-A +A

aansprakelijkheid van de herbergier bij ongeval met dronkenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Pol. Brugge 3 oktober 2006, Tijdschrift van de Politierechters (T. Pol.) / Journal des Juges de Police (J.J.Pol.) Jaar 2007, Nummer 4 Pagina 226


Tussen het opdienen van alcohol aan een persoon die kennelijk dronken was  en een verkeersongeval veroorzaakt door deze persoon bestaat er een causaal verband ingevolge de equivalentieleer met de aansprakelijkheid in solidum van de herbergier samen met  de bestuurder tot gevolg.


De vraag is niet te weten of de herbergier aansprakelijk is voor de daden van zijn klanten, maar wel of zijn fout, die bestaat in een strafrechtelijke overtreding, oorzaak of mede oorzaak is van de door derden geleden schade.   Had de herbergier de wet nageleefd en geen dronkenmakende dranken was blijven schenken aan zijn al dronken klant, dan had deze laatste niet in dezelfde staat van dronkenschap gereden en had het ongeval zich niet op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen voorgedaan.

De wetsovertreding van de herbergier is mede oorzaak van de schade, zodat de derde benadeelde de herbergier kan aanspreken om die schade te vergoeden.

uittreksel uit het vonnis:

2. Beoordeling op strafrechterlijk gebied ...

3. Ten aanzien van P. V.L. 1. Artikel 4 van de Besluitwet van 14 november 1939 stelt strafbaar diegene die dronkenmakende dranken opdient aan een persoon die kennelijk dronken is. Hoewel P. V.L. zich ertoe beperkt heeft te zeggen dat hij geen cijfer kon kleven op het drankverbruik van A.V., zijn er voldoende objectieve elementen in het dossier om voor bewezen aan te nemen dat A.V. al kennelijk dronken was toen hij zich nog in het café “...” bevond.

 Volgens de heer V.L. zou A.V. al omstreeks 14u00 in zijn café toegekomen zijn, hoewel dat volgens mevrouw T. pas ná 16u30 zou geweest zijn. In elk geval heeft A.V. panaché gedronken, zodat volgens zijn echtgenote al vóór zij haar vader ging halen in de postzegelclub zijn ogen “troebel” waren en hij heen en weer liep in het café en op het terras. Ook mevrouw L. is het opgevallen dat A.V. al omstreeks 17u30 op en af liep tussen  het terras en binnen. En ook M.B., die zo rond 17u00 in het café moet zijn toegekomen, viel het op dat de heer V. op dat tijdstip al “redelijk beschonken was” en “constant op en af liep tussen het terras en binnen”.

 Als A.V. al omstreeks 17u00 à 17u30 aan anderen een “redelijk beschonken” indruk maakte en rusteloos heen en weer liep tussen het terras en het café, dan moet hij, uren later, nadat hij verder panaché gedronken had, alleszins zichtbaar en manifest dronken geweest zijn. Uit niets blijkt dat café “...” zo groot is of dat er zoveel volk was dat de uitbater zijn klanten niet in het oog kon houden en niet kon zien of zij dronken waren.

 Trouwens diegene die aan iemand dronkenmakende dranken serveert, heeft de verplichting de toestand van de betrokkene na te gaan (B. SPRIET, Strafrecht en strafvordering, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Openbare dronkenschap, 13, nr. 3). Uit de verklaring van derde beklaagde blijkt geenszins dat hij daartoe zelfs maar een poging zou gedaan hebben.

 Derde beklaagde kon zien en moest zien dat A.V., die urenlang bier had gedronken, kennelijk dronken was en hij overtrad dan ook de Strafwet door hem toch bier te blijven opdienen. Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf zijn voorhanden, te weten: (a) het opdienen van dronkenmakende dranken aan (b) een persoon die zich bevindt in een kennelijk dronken toestand (B. SPRIET, “Opdienen van dronkenmakende dranken”, (noot onder Pol. Leuven 29 juni 1987), R.W. 1987-88, 474).

 De tenlastelegging is bijgevolg bewezen. De voor het eerst ter zitting van heden geuite bewering dat het café eigenlijk werd uitgebaat door zijn echtgenote, mevrouw V.G., is ter zake niet dienend. Toen hij op 26 april 2005 werd ondervraagd heeft hij gezegd: “Ik ben de uitbater” en hij heeft uiteengezet wat er die vrijdagnamiddag gebeurd is. Zelfs als het café strikt formeel-juridisch niet door hem werd uitgebaat, maar door zijn echtgenote, was hij het die er die vrijdag werkte en die aan A.V. drank gaf en bleef geven. ...

 3. Beoordeling op burgerlijk gebied [...]

 Naar het oordeel van de Rechtbank is er echter tussen enerzijds het feit dat hij aan een kennelijk dronken persoon dronkenmakende dranken is blijven opdienen en anderzijds het ongeval met dodelijke afloop wel degelijk een causaal verband. Hij beweerde (kaft 11, stuk 6) weliswaar niét te weten met welk voertuig A.V. was toegekomen, maar dat hij was toegekomen met een voertuig wist hij klaarblijkelijk wél.

 Redelijkerwijze kon hij dus weten en moest hij weten dat A.V. terug zou vertrekken met een voertuig. Door hem, hoewel hij kennelijk dronken was, bier te blijven geven, kon hij weten en moest hij weten dat A.V. dronken zou sturen met alle risico’s van dien.

 Het is al te gemakkelijk als cafébaas bier te blijven opdienen, ook aan dronken klanten van wie men weet dat ze met een wagen gaan rijden, om vervolgens, als zo’n dronken klant een ongeval veroorzaakt, te doen alsof men van niets weet en te schermen met het argument dat men niet aansprakelijk is voor de daden van zijn klanten.

 Dat is een vals argument: de vraag is niét te weten of de heer V.L. aansprakelijk is voor de daden van zijn klanten en moet opdraaien voor de schade die zij veroorzaken; de vraag is te weten of zijn fout, die bestaat in het plegen van een strafbaar feit, oorzaak is of mee oorzaak van de schade die de nabestaanden van G. De S. hebben geleden.

 Naar Belgisch recht geldt immers de zogenaamde “equivalentieleer”. Deze leer houdt in dat een fout tot aansprakelijkheid aanleiding kan geven indien

deze fout een in concreto noodzakelijke voorwaarde uitmaakt voor het schadegebeuren. Maar, zodra dit inderdaad het geval is, is de fout steeds, onvermijdelijk, de oorzaak van het schadegebeuren, hoe onwaarschijnlijk, onrechtstreeks of uitzonderlijk de feitelijke gang van zaken die tot het schadegebeuren en tot de eruit voortvloeiende schadelijke gevolgen leidde, ook moge zijn.

Noodzakelijk én voldoende voor de oorzakelijkheid van een fout is dus haar conditio sine qua non-karakter (H. VANDENBERGHE e.a., “Overzicht van rechtspraak”, T.P.R. 2000, 1877, nr. 144; Rb. Brugge 8 september 2005, T.G.R. 2005, 318).

De feitenrechter kan het oorzakelijk verband slechts wettig uitsluiten door vast te stellen dat het ongeval zich ook zonder de fout zou hebben voorgedaan. De conditio sine qua non-test volstaat. Zodra de fout een conditio sine qua non uitmaakt voor een schadegeval, wordt zij als één van de oorzaken ervan beschouwd.

Er wordt geen verdere selectie gemaakt tussen feitelijke oorzaken. Deze zijn causaal equivalent. Wie een fout begaat die een noodzakelijke voorwaarde is voor de schade, is hiervoor aansprakelijk (H. BOCKEN en I. BOONE, “Causaliteit in het Belgisch recht”, T.P.R. 2002, 1632, nr. 5). Elke fout die een noodzakelijke voorwaarde is voor de schade, is een oorzaak of: “elke fout zonder dewelke de schade zich niet zou hebben voorgedaan, zoals ze zich in concreto voordeed, wordt als oorzaak aangeduid” (B. WEYTS, De fout van het slachtoffer in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, nr. 295).

De equivalentieleer gaat uit van het historisch verhaal zoals het zich werkelijk voordeed en niét van de waarschijnlijke gevolgen van een bepaald type fout.

Op zoek naar de ware oorzaak van de schade construeert de rechter die de equivalentieleer toepast een hypothetisch rechtmatig alternatief door weglating van de fout uit het historisch verhaal.

Hij elimineert daarbij een gedraging uit de historiek van de schade. Bij de causaliteitsbeoordeling moet de litigieuze fout worden weggedacht, zonder de rest van de geschiedenis te herschrijven, om vervolgens te bepalen of de schade zich al dan niet had voorgedaan (L. CORNELIS, “Ongeschikt voor gevoelige juristen: over de intieme verhouding tussen schade en causaal verband”, bijdrage in referatenbundel Aansprakelijkheidsrecht, actuele tendensen, Vlaams Pleitgenootschap, Brussel 25 maart 2005, Larcier, 195).

Of toegepast op de thans te beoordelen zaak: de Rechtbank mag/moet de foutieve gedraging van de heer V.L. weglaten. Zij moet zich dus afvragen: indien de heer V.L. geen fout zou gemaakt hebben en geen dronkenmakende dranken zou hebben opgediend aan de heer A.V. die kennelijk dronken was, zou het ongeval dan gebeurd zijn op dezelfde manier en met dezelfde schadelijke gevolgen?

Het antwoord is evident: neen. Indien de heer V.L. de wet zou hebben nageleefd en geen dronkenmakende dranken zijn blijven opdienen aan zijn dronken klant, dan zou de heer A.V. niét in dezelfde staat van dronkenschap met een wagen gereden hebben en zou het ongeval zich niet op dezelfde manier en met dezelfde schadelijke gevolgen hebben voorgedaan.

De wetsovertreding die de heer V.L. pleegde is dus mee oorzaak van de ongevalsschade die de heer De S. geleden heeft en hij kan hem wel degelijk aanspreken om die schade te vergoeden. [...] Deze beslissing werd bevestigd bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brugge (13de kamer) van 1 juni 2007.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 17:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.