-A +A

aansprakelijkheid van de bankier bij overschrijvingsopdrachten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een overschrijvingsopdracht dient als een lastgeving te worden gekwalificeerd, waarbij de financiële instelling van de opdrachtgever als lasthebber optreedt. Het is de opdrachtgever die, via de overschrijvingsopdracht, zijn financiële instelling ermee belast een rechtshandeling te verrichten.

De overschrijvingsopdracht belast de financiële instelling met de taak om, door het debiteren van de rekening van de opdrachtgever, de schuldvordering van de opdrachtgever ten aanzien van de financiële instelling te verminderen teneinde de schuldvordering die de begunstigde heeft ten aanzien van zijn financiële instelling, door het crediteren van diens rekening, te vergroten.

Ook de overschrijvingsopdracht die de tussenkomst vereist van meerdere financiële instellingen moet worden gekwalificeerd als een lastgeving. De overschrijving is dan de uitvoering van de lastgeving.

Indien de opdrachtgever en de begunstigde van de overschrijving beschikken over rekeningen bij verschillende financiële instellingen, deelt men deze vier partijen verhouding (opdrachtgever, begunstigde en hun respectievelijke financiële instellingen) op in twee mandaten. De verhouding tussen de opdrachtgever en zijn bank wordt gekwalificeerd als een eerste lastgeving.

De bank van de begunstigde wordt dan meestal gekwalificeerd als de plaatsvervangende lasthebber van de eerste bank.

Deze theorie situeert het tijdstip van de overschrijving bij de creditering van de rekening van de begunstigde-overnemer. Dit vloeit voort uit de kwalificatie van gesubstitueerd mandaat, waardoor de lastgever slechts bevrijd is indien de lasthebber in zijn naam en voor zijn rekening heeft betaald. (zie B. Tilleman, E. Dursin, E. Terryn, C. Heeb en F. Naeyaert, overzicht van de rechtspraak die zonder overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009, TPR 2010, pag. 607-608, nr. 11).

De bank van de begunstigde handelt derhalve in opdracht van de opdracht gevende klant en niet als uitvoeringsagent van de opdrachtgever.

Dat de financiële instelling als lasthebber niet de onderliggende beweegreden kent van de verrichting, is niet ter zake dienend.

Een lastgeving is immers een overeenkomst waarbij de ene partij de andere gelast met het stellen van een rechtshandeling. In voorliggend geval is dit het ter beschikking stellen van een bedrag ten gunste van een derde in naam en voor rekening van de opdrachtgever en dit eventueel via de tussenkomt van de financiële instelling van de begunstigde als gesubstitueerde lasthebber. Dat de lasthebber-bank de reden zou kennen waarom dit bedrag ter beschikking wordt gesteld, is geen essentiële voorwaarde voor het totstandkoming van een geldige lastgeving. Eens de rechtshandeling is verricht door de lasthebber, wordt deze acht te zijn verricht door de lastgever.

Dat beide kwalificatie als lastgeving de financiële instelling de opdrachtgevers zou vertegenwoordigen in een verrichting die door de opdrachtgever zelf niet kan gesteld worden, kan evenmin worden aangevoerd om de kwalificatie als mandaat te verwerpen. Dit vloeit voort uit de definitie van lastgeving.
T

ussen de opdrachtgever en de bank van de opdrachtgever bestaat bij een overschrijvingsopdracht een overeenkomst van lastgeving. Wanneer de opdrachtgever zelf heeft aangeduid op welke rekening van de begunstigde er moet gestort worden, heeft zij impliciet maar noodzakelijk aangeduid welke bankier in plaats van haar eigen bank werd gesteld om de opdracht tot een goed einde te brengen. Het optreden van de bankier van de begunstigde als in de plaats gestelde lasthebber wordt niet in de weg gestaan door wettelijke regelingen omtrent het betalingsverkeer via overschrijving. Hieruit volgt dat de bank van de opdrachtgever niet aansprakelijk is voor de fouten begaan door de bank van de begunstigde en dat de opdrachtgever een rechtstreeks vorderingsrecht heeft tegen de bank van de begunstigde (Antwerpen, 03/10/2002, Rechtskundig Weekblad, 2003-2004, 1307).

Dit vorderingsrecht is van contractuele aard.

De vorderingsrechten die hieruit voortspruiten, verjaren niet na 5 jaar in toepassing van artikel 2262,1, 2de lid B.W. maar wel na 10 jaar in toepassing van hetzelfde artikel 2262, 1, 1ste lid.

Op de bankier van de begunstigde van een overschrijving rust de verplichting om controle uit te oefenen op mogelijke tegenstrijdigheden die de overschrijvingsopdracht bevat. Indien de aangeduide rekening niet overeenstemt met de vermelde identiteit van de begunstigde kan de opdracht in weze niet worden uitgevoerd zolang geen verduidelijking wordt gegeven. De bank weet immers niet of het rekeningnummer, dan wel de identiteit van de begunstigde verkeerd is. De bank van de begunstigde is aansprakelijk voor de schade die door haar fout is ontstaan (Antwerpen, 03.10.2002, Rechtskundig Weekblad, 2003-2004, 1307).

In het reglement van het uitwisselingscentrum van de te verreken verrichting van het Belgisch financieel systeem (het U.C.V.-reglement) wordt bepaald dat, indien de overschrijvingsopdracht het bedrag van 2500 € overschrijdt, de financiële instelling van de begunstigde de overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde dient te verifiëren. Wanneer er geen conformiteit is, mag de betrokken bank de overschrijving niet uitvoeren.

Voor een toepassingsgeval zie Hof van Beroep, Brussel, 12.06.2012, NJW 298, pag. 220.

Rechtsleer:

• Ken Andries, “overschrijvingen, rechtsgevolgen volgens het gemeenrecht en de wet betalingsdiensten”, NJW 2014, 194-205.
 

Rechtspraak:

•• Brussel (8ste k.), 16 oktober 2007, DCCR 2008, I, 79, p. 82, met noot, Reinhard Steennot: Heeft de bank de verplichting de overeenstemming tussen rekeningnummer van de begunstigde eb diens identiteit te verifiëren.

Tekst van het vonnis: Fortis / De Post

Procedurevoorgaanden en voorwerp van het hoger beroep
 

1. Op 20 september 2002 liet de b.v.b.a. J&V Sneltransport (hierna genoemd J&V) de n.v. van publiek recht De Post dagvaarden voor de eerste rechter tot betaling van de som van 4227,77 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 augustus 2001 en de kosten, en dit in de mate eerstgenoemde geen betaling zou hebben ontvangen van of voor de heer Jozef T..

In het exploot van dagvaarding zette zij uiteen :
– dat zij aan de Fortis Bank, haar bankier, per fax een aantal betalingsopdrachten had gegeven, waaronder de overschrijving van de som van 170506 BEF of 4226,73 EUR ten gunste van een zekere heer Thienpont, terwijl zij per vergissing het rekeningnummer 000-0015147-15 van ex-werknemer Jozef T. had opgegeven,
– dat dit laatste nummer betrekking heeft op een rekening bij De Post, die niet heeft gecontroleerd of het op de opdracht vermelde rekeningnummer daadwerkelijk beantwoordde aan dat van de vermelde begunstigde, en derhalve een fout heeft begaan,
– dat Jozef T. op 30 augustus 2001 voormelde som heeft ontvangen op zijn rekening,
– dat de vraag van De Post aan Jozef T. om dit bedrag terug te storten zonder gevolg is gebleven,
– dat ook de pogingen van J&V om terugbetaling te bekomen vanwege Jozef T. zonder resultaat zijn gebleven, en dit ondanks het feit dat hij bij vonnis van 31 december 2001 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen werd veroordeeld tot terugbetaling.

2. De Post liet op 10 en 15 april 2003 Fortis Bank en Jozef T. dagvaarden in vrijwaring.

3. J&V vroeg uiteindelijk dat voor recht zou worden gezegd dat de door Fortis Bank en De Post ingeroepen exoneratiebedingen nietig zijn en van onwaarde zouden worden beschouwd, en dat beide hoofdelijk, in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere, zouden worden veroordeeld tot het betalen van de som van 5017,80 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 11 juni 2002 en de kosten. Het bedrag van 5017,80 EUR vertegenwoordigt voormelde som van 4227,77 EUR, meer 229,43 EUR en 560,60 EUR, respectievelijk ten titel van dagvaardingskosten en uitvoeringskosten met betrekking tot de tegen Jozef T. gevoerde procedure.

4. De Post vroeg in hoofdorde dat deze eis als ongegrond zou worden afgewezen.

In ondergeschikte orde vroeg zij dat Fortis Bank en Jozef T. hoofdelijk en in solidum zouden worden veroordeeld om haar te vrijwaren voor elke veroordeling die tegen haar zou worden uitgesproken in hoofdsom, interest en kosten.
 

5. Fortis Bank vroeg dat de tegen haar ingestelde eisen als ongegrond zouden worden afgewezen en dat J&V en De Post zouden worden veroordeeld in de kosten. Indien de vrijwaringseis van De Post zou worden ingewilligd, vroeg zij dat Jozef T. zou worden veroordeeld om haar te vrijwaren voor elke veroordeling die te haren laste zou worden uitgesproken in hoofdsom, interest en kosten.

6. In het bestreden vonnis beslist de eerste rechter het volgende. De eis van J&V tegen De Post wordt ingewilligd tot beloop van de som van 4227,70 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 augustus 2001 en de kosten, terwijl haar vordering tegen Fortis Bank als ongegrond wordt afgewezen.


Verder worden zowel de vrijwaringseis van De Post tegen Fortis Bank en tegen Jozef T. als de vrijwaringseis van Fortis Bank tegen Jozef T. ingewilligd.

7. Fortis Bank, die hoger beroep heeft ingesteld tegen alle partijen en vervolgens afstand heeft gedaan van haar hoger beroep ten aanzien van Jozef T., vraagt dat dit vonnis teniet zou worden gedaan, dat de oorspronkelijke hoofdeis en de tegen haar ingestelde vrijwaringseis zouden worden afgewezen als ongegrond en dat J&V en De Post in solidum zouden worden veroordeeld in de kosten van beide aanleggen.

8. De Post vraagt, net als Fortis Bank, dat de hoofdeis van J&V ongegrond zou worden verklaard en stelt daartoe incidenteel beroep in.
In ondergeschikte orde vraagt zij dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd, in zoverre haar vrijwaringseis werd ingewilligd.

9. J&V vraagt de afwijzing van het hoger beroep, stelt incidenteel beroep in en vraagt de veroordeling van Fortis Bank en van De Post, hoofdelijk, in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere, tot het betalen van
– de som van 4227,77 EUR, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 augustus 2001, ondergeschikt vanaf 11 juni 2002,
– de som van 1500 EUR (eerste aanleg) en 1750 EUR (hoger beroep) ten titel van erelonen en kosten van een advocaat, meer de vergoedende interest aan dezelfde rentevoet vanaf de datum van het vonnis en van het arrest, en
– de som van 790,03 EUR ten titel van dagvaardings- en uitvoeringskosten in verband met de tegen Jozef T. gevoerde procedure, meer de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf 11 juni 2002, alsook in de kosten van beide aanleggen.
In ondergeschikte orde vraagt zij de bevestiging van het tegen De Post uitgesproken vonnis en de bijkomende veroordeling van deze laatste tot het betalen van voormelde sommen van 1500 EUR, 1750 EUR en 790,03 EUR en van voormelde interest,

Bespreking

10. Het staat vast dat J&V op het einde van de maand augustus 2001 aan haar bankier Fortis Bank de opdracht heeft gegeven om de som van 170 506 BEF of 4226,73 EUR over te schrijven ten gunste van een zekere heer Thienpont, maar dat zij per vergissing het nummer van de rekening van Jozef T. bij De Post heeft opgegeven.

Er wordt evenmin betwist dat De Post niet heeft gecontroleerd of er overeenstemming was tussen de opgegeven naam en het opgegeven rekeningnummer. Ingevolge deze vergissing en dit gebrek aan controle werd de rekening van J&V met voormeld bedrag gedebiteerd ten gunste van de rekening van Jozef T..

11. De door J&V aan Fortis Bank gegeven overschrijvingsopdracht moet worden gekwalificeerd

– en wordt door de partijen ook gekwalificeerd
– als een overeenkomst van lastgeving, waarbij de rekeninghouder (J&V) opdracht geeft aan zijn bankier (Fortis Bank) om de overschrijving van een bepaald bedrag te verrichten door het debiteren van zijn rekening en het crediteren van de rekening van de begunstigde.

Indien de opdrachtgever en de begunstigde een rekening houden bij een verschillende bank, zoals in voorliggend geval, moet de bank van de begunstigde (De Post) worden beschouwd als een in de plaats gestelde lasthebber. Omdat de opdrachtgever zelf heeft aangeduid welke rekening van de begunstigde moet worden gecrediteerd, heeft hij immers impliciet maar noodzakelijk aangeduid welke bankier in de plaats werd gesteld van zijn eigen bankier om deze opdracht tot een goed einde te brengen.

12. Krachtens artikel 1994, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek kan J&V een rechtstreekse vordering instellen tegen De Post in haar hoedanigheid van in de plaats gestelde lasthebber, indien zou blijken dat deze een fout heeft begaan. De bank die belast is met de uitvoering van een overschrijving moet de gegevens natrekken met betrekking tot de rekening van de begunstigde.

Meer in het bijzonder moet hij nagaan of de opgegeven begunstigde daadwerkelijk titularis is van de rekening waarvan het nummer wordt opgegeven. Bij tegenstrijdigheid tussen de gegevens in de overschrijvingsopdracht en de werkelijke gegevens met betrekking tot de titularis van de begunstigde rekening, moet de bank de uitvoering van de opdracht in eerste instantie weigeren, de zaak onderzoeken en desgevallend vragen naar bijkomende instructies. Hij kan immers niet weten of het rekeningnummer verkeerd is, dan wel de identiteit van de begunstigde.

De Post voert aan dat zij krachtens het reglement van de verrekenkamer niet verplicht was om deze controle te verrichten, en dit gelet op het feit dat het in voorliggend geval ging om de overschrijving van een bedrag van minder dan 10000 EUR.

Dit verweer kan echter niet worden beaamd. Dit reglement, dat als akkoord tussen banken geldt met betrekking tot overschrijvingsopdrachten, kan immers niet worden tegengeworpen aan de opdrachtgever, J&V.

Het staat bijgevolg vast dat De Post, die toegeeft niet te hebben nagegaan of de titularis van het opgegeven rekeningnummer overeenstemde met de identiteit van de opgegeven begunstigde, een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met de door J&V ingeroepen schade.

13. Fortis Bank werpt terzake op dat ook rekening moet worden gehouden met de conventionele
afspraken inzake aansprakelijkheden die zouden voortvloeien uit haar algemene
voorwaarden.
Zij verwijst meer in het bijzonder naar art. 11 laatste alinea van deze voorwaarden, dat
bepaalt :
«Vermits om technische redenen, de opdrachten voornamelijk op grond van de rekeningnummers worden uitgevoerd, moet de cliënt op alle opdrachten de volledige rekeningnummers vermelden. De Bank moet niet nagaan of de identiteit van de opdrachtgever of van de begunstigde overeenstemt met de nummers van de te debiteren of crediteren rekeningen». Fortis Bank leidt uit dit beding af dat de correcte uitvoering van de door J&V aan Fortis Bank gegeven opdracht, en derhalve ook van de aan De Post gegeven opdracht, niet inhield dat het overeenstemmen van het rekeningnummer met de identiteit van de begunstigde moest worden nagegaan. Fortis Bank toont echter niet aan dat dit beding van haar reglement van verrichtingen kan worden tegengeworpen aan J&V.

Dit beding blijkt vooreerst niet voor te komen in het reglement of de algemene voorwaarden die van toepassing waren en door J&V zouden zijn aanvaard bij het openen van haar rekening.

Zelfs indien de bank zich in dit reglement of algemene voorwaarden het recht heeft voorbehouden om dit of deze op elke ogenblik te wijzigen, bewijst zij niet dat J&V van deze wijziging en van de inhoud van het door Fortis Bank ingeroepen beding op de hoogte werd gesteld.


De omstandigheid dat J&V niet heeft gereageerd op het schrijven dat Fortis Bank op 30 juli 2002 heeft gestuurd naar haar raadsman en waarin dit beding werd ingeroepen en dat zij vervolgens enkel De Post heeft gedagvaard, staat aan de vorige overwegingen niet in de weg. Hieruit kan immers niet met een voldoende zekerheid worden afgeleid dat J&V heeft erkend dat zij dit beding kende op het ogenblik van de betwiste overschrijving.

14. Aangezien De Post terzake is opgetreden als in de plaats gestelde lasthebber, is Fortis Bank ten aanzien van J&V niet aansprakelijk voor de door eerstgenoemde begane fout. Verder wordt geen fout aangetoond in hoofde van Fortis Bank zelf. Er wordt immers niet bewezen dat zij beschikte over voldoende elementen om na te gaan of de opgegeven begunstigde wel de titularis was van de begunstigde rekening. De door J&V tegen Fortis Bank ingestelde eis werd dan ook terecht ongegrond verklaard door de eerste rechter.

15. Anderzijds staat vast dat ook J&V een fout heeft begaan, te weten het opgeven van een verkeerd rekeningnummer, die wel degelijk in oorzakelijk verband staat met de door haar ingeroepen schade. Zonder deze fout zou deze schade zich immers niet hebben voorgedaan. In de gegeven omstandigheden oordeelt het hof dat de fout van J&V en de fout van De Post in gelijke mate hebben bijgedragen tot het ontstaan van de door eerstgenoemde ingeroepen schade.

16. J&V toont voldoende aan dat de gerechtsdeurwaarder, gelast met de uitvoering van het tegen Jozef T. uitgesproken vonnis, geen mogelijkheden meer ziet om dit vonnis uit te voeren (geringe waarde van de in beslag genomen goederen en geen gekende inkomsten) en het dossier heeft teruggestuurd als niet-invorderbaar De door J&V geleden schade kan als volgt worden begroot :
– het bedrag van 170506 BEF of 4226,73 EUR, waarmee haar rekening werd gedebiteerd; hierop is interest verschuldigd vanaf 30 augustus 2001;
– de dagvaardingskosten en uitvoeringskosten met betrekking tot de tegen Jozef T. gevoerde procedure, te weten 790,03 EUR in het totaal, worden voldoende gestaafd;
hierop is interest verschuldigd vanaf 11 juni 2002; deze kosten maken deel uit van de schade, geleden door J&V, aan wie niet kan worden verweten eerst gepoogd te hebben terugbetaling te bekomen vanwege Jozef T..
– het hof neemt tenslotte ook aan dat, mede gelet op het door De Post en Fortis Bank ingenomen standpunt, het voor J&V noodzakelijk was een beroep te doen op een raadsman teneinde haar rechten uit te oefenen en vergoeding te bekomen voor de door haar geleden schade; het door Fortis Bank ingeroepen artikel 1153 B.W. doet hieraan geen afbreuk; het bestaan van deze schade staat dan ook vast; J&V legt geen ereloonstaat (of staten) van haar raadsman, noch bewijzen van betaling over; aan de hand van de inhoud van de in de eerste aanleg en graad van beroep neergelegde conclusies, kan het hof deze schade nochtans begroten op de som van 1500 EUR, interest tot heden inbegrepen, en dit rekening houdend met alle relevante gegevens van het geschil. Gelet op hetgeen in randnummer 15 werd overwogen, moet De Post bijgevolg worden veroordeeld tot het betalen van de helft van voormelde bedragen en interesten aan J&V.
 

17. Wat de vrijwaringseisen betreft, moet het bestreden vonnis worden bevestigd. De Post vordert dat Fortis Bank haar zou vrijwaren op grond van het reglement van de Verrekenkamer, dat voor overschrijvingen beneden 10000 EUR de Bank van de opdrachtgever aansprakelijk stelt voor alle schadelijke gevolgen die zouden voortvloeien uit het opgeven van een verkeerd rekeningnummer van de begunstigde. Fortis Bank, die erkent dat dit reglement geldt als een akkoord tussen banken, voert terzake geen verweer.
 

Nog dit: 

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Brussel, 12/06/2012  RABG 2012/17, 1141

 

Rechtspraak kwalificatie overschrijving

(BANK/NV VMSW/MR. VAN OSSELAER Q.Q.)

( )

Overzicht van de relevante feiten

13. In de loop van het jaar 1996 diende het Vlaamse Gewest nog aanzienlijke subsidies uit te keren aan de stad Gent in het kader van een project van woningbouw "Scheldeoord" en van een renovatieproject "Rustoord V.H.", waarvan deze laatste de opdrachtgeefster was.

 

De werken werden uitgevoerd door de aannemer NV D.-D., die bij vonnis van 16 november 1995 failliet werd verklaard door de rechtbank van koophandel te Mechelen.

Op dat ogenblik waren er nog verschillende grote werken in uitvoering in opdracht van het Vlaamse Gewest en van de stad Gent. De meeste van deze opdrachten werden in de loop van 1996 met instemming van de opdrachtgevers overgedragen aan andere aannemers en enkele van deze werken werden afgewerkt onder het beheer van de curatoren. Het Vlaamse Gewest diende bijgevolg ook nog gelden te betalen aan de curatele van de failliet verklaarde aannemer D.-D. op basis van vorderingsstaten en ter plaatse gedane vaststellingen, maar ook voor werken die na de datum van het faillissement verder moesten worden uitgevoerd.

14. In de loop van het jaar 1996 gaf het Vlaamse Gewest een aantal betalingsopdrachten aan haar bankier (het toenmalige Gemeentekrediet) om in het kader van het project "Scheldeoord" de subsidies over te maken aan de stad Gent.

Op deze betalingsopdrachten werd de stad Gent als begunstigde vermeld, alsook het rekeningnummer van de NV D.-D. bij de Bank, appellante).

In uitvoering van deze opdrachten werd een totaal bedrag van 1.386.682,99 EUR overgeschreven op de rekening van de NV D.-D., ondanks het feit dat de stad Gent de werkelijke begunstigde was van de overgeschreven sommen (371.349,20 EUR betaald op 14 maart 1996, 463.587,79 EUR betaald op 18 juli 1996, 207.210,88 EUR betaald op 10 oktober 1996 en 344.535,22 EUR betaald op 7 november 1996).

15. Op 18 januari 1996 en 23 maart 1996 gaf het Vlaamse Gewest eveneens opdracht aan het Gemeentekrediet om in het kader van voormeld project en van het project "renovatie Rustoord V.H." de bedragen van respectievelijk 281.039,69 EUR en 21.191,33 EUR te betalen aan de stad Gent.

Op deze betalingsopdrachten was eveneens het rekeningnummer vermeld van de NV D.-D. Het bedrag van 21.191,33 EUR werd overgeschreven op de rekening van deze NV. De som van 281.039,69 EUR werd door Cera niet overgeschreven op de rekening van deze NV, maar werd door deze bank blijkbaar gecompenseerd met een schuldvordering die zij bezat op de NV D.-D. De curatele van het faillissement van deze NV bevestigde op 26 april 1996 dat dit bedrag van 281,039,69 EUR onder alle voorbehoud als provisionele uitkering kon worden beschouwd.

16. Na een aanmaning d.d. 16 januari 1997 liet de stad Gent op 12 augustus 1997 het Vlaamse Gewest dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent tot betaling van de subsidies ten bedrage van 1.386.682,99 EUR en 21.191,33 EUR, meer interest op de som van 1.386.682,99 EUR.

In een op 17 juni 2002 neergelegde conclusie vorderde de Stad Gent ook de som van 281.039,69 EUR, bedrag dat door de Bank was aangewend ter compensatie met een schuldvordering van deze bank op de NV D.-D.

17. In de loop van deze procedure heeft de curatele van de NV D.-D., die op 29 augustus 1997 door het Vlaamse Gewest was gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring, de volgende bedragen overgemaakt aan de stad Gent:

- 743.680,57 EUR op 29 oktober 1997

- 616.982,76 euro op 18 augustus 1998

- 281.039,69 EUR op 2 september 2004.

18. Bij vonnis d.d. 29 juni 2005 werd het Vlaamse Gewest veroordeeld tot het betalen aan de stad Gent van het saldo in hoofdsom van 47.210,97 EUR, meer de moratoire interest op 1.407.874,30 EUR vanaf 1 februari 1997 tot 29 oktober 1997, op 664.193,74 EUR vanaf 29oktober1997 tot 18 augustus 1998, op 328.250,66 EUR vanaf 18 augustus 1998 tot 28 september 2004 en op 47.210,97 EUR vanaf 28 september 2004, meer de gerechtelijke interest, telkens aan de wettelijke rentevoet.

De curatele van het faillissement D.-D. werd veroordeeld tot het vrijwaren van het Vlaamse Gewest voor het saldo van de hoofdsom, hoewel deze laatste eveneens de vrijwaring had gevorderd, wat de interesten betreft.

Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep ingesteld.

19. Inmiddels had de raadsman van het Vlaamse Gewest op 15 maart 2004 appellante in gebreke gesteld om het bedrag terug te betalen van 281.039,69 EUR, dat zij volgens het Vlaamse Gewest wederrechtelijk had gecompenseerd met een nog openstaande debetsaldo op de rekening van de gefailleerde vennootschap D.-D., meer de interest op dit bedrag vanaf 18 januari 1996.

Appellante, die in haar schrijven van 7 april 2004 erkende "een gebrekkige naamcontrole" te hebben uitgevoerd, maakte de gevorderde hoofdsom over aan de curatele, die dit bedrag op 2 september 2004 doorstortte aan de stad Gent. Appellante betwistte wel interest verschuldigd te zijn.

Naar aanleiding van deze briefwisseling heeft appellante een kopie van alle procedurestukken opgevraagd en bekomen met betrekking tot de procedure die werd gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

20. Ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 houdende de regeling van de rechtsopvolging van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, is de VMSW in de rechten en plichten getreden van het Vlaamse Gewest.

21. De VMSW houdt voor dat appellante ingevolge de miskenning van haar controleverplichting gehouden is tot betaling van de vergoedende interest vanaf de data van de respectieve doorstortingen aan D.-D., waartoe het Vlaamse Gewest werd veroordeeld, alsook tot het betalen van de vergoedende interest op de bedragen die appellante voor eigen gebruik heeft aangewend.

Rekening houdend, enerzijds, met de door de Bank destijds foutief doorgestorte bedragen en de voor eigen gebruik aangewende bedragen, en, anderzijds, met de bovenvermelde gerecupereerde en/of teruggestorte bedragen, vordert zij van appellante de volgende bedragen, telkens berekend op basis van de wettelijke rentevoet:

 

- op 371.349,20 EUR van 14maart1996 tot 29 44.114,97 EUR oktober 1997:

- op 463.587,79 EUR vanaf 18 juli 1996 voor 47.415,29 EUR een bedrag van 3 72.331,3 7 EUR tot 29 oktober 1997 en op 91.256,42 EUR tot 18 augustus

1998:

- op 207.210,88 EUR vanaf 10 oktober 1996 26.983,46 EUR tot 18 augustus 1998:

- op 318.515,46 EUR vanaf 7 november 1996 58.977,70 EUR tot 18 augustus 1998 en op 26.019,76 EUR

vanaf 7 november 1996 tot 30 juni 2007:

- op 281,039,69 EUR vanaf 17 januari 1996 tot 171.580,44 EUR 2 september 2004:

- op 21.191,33 EUR vanaf 25 maart 1996 tot 16.589,25 EUR 30 juni 2007: 365.661,11 EUR

Bespreking

22. Appellante werpt in hoofdorde op dat de eis van de VMSW verjaard dient te worden verklaard op grond van artikel 2262bis, § 1, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, waarbij voormeld artikel werd ingevoerd in het BW en dat in werking is getreden op 27 juli 1998, bepaalt dat wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, maar dat de totale duur van de verjaringstermijn evenwel niet meer dan dertig jaar mag bedragen.

De eerste rechter heeft hierover geoordeeld dat de VMSW een vorderingsrecht heeft tegen appellante op grond van artikel 1994 BW.

Aangezien deze eis een contractuele grondslag heeft, geldt volgens hem de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, iste lid. Doordat de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, waarbij ook deze bepaling werd ingevoerd, is de verjaringstermijn van tien jaar beginnen lopen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, namelijk 27 juli 1998, en is de op 5 juli 2007 ingeleide vordering bij gevolg niet verjaard.

Het hof overweegt hierover het volgende.

23. Een overschrijvingsopdracht dient als een lastgeving te worden gekwalificeerd, waarbij de financiële instelling van de opdrachtgever als lasthebber optreedt. Het is de opdrachtgever die, via de overschrijvingsopdracht, zijn financiële instelling ermee belast een rechtshandeling te verrichten. De overschrijvingsopdracht belast de financiële instelling met de taak om, door het debiteren van de rekening van de opdrachtgever, de schuldvordering van de opdrachtgever ten aanzien van de financiële instelling te verminderen teneinde de schuldvordering die de begunstigde heeft ten aanzien van zijn financiële instelling, door het crediteren van diens rekening, te vergroten.

Ook de overschrijvingsopdracht die de tussenkomst vereist van meerdere financiële instellingen moet worden gekwalificeerd als een lastgeving. De overschrijving is dan de uitvoering van de lastgeving. Indien de opdrachtgever en de begunstigde van de overschrijving beschikken over rekeningen bij verschillende financiële instellingen, deelt men deze vierpartijenverhouding (opdrachtgever, begunstigde en hun respectieve financiële instellingen) op in twee mandaten. De verhouding tussen de opdrachtgever en zijn bank wordt gekwalificeerd als een eerste lastgeving. De bank van de begunstigde wordt dan meestal gekwalificeerd als de plaatsvervangende lasthebber van de eerste bank. Deze theorie situeert het tijdstip van de overschrijving bij de creditering van de rekening van de begunstigde-overnemer. Dit vloeit voort uit de kwalificatie van gesubstitueerd mandaat, waardoor de lastgever slechts bevrijd is indien de lasthebber in zijn naam en voor zijn rekening heeft betaald (B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, "Overzicht van rechtspraak Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen (1999-2009)", TPR 2010, p. 607-608, nr. 11).

De bank van de begunstigde handelt derhalve in opdracht van opdrachtgevende klant en niet als uitvoeringsagent van de bank van de opdrachtgever.

24. De kritiek tegen deze kwalificatie dient verworpen te worden.

Dat de financiële instelling als lasthebber niet de onderliggende beweegreden kent van de verrichting, is niet ter zake dienend.

Een lastgeving is immers een overeenkomst waarbij de ene partij de andere gelast met het stellen van een rechtshandeling. In voorliggend geval is dit het terbeschikkingstellen van een bedrag ten gunste van een derde in naam en voor rekening van de opdrachtgever, en dit eventueel via de tussenkomst van de financiële instelling van de begunstigde als gesubstitueerde lasthebber. Dat de lasthebber-bank de reden zou kennen waarom dit bedrag ter beschikking wordt gesteld, is geen essentiële voorwaarde voor de totstandkoming van een geldige lastgeving. Eens de rechtshandeling is verricht door de lasthebber, wordt deze geacht te zijn verricht door de lastgever.

Dat bij de kwalificatie als lastgeving de financiële instelling de opdrachtgever zou vertegenwoordigen in een verrichting die door de opdrachtgever zelf niet kan gesteld worden, kan evenmin worden aangevoerd om de kwalificatie als mandaat te verwerpen. Dit vloeit voort uit de definitie van lastgeving.

25. Gelet op de door het hof toegepaste kwalificatie, beschikt de VMSV als rechtsopvolgster van het Vlaamss Gewest, opdrachtgeefster van de betalingsopdrachten, over een vorderingsrecht tegen appellante op grond van artikel 1994, 2de lid BW, dat bepaalt dat in alle gevallen de persoon die door de lasthebber in zijn plaats is gesteld, rechtstreeks door de lastgever kan worden aangesproken.

 

Tussen de opdrachtgever en de bank van de opdrachtgever bestaat bij een overschrijvingsopdracht een overeenkomst van lastgeving. Omdat de opdrachtgever te dezen zelf heeft aangeduid welke rekening van de begunstigde moest worden gecrediteerd, heeft zij impliciet maar noodzakelijk aangeduid welke bankier in de plaats van haar eigen bank werd gesteld om de opdracht tot een goed einde te brengen. Het optreden van de bankier van de begunstigde als in de plaats gestelde lasthebber wordt niet in de weg gestaan door wettelijke regelingen omtrent het betalingsverkeer via overschrijving. Hieruit volgt dat de bank van de opdrachtgever niet aansprakelijk is voor fouten begaan door de bank van de begunstigde en dat de opdrachtgever een rechtstreeks vorderingsrecht heeft tegen de bank van de begunstigde (Antwerpen 3 oktober 2002, RW 2003-04, 1307).

Dit vorderingsrecht is van contractuele aard.

Het hof merkt overigens op dat, zelfs indien men de overschrijvingsopdracht zou kwalificeren als een allesomvattende institutionele rechtsfiguur, waartoe de diverse bij een overschrijving betrokken partijen geacht moeten worden te zijn toegetreden, de vordering van de opdrachtgever tegen de bankier van de begunstigde eveneens van contractuele aard zou zijn.

26. Uit de vorige overwegingen volgt dat niet de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2262, § 1, 2de lid BW van toepassing is, maar de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262, § 1, pte lid BW.

Aangezien de rechtsvordering van de VMSW is ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, is deze verjaringstermijn van tien jaar slechts beginnen lopen vanaf 27 juli 1998.

De vordering van VMSW was bijgevolg niet verjaard op het ogenblik dat zij op 5 juli 2007 werd ingesteld.

27. De VMSW roept in dat appellante (het hof zal gemakkelijkheidshalve de Bank aanduiden als appellante) een tekortkoming heeft begaan door de overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde niet te controleren.

Dit wordt betwist door appellante.

Het hof overweegt het volgende.

28. Op de bankier van de begunstigde van een overschrijving rust de verplichting om controle uit te oefenen op mogelijke tegenstrijdigheden die de overschrijvingsopdracht bevat. Indien de aangeduide rekening niet overeenstemt met de vermelde identiteit van de begunstigde, kan de opdracht in wezen niet worden uitgevoerd zolang geen verduidelijking wordt gegeven. De bank weet immers niet of het rekeningnummer, dan wel de identiteit van de begunstigde verkeerd is. De bank van de begunstigde is aansprakelijk voor de schade die door haar fout is ontstaan (Antwerpen 3 oktober 2002, RW 2003-04, 1307).

In het reglement van het Uitwisselingscentrum van te Verrekenen Verrichtingen van het Belgisch Financieel Systeem (het U.C.V.-reglement) wordt bepaald dat, indien de overschrijvingsopdracht het bedrag van 2.500 EUR overschrijdt, de financiële instelling van de begunstigde de overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde dient te verifiëren. Wanneer er geen conformiteit is, mag de betrokken bank de overschrijving niet uitvoeren.

In voorliggend geval was er geen overeenstemming tussen de naam en het rekeningnummer van de begunstigde. Appellante geeft uitdrukkelijk toe dat zij dit niet heeft nagegaan en dat zij toch de overschrijvingsopdrachten heeft uitgevoerd, waardoor de rekening van de verkeerde persoon werd gecrediteerd. Zij moet dan ook op grond van artikel 1994, 2de lid BW de door de opdrachtgever - het Vlaamse Gewest - hierdoor geleden schade vergoeden.

29. Appellante kan niet opwerpen dat zij vermoedde dat het gebruikelijk was dat de subsidies aan de stad Gent voor uit te voeren werken, rechtstreeks werden overgemaakt op de rekening van de aannemer die zou instaan voor de werken, in casu de NVD.-D.

Aangezien deze aannemer reeds failliet was verklaard op het ogenblik dat de betalingsopdrachten werden gegeven, wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet of zeker niet meer de bedoeling kan zijn geweest om betalingen, die bestemd waren voor de stad Gent, uit te voeren ten gunste van deze failliete aannemer.

In ieder geval stelde dit vermoeden appellante niet vrij van haar verificatieverplichting. Op de overschrijvingsopdrachten stond immers telkens de naam van de stad Gent vermeld als begunstigde. Bij gebrek aan overeenstemming tussen deze naam en het rekeningnummer had zij dan ook eerst een onderzoek moeten instellen en nadere instructies vragen aan de opdrachtgever.

Bovendien kan appellante niet onwetend zijn geweest van het feit dat haar klant, de NV D.-D., titularis van de aangeduide rekening, failliet was verklaard op het ogenblik van de betalingen. Zij kan in die omstandigheden niet voorhouden dat zij vermoedde dat er aan deze aannemer moest worden betaald. Zij heeft in een schrijven van 7 april 2004 trouwens erkend dat zij een gebrekkige naamcontrole heeft uitgevoerd.

Het hof oordeelt dat er geen reden is om de voorlegging van stukken te bevelen met betrekking tot het rekeningnummer dat werd doorgegeven door de stad Gent. Dit is, gelet op de vorige overwegingen, immers niet relevant. De VMSW betwist overigens dat zij in het bezit is van stukken in dat verband en het tegendeel wordt niet bewezen.

30. Appellante werpt vruchteloos op dat er enkel moratoire interest kan verschuldigd zijn, aangezien het gaat om een geldschuld, en dat deze interest enkel kan verschuldigd zijn vanaf de ingebrekestelling.

De VMSW vordert lastens haar immers geen vergoeding wegens de vertraging in de uitvoering van een geldschuld, maar de vergoeding van de schade die zij heeft geleden ingevolge de door appellante begane fout, meer vergoedende gerechtelijke interest op het bedrag van de schade. Deze schade bestaat uit de bedragen waartoe zij werd veroordeeld door de rechtbank van eerste aanleg te Gent en die niet ten laste werden gelegd van de stad Gent, noch van de curatele van de NV D.-D. Dat deze schade in de dagvaarding werd omschreven als vergoedende interesten doet hieraan geen afbreuk.

De vordering die de stad Gent heeft ingesteld tegen het Vlaamse Gewest en die geleid heeft tot het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 29 juni 2005, was daarentegen wel een vordering tot uitvoering van een geldschuld - de subsidies - en ingevolge de laattijdige uitvoering van deze schuld, heeft de stad Gent aanspraak gemaakt op moratoire interest.

31. De door VMSM ingeroepen schade wordt bewezen aan de hand van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 29 juni 2005. Zelfs indien dit vonnis geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van appellante, kan de inhoud van deze beslissing als bewijsmiddel worden aangewend ter staving van het bestaan en de omvang van de schade.

De VMSIV kan ten titel van schadevergoeding niet meer interesten vorderen dan deze die door deze rechtbank werden toegekend. Het hof stelt in dat verband vast dat in het vonnis van 29 juni 2005 slechts interest werd toegekend vanaf 1 februari 1997 op het bedrag van 1.407.874,30 EUR en vanaf 18 augustus 1998 op het bedrag van 281.039,69 EUR. Wat de hoofdsom van 47.210,97 EUR betreft, diende de curatele het Vlaamse Gewest te vrijwaren.

Appellante bewijst niet dat, indien het Vlaamse Gewest hoger beroep had ingesteld tegen dit vonnis, dit tot een kleinere schade zou hebben geleid, onder meer onder de vorm van de verplichting voor de curatele om ook te vrijwaren voor de interest. In ieder geval is het niet aanwenden van dit rechtsmiddel op zich geen rechtsgrond om het bedrag van de schade te verminderen, onder voorbehoud van wat hierna zal worden overwogen in het kader van de op het Vlaamse Gewest en de VMSW rustende schadebeperkingsplicht.

Bovendien werd appellante na de aanmaning van 15 maart 2004 voldoende geïnformeerd over deze procedure en had zij derhalve vrijwillig kunnen tussenkomen.

32. Appellante roept vervolgens in dat de VMSV haar schadebeperkingsplicht niet is nagekomen en op die wijze niet te goeder trouw heeft gehandeld. Zij verwijt aan de VMSW dat deze haar pas op 5 juli 2007 heeft gedagvaard nadat zij appellante op 15 maart 2004 enkel had aangemaand met betrekking tot de overschrijving van een bedrag van 281.039,69 EUR.

Hierover overweegt het hof het volgende.

Op de benadeelde rust de verplichting om de door hem opgelopen schade zoveel mogelijk te beperken. Dit houdt in dat hij verplicht is hiervoor alle maatregelen te nemen die van een redelijke en voorzichtige persoon kunnen worden verwacht.

Wat het bedrag van 281.039,69 EUR betreft, dat appellante met de toelating van de curatele van de NV D.-D. had gecompenseerd met de vordering die zij had op de gefailleerde, staat vast dat zij dit bedrag heeft terugbetaald via de curatele, na hiertoe op 15 maart 2004 te zijn aangemaand. De curatele heeft deze som op 2 september 2004 overgemaakt aan de stad Gent.

Uit de stukken blijkt dat in het kader van de tegen het Vlaamse Gewest te Gent gevoerde procedure, de stad Gent deze som pas heeft gevorderd in een conclusie die zij op 17 juni 2002 heeft neergelegd. Er wordt niet bewezen dat het Vlaamse Gewest voordien op de hoogte was of diende te zijn van het feit dat deze som aan een verkeerde persoon was betaald.

Het is echter pas in een aanvullende conclusie van 1 oktober 2003 dat de curatele heeft ingeroepen dat zij dit bedrag nooit had ontvangen, maar dat dit was aangewend door appellante.

In de gegeven omstandigheden maakt appellante voldoende aannemelijk dat, indien het Vlaamse Gewest haar onmiddellijk nadien hiervan op de hoogte had gesteld en de terugbetaling van deze som van 281.039,69 EUR had gevorderd, zij vroeger zou hebben terugbetaald.

Het hof oordeelt dan ook dat het deel van de schade, dat betrekking heeft op de interest op het bedrag van 281.039,69 EUR tussen de ontvangst van deze aanvullende conclusie van 1 oktober 2003 en 15 maart 2004 ten laste moet worden gelegd van de VMSW en niet kan worden verhaald op appellante. Het Vlaamse Gewest heeft immers zelf deze schade veroorzaakt.

Wat de overige bedragen betreft, kan niet worden beaamd dat een vroegere aanmaning of mededeling vanwege het Vlaamse Gewest of de VMSW de schade had kunnen beperken. Dit wordt in ieder geval niet bewezen.

In tegenstelling tot voormeld bedrag van 281.039,69 EUR werden de overige overgeschreven bedragen niet aangewend door appellante, maar uitbetaald aan de curatele, die dan ook door het Vlaamse Gewest in tussenkomst en vrijwaring werd gedagvaard in de procedure voor rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Het staat derhalve onvoldoende vast dat appellante bereid zou zijn geweest zelf vrijwillig tot betaling over te gaan, indien zij vroeger was aangemaand.

De eerste rechter overweegt verder terecht dat appellante reeds na de ontvangst van de ingebrekestelling van 15 maart 2004 op de hoogte moet zijn geweest van de problematiek van de overschrijving van deze overige bedragen aan de verkeerde persoon en van de procedure die te Gent werd gevoerd, zelfs indien deze aanmaning enkel betrekking had op het door appellante gecompenseerde bedrag van 281.039,69 EUR. Wat de op dat ogenblik nog niet terugbetaalde bedragen betreft, kon zij derhalve vrijwillig betalen, bijkomende uitleg vragen en zelfs vrijwillig tussenkomen in de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Dat het Vlaamse Gewest geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 29 juni 2005 was niet foutief en maakte evenmin een tekortkoming uit aan de schadebeperkingsplicht. Het hof merkt in dat verband op dat appellante, die op de hoogte was van het bestaan en het voorwerp van deze procedure, het niet opportuun heeft geacht daarin vrijwillig tussen te komen.

Het hof stelt ten slotte vast dat de VMSW enkel gerechtelijke interest vordert op het bedrag van haar beweerde schade vanaf de datum van de dagvaarding.

33. Het oorzakelijk verband tussen de door appellante begane fout en de door de VMSW geleden schade staat voldoende vast.

Indien appellante geen fout zou hebben begaan en derhalve de overschrijvingsopdrachten niet zou hebben uitgevoerd en het Vlaamse Gewest hierover zou hebben ondervraagd, zou deze schade niet zijn geleden.

34. Appellante werpt wel terecht op dat ook het Vlaamse Gewest, in wiens rechten de VMSW is getreden, eveneens een fout heeft begaan.

Zij heeft immers een verkeerd rekeningnummer vermeld op de zes overschrijvingsopdrachten.

Deze fout staat eveneens in oorzakelijk verband met de door haar geleden schade. Indien zij deze fout niet had begaan en het rekeningnummer van de Stad Gent had vermeld in plaats van het nummer van de NV D.-D., zou deze schade zich evenmin hebben voorgedaan.

Anderzijds staat niet met voldoende zekerheid vast dat het Vlaamse Gewest na de uitvoering van de overschrijvingsopdrachten zelf onmiddellijk had moeten vaststellen dat er aan de verkeerde persoon was betaald.

35. Het hof oordeelt dat in de gegeven omstandigheden de door appellante begane fout en de door het Vlaamse Gewest begane fout even zwaarwichtig waren en in gelijke mate hebben bijgedragen tot het ontstaan van de door laatstgenoemde geleden schade, zoals hierboven bepaald en rekening houdend met hetgeen werd overwogen in de randnummers 31 en 32.

De VMSW moet dan ook zelf de helft van de schade ten laste nemen, terwijl appellante slechts kan worden veroordeeld tot het vergoeden van de andere helft van deze schade.

36. Appellante vordert vervolgens dat de curatele zou worden veroordeeld om haar te vrijwaren voor elke veroordeling die tegen haar zou worden uitgesproken in hoofdsom, interest en kosten. Zij roept ter zake in dat de curatele diverse fouten heeft begaan.

Hierover overweegt het hof het volgende.

Aangezien het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 29 juni 2005 geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van appellante, die geen partij was in deze procedure, werpt de curatele vruchteloos op dat in dit vonnis werd beslist dat zij enkel diende te vrijwaren voor de hoofdsom en niet voor de interesten, aangezien zij te goeder trouw was. Deze beslissing is niet bindend voor appellante. Anderzijds was het in hoofde van de curatele niet foutief appellante niet te betrekken in de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Een andere grief tegen de curatele luidt dat zij appellante nooit op de hoogte heeft gebracht van het feit dat zij bedragen heeft ontvangen, waarvan zij wist dat deze niet voor haar bestemd waren.

Het hof oordeelt dat de curatele van meet af aan had dienen te weten dat de op de rekening van de gefailleerde vennootschap D.-D. overgeschreven bedragen onverschuldigd waren betaald.

Dit blijkt reeds uit het feit dat deze overschrijvingen plaatsvonden op een oude rekening van de gefailleerde en derhalve niet op de rekening van de curatele, zodat deze laatste diende te weten dat het niet kon gaan om de betaling van werken waarvan door haar betaling werd gevorderd. Minstens had zij dit nader moeten onderzoeken.

Bovendien heeft de curatele, in antwoord op een ingebrekestelling tot betaling van een onverschuldigd ontvangen bedrag van 55.938.653 BEF (1.386.682,99 EUR) op 28 januari 1997 het volgende geantwoord:

'"(".)

Er zijn inderdaad een reeks betalingen gebeurd door het Vlaamse Gewest in verband met het woningbouwproject "Scheldeoord" op de oude rekening van D.-D.

Deze rekening is na het faillissement gesloten en de Kredietbank heeft ons deze (".) doorgestort met de vermelding Vlaams Gewest.

Het Vlaamse Gewest is ons in andere dossiers in hetzelfde faillissement voor ongeveer 40.000.000 BEF verschuldigd en wij hebben deze bedragen dan ook op die rekening geboekt.

Ik mag erop wijzen dat wij sedert ongeveer 1 jaar bij het Vlaamse Gewest aandringen op betaling van de andere rekeningen zonder enig gevolg.

Wij zijn eventueel wel bereid de bedragen terug te betalen van zodra wij minstens vernemen vanwege het Vlaamse Gewest wanneer de ons toekomende bedragen zullen worden gestort of minstens zouden vernemen wat de betaling daarvan in de weg staat.

Ik zie anderzijds met de beste wil van de wereld niet in waarop u zich baseert om ook interesten terug te vragen.

Wij willen graag medewerken om de vergissing van uw cliënt recht te zetten maar ik meen toch wel te mogen stellen dat na meer dan een jaar het ook aan uw cliënt mogelijk moet zijn een correkte afrekening te maken naar de curatele."

De eerste rechter heeft hier terecht uit afgeleid dat de curatele ervan op de hoogte was dat de litigieuze betalingen die zij had ontvangen (overigens niet op de rekening van de curatele) betrekking hadden op andere dossiers dan deze die door haar werden ingevorderd of beheerd en voor de stad Gent bestemd waren. Dit geldt ook voor de betaling van de som van 21.191,33 EUR.

De curatele, die op dat ogenblik de gedane betalingen niet meer te goeder trouw kon aanrekenen op deze andere dossiers, heeft een fout begaan door deze niet onmiddellijk terug te betalen.

Indien zij dit had gedaan, zou het Vlaamse Gewest geen schade hebben geleden en zou appellante geen veroordeling hebben opgelopen. De stad Gent heeft immers slechts interest gevorderd vanaf 1 februari 1997, dit wil zeggen na de verzending van deze brief.

De curatele moet bijgevolg worden veroordeeld om appellante te vrijwaren voor elke veroordeling die tegen haar wordt uitgesproken in hoofdsom en interesten.

Deze vrijwaringsplicht geldt echter niet, wat de schadevergoeding en de interest betreft die lastens appellante wordt toegekend met betrekking tot het bedrag van 281.039,69 EUR. Deze som werd immers niet overgeschreven op de rekening van de gefailleerde vennootschap D.-D., maar door appellante op eigen initiatief aangewend ter compensatie met haar schuldvordering op de gefailleerde. De curatele heeft zich hiermee slechts onder alle voorbehoud akkoord verklaard, hetgeen niet foutief was. In ieder geval heeft appellante zelf interest genoten op deze som vanaf de datum van ontvangst tot de datum van het overmaken ervan aan de curatele.

37. Rekening houdend met alle vorige vaststellingen en overwegingen dienen partijen een afrekening op te stellen met betrekking tot de bedragen die worden gevorderd in het kader van de hoofdeis en van de eis tot vrijwaring.

Hiertoe moet het debat worden heropend.

OM DEZE REDENEN:

HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,

(".)

Beveelt de heropening van het debat teneinde partijen toe te laten een afrekening op te stellen met betrekking tot de bedragen die worden gevorderd in het kader van de hoofdeis en van de eis tot vrijwaring.

(".)

Houdt de beslissing over de kosten aan.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: do, 25/09/2014 - 12:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.