-A +A

Aansprakelijkheid van de overheid door niet uitvoering van de wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Beroepsvereniging R.O.B. en vzw I.A.O. t/ Belgische Staat, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

1. Voorstelling van eisende partijen

1.1. R.O.B.

1. De beroepsvereniging R.O.B. is een in het raam van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen door de Raad van State erkende beroepsvereniging. Zij richt zich tot de beoefenaren van de osteopathie die werkzaam zijn op het volledig Belgisch grondgebied.

2. Overeenkomstig art. 3, § 1, van zijn statuten heeft het R.O.B. tot doel: «het invoeren en onderhouden van normen voor opleiding in osteopathie, voor de bescherming en als nut voor het publiek; bevorderen, helpen, goedkeuren, medewerken aan, de eenheid of de samenwerking regelen met universiteiten, faculteiten, opleidingen, ziekenhuizen, klinieken of andere osteopathische organisaties, instellingen of inrichtingen welke voldoen aan de normen van het register voor wat betreft osteopathische opleiding, onderzoek of praktijk; een register bij te houden van personen die bekwaam zijn osteopathie te beoefenen conform de normen van het register en deze personen de toestemming geven de initialen van lidmaatschap van het register achter hun naam te gebruiken (M.R.O.B.); in het belang van het publiek toezicht te houden op het naleven van de deontologische code en het professioneel gedrag van de leden (als de raad van bestuur van mening is dat een lid de normen overschreden heeft, kan hij dit lid berispen, beboeten, intrekken of opschorten van de registratie en schrappen uit het register); de vooruitgang van de geneeskunde en specifiek van de osteopathie kenbaar maken en de vakkennis van zijn leden verbeteren door het aanmoedigen van de postgraduate opleiding».

3. Het R.O.B. werd bij KB van 10 februari 2003 houdende erkenning van beroepsorganisaties van beoefenaars van een niet-conventionele praktijk of van een praktijk die in aanmerking kan komen om als niet- conventionele praktijk gekwalificeerd te worden (BS 26 februari 2003) erkend als beroepsorganisatie in de zin van art. 2, § 1, 3o, van de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen (BS 24 juni 1999).

1.2. I.A.O.

4. De vzw I.A.O. heeft volgens art. 3 van haar statuten tot doel: «(...) door alle mogelijke middelen en technieken de filosofie van Still, Littlejohn en Sutherland in binnen- en buitenland te verspreiden, zowel in de theorie als in de praktijk, meer in het bijzonder alles wat te maken heeft met de kunde van de osteopathie, onder meer door het organiseren van onderwijs waaronder zowel het aanleren van het vak, bijscholing als herscholing begrepen moeten worden, steeds gevolgd door examens en mits slagen, het uitreiken van een valabel diploma; wetenschappelijk onderzoek; congressen; colloquia; seminaries; conferenties; stages; internationale uitwisseling; uitgaven en publicaties in dat verband».

5. De directeur van deze organisatie werd gehoord in de Kamercommissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke hernieuwing naar aanleiding van het wetsontwerp dat uiteindelijk heeft geleid tot de wet van 29 april 1999 betreffende de niet- conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen (BS 24 juni 1999) (Parl.St. Kamer 1998-99, nr. 1714/5-97/98, p. 3).

2. Feiten en procedurele antecedenten

6. De belangrijkste feiten en procedurele antecedenten, relevant voor de beoordeling van huidige zaak en zoals zij uit de procedurestukken alsook uit de door partijen neergelegde stukken blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

7. Huidige procedure heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedisch beroepen (BS 24 juni 1999).

8. Voor een goed begrip van de vorderingen dienen een aantal bepalingen van voormelde wet te worden geschetst.

Art. 2, § 1, 2o, van deze wet definieert een niet- conventionele praktijk als het gewoonlijk verrichten van handelingen die tot doel hebben de gezondheidstoestand van een menselijk wezen te bevorderen en/of te bewaken, met inachtneming van de in deze wet opgenomen voorschriften en voorwaarden. Als niet- conventionele praktijken worden bij deze wet beschouwd: de homeopathie, de chiropraxie, de osteopathie en de acupunctuur (...).

Overeenkomstig art. 2, § 2, van deze wet, wordt bij de Minister (dit is de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft) een paritaire commissie «niet-conventionele praktijken» opgericht.

De paritaire commissie wordt nader uitgelegd in hoofdstuk II, art. 5:

Ǥ 1. De paritaire commissie is voor de ene helft samengesteld uit leden, voorgesteld door de faculteiten van geneeskunde en voor de andere helft uit leden, voorgesteld door de in toepassing van artikel 2 opgerichte kamers. Aan elk lid wordt een plaatsvervanger toegevoegd die onder dezelfde voorwaarden wordt benoemd.

§ 2. De leden van de paritaire commissie, voorgesteld door de faculteiten van geneeskunde moeten gemachtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen en het betreft zowel huisartsen als specialisten.

De leden benoemd op voordracht van de kamers dienen beoefenaar te zijn van de betrokken niet-conventionele praktijk. De leden van de kamers kunnen zelf deel uitmaken van de paritaire commissie. Van elke kamer moet minstens één lid zitting hebben in de paritaire commissie.

De Koning preciseert de samenstelling van deze paritaire commissie.

§ 3. De Koning benoemt de leden van de paritaire commissie voor een periode van zes jaar. Het mandaat is hernieuwbaar. De minister duidt de voorzitter en de ondervoorzitter van de paritaire commissie aan buiten de leden van de commissie. Zij hebben raadgevende stem. Een door de minister aangewezen ambtenaar wordt belast met het secretariaat».

Het belang van deze commissie wordt weergegeven in art. 3. Overeenkomstig § 1 van deze bepaling formuleert de paritaire commissie binnen zes maanden na haar instelling ten behoeve van de Minister een advies betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken (de beroepsverzekering en de minimale dekking, het lidmaatschap van een erkende beroepsorganisatie, een registratiesysteem, een regeling inzake bekendmaking, een lijst van niet-toegestane handelingen voor beoefenaren die geen arts zijn). Op grond van dat advies worden die algemene voorwaarden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit.

Art. 3, § 3, bepaalt tevens dat de paritaire commissie een advies uitbrengt over de voorwaarden waaronder de beoefenaren van een geregistreerde niet-conventionele praktijk individueel geregistreerd kunnen worden. Die voorwaarden kunnen betrekking hebben op de vereisten inzake de opleiding en een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene de opleiding met succes heeft afgerond, permanente bijscholing, de lijst van toegestane en/of niet-toegestane handelingen, een regeling inzake bekendmaking. Op grond van het door de paritaire commissie uitgebrachte advies bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden voor de individuele registratie van de beoefenaren.

De individuele registratie is vereist om een geregistreerde niet-conventionele praktijk te mogen beoefenen of de handelingen te stellen die tot die praktijk behoren (art. 8, § 1). De miskenning van deze bepaling wordt strafrechtelijk beteugeld (art. 11).

9. Wat de inwerkingtreding betreft, bepaalt art. 12 het volgende: «De artikelen 3, 8, 9, 10 en 11 van deze wet treden in werking zes maanden na de eerste dag van de maand volgend op de inwerkingtreding van de benoeming van de leden van de in artikel 5 bedoelde paritaire commissie». Anders geformuleerd, zolang de leden van de paritaire commissie niet zijn benoemd, wordt de inwerkingtreding van de artikelen 3, 8, 9, 10 en 11 verhinderd.

10. Voormelde bepalingen zijn echter belangrijk voor een kwalitatieve uitoefening van een niet-conventionele praktijk.

Zolang de paritaire commissie niet is ingesteld, kan de Koning geen rechtsgeldig besluit nemen betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken. Evenmin kan de paritaire commissie advies uitbrengen over de voorwaarden voor individuele registratie van de beoefenaren van een niet-conventionele praktijk. Het verbod tot het uitoefenen van een niet-conventionele praktijk zonder individuele registratie en de daaraan verbonden sancties blijven dan ook dode letter.

Om het even wie kan zich zonder enige opleiding of kennis de titel van osteopaat (of een andere niet-conventionele praktijk) aanmeten en dit beroep uitoefenen.

11. Eisende partijen zijn dan ook van oordeel dat zij rechtstreeks worden getroffen in hun materiële en morele beroepsbelangen. Aangezien geen kwaliteitsnormen worden opgelegd, bestaat er bovendien een risico voor een aanzienlijk segment van de bevolking dat een beroep doet op een niet-conventionele praktijk. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen blijkt dat de bevolking in Europa massaal gebruik maakt van de diensten van bepaalde niet- conventionele praktijkbeoefenaren. Statistisch onderzoek, onder meer verzameld door Eurostat, toont cijfers tussen de 20 en 60% (memorie van toelichting, Parl.St. Kamer, nr. 1714/1-97/98, p. 1).

12. Aangezien de Minister nalaat de paritaire commissie te benoemen, lieten het R.O.B. en de vzw I.A.O. de Belgische Staat dagvaarden, ter inleiding van huidig geding.

...

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van de vordering

a) Belang van het R.O.B. en de vzw I.A.O.

15. De Belgische Staat besluit tot de onontvankelijkheid van de vordering bij gebrek aan belang van eisende partijen.

16. Hoewel er geen eensgezindheid bestaat over de definitie van het begrip belang, kan het belang worden gedefinieerd als ieder materieel of moreel – daadwerkelijk, maar niet theoretisch – voordeel dat de eiser kon halen uit de vordering die hij instelde, op het ogenblik waarop hij die vordering aanhangig maakte, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komen vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis (P. Vanlersberghe, «Artikel 17 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2002, (1), p. 9, nr. 7).

Het belang moet rechtstreeks en persoonlijk zijn. Om in rechte te kunnen optreden, moet men rechtstreeks en persoonlijk zijn geraakt in zijn eigen belangen.

Het belang van een rechtspersoon is datgene wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten, inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt (zie o.m.: Cass. 19 september 1996, Arr. Cass. 1996, 775). Het Hof van Cassatie hanteert een strikte opvatting. Het enkele feit dat de rechtspersoon een bepaald doel, ook al is het statutair, nastreeft, doet volgens het Hof van Cassatie het eigen belang, waarvan die persoon moet doen blijken om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan. De krenking van de individuele belangen van de leden levert evenmin een persoonlijk belang op van de vereniging.

17. Zowel het R.O.B. als de vzw I.A.O. hebben persoonlijk belang bij de uitvoering van de wet van 29 april 1999. Door het opleggen van voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van osteopaat ontstaat een kwaliteitsgarantie, wat de eer en goede naam van de beroepsvereniging ten goede komt. De beroepsvereniging zal bovendien meer leden krijgen en derhalve meer lidgelden kunnen innen, minstens bestaat de kans daartoe, zodat de uitvoering van de wet van 29 april 1999 ook haar materiële belangen raakt. De vzw I.A.O. zou door het opleggen van een verplichte opleiding voor osteopaten meer studenten kunnen aantrekken. Hierdoor zou zij niet alleen meer inkomsten kunnen genieten, maar zou zij ook meer faam verwerven. Minstens bestaat er ten nadele van de vzw I.A.O. een verlies van een kans daartoe.

18. Wat het R.O.B. betreft, dient tevens te worden gewezen op art. 10 van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen (BS 8 april 1898), dat een uitzondering inhoudt op het persoonlijk belang van de rechtspersoon. Voormeld artikel bepaalt het volgende: «De vereniging mag in rechte optreden, hetzij om te eisen, hetzij om te verweren, voor de verdediging van de persoonlijke rechten waarop haar leden aanspraak mogen maken als deelgenoten, onverminderd het recht voor die leden om rechtstreeks op te treden, zich bij het geding aan te sluiten of tussen te komen in de loop van het rechtsgeding (...)».

Zelfs indien het R.O.B. geen persoonlijk belang zou hebben, kan het in rechte optreden op grond van art. 10 van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen.

19. De vordering is bijgevolg ontvankelijk, zowel wat het R.O.B. als wat de vzw I.A.O. betreft.

...

4.2. Gegrondheid van de vorderingen

21. Eisende partijen baseren hun vordering op art. 1382 BW. Zij dienen bijgevolg een fout, schade en het causaal verband tussen beide aan te tonen.

a) Fout

22. Eisende partijen voeren aan dat de niet-uitvoering van de wet van 29 april 1999 een verzuim uitmaakt van de Belgische Staat, dat bestaat in het foutief nalaten om verordenend op te treden.

23. Art. 2, § 2, van de wet van 29 april 1999 bepaalt dat bij de Minister een paritaire commissie «niet- conventionele praktijken» wordt opgericht. Overeenkomstig art. 5, § 3, van deze wet benoemt de Koning de leden van de paritaire commissie.

Het bestaan van de paritaire commissie is vereist om onder andere de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken vast te stellen.

Deze bepaling legt aan de overheid de verplichting op om verordenend op te treden.

24. De wet van 29 april 1999 bepaalt geen termijn voor het benoemen van de paritaire commissie. Dit betekent evenwel niet dat het nalaten tot uitvoering van de wet over te gaan geen fout van de Belgische Staat kan uitmaken. Het Hof van Cassatie oordeelde dat zelfs in de gevallen waarin geen wetsbepaling aan de uitvoerende macht een termijn voorschrijft om een verordening uit te vaardigen, het verzuim een fout kan zijn in de zin van art. 1382-1383 BW (Cass. 27 maart 2003, Arr. Cass. 2003, 803, Pas. 2003, 673, RW 2006-07, 55, noot; Cass. 23 april 1971, RW 1970-71, 1793, met conclusie van advocaat-generaal F. Dumon).

Het is duidelijk dat in voorliggend geval de redelijke termijn is overschreden, aangezien de wet ruim tien jaar na publicatie nog niet is uitgevoerd. 25. De Belgische Staat voert aan dat, indien er sprake is van verzuim, dit alleszins tot het verleden behoort, aangezien de Minister de nodige stappen heeft ondernomen om zo spoedig mogelijk de situatie op de best mogelijke wijze te regelen.

De Minister heeft op 16 oktober 2008 aan het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) een evaluatie gevraagd van de complementaire en alternatieve geneeskunde (CAG), in termen van heilzame en schadelijke effecten, het gebruik door de Belgische bevolking, de wettelijke status en de organisatie ervan in België en andere landen. De bedoeling is om een stand van zaken te krijgen alvorens tot uitvoering van de wet over te gaan.

26. Het feit dat de Minister in 2008 een studie heeft gevraagd aan het KCE belet niet dat de Belgische Staat verzuimd heeft om de wet van 29 april 1999 binnen een redelijke termijn uit te voeren. Indien de uitvoering tijdig was gebeurd, was een evaluatie van de actuele toestand niet nodig geweest.

27. Eisende partijen merken terloops op dat de Belgische Staat een studie bij zichzelf heeft besteld, aangezien het KCE een parastatale instelling is.

28. Hoewel het KCE een publieke instelling is op federaal niveau, oefent het zijn opdrachten uit in alle onafhankelijkheid en gebaseerd op gevalideerde gegevens en de meest recente wetenschappelijke kennis. De rapporten van het Kenniscentrum moeten de beleidsverantwoordelijken helpen beslissingen te nemen die leiden tot een zo efficiënt mogelijke toewijzing van de beschikbare middelen teneinde kwalitatief de beste medische zorgen en een zo groot mogelijke toegankelijkheid te waarborgen. Er wordt gewerkt met een multidisciplinair team van experts van hoog niveau, ondersteund door een extern kennisnetwerk (www.kce.fgov.be).

b) Schade

29. De Belgische Staat argumenteert dat eisende partijen niet aantonen dat zij schade hebben geleden.

30. Schade wordt gedefinieerd als elk geheel of gedeeltelijk verlies van een goed dat men bezit of een voordeel dat men mocht verwachten. De schade wordt dus uitgedrukt door het verschil tussen twee toestanden: enerzijds de reële toestand na de onrechtmatige daad en anderzijds de hypothetische toestand die er zou zijn geweest indien het schadeverwekkend feit niet had plaatsgevonden.

De schade dient aan volgende criteria te beantwoorden om te kunnen worden vergoed:

– de schade moet zeker zijn;

– het aangetast belang moet rechtmatig zijn;

– de schade moet persoonlijk zijn;

– de schade mag niet reeds vergoed zijn.

31. De Belgische Staat betwist het persoonlijk karakter van de schade van eisende partijen. Hij voert aan dat het risico dat de Belgische bevolking loopt door een gebrek aan reglementering in verband met osteopathie, geen persoonlijke schade van de eisende partijen uitmaakt.

32. Eisende partijen voeren echter andere schadelijke gevolgen aan van de niet-uitvoering van de wet van 29 april 1999.

Zowel het R.O.B. als de leden van deze beroepsvereniging worden getroffen in hun beroepsbelangen, eer en goede naam, aangezien door de niet-uitvoering van de wet van 29 april 1999 eenieder zich de titel van «osteopaat» kan aanmeten, zonder enige opleiding of vorm van kwaliteitsgarantie. Osteopaten die op kwalitatieve wijze hun beroep uitoefenen, evenals hun beroepsvereniging, worden niet beschermd tegen het feit dat onbekwame en ongekwalificeerde beoefenaren van de osteopathie hun diensten aan het publiek mogen aanbieden met gebruikmaking van de titel van «osteopaat».

Als prominente Belgische instelling voor opleidingen in de osteopathie lijdt de vzw I.A.O. schade door het ontbreken van voorwaarden, in het bijzonder de verplichting tot het volgen van een opleiding en permanente bijscholing voor het beoefenen van de osteopathie. Door het opleggen van een verplichte opleiding zou de vzw I.A.O. meer studenten kunnen aantrekken. Hierdoor zou zij niet alleen meer inkomsten kunnen genieten, maar zou zij ook meer faam verwerven. Minstens bestaat er ten nadele van de vzw I.A.O. een verlies van kans om meer studenten aan te trekken en derhalve meer inkomsten te genereren en meer faam te verwerven.

33. De schade van eisende partijen is voldoende aangetoond.

c) Causaal verband

34. De Belgische Staat is van oordeel dat het causaal verband tussen het niet benoemen van de paritaire commissie en de beweerde schade niet wordt aangetoond, aangezien de wet van 29 april 1999 een kaderwet is en geen inhoudelijke criteria bepaalt waaraan de beoefenaren van de niet-conventionele praktijken moeten beantwoorden. Hij voert aan dat zelfs indien de paritaire commissie was benoemd, haar advies had verleend en de Koning een besluit had uitgevaardigd, er nog geen enkele aanwijzing is in verband met de inhoud van de voorwaarden voor het uitoefenen van de niet-conventionele praktijken.

35. Het feit dat de wet van 29 april 1999 een kaderwet is en de invulling van de algemene voorwaarden aan de Koning wordt overgelaten, doorbreekt het causaal verband tussen het verzuim en de door eisende partijen geleden schade niet. Immers, indien de Koning de paritaire commissie had benoemd, dan zou deze haar advies hebben gegeven over de algemene voorwaarden en had de Koning de algemene voorwaarden kunnen vaststellen. Een afwijking van het advies van de paritaire commissie diende uitdrukkelijk met redenen te worden omkleed (art. 3, § 1). De algemene voorwaarden hebben betrekking op de beroepsverzekering en de minimale dekking, het lidmaatschap van een erkende beroepsorganisatie, een registratiesysteem, een regeling inzake bekendmaking, een lijst van niet-toegestane handelingen voor beoefenaren die geen arts zijn. De paritaire commissie dient tevens advies te verlenen over de voorwaarden voor individuele registratie, zoals vereisten inzake opleiding en permanente bijscholing (art. 3, § 3). Wat ook de inhoud van de voorwaarden zou zijn, de niet-conventionele praktijken zouden worden gereglementeerd en de vrijheid die thans heerst, zou aan banden worden gelegd.

De schade van eisende partijen, zoals hiervoor omschreven, zou zich niet hebben voorgedaan, indien de paritaire commissie was benoemd en haar werk zou hebben verricht, zoals bepaald in de wet van 29 april 1999.

36. Het causaal verband tussen de fout van de Belgische Staat en de door eisende partijen geleden schade staat derhalve vast.

d) Gepast schadeherstel

37. De aansprakelijke is ertoe gehouden de schade te herstellen. Door het herstel moet de benadeelde, voor zover mogelijk, geplaatst worden in de toestand waarin hij zich bevonden zou hebben, indien de schadeverwekkende handeling geen plaats had gehad.

De schadelijder kan vrij kiezen tussen het vorderen van een schadeherstel in natura of een uitvoering bij equivalent (zie o.m.: Cass. 26 juni 1980, Arr.Cass. 1980-81, 1269, RW 1980-81, 1661), maar de feitenrechter is vrij de meest passende vorm van herstel te kiezen. Daarbij zal in principe en indien mogelijk, voor een schadeloosstelling in natura, aangepast aan de aard van de schade gekozen moeten worden (zie o.m.: Cass. 10 september 1971, Arr.Cass. 1972, 31, met conclusie van procureur-generaal W. Ganshof Van der Meersch; Cass. 27 november 1974, Arr.Cass. 1975, 370; Cass. 26 juni 1980, Arr.Cass. 1980-81, 1269, RW 1980-81, 1661).

38. Eisende partijen vorderen om de Belgische Staat te veroordelen om de in art. 2, § 2, van de wet van 29 april 1999 vermelde paritaire commissie te benoemen conform de wettelijke voorschriften ter zake.

Deze vordering komt neer op een schadeherstel in natura, dat de meest passende vorm van herstel uitmaakt. Deze vordering dient dan ook te worden ingewilligd.

39. Eisende partijen vorderen bovendien een provisionele schadevergoeding van 1 euro voor de in het verleden geleden schade.

40. Zij leggen geen enkel element voor waaruit de omvang van de schade zou kunnen blijken, evenmin als enige mogelijke wijze om tot berekening van de schade over te gaan.

Er wordt dan ook een symbolische vergoeding van 1 euro toegekend. Deze vergoeding is definitief.

e) Dwangsom

41. Eisende partijen vorderen de veroordeling van de Belgische Staat onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per dag vanaf de betekening van het vonnis.

42. De Belgische Staat is terecht van oordeel dat de verbeurte van een dwangsom vanaf de betekening van het vonnis niet redelijk is. De benoeming van de paritaire commissie kan niet onmiddellijk worden gerealiseerd, maar is een proces dat enige tijd zal duren. De Belgische Staat schat deze tijd op drie maanden. De dwangsom zal pas verbeuren vanaf de derde maand na de betekening van het vonnis.

Aangezien op één dag tijd weinig kan worden gerealiseerd, wordt de dwangsom opgelegd per maand vertraging.

Noot gepubliceerd onder dit vonnis in het RW van

B. Van den Bergh, Festina lente? Over de (redelijke-)termijnproblematiek in het raam van aansprakelijkheidsvorderingen tegen overheden

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 02/05/2011 - 15:27
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2011 - 15:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.