-A +A

aansprakelijkheid van de kredietgever die niet vooraf informeert naar de reden van het krediet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

niet gepubliceerde rechtspraak:

VONNIS

Op de openbare terechtzitting van donderdag, acht juni tweeduizend en zes in de gerechtszaal van het Vredegerecht van het tiende kanton ANTWERPEN, werd het volgende vonnis uitgesproken :

INZAKE AR 05A629:

 

FIDUCRÉ  eisende partij

TEGEN :          

A.L.& R.S vertegenwoordigd door mr Elfri De Neve, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Stationstraat 29

verwerende partij

Gelet op de dagvaarding d.d. 8 juni 2005, geregistreerd, waarvan de bewoordingen hierbij als herhaald worden aanzien en waarin de vordering wordt omschreven.

…

Eiseres bewijst thans wei degelijk dat het ontleend bedrag onder aftrok van de premie voor de schuldsaldoverzekering integraal aan verweerders werd uitbetaald en zij voor ontvangst hebben getekend zodat moet worden besloten dat eiseres zelf alleszins geen betalingen aan derde schuldeisers heeft betaald.

Zij blijft evenwel ingebreke ons een afdoende en aanvaardbare verklaring te geven voor het feit dat op het kredietaanbod als bestemming voor de gelden werd vermeld "niet van toepassing",                                                    :

Dat geen goed of een dienst moest worden gefinancierd is geen verklaring, integendeel, het bewijst dat eiseres alleszins wist dat de gelden niet bestemd waren voor de aankoop van een goed en gezien het doorsnee cliënteel van andere kredietverstrekkers dan banken bestaat uit consumenten die niet bij een andere bank terecht kunnen omdat ze daar wei het onderste-uit-de-kan-informatie eisen is de vraag naar de bestemming meer dan noodzakelijk.

Zo art. 14§3, 7° van de wet in casu niet van toepassing zou zijn dan nog heeft een professionele kredietverstrekker de plicht om naar de bestemming van het krediet te vragen en begaat hij een beroepsfout of ten minste een ernstige onzorgvuldigheid met dit niet te doen want als de lening niet wordt gevraagd voor de aankoop van een goed of de levering van een dienst waar dient ze dan wel voor?

Art. 15 van de WCK legt immers de kredietgever de verplichting op om na te gaan of de consument wel in staat is zijn verbintenis na te leven gelet op de gegevens waarover hij beschikt "of zou moeten beschikken" en voormelde informatie behoort tot deze gegevens.

dat eiseres nu, althans "officieel", weet welke leningen verweerder nog lopen had hem verwijt op roekeloze en lichtzinnige manier er een gewoonte van maken verschillende kredieten aan te gaan is terecht en wij sluiten ons daarbij volkomen aan maar het is precies met de wet op het consumentenkrediet de bedoeling van de wetgever geweest om dergelijke mensen te beschermen en de kredietverstrëkkers té verplichten ernstige voorzorgsmaatregelen te treffen.

Eiseres heeft dan ook de art. 14 en 15 van de WCK geschonden en de sanctie die de wet hiervoor voorziet in art. 92 is het ontslaan van verweerders van de intresten en de herleiding tot de prijs bij contante betaling, in casu de hoofdsom.

Ten overvloede moeten wij vaststellen dat waar verweerders reeds in gebreke bleven en eiseres de overeenkomst opzegde op 26.8.1996 zij slechts overging tot dagvaarding op 8.6.2005 of negen jaar later terwijl 18,05 intresten liepen wat bewijst dat eiseres er meer belang bij heeft dat de consument zijn verbintenis niet naleeft dan wel nu zij meer intresten kan innen dan de wettelijke.

De vordering is dan pok slechts gegrond ten belope van 226.000 oude Bfr (thans 5.602,39 Ëur) min de reeds gedane afbetalingen zoals vermeld in de inleidende dagvaarding ad 1.259,26 hetzij voor 4.343,13 Eur meer de gerechtelijke intresten en de kosten.

Gelet op de slechte pecuniaire toestand van partijen dienen zij toegelaten hun veroordeling af te betalen met 250 Eur per maand vanaf 1 5 juli a.s. waarbij het saldo in eenmaal opeisbaar wordt bij de eerste ingebreke blijven deze verplichting na te komen zodat loonbeslag automatisch kan worden uitgevoerd en de vordering desbetreffend (AR 05A632) zonder voorwerp, is geworden.

OM DEZE REDENEN :

De Vrederechter vonnissende in voortzetting van de beslissing van 9 maart 2006, in eerste aanleg en op tegenspraak.

veroordeelt verwerende partij solidair om aan eisende partij te betalen de som van vierduizend driehonderd drieënveertig EUR dertien cent.

Veroordeelt verwerende partij tevens solidair tot de gerechtelijke intresten en in de kosten, deze laatste tot heden begroot op tweehonderd en zeven EUR negentien cent en een rechtsplegingsvergoeding van driehonderd vierenzestig EUR veertig cent.

Laat verwerende partij toe zich van het bedrag van deze veroordelingen te kwijten bij middel van afbetalingen van tweehonderd vijftig EUR per maand, draagbaar, waarvan de eerste vastgesteld is op 15 juli 2006 en verder telkens de vijftiende van de maand.

Zegt dat bij niet betaling op de gestelde vervaldag het verschuldigd blijvend saldo onmiddellijk opeisbaar zal worden zonder voorafgaande aanmaning.

Wijst het meergevorderde af als ongegrond.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:17
Laatst aangepast op: wo, 11/10/2017 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.