasting. De fout van verweerders bestaat er onder meer in dat zij een deficitaire toestand zonder enige aanwijzing op verbetering, gedurende jaren ongewijzigd hebben verdergezet, wat heeft geleid tot nieuwe belastingen en dus tot een aangroei van de schade.

Bij het beoordelen van de omvang van de schade is de rechtbank niet gebonden door het vonnis van de rechtbank van koophandel, waarbij de datum van staking van betaling werd vastgesteld op 15 november 1996. Reeds lang vóór deze datum was de belastingschuld in die mate opgelopen, dat er geen redelijke verwachting op recuperatie meer was. Indien verweerders zich op een zorgvuldige wijze van het bestuur van de vennootschap zouden hebben gekweten, dan zou de belastingschuld niet in die mate zijn opgelopen en mag er van worden uitgegaan dat de bevoorrechte schuldeiseres uit het faillissement een dividend zouden hebben ontvangen.

Nu de rechtbank aangetoond acht dat ieder van de verweerders zich schuldig maakte aan samenlopende fouten, zijn zij in solidum gehouden tot vergoeding van deze schade.

• Rechtbank van Koophandel te Brussel, 25e Kamer D Buitengewoon – 8 oktober 2007, RW 2008-2009,294, met noot

Faillissement BVBA S. t/ D. en G.

Feiten en retroacta

1. De relevante feiten, nuttig voor de beoordeling van de zaak, zoals zij uit de stukken en uit de conclusies van partijen blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

Bij akte verleden door notaris R.V. op 8 december 1997 werd de BVBA S. opgericht voor onbepaalde duur.

De vennootschap werd bestuurd door één of meer zaakvoerders, aandeelhouders of niet, te benoemen bij eenvoudige meerderheid door de algemene vergadering.

Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 8 december 1997 werd tweede verweerder benoemd tot zaakvoerder. Deze beslissing werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 24 december 1997.

Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 15 oktober 2001 werd eerste verweerder benoemd tot (bijkomend) zaakvoerder. Deze beslissing werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 15 november 2001.

Bij beslissing van de algemene vergadering van 2 juli 2002 werd beslist tot het ontslag van eerste verweerder als zaakvoerder. Hem werd décharge verleend. Deze beslissing werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 6 september 2002.

Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 14 oktober 2002 werd beslist tot het ontslag van tweede verweerder als zaakvoerder, dit vanaf 14 oktober 2002. Deze beslissing werd gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 23 oktober 2002.

De BVBA S. werd failliet verklaard bij vonnis van 16 december 2003, gewezen door de 5e Kamer van de Rechtbank van Koophandel te Brussel.

Betreffende de vordering

2. De vordering strekt ertoe om: verweerders hoofdelijk, solidair, in solidum of de één bij gebreke aan de andere te horen veroordelen tot aanzuivering van het totale passief van de BVBA S. en bijgevolg tot betaling van het bedrag van 492.940,73 euro, vermeerderd met 1 euro provisioneel, bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 februari 2001 tot op de datum van het te vellen vonnis en vanaf dan de verwijlinteresten tot op de datum van algehele betaling; (...).

Beoordeling

3. Indien de aan de zaakvoerders van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ten laste gelegde fout bestaat uit een overtreding van de statuten of het Wetboek van Vennootschappen, rust er op hen, krachtens art. 263 W.Venn., een vermoeden van solidaire aansprakelijkheid.

De aansprakelijkheid, als bepaald in art. 263 W.Venn., treft enkel de effectief en geldig benoemde zaakvoerders van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en dus niet haar feitelijke zaakvoerders.

Eiser q.q. beroept zich op een schending van art. 98 W.Venn., dat voorschrijft dat de jaarrekening door toedoen van de zaakvoerders dient te worden neergelegd bij de Nationale Bank van België binnen dertig dagen na goedkeuring ervan door de algemene vergadering. Eiser q.q. argumenteert meer bepaald dat de jaarrekeningen, voor de boekjaren, eindigend vanaf 31 december 2002, niet werden neergelegd. Geen enkele inlichting wordt door hem verschaft wat betreft de goedkeuring of het gemis aan goedkeuring door de algemene vergadering van de BVBA S. van de desbetreffende jaarrekeningen.

De verplichtingen om de jaarrekeningen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te maken en ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar en de verplichting om deze neer te leggen bij de Nationale Bank van België binnen dertig dagen na de goedkeuring ervan door de algemene vergadering, rusten op de zaakvoerder(s) van de vennootschap en niet op de feitelijke zaakvoerder(s) ervan.

De zaakvoerder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid kan niet aansprakelijk worden gesteld voor overtredingen van de statuten of het Wetboek van Vennootschappen, begaan nadat de beëindiging van zijn ambt aan de vennootschap of aan derden tegenwerpelijk werd.

Ten slotte laat eiser q.q. na aan te tonen welk deel van het passief voortvloeit uit een gemis aan opmaak en/of neerlegging van de jaarrekeningen.

4. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die haar vordering tot het verkrijgen van vergoeding voor geleden schade ten laste van haar zaakvoerder(s) baseert op art. 262 W.Venn., dient het bestaan van een tekortkoming in het bestuur te bewijzen.

Tegenover hun besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn de zaakvoerders aansprakelijk voor fouten in het bestuur, naar het gemene recht van de lastgeving. Zij moeten blijk geven van de zorgvuldigheid die normaal kan worden verwacht van een zaakvoerder die zich in de gegeven omstandigheden bevindt. Bovendien heeft hun aansprakelijkheid een professioneel karakter, wat een strenge beoordeling rechtvaardigt. Daar art. 262 W.Venn. geen hoofdelijkheid voorschrijft, staan de zaakvoerders slechts in voor de persoonlijk door hen begane fout.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de schuldeisers die hun vordering tot het verkrijgen van vergoeding voor geleden schade ten laste van de (feitelijke) zaakvoerder(s) van de vennootschap daarentegen baseren op de artikelen 1382-1383 B.W., dienen het bestaan van een persoonlijke fout van die (feitelijke) zaakvoerder(s) te bewijzen. Daar de artikelen 1382-1383 B.W. opnieuw geen hoofdelijkheid voorschrijven, staan de (feitelijke) zaakvoerders slechts in voor de persoonlijk door hen begane fout. Enkel indien de schade haar oorzaak vindt in de samenlopende (bestuurs)fouten van verschillende (feitelijke) zaakvoerders en zonder de (bestuurs)fout van één van hun, de (bestuurs)fouten van de anderen niet hadden kunnen volstaan, is iedere (feitelijke) zaakvoerder «in solidum» gehouden de schade volledig te vergoeden.

Eiser q.q. specificeert niet welke precies de (bestuurs)fouten zijn die aan tweede verweerder ten laste worden gelegd en tijdens welke periode deze beweerde (bestuurs)fouten zouden zijn begaan, wat niet onbelangrijk is, omdat eerste en tweede verweerders hun mandaat over van elkaar verschillende periodes hebben uitgeoefend.

Er is sprake van een systeem van sociale fraude, aanleunend bij het fenomeen van de koppelbazenrij. Eiser q.q. beperkt zich evenwel tot diverse beweringen en verdachtmakingen, zonder enig concreet bewijs. Het strafonderzoek leverde geen bewijzen op van het bestaan van enig sociaal fraudemechanisme, laat staan dat de betrokkenheid van tweede verweerder hieruit zou blijken.

Eiser q.q. laat bovendien na de door hem ingeroepen beweerdelijk door tweede verweerder begane strafrechtelijk beteugelde tekortkomingen aan te wijzen.

De rechtbank acht daarentegen ten aanzien van eerste verweerder een fout in de zin van de artikelen 1382-1383 B.W. bewezen.

Het kortstondig verzuim om de schulden van de vennootschap, waaronder de sociale bijdragen op de lonen van de werknemers van de vennootschap, te betalen, is in regel op zichzelf geen persoonlijke fout van de zaakvoerders, wanneer dezen mogen geloven dat deze onmogelijkheid slechts tijdelijk is en de onderneming nog kan worden gered. Het niet betalen van de schulden van de vennootschap wordt pas een fout wanneer er geen redenen zijn om aan te nemen dat de moeilijkheden tijdelijk zijn en er in feite staking van betaling is.

In zijn memorie inzake faillissement situeerde de curator het moment van staking van betaling in het «tweede tot het derde kwartaal 2002».

Tweede verweerder werd reeds met ingang vanaf 19 juni 2001 feitelijk vervangen als zaakvoerder door de heer J.P. en was vanaf dan niet langer actief in de BVBA S.

De rechtbank stelt daarentegen vast dat eerste verweerder op de vlakte blijft en zich niet de moeite getroost uit te leggen hoe de BVBA S., waarvan hij in 2001 alle aandelen heeft verworven en waarvan hij zaakvoerder was tot 2 juli 2002, in financiële moeilijkheden kwam.

In elk geval acht de rechtbank het bewezen dat eerste verweerder reeds geruime tijd vóór zijn ontslag geweten moet hebben dat de BVBA S. belangrijke schulden systematisch opbouwde, onder meer inzake sociale zekerheid. De aanzienlijke R.S.Z.-schuld van deze vennootschap is namelijk ontstaan vanaf het eerste en tweede kwartaal 2002, d.w.z. vóór het ontslag van eerste verweerder.

Hoe het komt dat eerste verweerder zich, vóór zijn ontslag op 2 juli 2002, niet verplicht voelde om aangifte te doen van staking van betaling, blijft een open vraag, vooral daar er nog andere schuldeisers, zoals de BTW, belangrijke schuldvorderingen hadden.

Eerste verweerder blijft doodstil en zwijgt omtrent de reden van zijn ontslag, de economische en financiële positie van de vennootschap en het ogenblik van zijn ontslag en de reddingskansen van het bedrijf dat hij verliet.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat op het ogenblik van het ontslag van eerste verweerder de BVBA S. reeds reddeloos verloren was en toen reeds zeker was dat de schulden, onder meer ten opzichte van de R.S.Z., niet zouden kunnen worden voldaan en een faillissement onafwendbaar was.

De rechtbank acht het bovendien bewezen dat eerste verweerder de vennootschap verliet om zich weg te steken achter het scherm van de nieuw benoemde zaakvoerders, die slechts stromannen waren.

Sinds het tijdstip van de overname van de aandelen door eerste verweerder blijkt dat er geen enkele jaarrekening meer werd neergelegd. Bovendien is sinds 2002 ook de socialezekerheidsschuld ontstaan, is de maatschappelijke zetel maar liefst viermaal verplaatst en volgden de zaakvoerders elkaar in een snel tempo op.

Dit alles wordt bevestigd door ex-werkneemster F.D., die verklaarde dat eerste verweerder wel degelijk de grote baas is gebleven na zijn officieel ontslag als zaakvoerder.

In elk geval, waarom eerste verweerder het nuttig oordeelde zijn op datum van ontslag virtueel failliete onderneming over te laten in handen van nieuwe zaakvoerders, blijft een vraag waarop hij geen antwoord geeft.

Volgens de rechtbank is het antwoord enkel dat eerste verweerder zich aan zijn mogelijke aansprakelijkheid wilde onttrekken en de nieuwe zaakvoerders enkel werden benoemd om de werkelijke toestand te maskeren.

Onterecht beroept eerste verweerder zich in dit verband op de hem verleende kwijting. De aan de zaakvoerder vóór het faillissement verleende kwijting is aan de curator namelijk niet tegenwerpelijk zo hij optreedt als vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers op grond van de artikelen 1382-1383 B.W.

5. Omdat eiser q.q. de rechtbank nog niet kan inlichten over de exacte omvang van het passief van het faillissement, kan de schade ten gevolge van de fout van eerste verweerder, waardoor het passief van het faillissement werd vermeerderd, nog niet concreet worden begroot.

Teneinde te verhinderen dat eiser q.q. zolang dient te wachten, kan er hem reeds een provisionele schadevergoeding van 200.000 euro worden toegekend.

6. Door de rechter dient in het vonnis dat hij uitspreekt niet uitdrukkelijk akte te worden verleend van een door een partij geformuleerd voorbehoud, wanneer dit voorbehoud uit een regelmatig ter terechtzitting genomen conclusie blijkt.

• Rechtbank van Koophandel te Tongeren, RW 2008-2009, 13 januari 2005, 504

a) De feitelijke vereffening van de vennootschap met miskenning van het vennootschapsrecht en de wetgeving op de voorrechten en hypotheken waarbij leningen werden toegestaan met de voorkennis dat deze leningen niet zouden kunnen worden terugbetaald en zonder dat een volledige en correcte boekhouding werd gevoerd, is een kennelijk grove fout van de bestuurders in de zin van art. 530 W.Venn.

b) Het niet neerleggen van een jaarrekening zoals voorgeschreven door het Wetboek van Vennootschappen vormt een schending van een resultaatsverbintenis die door het Wetboek van Vennootschappen wordt opgelegd aan de bestuurders.

c) het nalaten van bestuurders van de staking van betaling in de wetenschap  dat de vennootschap zich in staat van faillissement bevond, is een fout in de zin van art. 1382 B.W.

Faillissement BVBA R. t/ L.R. en A.R.

1. Antecedenten

(a) De BVBA R. werd op 9 februari 1993 opgericht door eerste verweerder, R.L., voor het ambt van Notaris D.-S., met als maatschappelijk doel bouwpromotie, handel in onroerende goederen en algemene bouwactiviteiten. Eerste verweerder R.L. werd aangesteld als enig zaakvoerder.

De curatoren voeren aan dat de vennootschap in feite werd bestuurd door tweede verweerder, R.A., die de vennootschap rechtsgeldig kon vertegenwoordigen bij onroerende verrichtingen blijkens een notariële volmacht van 20 november 1996. De curatoren verwijzen desbetreffend tevens naar een onderzoek van de sociale inspectie naar het sociaal statuut van tweede verweerder. Ingevolge de bevindingen van dit onderzoek heeft de R.S.Z. de voor tweede verweerder ingediende aangiften over de periode van 1 juli 1998 tot 27 maart 2003 ambtshalve geschrapt wegens het ontbreken van één van de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst, namelijk het ondergeschikt verband.

Verweerders stellen dat tussen hen werd afgesproken dat tweede verweerder R.A. het bestuur van de vennootschap «minstens vanaf anno 2000 exclusief» zou waarnemen, en dat de activiteiten van eerste verweerder R.L. zich zouden beperken tot bestuur en aanwezigheid op de werven, en ze voegen eraan toe «Overigens was deze afspraak veeleer een vaderlijk bevel dat door eerste verweerder niet kon worden genegeerd, wel integendeel».

De activiteiten van de vennootschap bereikten hun hoogtepunt in 1998, toen er circa twintig arbeiders en drie bedienden tewerkgesteld waren, die instonden voor de bouw van ongeveer vijftig woningen per jaar. Vanaf dat ogenblik liepen de activiteiten echter terug tot op 27 maart 2003 het faillissement werd uitgesproken.

(b) De curatoren voeren aan dat de vennootschap, onder de actieve en uitsluitende leiding van tweede verweerder R.A., vanaf 2001 «ogenschijnlijk» ging fungeren als geldschieter voor de NV R.C., een vennootschap van de heer R.A. en zijn echtgenote, en in staat van faillissement gesteld op 23 januari 2003 door de rechtbank van koophandel te Tongeren.

In 2001 werd het doel van de vennootschap NV R.C. uitgebreid tot de uitbating van horecazaken, en achtereenvolgens werden volgende horecazaken in uitbating genomen: restaurant La G., taverne De P., en danscafé de P., volgens aanleggers q.q. zonder dat de vennootschap over voldoende financiering beschikte. De balans van de BVBA R. vertoonde daardoor, aldus verder de curatoren, per 31 december 2002 een vordering in rekening-courant ten opzichte van de NV R.C. van 368.934,15 euro.

Verweerders geven toe dat de zaken vanaf 2001 inderdaad bergaf gingen, en dat dit eigenlijk alleen te wijten was aan grote spanningen tussen tweede verweerder R.A. en zijn voormalige echtgenote M.

(c) De aannemingsactiviteiten van de BVBA R. werden stopgezet eind 2002, en vanaf 1 januari 2003 werden aldus geen prestaties meer verricht door de arbeiders.

Er werd geopteerd voor een vrijwillige vereffening van de BVBA R., en de feitelijke vereffeningsactiviteiten werden aangevat, ondanks het feit dat geen formele beslissing tot ontbinding werd genomen, zo argumenteren de curatoren verder.

Aangezien de inkomstenstroom eind 2002 was stilgevallen, was de vennootschap verplicht vanaf begin 2003 activa te realiseren om de schuldeisers te voldoen.

In de periode van 24 februari 2003 tot 20 maart 2003 werden acht onroerende goederen verkocht voor een totaal bedrag van 272.870,55 euro, en de opbrengst werd voor het grootste gedeelte uitgekeerd aan de schuldeisers die beslag hadden gelegd.

Er bleven echter geen bedragen meer over om de lopende verbintenissen te voldoen. De lonen werden niet meer betaald vanaf februari 2003, en een aantal schuldeisers en leveranciers bleven onbetaald, zodat op 26 maart 2003 uiteindelijk de boeken werden neergelegd.

(d) De curatoren stelden vast dat de boekhouding onvolledig was en dat zo ook alle bescheiden voor het jaar 2001 ontbraken. Ondanks aanmaning tot afgifte werd hieraan door verweerders geen gevolg gegeven.

Bij beschikking van de rechter-commissaris van 6 maart 2003 werden de curatoren gemachtigd zich te laten bijstaan door de heer B., revisor uit Peer.

De heer B. kwam ondermeer tot de volgende bevindingen:

«De boekhouding van BVBA R. is onvolledig, niet correct en werd niet gevoerd conform de wettelijke bepalingen. Zij is op vele punten in overtreding met de boekhoudwetgeving en bevat niet-verantwoorde compensatieboekingen en diverse onduidelijke boekingen. Voor al deze boekingen ontbreken de wettelijk vereiste verantwoordingsstukken. Een kasboek werd niet bijgehouden. Gelden werden aan de vennootschap onttrokken zonder onderbouwing of bewijskrachtige bescheiden.

Voor verschillende van deze boekingen is het wenselijk, zo niet noodzakelijk om aanvullende toelichtingen en/of verantwoordingsstukken op te vragen. Het betreft voornamelijk de transacties met betrekking tot de aanzuivering van leningen en voorschotten via verkoop van gronden, en boekingen met betrekking tot de zaakvoerders en R.C.

Overzicht van zonder verantwoordingsstukken aan de vennootschap onttrokken bedragen:

– aanzuivering rekening-courant zaakvoerder:

40.287,00 euro

– betalingen voor rekening van R.C.:

25.376,00 euro

– compensatie klant A.R./BTW schuld:

54.500,00 euro

– ontvangen vooruitbetalingen met zekerheid aan de vennootschap onttrokken:

10.845,00 euro

nog te onderzoeken:

30.358,00 euro

– opname loketcheques via kas:

470.240,00 euro

waarvan toegekend aan R.C.:

303.241,00 euro

waarvan de begunstigde niet is gekend:

167.000,00 euro

Totaal:

601.248,00 euro

(e) Bij inleidende dagvaarding van 12 en 13 januari 2004 vorderden aanleggers q.q. van verweerders solidair en in solidum, de ene bij gebreke van de andere, betaling van de provisionele som van 379.778,80 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten en kosten. Dit bedrag werd verantwoord door verwijzing naar de volgende bedragen, die uit het vennootschapsvermogen zijn verdwenen, zonder dat daarvoor enige bedrijfseconomische rechtvaardiging, laat staan een boekhoudkundig verantwoordingsstuk, bestaat:

– geldopnames fictief toegewezen aan «toegestane leningen» R.C.:

368.934,00 euro

– totaal niet-verantwoorde geldopnames:

10.844,80 euro

Totaal:

379.778,80 euro

Het bedrag van 368.934 euro is de som die de NV nog verschuldigd zou zijn aan de BVBA R., volgens de boekhouding van deze laatste vennootschap. Uit de boekhouding van de NV R.C., die op dit punt het spiegelbeeld zou moeten zijn van de boekhouding van de BVBA R., blijkt uit hoofde van deze rekening-courant echter geen schuld te bestaan. Dit laatste wordt bevestigd door de aangifte van schuldvordering van de BVBA R., waarin geen sprake is van een rekening- courant. De curatoren besluiten hieruit dat dit bedrag aan opgenomen gelden uit de vennootschap werd onttrokken.

Het bedrag van 10.844,80 euro werd verkregen door het verschil tussen 41.202,98 euro, zijnde niet geboekte voorschotbetalingen, met een bedrag van 30.358,18 euro, zijnde een balanspost «460000 – Ontvangen vooruitbetalingen».

De curatoren baseerden hun vordering juridisch op:

– de kennelijk grove fouten (art. 530 W.Venn.) van verweerders, die hebben bijgedragen tot het faillissement;

– de gemeenrechtelijke bestuursfouten (art. 527 W.Venn. en art. 1382 B.W.);

– overtredingen van de Vennootschapswet of de statuten (art. 528 W.Venn.).

2. Ten gronde

(a) De heren R. stellen primair dat het verslag van de heer B. niet kan worden gehanteerd, aangezien dit onderzoek niet op tegenspraak werd gevoerd, zodat er een manifeste schending is van het recht van verdediging, en een gerechtelijk onderzoek op tegenspraak noodzakelijk is.

Zij voeren voorts aan dat de boekhouding werd gevoerd door A. te S., zijnde een eerbaar en erkend accountant, hetgeen een vermoeden is dat de boekhouding wel conform de wettelijke bepalingen werd gevoerd.

Voorts voeren verweerders aan dat in het raam van een gerechtelijke expertise de verantwoording zal blijken van de rekening-courant zaakvoerders, van het feit dat de post «leningen R.C.» niet slaat op gelden die werden onttrokken aan het vennootschapsvermogen, en van het feit dat de curatoren ten onrechte beweren dat niet-geboekte voorschotbetalingen werden teruggevonden voor een bedrag van 41.202,98 euro.

Ten slotte verzoeken verweerders de curatoren te bevelen zich te gedragen naar art. 54, 2o, Faillissementswet.

De curatoren betogen dat het gegeven dat het verslag B. niet op tegenspraak werd opgesteld, nog niet inhoudt dat hieruit geen bewijskracht kan worden geput. Zij voeren aan dat de aangewreven feiten evengoed in conclusies zouden kunnen worden weerlegd.

Voorts leggen de curatoren uit dat door hen geen verwijt wordt gestuurd naar de boekhouder van de gefailleerde onderneming. A. te S., die als louter technisch uitvoerder moest worden beschouwd, terwijl de bedrijfsleiders nalieten A. van de nodige informatie te voorzien. A. kreeg de instructie de talrijke geldbewegingen te boeken op de rekening-courant zaakvoerder, en deed zulks niet uit eigen initiatief.

In antwoord op de bemerking van de heren R. dat de curatoren verzuimd hebben de boekhouding te laten bijwerken, zoals bepaald in art. 54, 2o, Faillissementswet, betogen de curatoren dat zulks niet mogelijk was.

In antwoord op de argumentatie van de heer R.A. dat het bestuur hem vanaf begin 2002 zwaar viel ingevolge zijn echtelijke moeilijkheden, betogen de curatoren dat het Wetboek van Vennootschappen, en meer bepaald het aansprakelijkheidsregime voor bestuurders, geen verzachtende omstandigheden kent, noch verschoningsgronden, behoudens de weerlegging van het schuldvermoeden, het uitdrukkelijk verzet van een bestuurder tegen een bestuursdaad waarmee hij het niet eens is, of zijn uitdrukkelijke aanklacht hiertegen op de algemene vergadering.

Voor wat eerste verweerder R.L. betreft, verwijzen de curatoren naar het feit dat hij formeel bestuurder was.

(b) De waarde van het verslag B.

De vraag rijst welke de waarde is van het verslag B., en meer bepaald of dit als (voldoende) bewijskrachtig kan worden aanvaard, dan wel of de aanstelling van een gerechtsdeskundige noodzakelijk is.

Op basis van cassatierechtspraak (Cass. 14 september 1984, Arr. Cass. 1984-1985, 88) wordt meestal aangenomen dat de rechter naargelang de omstandigheden de eenzijdige expertise mag aanvaarden als een vermoeden, waarbij als «omstandigheden» onder meer de gebruiken van de sector, de autoriteit van de deskundige (bekwaamheid, onafhankelijkheid, eerlijkheid, ...) en de wijze waarop het deskundig onderzoek werd gevoerd, in aanmerking kunnen worden genomen. Art. 986 Ger. W. maakt bovendien geen onderscheid tussen contradictoire en niet-contradictoire deskundigenonderzoeken, zodat ook voor het eenzijdig deskundigenonderzoek zou gelden dat de feitenrechter in feite, en dus op onaantastbare wijze de bewijswaarde van het deskundig verslag beoordeelt (K. Deketelaere, M. Schoups en A. Verbeke (red.), Handboek Bouwrecht, Intersentia-die Keure, 2004, p. 1030, nr. XIII.19).

De eenzijdige expertise kan door de rechter in aanmerking worden genomen als een attest, met andere woorden als een vermoeden. De geloofwaardigheid van dit vermoeden zal enkel afhangen van de eerlijkheid, de bevoegdheid en de onafhankelijkheid van de opsteller van het verslag, alsook van de min of meer ideale voorwaarden waarin het onderzoek van de eenzijdig aangestelde deskundige heeft plaatsgehad (A. Cloquet, Deskundigenonderzoek in zaken van privaatrecht, in A.P.R., 1975, p. 22, nr. 54).

Het verslag B. heeft in voorliggend geval bewijskracht, aangezien men er op basis van de omstandigheden geloof aan kan hechten, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de heer R., die zich nu beklaagt over de onvolledige boekhouding, in de bewuste periode zelf de verantwoordelijkheid droeg om deze in orde te brengen, maar naliet zulks te doen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de heer B. bedrijfsrevisor is, en geregeld door de rechtbank wordt aangesteld, zodat hij ongetwijfeld vertrouwen geniet en verdient.

Voorts dient te worden aangestipt dat de afgevaardigde-bestuurders en zaakvoerders ertoe gehouden zijn, niet alleen om de boekhouding conform de wettelijke voorschriften te voeren, maar tevens om die boekhouding volledig ter beschikking te stellen van de curatoren. Het is de volledig ter beschikking gestelde boekhouding, die als basis heeft gediend voor het onderzoek dat werd uitgevoerd door de heer B., zodat er geen inkomende (bewijskrachtige) elementen kunnen zijn die een onderzoek en besluit kunnen funderen.

In deze omstandigheden kan niet worden ingegaan op het verzoek van verweerders om een gerechtelijke boekhoudkundige expertise te bevelen.

De volgende opmerking in het verslag B. verandert hieraan niets: «Voor verschillende van deze boekingen is het wenselijk, zo niet noodzakelijk, om aanvullende toelichtingen en/of verantwoordingsstukken op te vragen. Het betreft voornamelijk de transacties met betrekking tot de aanzuivering van leningen en voorschotten via verkoop van gronden, en boekingen met betrekking tot de zaakvoerders en R.C.».

Het verslag B. besluit tot een bedrag van 601.248 euro, dat zonder verantwoordingsstukken werd onttrokken aan de vennootschap. Er wordt desbetreffend door verweerders in conclusies geen bewijskrachtig element voorgebracht en geen aannemelijke uitleg verstrekt om deze onttrekking te verantwoorden, terwijl de vordering van de curatoren beduidend lager is dan het bedrag aangenomen in het verslag B., en tevens dient gelet op de aard (reden, samenstelling van het bedrag) van de door hen gestelde vordering, zodat een (gedeeltelijke en aanvaarde) uitleg van de zijde van verweerders nog onvoldoende zou zijn om de vordering van de curatoren te weerleggen.

(c) Verwerende partij R. verwijst naar het feit dat de curatoren hebben nagelaten zich te houden aan de nieuwe taak, die door de reparatiewet van 4 september 2002 werd opgelegd aan de curator, en die geformuleerd werd in art. 54 Faillissementswet. Deze taak houdt onder meer in dat de curatoren, wanneer geen balans werd neergelegd, de balans moeten opmaken, overeenkomstig de regelen en beginselen van het boekhoudrecht, met bijstand van een accountant, en gebeurlijk op kosten van de bestuurders en zaakvoerders.

De curatoren dienen deze verplichting naar best vermogen te vervullen, maar niemand kan gehouden zijn tot het onmogelijke. Deze verplichting dient redelijk te worden geïnterpreteerd, en men kan van een curator niet eisen dat hij een balans zou opstellen wanneer geen enkel document beschikbaar is (A. Zenner, Faillites et concordats 2002. La réforme de la réforme et sa pratique, Les dossiers du Journal des Tribunaux, Larcier, 2003, p. 263, nr. 234, en de verwijzingen aldaar).

De minister van Justitie verklaarde trouwens dat deze verplichting niet dezelfde inhoud heeft als de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, een balans niets anders is dan een tabel met het actief en het passief, en niet slaat op het opstellen van alle rekeningen en bijlagen, die een onderneming jaarlijks dient op te stellen (A. Zenner, ibid.).

De verplichting om de volledige boekhouding in orde te stellen kan in voorliggend geval dan ook niet aan de curatoren worden opgelegd, aangezien:

– de boekhouding, zoals ook vastgesteld door de heer B., totaal onvolledig en incorrect was, zodat een samenstelling ervan onmogelijk is, en derhalve ook het opstellen van een getrouwe balans;

– het een bijkomende kostelijke operatie is, die door de schuldeisers gedragen zou moeten worden gelet op de (beweerde) insolvabiliteit van verweerders, en die geen bijkomende nuttige elementen zou kunnen brengen bovenop het verslag B.;

– een dergelijke operatie niet op kosten van de schuldeisers kan worden bevolen, omdat ze in voorliggend geval enkel zou moeten strekken om het verweer van verweerders mogelijkerwijze te ondersteunen.

(d) De juridische basis van de vordering

Aanleggers q.q. baseren hun vordering op diverse wetsartikelen.

1. Artikel 530 W.Venn.

Art. 530 W.Venn. (art. 265 en 409) bepaalt dat, indien bij een faillissement de schulden de baten overtreffen, de bestuurders persoonlijk en al dan niet hoofdelijk, aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van de schulden, tot beloop van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement.

De aansprakelijkheid is individueel, maar de rechter kan de hoofdelijkheid uitspreken (B. Vander Meulen en D. Vercruysse, Praktische gids voor faillissementscuratoren, Kluwer, 2003, p. 327, nr. 498; Kh. Charleroi 8 september 1992, R.R.D. 1993, 28).

Er zijn in feite vier toepassingsvoorwaarden (De gids voor de vennootschappen, Ced. Samsom, 2004, p. 255, punt 2.5):

– het faillissement moet uitgesproken zijn. Dit artikel is dus niet van toepassing in geval van gerechtelijk akkoord of vereffening;

– het actief moet ontoereikend zijn om de schuldeisers te kunnen betalen. De schulden moeten worden verhoogd met de vereffeningskosten van het faillissement, en dus ook met de opzegvergoedingen en de andere boedelschulden;

– de aanwezigheid van een kennelijk grove fout, zoals het ontbreken van elke vorm van boekhouding, of het systematisch vervalsen van de boekhouding door verkoop in het zwart, of het aanvangen van een activiteit zonder over de minste reserves te beschikken om de verbintenissen die dit meebrengt te kunnen financieren, of het doen van prestigeuitgaven zonder verband met de toestand van de vennootschap;

– deze fout moet hebben bijgedragen tot het faillissement. Een precies oorzakelijk verband wordt niet vereist (Bergen 22 maart 1993, R.P.S. 1993, 323; Kh. Luik 10 september 1991, T.B.H. 1992, 501; Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 977).

Een kennelijk grove fout is een fout die een redelijk voorzichtig en vooruitziend bedrijfsleider niet zou hebben begaan en die schade toebrengt aan het voortbestaan van de vennootschap; de overtreding van een norm die belangrijk, zo niet essentieel is voor de handhaving en het bestaan van de vennootschap (zie o.a.: K. Geens en J. Vananroye, «Burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid in de vennootschappelijke context, met inbegrip van het misbruik van vennootschappen», in Vennootschaps- en financieel recht, Themis, academiejaar 2001-2002, p. 22, nr. 39; Kh. Charleroi 8 september 1992, R.R.D. 1993, 29; Rb. Gent 26 maart 1993, T.B.H. 1993, 935).

De curator moet het bewijs leveren van een verband tussen de kennelijk grove fout en het faillissement, niet van een verband tussen de fout en onvoldoende actief. Wanneer een kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement, wordt de bestuurder vermoed aansprakelijk te zijn voor het onvoldoende actief (I. Verougstraete, «L‘action en comblement du passif», in Les créanciers et le droit de la faillite, Brussel, Bruylant, 1983, 425; A. Benoit-Moury, «Dix ans de jurisprudence en matière de sociétés», Act. Dr. 1991, 110; Bergen 22 maart 1993, R.P.S. 1993, 323; Kh. Brussel 10 september 1985, T.B.H. 1987, 523; Kh. Luik 10 september 1991, T.B.H. 1992, 501; Kh. Hasselt 26 november 2002, R.W. 2004-2005, 710).

De rechter moet bij zijn beoordeling de beleidsmarge van de bestuurders eerbiedigen en kan enkel een sanctie opleggen wegens «kennelijke fouten, die buiten de marge vallen waarbinnen zorgvuldige, onderlegde en redelijke bestuurders van mening kunnen verschillen over het te volgen beleid of de te nemen beslissing» (S. Van Crombrugge, «De aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders», R.W. 1989-1990, 1141; Kh. Brussel 29 maart 1995, V.&F. 1998, 284-285; O. Ralet, Responsabilités des dirigeants de sociétés, Larcier, 1996, p. 58, nr. 41, en de referenties aldaar). Dit erkent de beleidsvrijheid van de bestuurder en wil voorkomen dat bestuurders uit vrees voor aansprakelijkheid bij elk mislukt project enkel risicoloze beslissingen nemen waardoor waardevolle projecten niet meer zouden worden gerealiseerd.

Het loutere feit dat bestuurders een bevoegdheid hebben gedelegeerd, zoals in voorliggend geval beweerdelijk gebeurde door eerste verweerder R.L., ontslaat hen niet automatisch van hun aansprakelijkheid (K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, «Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen, 1992-1998», T.P.R. 2000, 99, e.v., p. 326, nr. 294).

Indien de bestuurders een kennelijk grove fout wordt aangewreven, bestaat deze fout meestal uit een geheel van feiten, zoals in voorliggend geval. Een Luiks vonnis beschouwde als kennelijk grove fout de combinatie van de afwezigheid van enige deugdelijke boekhouding, het verderzetten van een verlieslatende activiteit zonder enige storting van socialezekerheidsbijdragen en van bedrijfsvoorheffing, alsook het niet naleven van de alarmbelprocedure (Kh. Luik 10 september 1991, T.B.H. 1992, 501). Het Hof van Beroep te Gent stelde bestuurders aansprakelijk wegens een geheel van financiële, fiscale en boekhoudkundige wanpraktijken (Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 977).

Andere voorbeelden van kennelijk grove fout:

– een systematisch wanbeheer in de boekhouding om zichzelf ten nadele van de vennootschap en de schuldeisers op bedrieglijke wijze te verrijken (Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 976);

– het op onredelijke wijze verderzetten van een deficitaire handel zonder adequate boekhouding te voeren, noch jaarrekeningen neer te leggen (Kh. Charleroi 8 september 1992, R.R.D. 1993, 29);

– het negeren van de knipperlichtenprocedure sedert verschillende jaren, en het voeren van een deficitaire voortzetting van activiteiten met een negatief eigen vermogen, die er niet op gericht was te pogen de onderneming te redden, maar enkel om zichzelf te verrijken ten koste van de schuldeisers (Gent 2 november 1994, Snelberichten Handelsrecht 1995, 59);

– het kunstmatig in leven houden van de vennootschap tegen alle regels van doeltreffend management in (Kort ged. Kh. Nijvel 22 januari 1997, V.&F. 1997, 160);

– het voeren van een avontuurlijk industrieel beleid, zonder economische, juridische of financiële grondvesten, dat noodgedwongen tot een faillissement moest leiden (Bergen 22 maart 1993, Rev. Prat. Soc. 1993, 323);

– het aangaan van verbintenissen in het algemeen, die buiten verhouding staan tot de financiële draagkracht van de vennootschap (Kh. Brussel 11 december 1984, T.B.H. 1985, 491);

– belangrijke opnames in rekening-courant (Kh. Brussel 10 september 1985, T.B.H. 1987, 523). In voorliggend geval blijkt uit het verslag B. dat de rekening-courant zaakvoerder werd aangezuiverd voor een bedrag van 40.287 euro, en dat voor 470.240 euro opnames gebeurden via loketcheques, en dit alles zonder verantwoordingsstuk;

– het systematisch wanbeheer in de boekhouding om zichzelf ten nadele van de vennootschap en de schuldeisers jarenlang op bedrieglijke wijze te verrijken (Gent 31 maart 1994, T.B.H. 1994, 976).

Voorts is er in voorliggend geval het niet betwist gegeven dat de vennootschap feitelijk werd vereffend zonder dat de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en de wetgeving op de voorrechten en hypotheken werden nageleefd.

Tevens zij verwezen naar het feit dat aan de NV R.C. (waarin de heer R. tevens de plak zwaaide) leningen werden toegestaan in de wetenschap dat deze leningen niet zouden kunnen worden terugbetaald. Er zij desbetreffend tevens verwezen naar het besluit van het verslag B.: «De boekhouding van de BVBA R. is onvolledig, niet correct en werd niet gevoerd conform de wettelijke bepalingen. Zij is op vele punten in overtreding met de boekhoudwetgeving en bevat niet-verantwoorde compensatieboekingen en diverse onduidelijke boekingen. Voor al deze boekingen ontbreken de wettelijk vereiste verantwoordingsstukken. Een kasboek werd niet bijgehouden. Gelden werden aan de vennootschap onttrokken zonder onderbouwing of bewijskrachtige bescheiden. Voor verschillende van deze boekingen is het wenselijk, zo niet noodzakelijk om aanvullende toelichtingen en/of verantwoordingsstukken op te vragen. Het betreft voornamelijk de transacties met betrekking tot de aanzuivering van leningen en voorschotten via verkoop van gronden, en boekingen met betrekking tot de zaakvoerders en R.C.».

De heer B. becijferde een bedrag van 601.428 euro, dat zonder verantwoordingsstukken aan de vennootschap werd onttrokken.

De kennelijk grove fout van beide verweerders is derhalve bewezen.

2. Art. 528 W.Venn. (overtredingen van de Vennootschapswet of de statuten)

De vordering wordt eveneens gebaseerd op art. 528 W.Venn., dat bepaalt dat bestuurders, hetzij jegens derden, hetzij jegens de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van een overtreding van het W.Venn. of van de statuten van de vennootschap. Bij een overtreding van het W.Venn. of de statuten is de aansprakelijkheid altijd hoofdelijk (art. 263 en 528 W.Venn.).

De meeste bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of van de statuten houden een resultaatsverplichting in, zodat elke overtreding ervan automatisch een fout uitmaakt. In dit geval heeft de rechter geen beoordelingsbevoegdheid, hij heeft die enkel wanneer enkel inspanningsverbintenissen worden opgelegd aan de bestuurders en zaakvoerders.

Voor deze overtredingen dient schade, en een oorzakelijk verband tussen fout en schade te worden aangetoond, aangezien het een aansprakelijkheid van gemeen recht betreft. Er wordt door verweerders geen enkel element voorgelegd om deze elementen te weerleggen.

De gewone regel is dat bestuurders individueel aansprakelijk zijn (Rb. Gent 26 maart 1993, T.B.H. 1993, 945), zij het dat bij samenlopende of gemeenschappelijke fout de aansprakelijkheid in solidum en de hoofdelijke aansprakelijkheid geldt (S. Van Crombrugge, o.c., R.W. 1989-1990, 1439, nr. 4; S. Stijns, «Over passieve hoofdelijkheid en in solidum gehoudenheid, over gemeenschappelijke fouten en samenlopende fouten», R. Cass. 1994, 49 e.v.).

De bestuurder wordt vermoed aansprakelijk te zijn voor een overtreding van het W.Venn. of de statuten, tenzij hij geen deel heeft gehad, hem geen schuld kan worden verweten, en hij de overtreding heeft aangeklaagd op de eerstvolgende algemene vergadering nadat hij ervan kennis heeft gekregen. De gebeurlijk door de algemene vergadering gegeven décharge geldt enkel ten opzichte van de vennootschap, maar is niet tegenwerpelijk aan de curator of aan derden.

In voorliggend geval werden de jaarrekeningen niet neergelegd.

Het houden van een regelmatige boekhouding en het neerleggen van een balans is een verplichting voor de bestuurders van een vennootschap tot op het ogenblik van het faillissement, die bepaald is in het Wetboek van Vennootschappen. In voorliggend geval, zo werd bevestigd in het onderzoek van de heer B., werd geen correcte boekhouding gevoerd.

De bestuurders en zaakvoerders zijn er, ingevolge de vennootschapswetgeving, toe gehouden de jaarrekeningen (bestaande uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting) neer te leggen binnen dertig dagen nadat ze door de algemene vergadering werden goedgekeurd. Het gaat om een resultaatsverbintenis (E. Janssens, Fiscoloog, Nieuwsbrief, Editie 894, jaargang 24). Het betreft hier een verplichting, waarvan de miskenning niet alleen strafrechtelijke en administratieve sancties meebrengt, maar tevens de solidaire verantwoordelijkheid van de bestuurders en zaakvoerders impliceert (O. Ralet, o.c., p. 137, nr. 101, en de referenties aldaar; B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., p. 323, nr. 496).

Wanneer de jaarrekeningen niet werden voorgelegd aan de algemene vergadering binnen de zes maanden na de afsluiting van het boekjaar, of niet werden neergelegd, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed, dat de schade die derden hebben geleden hierdoor werd veroorzaakt (O. Ralet, o.c., p. 138, nr. 101; Zakboekje voor de bestuurder van de NV, Ced Samsom, 1997, p. 164, nr. 13.9).

Andere voorbeelden van overtredingen van de Vennootschappenwet of de statuten, die in voorliggend geval van toepassing zijn (aangehaald in: B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., p. 323, nr. 496):

– ten onrechte een verlieslatende activiteit te hebben verdergezet;

– middelen van de vennootschap te hebben aangewend voor andere doeleinden dan het maatschappelijk doel, in het bijzonder in het persoonlijk voordeel van de bestuurder.

De overtredingen van de Vennootschappenwet en de statuten zijn derhalve eveneens bewezen.

3. De onrechtmatige daad (art. 1382 B.W.)

Bestuurders die een onrechtmatige daad (fout, miskenning van de algemene zorgvuldigheidsplicht) plegen ten aanzien van derden zijn hiervoor aansprakelijk, zowel ten opzichte van de vennootschap als ten opzichte van derden (zie verder: K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, o.c., T.P.R. 2000, 99 e.v., p. 306, nrs. 268 e.v.; B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., 323, nr. 496).

Voorbeelden van fouten in de zin van art. 1382 B.W. die in voorliggend geval van toepassing zijn, zijn (aangehaald in: B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., 324, nr. 497):

– ontdraging van activa ten nadele van de vennootschap, misbruik van vennootschapsgoederen;

– verderzetten van een verlieslatende activiteit;

– het voeren van een nep-boekhouding met uitsluitend doel de vennootschap leeg te zuigen.

Een vennootschap is onder de nieuwe faillissementswet verplicht om binnen één maand nadat ze opgehouden heeft te betalen, daarvan aangifte te doen (art. 9 Faillissementswet). Het niet aangeven is volgens het Hof van Cassatie niet automatisch een onrechtmatige daad van de leden van de bestuursorganen. De bestuurder is pas aansprakelijk indien hij wist of had moeten weten dat de vennootschap zich in staat van faillissement bevond (zie verder: K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, o.c., T.P.R. 2000, 99 e.v., p. 317, K. Geens en J. Vananroye, o.c., in Vennootschaps- en financieel recht, Themis, Academiejaar 2001-2002, p. 21, nr. 33; B. Vander Meulen en D. Vercruysse, o.c., p. 323, nr. 497; Cass. 22 september 1988, R.W. 1988-1989, 847; Cass. 7 september 1990, T.R.V. 1991, 86). Art. 1382 B.W. is derhalve in casu eveneens van toepassing.



 


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: zo, 07/04/2013 - 19:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.