-A +A

aansprakelijkheid van bestuurders wegens niet betaling bedrijfsvoorheffing

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

artikel 442quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), dat bepaalt :

« § 1. In geval van tekortkoming, door een vennootschap of door een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing, zijn de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.

Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon indien in hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

Onder bestuurder van een vennootschap of van een rechtspersoon in de zin van dit artikel wordt verstaan, elke persoon die, in feite of in rechte, de bevoegdheid heeft of heeft gehad om de vennootschap of de rechtspersoon te besturen, met uitsluiting van de gerechtelijke mandatarissen.

§ 2. De herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid, bedoelde fout.

Onder herhaalde inbreuken op de verplichting tot betaling van de bedrijfsvoorheffing in de zin van dit artikel, wordt verstaan :
- ofwel, voor een trimestriële schuldenaar van de voorheffing, het gebrek aan betaling van ten minste twee vervallen schulden binnen een periode van een jaar;
- ofwel, voor een maandelijkse schuldenaar van de voorheffing, het gebrek aan betaling van ten minste drie vervallen schulden binnen een periode van een jaar.

§ 3. Er is geen vermoeden van fout in de zin van § 2, eerste lid, indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon kan slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en interesten, van de schulden inzake bedrijfsvoorheffing.

§ 5. De rechtsvordering tegen aansprakelijke bestuurders is slechts ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf een door de ontvanger bij ter post aangetekende brief verzonden kennisgeving, waarin de geadresseerde verzocht wordt de nodige maatregelen te treffen om de tekortkoming te verhelpen of om aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hen begane fout.
Deze bepaling verhindert evenwel niet dat de met de invordering belaste ambtenaar, binnen voormelde termijn, bewarende maatregelen vordert ten laste van het vermogen van de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon aan wie een kennisgeving is toegezonden ».

Rechtspraak:

• Arrest van het Grondwettelijk hof van 29/03/2012, juridat AR 50/2012

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van paragraaf 2 van die bepaling met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat zij, in het kader van de aansprakelijkheid van de bedrijfsleiders, ten aanzien van de fiscus strengere regels invoert dan ten aanzien van de andere schuldeisers aan wie hun fout schade zou berokkenen, en/of doordat zij de bedrijfsleiders aan strengere, van het gemeen recht afwijkende regels onderwerpt voor de betaling van de bedrijfsvoorheffing dan, ten opzichte van diezelfde bedrijfsleiders, voor de betaling van de andere belastingen (met uitzondering van de btw, waarvoor een soortgelijke bepaling geldt), waarvoor de regels van het gemeen recht van toepassing blijven.

B.3. Artikel 442quater van het WIB 1992 vindt zijn oorsprong in artikel 14 van de programmawet van 20 juli 2006. Die bepaling voorziet in een hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van een vennootschap of van een rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding ervan in geval van tekortkoming, door de vennootschap of door de rechtspersoon bedoeld in paragraaf 1, aan haar of zijn verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing indien die tekortkoming te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek die zij hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon ( § 1).
Paragraaf 2 van die bepaling, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, betreft de herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing, die wordt gedefinieerd als een gebrek aan betaling van ten minste twee of drie vervallen schulden binnen een periode van een jaar, naargelang de voorheffing trimestrieel of maandelijks verschuldigd is. Die paragraaf 2 vermoedt op weerlegbare wijze dat zulk een herhaalde tekortkoming een bestuursfout vormt in de zin van paragraaf 1.

B.4. Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 20 juli 2006 volgt dat de wetgever een einde heeft willen stellen aan de onzekerheden die uit de rechtspraak en de rechtsleer voortvloeiden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de bestuurders, « door een bijzondere regel van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders te bepalen wanneer het gebrek aan betaling van de bedrijfsvoorheffing of van de BTW het gevolg is van een fout in het beheer van de onderneming » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2517/002, p. 5). Hij heeft zich in dat verband geïnspireerd op het Nederlandse recht en op het Franse recht, en verantwoordt de bepaling als volgt :
« [...] - het gaat om gelden die de onderneming heeft ontvangen (BTW) of heeft ingehouden op de bezoldigingen (bedrijfsvoorheffing) zonder ze door te storten aan de Schatkist terwijl ze, gelet op hun aard, niet kunnen geacht worden deel uit te maken van de financiële middelen van de onderneming;
- het niet-betalen van de bedrijfsvoorheffing of van de belasting over de toegevoegde waarde heeft een negatieve impact op de concurrentiepositie van de ondernemingen die hun fiscale schulden tijdig vereffenen;
- het niet-betalen van de bedrijfsvoorheffing en van de belasting over de toegevoegde waarde beïnvloedt onbetwistbaar de inkomsten van de Overheid in de mate waarin die inhoudingen een niet-verwaarloosbaar deel uitmaken van de openbare financiën » (ibid.).
Uit die parlementaire voorbereiding volgt ook dat de wetgever niet de bestuurders die « te goeder trouw » zijn heeft willen beogen :
« Daar kwade trouw, in de regel, slechts kan verondersteld worden, is het aan de administratie om te bewijzen dat de bestuurder waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang komt, de fout in het beheer van de onderneming heeft begaan.
Evenwel, in het geval van een herhaaldelijk verzuim van de vennootschap, wordt een vermoeden juris tantum ingevoerd en is het aan de bestuurder om te bewijzen dat hij geen fout heeft gemaakt » (ibid., p. 6).
Er werd verder nog gepreciseerd dat de bestuurder :
« een fout [moet hebben] begaan. Rekening houdend met de diverse bevoegdheden van de betrokkene, zal de rechtbank moeten oordelen wat zijn of haar échte aansprakelijkheidsniveau binnen de onderneming is » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2517/012, p. 20).
De wetgever heeft ook voorzien in een preventief mechanisme dat de administratie verplicht om vooraf de bestuurder die zij aansprakelijk wil stellen, te verwittigen (paragraaf 5 van artikel 442quater van het WIB 1992).

B.5. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, heeft het verschil in behandeling daadwerkelijk betrekking op personen, en niet op schuldvorderingen, en zijn de twee door de prejudiciële vraag beoogde categorieën van schuldeisers vergelijkbaar.

B.6. De in het geding zijnde maatregel berust op een criterium dat samenhangt met het doel van de wetgever, zoals vermeld in B.4, dat erin bestaat de rechten van de Schatkist en de concurrentiepositie van de ondernemingen te vrijwaren. De bestuurders die door de bepaling worden beoogd, kunnen immers enkel aansprakelijk worden gesteld indien de verplichting tot betaling van de bedrijfsvoorheffing herhaaldelijk niet is nagekomen. De wetgever heeft in dat verband rekening gehouden met het feit dat die verplichting betrekking heeft op bedragen die voor rekening van derden moeten worden betaald. Aangezien de opbrengst van de belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die strekken tot de behartiging van het algemeen belang, dient overigens te worden aangenomen dat van de regels van het gemeen recht mag worden afgeweken.

B.7. De in het geding zijnde maatregel is evenmin onevenredig. De wetgever heeft enkel voorzien in een vermoeden van fout in geval van een herhaalde tekortkoming, en dat vermoeden kan worden weerlegd indien de bestuurder aantoont dat hij geen bestuursfout heeft begaan. Overigens moet een aansprakelijkheidsvordering worden ingesteld bij een rechtsinstantie die moet nagaan of alle wettelijke voorwaarden zijn vervuld om de bestuurder burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen. De toegang tot een rechter die een volwaardige toetsing uitvoert, is voor de betrokken bestuurders bijgevolg gewaarborgd.

B.8. De in het geding zijnde bepaling voert geen voorrecht in, noch een vrijstelling of vermindering van belasting. Zij is dus niet onbestaanbaar met artikel 172 van de Grondwet.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 442quater, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 maart 2012


• Hof van Beroep Antwerpen 3 mei 2012, RABG, 2013/9,524

Het systematisch niet betalen van de bedrijfsvoorheffing komt neer op een onrechtmatig krediet zoals een onderrneming zich dit verschaft op kosten van de overheid. Dat er ook andere schuldeisers niet betaald werden verandert hieraan niets.

(P.B./BELGISCHE STAAT)

1. De antecedenten en de vorderingen

De Belgische Staat heeft op 2 oktober 2009 de heer P.B., zaakvoerder van de op 19 april 2005 failliet verklaarde BVBA T.B., doen dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Turnhout.

Het faillissement van de BVBA T.B. werd afgesloten bij vonnis d.d. 6 november 2007 van de rechtbank van koophandel te Turnhout.

De Belgische Staat acht de heer P.B. als voormalig zaakvoerder aansprakelijk voor het systematisch niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing en vordert een schadevergoeding van 51.731,28 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten.

Met het bestreden vonnis d.d. 18 november 2010 heeft de eerste rechter deze vordering gegrond verklaard ten bedrage van 37.654,81 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten.

De eerste rechter verklaarde de vordering verjaard in zover ze betrekking had op de onbetaalde bedrijfsvoorheffing voor de periode april-juni 2004.

De heer P.B. heeft met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 januari 2011 hoger beroep ingesteld. Hij besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

De Belgische Staat besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en heeft incidenteel beroep ingesteld voor wat de toegekende interesten betreft.

2. Beoordeling

2.1. Inzake het niet doorstorten van bedrijfsvoorheffing voor de periode april 2004 tot februari 2005 is de Belgische Staat schuldeiser van de BVBA T.B. voor een bedrag van 51.731,28 EUR in hoofdsom en interesten.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering van de Belgische Staat verjaard was in zover ze betrekking had op de bedrijfsvoorheffing voor de periode april-juni 2004.

De Belgische Staat aanvaardt deze beslissing en past in graad van beroep haar vordering aan. Zij vordert thans een schadevergoeding ten bedrage van 37.654,81 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten.

De vordering in bestuurdersaansprakelijkheid is door de eerste rechter gegrond verklaard op basis van de artikelen 1382-1383 BW. Volgens de eerste rechter beging de zaakvoerder een onrechtmatige daad door het wetens en willens niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing, hetgeen een schending van een wettelijke verplichting inhoudt.

De eerste rechter heeft de andere aansprakelijkheidsgronden, gelet op het aannemen van de schending van de zorgvuldigheidsnorm, niet verder onderzocht.

2.2. De BVBA T.B. heeft nagelaten gedurende 11 maanden (drie kwartalen en twee maanden) bedrijfsvoorheffing door te storten. In die periode heeft de vennootschap lonen en bezoldigingen kunnen uitbetalen zonder doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

Derhalve heeft zij zichzelf een wederrechtelijk uitstel verleend door niet spontaan en binnen de wettelijke termijn de doorstorting te verrichten, hetgeen een schending uitmaakt van de artikelen 86 en 90 KB/WIB 1992 en artikel 412 WIB 1992.

De verplichting tot betalen van bedrijfsvoorheffing is een verplichting die op de vennootschap rust, doch ingeval de niet-doorstorting op systematische wijze gebeurt om zich een kunstmatig krediet te verschaffen en niet voortvloeit uit een tijdelijk liquiditeitstekort, kan dit als een inbreuk op de zorgvuldigheidsverplichting in hoofde van de zaakvoerder worden aangemerkt.

Het is immers de taak van een zorgvuldig zaakvoerder om erop toe te zien dat de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing effectief gebeurt en de vennootschap aldus haar wettelijke en dwingende fiscale verplichtingen nakomt.

P.B. is van oordeel dat de niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap in zijnen hoofde niet als een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm kan beschouwd worden vermits zijn houding in casu de toets kan doorstaan van wat een normaal, omzichtig en zorgvuldig zaakvoerder, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou hebben gedaan.

Hierbij verwijst hij onder meer naar de factoringovereenkomst die in het kader van de uitbating van de vennootschap met F.C.F. werd afgesloten en waarbij het (betalings)beheer van de vennootschap grotendeels aan hen zou zijn overgelaten.

Een factoringovereenkomst is in essentie een overeenkomst tot overdracht van schuldvorderingen en heeft geen invloed op de beleidsbeslissingen van de zaakvoerder. In geen geval kan het afsluiten van een dergelijke overeenkomst worden ingeroepen ter rechtvaardiging van het niet doorstorten van bedrijfsvoorheffing.

Verder stelt de heer P.B. dat hij ervan overtuigd was dat de financiële problemen van de vennootschap slechts van tijdelijke aard waren, o.m. omdat er nog een groot bedrag aan openstaande klantenvorderingen kon worden geïnd.

De bewering in conclusie dat er op het ogenblik van het faillissement nog openstaande klantenvorderingen waren voor 64. 796,08 EUR wordt tegengesproken door de verklaring die door de zaakvoerder bij het opmaken van de inventaris aan de curator werd afgelegd.

Uit het opgestelde proces-verbaal van inventaris blijkt dat er nog slechts een bedrag van ongeveer 6.000,00 EUR openstond bij het openvallen van het faillissement, vermits voordien reeds diverse klanten hadden betaald.

Het innen van de klantenvorderingen heeft de financiële moeilijkheden waarin de vennootschap zich bevond niet verholpen en de gelden werden niet aangewend ter delging van de openstaande fiscale schulden.

Evenmin toont de heer P.B. aan dat er structurele maatregelen genomen zijn om de financiële moeilijkheden op te lossen.


Dat de liquiditeitsproblemen niet van tijdelijke aard waren, blijkt uit het feit dat de vennootschap reeds van het eerste boekjaar verlies maakte, dat het passief 4 72.646,01 EUR bedroeg, en dit voor een vennootschap die amper twee jaar actief is geweest, tegenover een gerealiseerd actief van een kleine 24.000,00 EUR.

Alles wijst erop dat het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing over een periode van 11 maanden een bewuste keuze van de zaakvoerder was om een onwettige alternatieve vorm van financiering voor de vennootschap te voorzien.

Het feit dat ook andere schuldeisers niet betaald werden, is niet relevant nu de vennootschap geen keuzevrijheid heeft om de bedrijfsvoorheffing al dan niet te betalen, maar gebonden is door een dwingende wettelijke bepaling.

Bovendien blijkt uit de aangiften van schuldvorderingen dat er eveneens een grote schuld ten aanzien van RSZ bestaat, zodat dit de vaststelling dat de vennootschap zich ten koste van de zgn. geduldige schuldeisers een kunstmatig krediet verschafte, versterkt. De totale fiscale en parafiscale schuld van de vennootschap bedraagt ongeveer 1/3 van de totale schuldenlast.

Er wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de achterstallige bedrijfsvoorheffing door de vennootschap binnen een korte termijn zou kunnen betaald worden en hiertoe werden ook geen maatregelen genomen. Er werd zelfs geen initiatief genomen om het maatschappelijk kapitaal te volstorten.

Het wetens en willens systematisch niet betalen van de bedrijfsvoorheffing gedurende een periode van 11 maanden waardoor een dwingende wettelijke bepaling werd miskend en waarvoor geen rechtvaardigingsgrond voorhanden was, maakt in hoofde van de zaakvoerder een schending van de zorgvuldigheidsverplichting uit, waardoor hij gehouden is de schade die daardoor aan de Belgische Staat werd berokkend, te vergoeden.

Het feit dat de heer P.B. persoonlijk niet in gebreke werd gesteld heeft geen invloed op de vordering gebaseerd op de artikelen 1382-1383 BW. De vennootschap werd meermaals in gebreke gesteld en er werden door de Belgische Staat uitvoeringsmaatregelen genomen, zodat de heer P.B. in zijn hoedanigheid van zaakvoerder niet onwetend kon zijn over de ingevorderde bedragen.

Nu de aansprakelijkheid op grond van de artikelen 1382-1383 BW vaststaat zijn de overige aansprakelijkheidsgronden die door de Belgische Staat worden ingeroepen niet meer relevant vermits ze geen aanleiding kunnen geven tot een grotere aansprakelijkheid en/of grotere schadevergoeding.

Het principaal hoger beroep is ongegrond.

2.3. De schade die de Belgische Staat door deze fout lijdt is gelegen in de inkomstenderving door het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing ten gevolge waarvan hij in het kader van de Rijksmiddelenbegroting lastens de gemeenschap van burgers andere middelen heeft moeten aanspreken. Deze derving is het rechtstreekse gevolg van het foutieve gedrag van de zaakvoerder vermits de ingehouden maar niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing door de vennootschap voor andere doeleinden waartoe ze niet bestemd was, werd gebruikt.

Deze schade kan bij equivalent bepaald worden op het totaal van de niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing in hoofdsom vermeerderd met de rechtsgeldig door de fiscus gevorderde rente.

Het faillissement van de BVBA T.B. werd afgesloten bij vonnis d.d. 6 november 2007 van de rechtbank van koophandel te Turnhout en aan de Belgische Staat werd geen dividend uitgekeerd.

2.4. De eerste rechter heeft slechts gerechtelijke interesten toegekend op het bedrag van 28.430,03 EUR, zijnde het bedrag in hoofdsom van de bedrijfsvoorheffing die niet werd doorgestort.

Op dit punt heeft de Belgische Staat incidenteel beroep ingesteld, vermits hij van oordeel is dat de schadevergoeding zich uitstrekt tot het bedrag van de bedrijfsvoorheffing in hoofdsom vermeerderd met de nalatigheidsinteresten en dat op dit volledige bedrag vanaf de dagvaarding gerechtelijke interesten dienen te worden toegekend.

De Belgische Staat heeft recht op vergoeding van de volledige schade die door haar werd geleden, zowel in hoofdsom als in interesten, en op dit bedrag worden gerechtelijke interesten toegekend vanaf de datum van dagvaarding.

Het incidenteel beroep is gegrond.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond. Het hof verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Het hof wijzigt het bestreden vonnis in die zin dat gerechtelijke interesten worden toegekend vanaf de datum van dagvaarding op het volledige bedrag van de veroordeling ad 37.654,81 EUR.

Verwijst de heer P.B. in de gedingkosten van het hoger beroep, die in hoofde van de Belgische Staat worden begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 2.200,00 EUR.


• Cass. 21/09/2012, AR F.11.0085.N, juridat

Samenvatting

De bestuurder of zaakvoerder is enkel uit onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die de fiscus heeft geleden door het niet kunnen innen van de bedrijfsvoorheffing indien de beslissing de bedrijfsvoorheffing niet door te storten een inbreuk uitmaakt op de algemene zorgvuldigheidsnorm in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek; de fout die door de bestuurder of zaakvoerder werd begaan en die verband houdt met het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing in het raam van het verderzetten van een verlieslatende activiteit kan de oorzaak zijn van schade bij de fiscus die bestaat in de bedrijfsvoorheffing die niet kan geïnd worden bij de vennootschap.

Tekst van het arrest


Nr. F.11.0085.N
G.T.,
eiser,

tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 31 januari 2011.
...
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Als een onrechtmatige daad in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burger-lijk Wetboek wordt aangemerkt elke schending van een wettelijke of reglementai-re norm waarin een welbepaalde gedraging geboden of verboden wordt.

Daarnaast maakt ook elke inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm een onrechtmatige daad uit. De zorgvuldigheidsnorm wordt geschonden wanneer men zich anders gedraagt dan een normaal vooruitziend en zorgvuldig persoon die in dezelfde om-standigheden verkeert.

Niet elke wettelijke verplichting van de vennootschap maakt een wettelijke ver-plichting uit in hoofde van de bestuurders of zaakvoerder in eigen naam. De ver-plichting tot het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing aan de fiscus rust meer bepaald enkel op de vennootschap met rechtspersoonlijkheid en niet op haar be-stuurders of zaakvoerder persoonlijk.

Indien de bestuurder of zaakvoerder op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling niet tot een welbepaalde gedraging gehouden is, moet zijn aansprakelijk-heid op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm beoordeeld worden.

De bestuurder of zaakvoerder is derhalve enkel uit onrechtmatige daad aansprake-lijk voor de schade die de fiscus heeft geleden door het niet kunnen innen van de bedrijfsvoorheffing indien de beslissing de bedrijfsvoorheffing niet door te storten een inbreuk uitmaakt op de algemene zorgvuldigheidsnorm in de zin van de arti-kelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

De fout die door de bestuurder of zaakvoerder werd begaan en die verband houdt met het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing in het raam van het verderzet-ten van een verlieslatende activiteit kan de oorzaak zijn van schade bij de fiscus die bestaat in de bedrijfsvoorheffing die niet kan geïnd worden bij de vennoot-schap.

2. De appelrechter oordeelt dat:
- er in hoofde van de zaakvoerder van de vennootschap begrip kan worden op-gebracht voor het in gebreke blijven door zijn vennootschap van de betaling van de bedrijfsvoorheffing in de beginperiode die gedekt wordt door de kohierartikels 530401160 en 531201961 omdat de zaakvoerder alsdan vermocht te denken, zonder hierbij onredelijk te zijn, dat de zaken van de vennootschap zouden kunnen worden rechtgetrokken;
- er nadien geen begrip meer kan zijn voor het niet betalen van de bedrijfsvoor-heffing;
- voor de navolgende ingekohierde bedragen de eiser de algemene zorgvuldig-heidsnorm niet nakwam door de bedrijfsvoorheffing door Safe Work Solutions bvba niet te laten doorstorten en door de van de brutolonen van de werknemers ingehouden sommen van hun bestemming door Safe Work Solutions bvba te laten onttrekken.

3. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat het oorzakelijk verband vaststaat tussen de fout van de eiser en de schade namelijk het verlies van de be-lastingschuldvorderingen te rekenen vanaf de bedrijfsvoorheffing opgenomen on-der kohier artikel 531201962, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
4. Het onderdeel berust op de veronderstelling dat de verweerder voor de in-werkingtreding van artikel 442quater WIB92 niet op grond van de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid de zaakvoerder of bestuurders van een ven-nootschap vermocht aansprakelijk te stellen voor de schade die bestaat uit de be-drijfsvoorheffing die bij de vennootschap niet kon geïnd worden.
Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op voor de eiser op 174,63 euro en voor de verweerder op 150,27 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


• Hof van Beroep Anwerpen, 15 november 2012, RABG 2013/9

 


Samenvatting

 

Wanneer er gedurende een jaar geen bedrijfsstorting wordt gestort is zulks te aan zien als een systematische en langdurige niet-doorstorting uit. Toch kan het een verantwoorde beleid zijn om, gedurende een zeer korte termijn de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet door te storten indien er voldoende en objectieve vooruitzichten zijn om de betalingsachterstand op zeer korte termijn in te lopen.

Problemen met de boekhouding na vertrek van een boekhouder kunnen een verklaring uitmaken waarom de zaakvoerder zich niet volledig van de ernst van de financiële toestand van de vennootschap bewust was. Maar zijn op zich zelden voldoende om de aansprakelijkheid van de bestuurders te ontlopen.

Tekst arrest

1. De antecedenten en de vorderingen

De Belgische Staat heeft op 20 april 2007 de heer P.V.B. doen dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Anwerpen.

Hij zette uiteen dat de heer P.V.B. de gewezen zaakvoerder is van BVBA M., die op 2 februari 2006 failliet werd verklaard, en dat deze vennootschap aan de Belgische Staat een bedrag verschuldigd was van 115.280,11 EUR aan niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing voor de periode januari 2005 tot januari 2006 en 290.686,98 EUR aan BTW.

De Belgische Staat achtte de heer P.V.B. aansprakelijk en vorderde van hem betaling van deze bedragen. De rechtsgronden van de vordering waren de artikelen 262-263 W.Venn., 1382 BW en 265 W.Venn.

Met het bestreden vonnis d.d. 4 oktober 2010 heeft de eerste rechter de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

De Belgische Staat heeft met een op 4 februari 2011 neergelegd verzoekschrift hoger beroep ingesteld. Hij vraagt de toekenning van zijn vordering. Minstens vraagt hij dat, in afwachting van de sluiting van het faillissement, de vordering gegrond zou worden verklaard voor 1 EUR provisioneel.

2. Beoordeling

2.1. De Belgische Staat heeft een vordering op de op 2 februari 2006 failliet verklaarde BVBA M. uit hoofde van:

- niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing over de periode januari 2005 tot januari 2006 voor een bedrag van 104.014,31 EUR, vermeerderd met interesten;

- niet afgedragen BTW over het jaar 2005: 284.803,06 EUR, vermeerderd met interesten.

Hij acht de heer P.V.B., die zaakvoerder was van de vennootschap, daarvoor aansprakelijk op grond van de artikelen 262-263 W.Venn. en 1382 BW en verwijt hem tevens niet tijdig aangifte van staking van betaling te hebben gedaan en een kennelijk verloren activiteit te hebben verdergezet. Hij merkt de aan hem verweten fouten ook aan als kennelijk grove fout.

2.2. Artikel 262 W.Venn., dat bepaalt dat de zaakvoerders overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk zijn voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk zijn voor de tekortkomingen in hun bestuur, regelt de verhouding van de zaakvoerders tegenover de vennootschap. Een derde, zoals de Belgische Staat, kan zich enkel op een tekortkoming in het bestuur beroepen, zo deze tekortkoming eveneens een inbreuk vormt op de algemene voorzichtigheidsnorm uit artikelen 1382-1383 BW.

2.3. De Belgische Staat steunt zijn vordering tevens op artikel 263 W.Venn., krachtens hetwelk zaakvoerders ook tegenover derden aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van overtredingen van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of van de statuten, maar geeft niet aan welke overtredingen zouden zijn begaan.

2.4. De Belgische Staat acht de heer P.V.B. aansprakelijk op grond van artikelen 1382-1383 BW.

De bestuurders van een rechtspersoon moeten er op toezien dat de vennootschap, waarover zij het bestuur voeren, de dwingend opgelegde wettelijke verplichtingen nakomt. Daartoe behoort ook het tijdig en regelmatig betalen van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing en het afdragen van de BTW.

Het staat buiten betwisting dat de bedrijfsvoorheffing sinds januari 2005 niet werd doorgestort en de BTW niet werd betaald.

De beslissing van de bestuurders de bedrijfsvoorheffing en de BTW die de vennootschap verschuldigd is niet te betalen en zulks meerdere maanden na mekaar dient getoetst aan de handelwijze van een normaal voorzichtige bestuurder die in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst is.

2.5.1. De heer P.V.B. betwist dat hij wetens en willens de bedrijfsvoorheffing niet zou hebben laten doorstorten en voert aan dat "de beperkte niet-betaling louter en alleen met een liquiditeitstekort te maken had" (conclusie, p. 15).

Deze stelling vindt echter geen steun in de feiten.

Vooreerst kan het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing over een periode van meer dan een jaar niet worden omschreven als een "beperkte niet-doorstorting". Het gaat integendeel om een systematische en langdurige niet-doorstorting.

Vervolgens wijst ook de duur van de periode van niet-doorstorting erop dat het liquiditeitstekort niet kan worden aangevoerd. De vennootschap heeft immers, vanaf het tijdstip waarop werd opgehouden de bedrijfsvoorheffing door te storten, nog een vol jaar handel gedreven, aankopen verricht, verkopen gerealiseerd, personeel (netto) betaald, ...

Het feit dat gedurende een vol jaar nog de handel kon worden gehandhaafd spreekt tegen dat de middelen, om de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten, ontbraken. Zij werden ingezet om andere noden van de vennootschap - of van zustervennootschap BVBA ME. - te voldoen.

2.5.2. De heer P.V.B. zet uiteen dat hij er, tot vlak voor het neerleggen van de boeken, kon van uitgaan dat de bedrijfsvoorheffing op korte termijn zou kunnen worden betaald.

Op 29 maart 2001 had BVBA M. een verzoekschrift neergelegd tot het bekomen van een gerechtelijk akkoord. Bij vonnis d.d. 17 december 2001 werd haar een definitieve opschorting van betaling toegekend voor een periode, lopende tot 15 december 2003. Haar herstelplan voorzag in de integrale betaling van de vorderingen onder de 2.478,94 EUR (100.000 BEF) en de betaling van 70% van de hogere vorderingen volgens een aflossingsplan, lopende tot 30 juni 2003. De heer P.V.B. benadrukt terecht dat in het jaar 2003 de bedrijfsvoering winstgevend was geweest en dat het als gevolg van uitzonderlijke kosten voor niet minder dan 312.330 EUR (de aard ervan wordt niet toegelicht) was dat, desondanks, het boekjaar 2003 met een verlies van 23.380 EUR diende afgesloten. Het netto-actief verminderde daarmee tot 81.740 EUR.

Echter, het jaar 2004 bracht een verlies mee van 194.685 EUR en bracht de vennootschap in een situatie met een negatief eigen vermogen van 112.945 EUR.

Zelfs indien het zo zou zijn dat fouten werden begaan met het voeren van de boekhouding, waardoor de jaarrekening slechts in september 2005 aan de algemene vergadering kon worden voorgelegd, kon het volledig teloorgaan van het maatschappelijk kapitaal aan de vennootschapsorganen niet zijn ontgaan. Het systematisch niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing wijst er ook op dat keuzen werden gemaakt bij de besteding van de beschikbare gelden. Dat de bedrijfsvoorheffing niet werd doorgestort omdat de beschikbare gelden werden aangewend om andere verplichtingen te voldoen kon, ook zonder opgestelde jaarrekening, de heer P.V.B. niet ontgaan en hij roept ook niet in dat hij daarvan niet op de hoogte was.

2.5.3. Het kan een verantwoorde beleidsbeslissing zijn om, gedurende een korte termijn de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet door te storten indien er een verantwoord vertrouwen is dat het tekort aan middelen om alle verplichtingen te voldoen slechts van korte duur zal zijn en er een redelijk en objectief vooruitzicht is dat de doorstorting met een slechts geringe vertraging zal kunnen plaatsvinden.

Uit de voorgebrachte stukken blijkt niet dat dit vooruitzicht bestond. Enkele stukken worden voorgebracht waaruit blijkt dat BVBA M. en de aan dezelfde aandeelhouders toebehorende BVBA ME. werden bestuurd, maar uit deze stukken valt niets af te leiden over eventueel gunstiger vooruitzichten of het bekomen van bijkomende middelen. Op 28 mei 2005 wordt nog genoteerd dat de inkomsten het laten afweten en op 11 juli 2005 vond een besparingsvergadering plaats, waarvan echter niet valt af te leiden in welke mate het over BVBA M. of BVBA ME. gaat, en evenmin welke impact van de resultaten van deze vergadering kon worden verwacht.

Het is voor wat de toestand van BVBA M. betreft opvallend dat, volgens het verslag van de zaakvoerder d.d. 27 september 2005, het faillissement van BVBA ME. in augustus 2005, tegelijk goed en slecht nieuws was: slecht nieuws omdat BVBA ME. - die een gedeelte van de door BVBA M. verkochte producten fabriceerde - van BVBA M. voorschotten ontving en BVBA M. een vordering had op de faillietverklaarde BVBA ME.; goed nieuws omdat BVBA M. bij BVBA ME. aan te hoge prijzen inkocht en in de toekomst op zoek kon gaan naar goedkopere producenten. Deze verklaring wijst erop dat middelen, die BVBA M. had en waarmee zij de bedrijfsvoorheffing had kunnen doorstorten, de vennootschap verlieten omdat tegen te hoge prijzen werd aangekocht bij zustervennootschap BVBA ME. en BVBA M. aan deze vennootschap door het faillissement niet (of niet op korte termijn) recupereerbare voorschotten uitkeerde.

2.5.4. Zo kan worden aangenomen dat, op het ogenblik waarop een pte maal wordt beslist de bedrijfsvoorheffing niet door te storten en aan de daarvoor beschikbare gelden een andere bestemming te geven, de verwachting bestaat dat deze beslissing slechts tijdelijk is en de daardoor ontstane schuld snel zal kunnen worden ingelost, moet het op korte termijn duidelijk worden dat in werkelijkheid een systematische niet-doorstorting in het leven werd geroepen. Na hoogstens vier maanden moet het duidelijk zijn geweest dat het niet doorstorten een duurzaam karakter kreeg en geen redelijke

Een zaakvoerder, die beslissingen neemt waarbij de vennootschap, waarover hij het bestuur voert, de dwingend opgelegde wettelijke verplichtingen niet nakomt, zonder het redelijk en verantwoord vooruitzicht dat deze miskenning slechts van korte duur zal zijn, handelt niet volgens de norm van de normaal zorgvuldige bestuurder in dezelfde omstandigheden geplaatst.

De beslissing, op te houden met het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing vormt daarom vanaf de bedrijfsvoorheffing voor de maand mei 2005 in hoofde van de heer P.V.B. een onrechtmatige daad.

2.5.5. Hetgeen onder randnrs. 2.5.1. tot 2.5.4. werd overwogen, geldt eveneens voor de BTW, die vanaf januari 2005 niet werd afgedragen.

De beslissing, op te houden met het betalen van de BTW vormt daarom vanaf de BTW over de maand mei 2005 in hoofde van de heer P.V.B. een onrechtmatige daad.

De heer P.V.B. werpt op dat de som van 213.901,97 EUR (art. 406.062.133.863) slechts betaalbaar werd vlak voor het faillissement en het gevolg was van in de boekhouding ontdekte fouten. De Belgische Staat wijst er terecht op dat de BTW spontaan op aangifte diende betaald en dat de som van 213.901,97 EUR het gecumuleerde bedrag aan BTW is dat, als gevolg van de aangiftes spontaan had dienen betaald.

De vordering uit hoofde van BTW bestaat uit een artikel 405.062.432.766, dat de BTW over de periode 31 januari 2005-31 mei 2005 omvat, en een artikel 406.062.133.863 met als melding "Faling BVBA M.". Nu buiten betwisting staat dat BVBA M. over het ganse jaar 2005 in het geheel geen BTW betaalde, blijkt uit het voorgaande dat artikel 406.062.133.863 noodzakelijk de BTW over de periode juni tot december 2005 moet omvatten.

Er ligt geen bewijs van voor dat de BTW-schuld (mede) het gevolg zou zijn van fouten in de boekhouding, die slechts later werden ontdekt en aanleiding gaven tot bijkomende BTW-schulden.

2.6.1. De Belgische Staat verwijt de heer P.V.B. een deficitaire onderneming in stand te hebben gehouden. Hiertoe is het bewijs vereist dat het voor de heer P.V.B. duidelijk behoorde te zijn dat de onderneming reddeloos verloren was.

Dit bewijs ligt niet voor.

Hoger heeft het hof erop gewezen dat het gebrek aan jaarrekening over het jaar 2004 niet belette dat de heer P.V.B. zich ervan bewust moest zijn dat de schuld tegenover de Belgische Staat, die werd opgebouwd door het systematisch niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing en afdragen van de BTW niet op korte termijn zou kunnen worden terugbetaald. Daarmee staat echter nog niet vast dat de onderneming reddeloos verloren was, noch dat de heer P.V.B. dit behoorde te weten. De heer P.V.B. toont aan dat de jaarrekening slechts met vertraging tot stand kwam, en hij toont eveneens aan dat er moeilijkheden waren met de boekhouding, na het vertrek van de (vorige) boekhouder.

Het is daarom redelijk aan te nemen dat de heer P.V.B. slechts volledig met de ernst van de situatie werd geconfronteerd naar aanleiding van de algemene vergadering d.d. 28 september 2005. Het is niet foutief dat hij nog maatregelen heeft willen treffen om tot een herstel te komen en dat hij slechts enkele maanden later tot de vaststelling is gekomen dat de onderneming niet meer kon worden gered en aangifte van schuldvordering heeft gedaan.

Buiten betwisting staat dat de datum van staking van betaling definitief werd bepaald op de datum van het faillietverklarend vonnis, zodat hem onterecht een laattijdige aangifte van staking van betaling wordt verweten.

2.6.2. De toekenning van de vergoeding als zaakvoerder komt het hof niet foutief voor, en het hof wijst er in dit verband op dat de heer P.V.B. op 4 augustus 2005 nog een bedrag van 33.000 EUR op de rekening van de vennootschap stortte.

2.7. Krachtens artikel 265, § 1, 3<le lid W.Venn. kan de op grove fout gesteunde vordering tot aanzuivering van een gedeelte van het passief binnen de in dit lid gestelde perken eveneens door een individuele schuldeiser worden ingesteld.

Hoger werd geoordeeld dat de toekenning van de vergoeding van zaakvoerder niet foutief was, en tevens werd geoordeeld dat aan de heer P.V.B. niet kon worden verweten een deficitaire onderneming in stand te hebben gehouden. Zo, binnen de hoger vermelde perken, aan de heer P.V.b. wordt verweten de bedrijfsvoorheffing niet te hebben doorgestort en de BTW niet te hebben afgedragen, merkt het hof deze fout, in de concrete omstandigheden van de zaak, niet aan als een kennelijk grove fout.

2.8. Het faillissement van BVBA M. is nog hangend. De omvang van de door de Belgische Staat geleden schade staat nog niet vast. De Belgische Staat beperkt daarom terecht zijn aanspraak tot 1 EUR provisioneel.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep deels gegrond. Het hof,

wijzigt het bestreden vonnis en, opnieuw recht doende: verklaart de vordering van de Belgische Staat deels gegrond;

veroordeelt de heer P.V.b. tot betaling aan de Belgische Staat van de som van 1 EUR provisioneel en verzendt de zaak naar de bijzondere rol voor verdere instaatstelling;

behoudt de beslissing omtrent de kosten voor.

Noot V. Ciers RABG 2013/9, 538,Aquiliaanse bestuurdersaansprakelijkheid voor niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing en BTW

Bronvermelding

• RABG 2013/09 Bestuurdersaansprakelijkheid met de erin gepubliceerde rechtspraak: Antwerpen 3 mei 2012, AR 2011/AR/48; Antwerpen 20 december 2012, AR 2011/AR/2172; Antwerpen 10 januari 2013, AR 2010/AR/3064 en 2010/AR/3065, noot E. JANSSENS; Antwerpen 24 januari 2013, AR 2010/AR/2631.

• J. BEKAERT, "De nieuwe bestuursaansprakelijkheid voor fiscale schulden: slapeloze nachten voor de bestuurders or much ado about nothing?'', RW 2006-07, 1750-1756;

• M. VANDENBOGAERDE, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2009, 152 - 162;

• M.-A. DELVAUX en P. DE WOLF, "Les responsabilités civiles des dirigeants de sociétés commerciales" in Y. DE CORDT (ed.), Le statut du dirigeant d'entreprise, Brussel, Groep De Boeck, 2009, (203) 276-290;

• R. THONET en S. SCARNA, "La responsabilité fiscale des dirigeants" in Seminaire Vanham & Vanham, 7 oktober 2010, 22-44.

• M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2009, 142-162;

• R. Thonet en S. Scarna, "La responsabilité fiscale des dirigeants" in Seminaire Vanham & Vanham, 7 oktober 2010;

• K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier en S. Cools, "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)'', TPR 2012, nrs. 274-276.

• M. VANDENBOGAERDE, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2009, 62.

 


• Anwerpen 10 januari 2013, RABG 2013/9, 542

Samengevat

Alle bestuurders van een NV dienen erop toe te zien dat de bedrijfsvoorheffing tijdig wordt doorgestort en andere fiscale verplichtingen stipt worden nagekomen. Door deze lasten niet te betalen en de onderneming voort te zetten met middelen van de overheid, zonder garantie op overleving begaan de bestuurders een fout in de zin van art. 1382 B.W.

Een gegeven ontslag van een bestuurder ontslaat deze niet van zijn verantwoordelijkheid indien het ontslag niet gepubliceerd is in het Belgisch staatsblad. Evenmin is een bestuurder die de facto zijn mandaat niet meer nakomt ontslagen van verantwoordelijkheid.

Noot Wanneer is een ontslag van een bestuurder tegenstelbaar aan derden, E. Janssens, RABG 2013/9, 548 met talrijke verwijzingen


• Hof van Cassatie 21/09/2012, RW 2013-2014, 1532

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Als een onrechtmatige daad in de zin van art. 1382 en 1383 BW wordt aangemerkt, elke schending van een wettelijke of reglementaire norm waarin een welbepaalde gedraging geboden of verboden wordt.

Daarnaast maakt ook elke schending van de zorgvuldigheidsnorm een onrechtmatige daad uit. De zorgvuldigheidsnorm wordt geschonden wanneer men zich anders gedraagt dan een normaal vooruitziend en zorgvuldig persoon die in dezelfde omstandigheden verkeert.

Niet elke wettelijke verplichting van de vennootschap maakt een wettelijke verplichting uit van de bestuurders of zaakvoerder in eigen naam. De verplichting tot het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing aan de fiscus rust meer bepaald enkel op de vennootschap met rechtspersoonlijkheid en niet op haar bestuurders of zaakvoerder persoonlijk.

Indien de bestuurder of zaakvoerder op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling niet tot een welbepaalde gedraging gehouden is, moet zijn aansprakelijkheid op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm worden beoordeeld.

De bestuurder of zaakvoerder is derhalve enkel uit onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die de fiscus heeft geleden door het niet kunnen innen van de bedrijfsvoorheffing, indien de beslissing om de bedrijfsvoorheffing niet door te storten een schending uitmaakt van de algemene zorgvuldigheidsnorm in de zin van art. 1382 en 1383 BW.

De fout die door de bestuurder of zaakvoerder werd begaan en die verband houdt met het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing in het raam van het verderzetten van een verlieslatende activiteit kan de oorzaak zijn van schade bij de fiscus die bestaat in de bedrijfsvoorheffing die niet geïnd kan worden bij de vennootschap.

2. De appelrechter oordeelt dat:

– er in de persoon van de zaakvoerder van de vennootschap begrip kan worden opgebracht voor het in gebreke blijven door zijn vennootschap van de betaling van de bedrijfsvoorheffing in de beginperiode die gedekt wordt door de kohierartikels 530401160 en 531201961, omdat de zaakvoerder alsdan vermocht te denken, zonder hierbij onredelijk te zijn, dat de zaken van de vennootschap zouden kunnen worden rechtgetrokken;

– er nadien geen begrip meer kan zijn voor het niet betalen van de bedrijfsvoorheffing;

– voor de navolgende ingekohierde bedragen de eiser de algemene zorgvuldigheidsnorm niet nakwam door de bedrijfsvoorheffing door BVBA S.W.S. niet te laten doorstorten en door de van de brutolonen van de werknemers ingehouden sommen van hun bestemming door BVBA S.W.S. te laten onttrekken.

3. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat het oorzakelijk verband vaststaat tussen de fout van de eiser en de schade, namelijk het verlies van de belastingschuldvorderingen te rekenen vanaf de bedrijfsvoorheffing opgenomen onder kohierartikel 531201962, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel berust op de veronderstelling dat de verweerder vóór de inwerkingtreding van art. 442quater WIB92 niet op grond van de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid de zaakvoerder of bestuurders van een vennootschap vermocht aansprakelijk te stellen voor de schade die bestaat uit de bedrijfsvoorheffing die bij de vennootschap niet geïnd kon worden.

Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 07/04/2013 - 18:58
Laatst aangepast op: di, 27/05/2014 - 14:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.