-A +A

aansprakelijkheid van de kredietgever bij het plaatsen van een valse handtekening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend


Vred. Leuven (2de kanton),19 maart 2002. Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2003, Volgnummer 5, Pagina 220

De kredietverlener die

een lening toekent aan ouders tot herfinanciering vorig krediet  en als medecontractant één uit het huis wonende zoon aanvaardt zonder dat deze ontleende sommen ontvangt, zonder zijn identiteit na te gaan, zonder aldus vast te stellen dat de handtekening geplaatst onder de kredietovereenkomst "door de zoon" vervalst werd, zonder informatie te hebben ingewonnen met betrekking tot zijn solvabiliteit, zonder vermelding in de kredietovereenkomst van de datum en plaats van contracteren, en die voor de uitvoering van de overeenkomst dan nog gebruikmaakt van een niet ondertekende loonoverdracht, brengt zijn aansprakelijkheid in het gedrang.

1. In feite
Eiser heeft een kredietovereenkomst gesloten met eerste en tweede verweerder, een lening op afbetaling, op 23 augustus 1994 voor een bedrag van (650.000 BEF) 16.113,08 EUR, terug te betalen met 60 maandelijkse aflossingen van (14.620 BEF) 362,42 EUR vanaf 24 september 1994.

Op 15 november 1996 werden verweerders in gebreke gesteld, het saldo opeisbaar gesteld, omdat de lening twee vervaldagen achterstallig was, juli en oktober 1996.

Eiser heeft afstand gedaan van haar rechtsvordering lastens derde verweerder,
vordert verstek lastens eerste en tweede verweerders. Derde verweerder
vordert schadevergoeding van eiser voor de schade geleden door de voorgehouden wanprestatie van eiser.

2. In rechte
Overwegende dat eerste en tweede verweerder niet verschijnen, verstek kan
verleend worden;

Overwegende dat eiser afstand deed van haar vordering lastens derde verweerder, bij conclusie d.d. 24 augustus 2000, na kennisname van de besluiten van de schriftdeskundige aangesteld door de onderzoeksrechter en vaststelling dat het geschrift en de handtekening die voorkomen op de leningsakte niet van de hand van derde verweerder zijn.

Overwegende dat derde verweerder bij tegeneis schadevergoeding vordert
lastens eiser, voor schade geleden ten gevolge van fouten van eiser als kredietverlener;

dat derde verweerder eiser verwijt zich niet als een normaal redelijk en voorzichtig kredietverlener gedragen te hebben bij het sluiten van dit consumentenkrediet en bij de invordering ervan.

Overwegende dat vaststaat dat:

1. de handtekening en geschreven verklaring van derde verweerder op de leningsovereenkomst, die deze vordering tot grondslag dient, is vervalst;

2. geen enkele handtekening prijkt onder de loonoverdracht, die aanleiding
gaf tot een procedure van loonoverdracht en verzet voor de bevoegde vrederechter;

3. de handtekening van derde verweerder ontbreekt op de borderel van uitbetaling d.d. 26 augustus 1994, enkel ondertekend door eerste verweerder en waaruit blijkt dat de ontleende (650.000 BEF) 16.113,08 EUR als volgt werden uitbetaald:

- in contanten (205.202 BEF) 5.086,82 EUR
- herfinanciering lening ...bank afgesloten door verweerders X en Y (444.798 BEF) 11.026,25 EUR (650.000 BEF) 16.113,08 EUR zodat derde verweerder niets heeft ontvangen.

Overwegende dat uit het dossier van eiser blijkt dat het door eerste en tweede
verweerder afgesloten consumentenkrediet diende tot herfinanciering van een
door hen voorheen afgesloten lening met als enige informatievraag rond derde
verweerder een elektronische vraagstelling d.d. 24 augustus 1994, vermoedelijk
bij de centrale gegevensbank van België;

dat uit deze enige informatieopvraging blijkt dat geïnformeerd werd naar Z,
in feite ..., ° 13 april 1966, waarna antwoord:negatief;

dat de leningsovereenkomst zelf niet werd ingevuld door één van de consumenten – zoals voorzien – met datum, plaats en adres bij ondertekening, evenmin wordt door eiser voorgehouden dat derde verweerder een verzoek tot krediet heeft gericht, voorafgaand het aanbod.

Overwegende dat een lening op afbetaling een kredietovereenkomst is waarbij
geld of een ander betaalmiddel ter beschikking wordt gesteld van een consument, die zich ertoe verbindt de lening terug te betalen door periodieke stortingen;

dat derde verweerder in concreto niets ter beschikking werd gesteld, terwijl de
gemachtigde van eiser op 5 mei 1997 heeft verklaard dat derde verweerder
medecontractant was en geen borg, normaal aanwezig bij het contracteren te
Brussel, Muntplein op 26 augustus 1994 (zie strafdossier, stuk 22 dossier derde
verweerder);

dat eiser in haar dagvaarding stelt dat het krediet op 23 augustus 1994 werd
toegestaan, maar datum en plaats van contracteren blijken niet uit de geschreven overeenkomst.

Overwegende dat eiser zich niet als een normaal, redelijk en voorzichtig kredietverstrekker heeft gedragen; dat de kredietverlener slechts tot voorleggingvan een kredietaanbod mag overgaan wanneer hij redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst na te komen;

dat noch het nazicht van de identiteit van de contractant noch de minste informatie naar de kredietwaardigheid van derde verweerder voorligt bij afwezigheid van aanvraag van krediet, voorafgaand het aanbod van krediet;

dat eiser ten onrechte stelt dat artikel 10 Wet op het consumentenkrediet enkel een informatieplicht inhoudt voor de consument terwijl het kennelijk de bedoeling van de wetgever was op de kredietverlener een actieve informatieplicht te leggen met betrekking tot de solvabiliteit bij het verlenen van krediet, en evident hieraan onderliggend de identiteit van de kredietconsument.

Overwegende dat de materiële overtreding van een wets- of verordeningsbepaling op zichzelf een fout uitmaakt die leidt tot strafrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de dader, mits die overtreding willens en wetens is begaan;

dat de kredietverlener die aan een gezin een lening toestaat tot herfinanciering
van een lening van de ouders en als medecontractant één uit het huis wonende zoon betrekt zonder deze 1 euro uit te betalen, zonder vraag zijnerzijds tot kredietverlening, zonder vermelding datum en plaats van contracteren, gebruikmakend voor de uitvoering van een niet
ondertekende loonoverdracht en met als enig onderzoek een elektronische opvraging in de centrale gegevensbank van de Nationale Bank, een inbreuk pleegt op artikel 15 Wet op het consumentenkrediet en derhalve een fout in de zin van artikel 1382 en 1383 B.W.;

dat eiser bij de invordering op 27 december 1996 is overgegaan tot kennisgeving van een niet ondertekende loonoverdracht, waarna bewarend beslag onder derden op 28 februari 1997, opnieuw bij de werkgever van derde verweerder, zonder voorafgaande machtiging, waarna verstekvonnis d.d. 13 mei 1997 met opheffing van dit beslag en veroordeling van eiser tot (30.000 BEF) 743,68 EUR, wegens lichtzinnig beslag;

dat het verzet ingesteld tegen voormeld verstekvonnis door eiser nog steeds hangend is en derde verweerder nog steeds in het bestand van de Nationale Bank geregistreerd staat op melding van eiser als slechte betaler.

Overwegende dat eiser de hoegrootheid van de door derde verweerder geleden
schade betwist en oordeelt dat de enige oorzaak de schriftvervalser is die onbekend is gebleven terwijl zonder de fout van eiser, de door derde verweerder geleden schade niet was ontstaan;

dat eiser verder weinig verweer voert en  vooral de berekening van de schade tot in 2021 buitensporig acht terwijl uit algemene bron vernomen blijkt dat de zeer lage intrest, gekend onder meer in de periode Batibouw, zich de laatste 15 jaar niet heeft voorgedaan zodat in waarschijnlijkheid, deze of een voor de consument gunstiger toestand zich niet zal voordoen vóór 2021;
dat eiser overigens best geplaatst is om cijfermateriaal en statistische gegevens aan te brengen waaruit het tegendeel zou blijken, wat eiser in concreto niet levert.

Overwegende dat derde verweerder de geleden schade als volgt begroot:
- morele schadevergoeding: (100.000 BEF) 2.478,94 EUR met de vergoedende intresten vanaf 27 december 1996; - kosten klacht met burgerlijkepartijstelling:
(5.000 BEF) 123,95 EUR (61.016 BEF) 1.512,55 EUR;
- intresten:
* verschil door afwijzing herziening  hypothecaire lening (1.663.830 BEF)
of 41.245,27 EUR; * gederfde intresten (454.865 BEF) of 11.275,81 EUR;
dat de vordering kan toegekend worden.

OM DEZE REDENEN,
Wij, Vrederechter van het tweede kanton Leuven, recht doende op tegenspraak lastens derde verweerder, verstek lastens eerste en tweede verweerder.

Verklaren de vordering ontvankelijk en gegrond, als volgt.
1. Geven akte, afstand van vordering in hoofde eiser lastens derde verweerder.
2. Hoofd- en tegenvordering ontvankelijk, de hoofdvordering enkel gegrond
lastens eerste en tweede verweerder, tegenvordering gegrond.
3. Veroordelen eerste en tweede verweerder om te betalen eiser (549.010 BEF) 13.609,60 EUR meer de wettelijke intresten aan 9,51 % jaar vanaf 22 mei 1997 tot heden, aansluitend de gerechtelijke intresten vanaf heden.

Veroordelen eiser om te betalen aan derde verweerder:
1. de som van (100.000 BEF) 2.478,94 EUR als morele schadevergoeding meer
de vergoedende intresten vanaf 27 december 1996, datum waarop de loonoverdracht aan de werkgever van besluiter werd betekend en gerechtelijke intresten;
2. de som van (5.000 BEF) 123,95 EUR uit hoofde van kosten betaald bij de klacht met burgerlijkepartijstelling meer vergoedende intresten sedert 18 september 1997, datum der betaling en gerechtelijke intresten;
3. de som van (1.663.830 BEF) 41.245,27 EUR als intrestenverschil uit hoofde van het niet kunnen bekomen van een herziening van zijn hypothecaire lening;
4. de som van (454.865 BEF) 11.275,81 EUR uit hoofde van gederfde intresten
op het intrestenvoordeel;
5. de som van (61.016 BEF) 1.512,55 EUR uit hoofde van saldo voor gerechtskosten van het schriftonderzoek, meer vergoedende intresten sedert 31 januari 2001, datum der betaling en gerechtelijke intresten.
Veroordelen eerste en tweede verweerder tot de kosten van het geding tot heden begroot in hoofde van eerste en tweede op: 277,22 EUR voor dagvaarding en rolstelling; 163,61 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Veroordelen eiser tot de kosten begroot in hoofde van derde verweerder, heden: 327,22 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:17
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.