-A +A

aansprakelijkheid van de kredietgever

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
 

voor de aansprakelijkheid van de kredietbemiddelaar dient
opgemerkt dat deze dezelfde is als deze van de kredietgever
ingeschreven in art. 9 WCK.
klik ook
hier voor meer info

De kredietgever dient in de geest van artikel 10 Wet Consumentenkrediet grondig de consument te ondervragen over zijn kredietwaardigheid om een ernstig beeld te krijgen van zijn spaarvermogen, zijn schulden en mogelijkheden.

Het ontbreken van het gebruikelijk “introductieformulier” waarop de kandidaatontlener moet antwoorden op concrete vragen inzake zijn mogelijkheden impliceert dat de kredietgever geen enkel onderzoek, noch ondervraging heeft uitgevoerd naar de kredietwaardigheid van de consument en zich al evenmin geïnformeerd heeft naar de kredieten in omloop. De verplichtingen van de consument worden door de Vrederechter verminderd tot het saldo van het ontleende bedrag met behoud van het voordeel van betaling in termijnen.

zie terzake ook: Vred. Oudenaarde, 15 januari 2001, Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2002, Volgnummer 1-2, Pagina 138. Voor de tekst van dit vonnis klik hier

Vred. Merksem, 20 april 2000, Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2002, Volgnummer 1-2,
Pagina 118.

samenvatting:


Het louter consult van de NBB-VKC volstaat niet als een afdoend
onderzoek naar de kredietwaardigheid van de consument. De kredietgever diende rekening te houden met de bekende gegevens, meer bepaaldde bestemming van het krediet (veranderingaan de woning). De kredietgever liet zelfs na te vragen of de woning  eigendom was van de leners dan wel gehuurd was en hoeveel de huur of de hypothecaire afbetaling
bedroeg. In afwezigheid van deze vragen en antwoorden, mocht de kredietgever geen krediet toestaan. Uit de afwezigheid van enige vermelding in de ruimte over de uitgaven op de kredietovereenkomst moet worden besloten dat zelfs de vraag naar vorige kredieten niet werd gesteld.

De verplichtingen van de consument werd verminderd tot het saldo van het ontleende bedrag onder aftrek van de gedane betalingen en met behoud van het voordeel van de termijnen.

tekst van het vonnis:


Overwegende dat naast de gebruikelijke en vaak irrelevante verweermiddelen verweerder wel terecht de vraag stelt naar de aansprakelijkheid van eiseres met het toekennen van het bewuste
krediet;

Dat eiseres immers een persoonlijke lening aan verweerders toestond op basis van een aanvraag opgemaakt door een makelaar uit Gent op 12 juni 1996 (stuk 1 dossier eiseres) waaruit blijkt dat: 1° als doel van de lening de verandering aan de woning werd opgegeven, 2° alleen en uitsluitend de identiteit van de beide verweerders werd vermeld (waarbij dan nog voor eerste verweerder als beroep “Visser bij de Stad Antwerpen” (?) en
hun netto-inkomen voor een totaal van 85.000 frank, 3° geen enkele informatie over hun uitgaven zoals huur of hypothecaire
leningen, en belangrijker nog evenmin over eventuele andere leningen of andere kredietaanvragen;

Dat blijkens de leningsovereenkomst zelf (stuk 2) enkel het bestand van de Nationale Bank werd geraadpleegd en geen enkele andere bron werd geraadpleegd; Dat verweerders nochtans op dat ogenblik reeds vier andere persoonlijke leningen hadden lopen voor een totaalbedrag van 1.990.000 BEF mits een totale maandelijkse last van 47.472 frank (...bank 750.000, ... 500.000, ...krediet 440.000 en ... 300.000);

Dat nadien nog eens bij dertien verschillende kredietinstellingen nog voor een totaal van 1.903.000 BEF werd ontleend wat vanzelfsprekend aan eiseres niet ten kwade kan worden geduid;
Overwegende dat deze leningen uiteraard telkenmale werden aangegaan om de schuldenlast van de vorige te delgen;
Dat een raadpleging van andere bestanden die de banken onder elkaar hebben ongetwijfeld het bestaan van de vier vorige leningen aan het licht had moeten brengen;

Dat, meer nog, zelfs alleen beschikkend over de gegevens die eiseres bekend waren aan de hand van de aanvraag geen krediet
had mogen worden toegestaan; Dat het doel van de lening was “verandering aan de woning” terwijl men dan nog niet eens vraagt of de woning eigendom is of wordt gehuurd en hoeveel de
eventuele huur of hypothecaire aflossingen bedragen;
Dat in de voorziene ruimte over de uitgaven helemaal niets wordt ingevuld waaruit moet worden besloten dat zelfs de vraag naar vorige leningen niet werd gesteld;


Overwegende dat eiseres derhalve bewust een ernstig risico heeft genomen en hierdoor een fout heeft begaan die ongetwijfeld een schending uitmaakt van artikel 15 van de WCK;

Overwegende dat uit het bewijs van de aangetekende verzending van de opzegging (stuk 6 dossier eiseres) blijkt dat op één en dezelfde dag al ten minste (want het is maar één blad uit de lijst waarop de naam van verweerders voorkomt) 106 andere schuldenaars in gebreke worden gesteld (weliswaar ook de werkgevers bevattend) wat toch een aanwijzing is dat eiseres vele schuldenaars heeft en lichtzinnig leningen blijkt te verstrekken;

Dat overeenkomstig artikel 92 als sanctie de kwijtschelding van de intresten en lasten en de herleiding van de vordering tot de prijs bij contante betaling dient toegepast te worden; Overwegende dat verweerders in totaal 404.784 frank moesten terugbetalen en
eiseres de overeenkomst opzegde op een ogenblik dat nog 42.165 + 151.794 of 193.959 frank diende afbetaald te worden zodat verweerders reeds 210.825 frank hadden afbetaald;

Dat de vordering dan ook nog slechts gegrond is ten belope van 301.000 - 210.825 of 90.175 frank;


OM DEZE REDENEN,
De vrederechter vonnissende in voortzetting van de beslissing van 20 januari 2000 in eerste aanleg en op tegenspraak. Recht doende ten gronde: Veroordeelt verwerende partij solidair om aan eisende partij te betalen de som van 90.175 frank wegens niet-betaling lening d.d. 12 juni 1996. Veroordeelt verwerende partij tevens tot de gerechtelijke intresten en in de kosten, deze laatste tot heden begroot op 8.052 frank, een rechtsplegingsvergoeding van 6.300 frank en een aanvullende rechtsplegingsvergoeding van 2.100 frank (heropening debatten).

 

Vred. Merksem, 23 oktober 1997. Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2000, Volgnummer 3-4, Pagina 111



Uittreksel uit vonnis:
De vordering van eiseres strekt ertoe het verzet van verweerder tegen het door haar gelegde loonbeslag ongegrond te horen verklaren en verweerder te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van 499.806 frank meer 15 % schadevergoeding wegens niet-naleving van zijn contractuele verplichtingen voortspruitende uit de leningsovereenkomst (kredietopening) van 31 mei 1994;

...

Uit de gegevens van verweerder blijkt dan weer dat op het ogenblik van de aanvraag van zijn lening hij slechts één persoonlijke lening had lopen bij de BBL ten bedrage van 80.000 frank aangegaan op 14 oktober 1993, terugbetaalbaar met maandelijkse stortingen van 5.000 frank, die weliswaar niet, of mogelijk eenmaal werd nageleefd vermits op 15 oktober 1995 een akkoord met deze bank werd gesloten waarbij verweerder deze schuld verder mocht afbetalen met 5.000 frank per maand en dit gedurende 20 maanden; Deze bestaande schuld werd niet aangegeven door verweerder bij de aanvraag van zijn lening bij eiseres hoewel hij op dat ogenblik al geruime tijd deze verbintenis niet naleefde, wat eiseres bij informatie in de gegevensbestanden had
moeten kunnen vaststellen;

Het verschuldigd bedrag

Overwegende dat uit de leningsaanvraag blijkt dat verweerder op dat ogenblik
een jong vrijgezel was die aan de haven werkte en een nettomaandinkomen
had van 65.000 frank, bestaande uit loon + aanvullend stempelgeld, een huurlast van 12.400 frank en geen andere schulden had, althans volgens de aangifte, doch het is ons niet eens bekend of eiseres er wel naar gevraagd had en eigenaar was van een auto Golf, bouwjaar 1991,hetzij drie jaar oud, waarover evenmin enige inlichting naar lopende financiering werd gevraagd;
Dat wij aldus moeten besluiten dat eiseres de kredietopening toestond op basis
van de feiten dat zij geen zekerheid hadden over het inkomen van 65.000 frank, wetende dat er een huurlast was van 12.400 frank en geen opvraging hadden gedaan bij andere gegevensbestanden van de NBB over het bestaan van een reeds achterstallige lening en evenmin over het bestaan van een eventuele autolening;


Overwegende dat evenwel veel erger de leningsaanvraag duidelijk als doel vermeldde: “75.000 frank - verhuiskosten” en wij dus moeten besluiten dat, onafgezien van onze bedenking over de solvabiliteit van een jonge man die zijn verhuis niet kan betalen, welke bedenking een voorzichtig bankier zich toch ongetwijfeld moet stellen, verweerder de bank verlaat met een kaskrediet van een half miljoen!;

Dat het voorspelbare dan ook onmiddellijk wordt bewaarheid wanneer verweerder al dezelfde dag 50.000 frank opneemt, daags nadien nog eens
25.000 frank, twee dagen later nog eens 25.000 frank, de dag daarop 50.000 frank enz. en per 30 juni, of één maand later al meer dan 300.000 frank debet staat en einde juli, of twee maanden na het verkrijgen van de lening al op 489.466 frank in het rood staat en zijn kaskrediet al volledig is opgesoupeerd;
Overwegende dat dergelijke wijze van kredietverstrekking een schoolvoorbeeld
is van de schending van de verplichtingen vervat in artikel 11, 1° en 2° van de
Wet op het consumentenkrediet en conform artikel 92 dient gesanctioneerd te
worden met de volledige kwijtschelding van alle verwijlintresten en herleiding
van de schuld tot de prijs bij contante betaling;

Dat uit het overzicht van alle bewegingen van de rekening van verweerder
blijkt dat sedert de beslagen op loon en vakantiegeld van 2 september 1994 tot het verzet op 15 oktober 1996 verweerder 221.997 frank aan eiseres betaalde; Dat verweerder derhalve nog slechts verschuldigd blijft de som van 500.000 - 221.997 of 278.003 frank;

Overwegende dat uit het overzicht van de schuldenlast van verweerder duidelijk blijkt dat hij sedert het loonbeslag dat nauwelijks drie maanden na de lening reeds werd gelegd in een spiraal van schulden is terechtgekomen, 15 in totaal, die ertoe hebben geleid dat hij de huishuur, rekeningen van elektriciteit, verzekering e.d. niet meer kon betalen;

Dat zijn erbarmelijke financiële toestand het toestaan van gemak van betalingen rechtvaardigt;

OM DEZE REDENEN,

Wij, vrederechter, vonnissen in voortzetting van onze beslissing van 5 juni 1997 in eerste aanleg en op tegenspraak. Verklaren de vordering tot nietigverklaring van het verzet tegen het loonbeslag ontvankelijk doch ongegrond en wijzen ze af;

Bekrachtigen het gedane verzet door verweerder; Verklaren de vordering voor het overige in volgende mate gegrond; Veroordelen verweerder tot betaling aan eiseres van de som van tweehonderd achtenzeventigduizend en drie frank, meer de gerechtelijke intresten; Machtigen verweerder zich van deze
veroordeling te kwijten met maandelijkse stortingen gelijk aan het maximaal
toegelaten gedeelte van zijn loon of andere vergoedingen dat vatbaar is voor
beslag met evenwel een maximum van vijfduizend frank per maand en dit vanaf 15 november 1997; Laten de kosten van het geding, begroot
op vierduizend vijfhonderd vierenveertig frank, ten laste van eiseres.

aansprakelijkheid van de kredietbemiddelaar
leuren met krediet:

Vred. Berchem-Antwerpen, 5 januari 1999. Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2000, Volgnummer 3-4 Pagina 109


Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging en inzonderheid op de door de partijen genomen conclusies;

Wat reeds werd vermoed ter gelegenheid van het tussenvonnis waarbij de
persoonlijke verschijning van partijen werd bevolen, wordt thans ten overvloede bevestigd door de niet tegengesproken nota van verweerster waarbij het schuldoverzicht wordt opgesomd: tussen eind 1991 en half 1996 werd door verweerster bijna 3.000.000 BEF aan contracten afgesloten van persoonlijke leningen, kredietopeningen, lening op afbetaling enz. Bijzonder dramatisch is het jaar 1994 waarin alleen reeds ruim 1.270.000 BEF aan verbintenissen werd aangegaan (enkel de hoofdsom);

Uit de verklaring van verweerster is gebleken dat de door haar met de
rechtsvoorgangster van eiseres, de N.V. S., afgesloten lening bij verweerster
thuis werd geregeld en er alsdan weinig of niets werd gevraagd aangaande
bepaalde inlichtingen of andere schulden;

De artikelen 7 en 8 van de Wet op het consumentenkrediet verbieden het leuren voor kredietovereenkomsten en onder dit verbod valt onder meer het opbellen om een bezoek bij de consument voor te stellen. Dergelijk bezoek ten huize van de consument is derhalve enkel geoorloofd indien de kredietgever of -bemiddelaar aan de hand van een van de kredietovereenkomst onderscheiden geschrift, opgesteld vóór het bezoek, kan bewijzen dat de consument hem uitdrukkelijk om het bezoek verzocht heeft. Onder het leuren in de zin van artikel 7 van de Wet op het consumentenkrediet wordt niet enkel het bezoek ten huize van de consument met gelijktijdige sluiting van de kredietovereenkomst begrepen, doch ook het bezoek van een tussenpersoon
zonder voorafgaandelijke en schriftelijke vraag tot kredietsluiting valt
onder dergelijk verbod (zie Parl. St., Senaat, 1989-90, nr. 916/2, 67 en Mons,
16 januari 1997, T.B.H., 1997, 267 met noot TISON, N.);

In het dossier van eiseres is er geen enkele aanduiding aanwezig dat verweerster uitdrukkelijk het bezoek te haren huize van de kredietbemiddelaar in casu een zekere L., heeft gevraagd;

Gelet op de overduidelijke schuldenlast van verweerster en de op het eerste zicht onmogelijkheid om deze schuldenlast binnen aanvaardbare termijnen te bestrijden, dient men zich vragen te stellen over de alhier uitgevoerde verplichtingen van de kredietverstrekker, in casu de kredietbemiddelaar via dewelke de overeenkomst tot stand is gekomen;

De verplichting opgelegd door artikel 11 van de wetgeving op het consumentenkrediet wordt beschouwd als één van de essentiële bepalingen in de strijd van overmatige schuldenlast, onderwerp dat thans bijzonder actueel is en ondertussen aanleiding heeft gegeven tot een belangrijke wet;

Schuldoverlast vormt inderdaad een alsmaar groter wordende maatschappelijke zorg en één van de redenen hiervoor is het volstrekt banaal geworden krediet dat aan particulieren wordt verschaft. Men moet slechts de kranten en reclametijdschriften wekelijks nakijken om in één oogopslag inderdaad te constateren dat er blijkbaar kwistig met kredietverstrekking
wordt omgesprongen;

De onderzoeksplicht die wordt opgelegd aan de kredietgever is een informatieplicht en vereist dat de persoonlijke financiële situatie van de consument wordt onderzocht. Een kredietaanvraag door een insolvabele consument mag niet leiden tot een kredietaanbod want dit zou immers de doelstelling van de Wet op het consumentenkrediet volstrekt negeren, doelstelling die er precies in bestaat dat overmatige schuldenlast bij de consument wordt voorkomen;

Weliswaar heeft de wetgever een verplichte bron van informatie voorgesteld,
zijnde de centrale gegevensbank van de Nationale Bank van België doch het enkel consulteren van deze verplichte bron van informatie is een onvoldoende nakoming door de kredietgever van zijn onderzoeksplichten. Deze plichten zijn specifiek precontractueel te noemen zodat het niet-invullen ervan leidt tot aansprakelijkheid in hoofde van de kredietgever wanneer hij de solvabiliteit van de consument verkeerd heeft beoordeeld (zie BIQUET-MATHIEU, C., “Commentaire sommaire de la loi relative au crédit à la consommation”,
Act. Dr., 1993);

De informatieverplichting is weliswaar wederzijds omdat ook de kredietnemer
voorafgaandelijk het afsluiten van de overeenkomst bepaalde informaties
dient te verstrekken doch de kredietgever dient terzake een actieve rol te spelen terwijl de consument de passieve rol uitmaakt; Uit de combinatie van de wettelijke regelingen van de artikelen 10, 11 en 15 van de wetgeving op het consumentenkrediet valt deze actieve rol van de kredietgever inderdaad af te leiden;

In casu kan alhier aan de hand van het dossier met grote graad van zekerheid
vastgesteld worden dat de opgetreden bemiddelaar voornoemde plichten heeft verzuimd; Dit is overigens vrij logisch wanneer men bedenkt dat dergelijke bemiddelingspersoon zich door de ontrading of de afwijzing van het krediet in eigen vlees snijdt: hij handelt immers als zelfstandige en wordt onder meer vergoed telkens wanneer hij een afgesloten overeenkomst bij de financieringsmaatschappij binnenbrengt, onafgezien of deze overeenkomst al dan niet door de consument later op normale wijze wordt gehonoreerd;

Het sanctierecht van de rechter is door bedoelde wet vrij uitgebreid en aanzienlijk; Het komt ons voor dat verweerster dan ook enkel nog slechts dient te worden veroordeeld tot terugbetaling van het zuiver ontleende kapitaal terwijl zij het voordeel van de betaling in termijnen dient te behouden;
Als logisch gevolg van dit vonnis dient de ingestelde tegeneis toelaatbaar doch
ongegrond te worden verklaard;

[...].

De kredietbemiddelaar kan niet alleen voor zijn verantwoordelijkheid gesteld worden ten aanzien van de consument, maar ook ten aanzien van de kredietgever, wanneer deze laatste op grond van onvolledige of onjuiste informatie ingewonnen door de kredietbemiddelaar (kredietagent of kredietmakelaar) een niet afbetaalbaar of niet aangepast krediet toestaat.

Zie terzake RB. Brugge 24/06/02  RABG 2003/1 p. 20 met noot op p. 24.

Vred. Ronse  24.09.02 RABG 2003/I p. 25 Citibank/GM en DBM

Samenvatting:

Een kredietgever mag zich niet vergenoegen met het noteren van summiere gegevens. Hij dient deze gegevens op hun waarachtigheid na te zien. Hij dient na te zien of de laatste loonfiche voorligt en of de beweerde lage huur werkelijk zo laag is. Het louter inbrengen van medegedeelde gegevens is onvoldoende. Loongegevens en kosten van huur dienen nagezien.  De kredietgever dient bijzonder voorzichtig te zijn bij herfinanciering, waarbij het ene krediet wordt aangewend om een ander en vorig krediet terug te betalen. Een en ander moet voor de kredietgever een signaal voor dubbele voorzichtigheid zijn.

Aldus is de kredietgever tekortgekomen aan haar verplichtingen van art. 10 en 15 WCK, hetgeen haar aansprakelijkheid meebrengt en de sanctie van art. 92 WCK wettigt. Op grond hiervan worden de verplichtingen van de consument herleid tot de nominale leningsbedragen onder aftrek van de reeds betaalde sommen, overigens onder aftrek van de kosten van de schuldsaldoverzekering die samen met de lening bij de maatschappij Citilife werd aangegaan.

Vred. Leuven (2de kanton), 19 maart 2002. Consumentenkrediet - vervalsing van de handtekening van één van de beweerdelijk verbonden partijen - loonoverdracht - afwezigheid van handtekening van de beweerde overdrager - inwerkingstelling van loonoverdracht - aansprakelijkheid van kredietgever.
Tijdschrift Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.)
Jaargang 2003 Volgnummer 5 Pagina 220
 

Samenvatting

De kredietverlener die 1) aan een gezin een lening toestaat tot herfinanciering van een lening van de ouders en als medecontractant één uit het huis wonende zoon – waarvan de handtekening, geplaatst onder de kredietovereenkomst, later blijkt vervalst te zijn – betrekt zonder deze enig bedrag uit te betalen, zonder zijn identiteit te verifiëren, zonder informatie te hebben ingewonnen met betrekking tot zijn solvabiliteit, zonder vermelding in de kredietovereenkomst van de datum en plaats van contracteren, en die 2) voor de uitvoering gebruikmaakt van een niet ondertekende loonoverdracht, brengt zijn aansprakelijkheid in het gedrang.

Tekst van het vonnis:

... 1. In feite

Eiser heeft een kredietovereenkomst gesloten met eerste en tweede verweerder, een lening op afbetaling, op 23 augustus 1994 voor een bedrag van (650.000 BEF) 16.113,08 EUR, terug te betalen met 60 maandelijkse aflossingen van (14.620 BEF) 362,42 EUR vanaf 24 september 1994. Op 15 november 1996 werden verweerders in gebreke gesteld, het saldo opeisbaar gesteld, omdat de lening twee vervaldagen achterstallig was, juli en oktober 1996.

Eiser heeft afstand gedaan van haar rechtsvordering lastens derde verweerder, vordert verstek lastens eerste en tweede verweerders. Derde verweerder vordert schadevergoeding van eiser voor de schade geleden door de voorgehouden wanprestatie van eiser. 2. In rechte Overwegende dat eerste en tweede verweerder niet verschijnen, verstek kan verleend worden; [...]

Overwegende dat eiser afstand deed van haar vordering lastens derde verweerder, bij conclusie d.d. 24 augustus 2000, na kennisname van de besluiten van de schriftdeskundige aangesteld door de onderzoeksrechter en vaststelling dat het geschrift en de handtekening die voorkomen op de leningsakte niet van de hand van derde verweerder zijn.

Overwegende dat derde verweerder bij tegeneis schadevergoeding vordert lastens eiser, voor schade geleden ten gevolge van fouten van eiser als kredietverlener; dat derde verweerder eiser verwijt zich niet als een normaal redelijk en voorzichtig kredietverlener gedragen te hebben bij het sluiten van dit consumentenkrediet en bij de invordering ervan.

Overwegende dat vaststaat dat: 1. de handtekening en geschreven verklaring van derde verweerder op de leningsovereenkomst, die deze vordering tot grondslag dient, is vervalst; 2. geen enkele handtekening prijkt onder de loonoverdracht, die aanleiding gaf tot een procedure van loonoverdracht en verzet voor de bevoegde vrederechter; 3. de handtekening van derde verweerder ontbreekt op de borderel van uitbetaling d.d. 26 augustus 1994, enkel ondertekend door eerste verweerder en waaruit blijkt dat de ontleende (650.000 BEF) 16.113,08 EUR als volgt werden uitbetaald: - in contanten (205.202 BEF) 5.086,82 EUR - herfinanciering lening ...bank afgesloten door verweerders X en Y (444.798 BEF) 11.026,25 EUR (650.000 BEF) 16.113,08 EUR zodat derde verweerder niets heeft ontvangen.

Overwegende dat uit het dossier van eiser blijkt dat het door eerste en tweede verweerder afgesloten consumentenkrediet diende tot herfinanciering van een door hen voorheen afgesloten lening met als enige informatievraag rond derde verweerder een elektronische vraagstelling d.d. 24 augustus 1994, vermoedelijk bij de centrale gegevensbank van België; dat uit deze enige informatieopvraging blijkt dat geïnformeerd werd naar Z, in feite ..., ° 13 april 1966, waarna antwoord: negatief; dat de leningsovereenkomst zelf niet werd ingevuld door één van de consumenten – zoals voorzien – met datum, plaats en adres bij ondertekening, evenmin wordt door eiser voorgehouden dat derde verweerder een verzoek tot krediet heeft gericht, voorafgaand het aanbod. JURISPRUDENCE RECHTSPRAAK 222 – 2003 Overwegende dat een lening op afbetaling een kredietovereenkomst is waarbij geld of een ander betaalmiddel ter beschikking wordt gesteld van een consument, die zich ertoe verbindt de lening terug te betalen door periodieke stortingen; dat derde verweerder in concreto niets ter beschikking werd gesteld, terwijl de gemachtigde van eiser op 5 mei 1997 heeft verklaard dat derde verweerder medecontractant was en geen borg, normaal aanwezig bij het contracteren te Brussel, Muntplein op 26 augustus 1994 (zie strafdossier, stuk 22 dossier derde verweerder); dat eiser in haar dagvaarding stelt dat het krediet op 23 augustus 1994 werd toegestaan, maar datum en plaats van contracteren blijken niet uit de geschreven overeenkomst.

Overwegende dat eiser zich niet als een normaal, redelijk en voorzichtig kredietverstrekker heeft gedragen; dat de kredietverlener slechts tot voorlegging van een kredietaanbod mag overgaan wanneer hij redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst na te komen; dat noch het nazicht van de identiteit van de contractant noch de minste informatie naar de kredietwaardigheid van derde verweerder voorligt bij afwezigheid van aanvraag van krediet, voorafgaand het aanbod van krediet; dat eiser ten onrechte stelt dat artikel 10 Wet op het consumentenkrediet enkel een informatieplicht inhoudt voor de consument terwijl het kennelijk de bedoeling van de wetgever was op de kredietverlener een actieve informatieplicht te leggen met betrekking tot de solvabiliteit bij het verlenen van krediet, en evident hieraan onderliggend de identiteit van de kredietconsument.

Overwegende dat de materiële overtreding van een wets- of verordeningsbepaling op zichzelf een fout uitmaakt die leidt tot strafrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de dader, mits die overtreding willens en wetens is begaan; dat de kredietverlener die aan een gezin een lening toestaat tot herfinanciering van een lening van de ouders en als medecontractant één uit het huis wonende zoon betrekt zonder deze 1 euro uit te betalen, zonder vraag zijnerzijds tot kredietverlening, zonder vermelding datum en plaats van contracteren, gebruikmakend voor de uitvoering van een niet ondertekende loonoverdracht en met als enig onderzoek een elektronische opvraging in de centrale gegevensbank van de Nationale Bank, een inbreuk pleegt op artikel 15 Wet op het consumentenkrediet en derhalve een fout in de zin van artikel 1382 en 1383 B.W.; dat eiser bij de invordering op 27 december 1996 is overgegaan tot kennisgeving van een niet ondertekende loonoverdracht, waarna bewarend beslag onder derden op 28 februari 1997, opnieuw bij de werkgever van derde verweerder, zonder voorafgaande machtiging, waarna verstekvonnis d.d. 13 mei 1997 met opheffing van dit beslag en veroordeling van eiser tot (30.000 BEF) 743,68 EUR, wegens lichtzinnig beslag; dat het verzet ingesteld tegen voormeld verstekvonnis door eiser nog steeds hangend is en derde verweerder nog steeds in het bestand van de Nationale Bank geregistreerd staat op melding van eiser als slechte betaler.

Overwegende dat eiser de hoegrootheid van de door derde verweerder geleden schade betwist en oordeelt dat de enige oorzaak de schriftvervalser is die onbekend is gebleven terwijl zonder de fout van eiser, de door derde verweerder geleden schade niet was ontstaan; dat eiser verder weinig verweer voert en vooral de berekening van de schade tot in 2021 buitensporig acht terwijl uit algemene bron vernomen blijkt dat de zeer lage intrest, gekend onder meer in de periode Batibouw, zich de laatste 15 jaar niet heeft voorgedaan zodat in waarschijnlijkheid, deze of een voor de consument gunstiger toestand zich niet zal voordoen vóór 2021; dat eiser overigens best geplaatst is om cijfermateriaal en statistische gegevens aan te brengen waaruit het tegendeel zou blijken, wat eiser in concreto niet levert.

Overwegende dat derde verweerder de geleden schade als volgt begroot: - morele schadevergoeding: (100.000 BEF) 2.478,94 EUR met de vergoedende intresten vanaf 27 december 1996; - kosten klacht met burgerlijkepartijstelling: (5.000 BEF) 123,95 EUR (61.016 BEF) 1.512,55 EUR; - intresten: * verschil door afwijzing herziening hypothecaire lening (1.663.830 BEF) of 41.245,27 EUR; * gederfde intresten (454.865 BEF) of 11.275,81 EUR; dat de vordering kan toegekend worden. OM DEZE REDENEN, Wij, Vrederechter van het tweede kanton Leuven, recht doende op tegenspraak lastens derde verweerder, verstek lastens eerste en tweede verweerder. Verklaren de vordering ontvankelijk en gegrond, als volgt. 1. Geven akte, afstand van vordering in hoofde eiser lastens derde verweerder. 2. Hoofd- en tegenvordering ontvankelijk, de hoofdvordering enkel gegrond lastens eerste en tweede verweerder, tegenvordering gegrond. 3. Veroordelen eerste en tweede verweerder om te betalen eiser (549.010 BEF) 13.609,60 EUR meer de wettelijke intresten aan 9,51 % jaar vanaf 22 mei 1997 tot heden, aansluitend de gerechtelijke intresten vanaf heden. Veroordelen eiser om te betalen aan derde verweerder: 1. de som van (100.000 BEF) 2.478,94 EUR als morele schadevergoeding meer de vergoedende intresten vanaf 27 december 1996, datum waarop de loonoverdracht aan de werkgever van besluiter werd betekend en gerechtelijke intresten; 2. de som van (5.000 BEF) 123,95 EUR uit hoofde van kosten betaald bij de klacht met burgerlijkepartijstelling meer ververgoedende intresten sedert 18 september 1997, datum der betaling en gerechtelijke intresten;
3. de som van (1.663.830 BEF) 41.245,27 EUR als intrestenverschil uit hoofde van het niet kunnen bekomen van een herziening van zijn hypothecaire lening;
4. de som van (454.865 BEF) 11.275,81 EUR uit hoofde van gederfde intresten
op het intrestenvoordeel;
5. de som van (61.016 BEF) 1.512,55 EUR uit hoofde van saldo voor gerechtskosten van het schriftonderzoek, meer vergoedende intresten sedert 31 januari 2001, datum der betaling en gerechtelijke intresten.

Veroordelen eerste en tweede verweerder tot de kosten van het geding tot heden begroot in hoofde van eerste en tweede op:
277,22 EUR voor dagvaarding en rolstelling; 163,61 EUR rechtsplegingsvergoeding. Veroordelen eiser tot de kosten begroot in hoofde van derde verweerder, heden: 327,22 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Vred. Sint-Niklaas (2de kanton), 6 augustus 2004. Tijdschrift van de Vrederechters (T. Vred.)  Jaargang 2006  Volgnummer 1-2  Pagina 32  met noot.
...

3.3.9. Volgens de kredietaanvraag (stuk1 eiser) was eiser op de hoogte van reeds bestaande kredieten van verweerder.Op de eerste bladzijde staat op de twee lijnen boven de klantgegevens van deechtgeno(o)t(e):
“Zijn er bestaande kredieten? Ja.
Nr. over te nemen AH kred. 1: ...”.
De afkorting “AH” schijnt te verwijzen naar ANHYP, en ook het nummer, beginnend met 772, wijst in dezelfde richting. Het volledige nummer stemt overeen met het nummer 772-... van de kredietovereenkomst die door de huidige kredietovereenkomst werd terugbetaald
(stukken 22 en 23 eiser).
De vermelding, op de tweede bladzijde, onder de gegevens betreffende het aangevraagde krediet, van het doel van het krediet: “Verbouwing zonder uitbreiding woning”, lijkt dan – zoals dikwijls gebeurt– een drogreden.
Gevolg gevend aan de sommatie van verweerder legt eiser nu het uitbetalingsbewijs van die lening voor. Het betreft echter het totaal terug te betalen saldo,onder aftrok van een korting. Daarmee kan niet uitgemaakt worden of met het nieuwe krediet niet ten onrechte verwijlrente,
vergoedingen en kosten van het oude krediet werden betaald.
Het voorgaande laat toe aan te nemendat eiser niet voldaan heeft aan de verplichtingen van artikel 11 CKW, namelijk het verschaffen van de vereiste informatieen vooral het zoeken van het best aangepaste krediet, rekening houdend met de financiële toestand van verweerderop dat ogenblik.
Dit wordt gesanctioneerd door artikel 92 lid 1, 1° en lid 2 CKW: ontslag van
het geheel of een gedeelte van de nalatigheidsintresten en vermindering van
de verplichtingen tot het ontleende bedrag, met behoud van het voordeel van
de betaling in termijnen.

3.3.10. Alvast de hierboven (nrs. 3.3.6. en 3.3.9.) vermelde niet-naleving van de verplichtingen van de kredietgever verantwoordt de sancties van de artikelen 86 en 92 CKW, namelijk de vermindering van de verplichtingen van verweerder tot het saldo van het ontleende bedrag, met behoud van het voordeel van de betaling in termijnen.
[...]
 

Vredegerecht van het eerste kanton Kortrijk Rolnummer : 07A353  

VONNIS

Op de openbare terechtzitting van woensdag, zes februari tweeduizend en acht van het Vredegerecht van het eerste kanton Kortrijk, wordt door Paul VANCRAEYVELDT, vrederechter bijgestaan door Greta LAMSRECHT, griffier, het volgende vonnis uitgesproken:

INZAKE :

F.NV, EISERES

tegen:

1. D.

2. V. VERWEERDERS, hebbende als raadsman Mr. Elfri DE NEVE, advocaat te 9700 :OUDENAARDE, Stationsstraat 29, suo loco Mr. Ann MESSELIER, advocaat te 8500 KORTRIJK.

 

1. RECHTSPLEGING:

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding die regelmatig werd betekend aan verweerders op 28 februari 2007.

De raadslieden van partijen hebben de zaak in openbare terechtzitting van 23 januari 2008 uiteengezet en kennis werd genomen van het dossier van rechtspleging en van de door beide partijen overgelegde stukken.

De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.

2. DE VORDERING{EN):

De vorderingen zijn onderworpen aan de wetgeving op het consumenten­krediet (wet van 12 juni 1991) en de wet op de bescherming van het loon (wet van 12.04.1965).

 

Eiseres die de schuldvordering van de nv S. heeft overgenomen vordert:

-          de hoofdelijke veroordeling van verweerders om haar te betalen de som van 13.996,60 euro, meer de nalatigheidsintresten vanaf 20 januari 2000 tot op datum van dagvaarding aan 8,l2 % en meer de gerechtelijke intresten vanaf 28 februari 2007;

-          te zeggen voor recht dat de som van 1.521,09 euro in mindering mag gebracht worden van voorgaand geheel;

-          te zeggen voor recht dat het verzet tegen de nv M. en aan de RVA voor bovenvermelde bedragen niet ontvankelijk minstens ongegrond is;

-          te zeggen voor recht dat dient gehandeld te worden overeenkomstig de wet op de bescherming van het loon, meer in het bijzonder art. 31 inzake kennisgevingen te verrichten aan de voormelde nv M. en de RVA;

verweerders hoofdelijk te veroordelen tot de gerechtskosten.

3. RELEVANTE GEGEVENS:

Verweerders verbonden zich hoofdelijk bij overeenkomst van 9 maart 1999 ten aanzien de nv S. tot een persoonlijke lening op afbetaling voor een nominaal bedrag van 11.155;21 euro -(450.000 BEF).

Dit bedrag werd terugbetaalbaar gesteld in 60 maandelijkse afkortingen van 244,70 euro.

De eerste vervaldag werd bepaald op 15 april 1999.

Verweerders hadden reeds een krediet lopen bij S. met saldo van 8.435,82 euro (340.300 BEF).

Bij afzonderlijke overeenkomst ondertekenden verweerders een akte van overdracht van loon en vergoedingen.

De bemiddelaar was ene bvba M. te Anwerpen. Eerste verweerder werkte bij H.in Lauwe terwijl tweede verweerster bij de nv V. in Marke werkte.

Inmiddels werd nv S. overgenomen door de nv R. en heeft laatstgenoemde bij aangetekende brief van 16 december 1999 verweerders in gebreke gesteld om de opgelopen achterstand aan te zuiveren.

Bij aangetekende brief van 05 januari 2000 werd het voornemen van nv R. tot loonsoverdracht betekend aan de firma V.en de RVA

In aansluiting hierop liet de nv R. per brief van 20 januari 2000 de loonsoverdracht bij de werkgever nv V. en de RVA uitvoering krijgen.

Het ging dan om de recuperatie van 591.504 BEF.

Verzet werd aangetekend door eerste en tweede verweerders op 21 november 2002 en 26 september 2000.

Uit de verzetakten kan onbetwistbaar vastgesteld worden  dat het, echtpaar Devolder aankeken tegen een berg schulden bij Sodefina, Cofidis, Centea, Finaref, Europabank, Krefima, Euler etc...

Op 30 maart 2000 werd de schuldvordering van de nv R. overgenomen door eiseres. Die overdracht werd conform de wet op het consumentenkrediet betekend aan beide verweerders.

Eiseres stelt dat sinds oktober 2000 geen betalingen meer voldaan werden... De dagvaarding werd slechts zes á zeven jaar later betekend.

4. BEOORDELING:

- Omtrent het instellen van de vordering ten gronde en een vordering tot bekrachtiging loonsoverdracht in één en hetzelfde exploot.

Volgens verweerders is die vordering onontvankelijk en ontoelaatbaar door strijdigheid van de aanleg waarin de onderscheiden vorderingen dienen behandeld.

Het is echter ondermeer proces-economisch wenselijk dat beide vorderingen samen worden behandeld en dit in het belang van de kredietverstrekker als van de consument en om onverenigbare oplossingen te vermijden.

De ene vordering is een accessorium van de andere.

De loonsoverdracht is een accessorium van de kredietovereenkomst nl. een uitvoeringsmodaliteit ervan.

Er is wel een probleem van aanleg (loonsoverdracht-laatste aanleg). Daarom wordt de behandeling van de zaak in zoverre ze betrekking heeft op de loonoverdracht, opgeschort totdat een definitieve beslissing is tussengekomen inzake de leningovereenkomst.

De vordering is dan ook in die zin ontvankelijk.

Omtrent het bodemgeschil (vordering op grond van het W.C.K.)

Het: contract is niet conform aan de wet op het consumentenkrediet. (W.C.K.). Er zijn diverse schendingen van de bepalingen in de wet op het consumentenkrediet.

De vordering moet herleid worden tot het saldo van ontleend kapitaal met afbetalingstermijnen.

De kredietgever leefde art. 14§4 2e lid WCK niet na:

Art. 14§4 2° WCK schrijft voor dat het kredietaanbod in de vorm van een afzonderlijk lid in dikke letters en in een ander lettertype de vermelding "onderteken nooit in een blanco contract" moet bevatten. Er is geen ander lettertype te bespeuren.

Maar er is meer: ook art. 11 en 15 WCK werden geschonden.

Eiseres legt geen enkel bewijs voor dat zij voldoende ernstige informatie had genomen vooraleer het krediet toe te staan.

Art. 15 WCK legt aan de kredietgever de verplichting op ondermeer de centrale gegevensbank van de Nationale Bank van België belast met de registratie van de wanbetalingen voortvloeiend uit de overeenkomsten die onder toepassing van het WCK vallen te raadplegen.

S. schoot tekort in haar opgelegde informatiewinning en -garing. Ook de familiale toestand werd niet onderzocht: in het gezin waren ook twee dochters en kleindochter.

In toepassing van art. 10 WCK diende Sodefina een actieve onderzoeksverplichting aangaande de vermogensrechtelijke, financiële en economische situatie van verweerders na te komen.

Geen enkel stuk wordt voorgelegd waaruit eiseres haar actieve onderzoeksverplichting is nagekomen.

Zeer eigenaardig komt voor het toestaan van een lening van zomaar 11.155,21 euro om een vorige lopende lening bij dezelfde vennootschap op te vangen.

Ten aanzien van die hangende lening op afbetaling van 300.000 BEF was in hoofde van de kredietverstrekker (S) een verhoogde waakzaamheid en een scherpe naleving van de informatieplicht geboden.


Bij het verzet tegen de loonsoverdracht komt dan de cascade van leningen door verweerders gesloten aan het daglicht.

S. die zich bewoog of beweegt in de secundaire kredietmarkt had haar klanten (eerste lening) moeten beschermen tegen zichzelf. Het resultaat van die ongebreidelde kredietverstrekking liet zich kennen.

Uit de rechtspraak blijkt ook dat de kredietgever zijn aansprakelijkheid in het gedrang brengt wanneer het bedrag van de nieuwe lening hoger is dat hetgeen noodzakelijk is om het bestaande krediet terug te betalen. Dit wijst op een negatieve schuldenspiraal. (R. Steennot/Overzicht rechtspraak consumentenbescherming (1998-

2002)TPR 2004,1918-1919).

Aldus is de kredietgever tekort gekomen aan haar verplichtingen hetgeen de sanctie van art. 92 W.C.K. wettigt.

Op grond hiervan worden de verplichtingen van de consument herleid tot de nominale leningsbedragen onder aftrek van de reeds betaalde sommen en met behoud van het voordeel van de betaling in termijnen.

Grotendeels heeft eiseres haar rente ook verbeurd door jaren te wachten om de vordering in te stellen...

Omtrent de rente wordt toepassing gemaakt van de art. 1153 BW . Er is alleen maar de gerechtelijke rente aan wettelijke rentevoet aan te rekenen nu eiseres zes tot zeven jaar niets ondernam.

OP DIE GRONDEN, DE VREDERECHTER,

Wijzende op tegenspraak,

Verklaart de vorderingen ontvankelijk,

Willigt de vordering omtrent de lening op afbetaling als

volgt in:

Veroordeelt verweerders hoofdelijk om aan eiseres te betalen het debetsaldo van NEGENDUIZEND ZESHONDERD VIERENDERTIG EURO TWAALF CENT (9.634,12 EUR), meer de gerechtelijke rente aan wettelijke rentevoet vanaf 28 februari 2007.

Laat verweerders toe bovenvermeld bedrag af te korten met TWEEHONDERD VIJFTIG EURO (250,00 EUR) per maand vanaf 1 maart 2008 en telkens tegen de eerste van de daaropvolgende maand.

De niet betaling op de vervaldag van een maandelijkse afkorting brengt van rechtswege en zonder ingebrekestelling de totaliteit ineens opeisbaar.

Verwijst de vordering omtrent de wet op bescherming van het loon en bekrachtiging van loonsoverdracht naar de rol.

Kosten aangehouden.

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


 

 

© copyright Elfri De Neve 1984-2005
δ disclaimer


www.elfri.be
elfri@elfri.be
 

Advocatenkantoor Elfri De Neve
Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde

voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03

Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 17:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.