-A +A

Afstand van verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De verjaring heeft als doelstelling rechtszekerheid te bekomen. Aldus wordt vermeden dat vorderingen in rechte na onredelijke periodes nog steeds zouden kunnen worden ingesteld terwijl terzelfdertijd wordt vermeden dat een verweerder na verloop van een onder redelijke termijn nog het bewijs zou dienen te leveren van zaken waarvan hij door het verloop van de termijn praktisch gezien geen bewijs meer kan leveren.

Ondanks deze duidelijke maatschappelijke doelstelling betekent zulks niet dat de verjaring de openbare orde raakt. In de regel kan dus over de verjaring worden gestapt wanneer de verweerder deze in de procedure niet inroept bij wijze van middel van onontvankelijkheid.

Maar partijen kunnen bij voorbaat in een overeenkomst de wettelijke regels inzake de verjaring niet op een afwijkende wijze regelen. Behoudens indien zij een kortere verjaringstermijn zouden voorzien dan deze zoals bij werd gesteld. Ook kan men niet in een overeenkomst bij voorbaat afstand doen van het recht op verjaring (die artikel 2220 burgerlijk wetboek).

Maar eens de verjaring verworven is is het wel toegelaten om afstand te doen van de verjaring zie artikel 2220 in fine burgerlijk wetboek).

De verjaring is aldus een verweermiddel, beter, een middel van niet ontvankelijkheid waarbij in dit middel in elke stand van het geding kan worden ingeroepen tot aan de sluiting van de debatten en zelfs voor het eerst in graad van beroep.

Dat de verrjaring de openbare orde niet raakt dient onmiddellijk afgezwakt. Vooreerst raakt de verjaring zeker de openbare orde in het strafrecht. In het burgerlijk recht dient een onderscheid gemaakt tussen: 

• de verjaring als instelling die de openbare orde raakt. De verjaring regelt de maatschappelijke orde gezien zij verhindert dat eindeloos vorderingen kunnen ingestelkd worden. Om deze reden is het uitgesloten. Het principe van de verjaring kan als instrument van openbare orde niet worden aangetast. Men kan dus niet vooraf afstand doen van het recht om de verjaring in te roepen (art. 2220 BW), om de wettelijke verjaringstermijnen te verlengen of om een recht onverjaarbaar te verklaren. Aandacht wordt besteedt aan de minderheidsopvatting die stelt dat zelfs de instelling van de vverjaring de openbare orde niet zou raken.

Het middel van de verjaring raakt principieel enkel private belangen. Verjaring in burgerlijke zaken werkt niet van rechtswege. Het middel van verjaring dient worden ingeroepen en niemand is verplicht dit middel in te roepen. Aldus raakt het middel van de verjaring niet de openbare orde en mag de rechter de verjaring in burgerlijke zaken niet ambtshalve opwerpen. voor verdere verduidelijking over de openbare orde en verjaring en de toepassingsgevallen: klik hier

In een aantal gevallen zal een slecht bijgestane schuldenaar vergeten de verjaring in te roepen, maar het is ook denkbaar dat een schuldenaar uit ethische overwegingen er voor kiest om een verjaarde schuld te betalen. Het is dus toegelaten afstand te nemen van de verjaring, waarbij deze afstand stilzwijgend of uitdrukkelijk kan gebeuren.

Kunnen partijen vrij regelingen treffen over de verjaring, de regels wijzigen en er afstand van doen?

 

 I. Vóór het aanvangspunt van de wettelijke verjaringstermijn

A. Kan afstand worden gedaan van het recht op verjaring?

• Verbod om afstand te doen – Art. 2220 BW
• Absolute nietigheid 

B. Kan de wettelijke verjaringstermijn worden gewijzigd?

1. Kunnen partijen de termijn verlengen?

• Verbod om te verlengen (= gedeeltelijke afstand van het voordeel van een toekomstige verjaring van art. 2220 
• Verbod tot het bedingen van bepalingen die afwijken van de berekeningswijze van de verjaringstermijn (vb. aanvangstermijn).
• Toegelaten onrechtstreekse verlenging door een overeenkomst onderworpen aan een korte termijn te vervangen door een overeenkomst onderworpen aan een langere termijn.

2. Kunnen partijen de termijn inkorten?

a) Algemeen principe van geldigheid

b) Grenzen aan het algemeen principe

Uitzonderingen voor verjaringsregels van openbare orde.

vb. de verjaringstermijn van een vordering tot betaling van een vergoeding ten gevolge van een arbeidsongeval

Bedingen die de verjaringstermijn inkorten dien strikt  geïnterpreteerd moeten worden. 

De Wet Landverzekeringsovereenkomst verbiedt inkortingsbedingen niet uitdrukkelijk, maar voorziet in een eigen verjaringsregeling die inkorting uitsluit.

C. Kunnen de regels inzake de stuiting en de schorsing van de verjaring worden gewijzigd?

• Uitbreiding van de stuitingsgronden (neen)

• Beperking stuitingsgronden (ja, maar) – 

• Schorsing – Een beding dat de verjaringstermijn schorst, overeengekomen voordat de verjaringstermijn is beginnen lopen, is ongeldig (art. 2220 BW)

II. Tijdens het lopen van de wettelijke verjaringstermijn

A. Kan afstand worden gedaan van het recht op verjaring?

• Art. 2220 BW verbiedt  elke vorm van afstand van de verjaring voordat de verjaringstermijn begint te lopen, maar staat een afstand toe na het verstrijken van de verjaringstermijn.

• zie ook de rol van de wil van partijen bij de bevrijdende verjaring in RW 2010-2011, 1538 van S. Stijns

• Dissociatie van de gevolgen van de verjaring ontwikkeld door rechtspraak en rechtsleer:

"Partijen kunnen de rechten van hun tegenstrever inderdaad erkennen en hierdoor een lopende verjaring stuiten. Door afstand te doen van een lopende verjaring erkent de schuldenaar impliciet de rechten van zijn schuldeiser. Deze afstand van de verjaring vormt op die manier een stuitingsgrond van een reeds begonnen verjaring (art. 2248 BW)".

Aldus wordt door rechtspraak en de rechtsleer gesteld dat de afstand geldig is  voor het verleden, met name voor het deel van de verjaring dat reeds verworven is, op grond van de overweging dat men geldig afstand kan doen van een reeds verkregen verjaring (behoudens materies van openbare orde); terwijl de afstand nietig is voor de toekomst, precies omdat men vooraf niet op een geldige manier afstand kan doen van een verjaring die nog moet beginnen lopen. 

(Cass. 23 oktober 1986, Pas. 1987, I, 250, Arr.Cass. 1986-87, 268, RW 1986-87, 2093, TBBR 1988, 207, noot A. VAN OEVELEN, Rev.not.b. 1987, 39, noot J.E.; Verbr. 3 februari 1950, Pas. 1950, I, 382, Arr.Cass. 1950, 357; Cass. 9 januari 1950, Pas. 1950, I, 382 (motieven); Rb. Brugge 22 december 2000, De Verz. 2001, 374; L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, 922; H. DE PAGE, Traité, VII, 1957, p. 1134, nr. 1262; G. JOCQUÉ, «De verjaring in het verzekeringsrecht» in CBR (red.), De verjaring, p. 136-137, nr. 62; W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, 645; A. VAN OEVELEN, o.c., TPR 1987, p. 1766, nr. 13; A. VAN OEVELEN, «Het afstand doen van het reeds verstreken gedeelte van een lopende verjaring» (noot onder Cass. 23 oktober 1986), TBBR 1988, 209-213. Zie ook de bijdragen van V. SAGAERT en M.-P. NOËL in La prescription extinctive. Etudes de droit comparé, p. 105-129 respectievelijk p. 130-172;

Cass. 23 oktober 1986, Pas. 1987, I, 250, Arr.Cass. 1986-87, 268, RW 1986-87, 2093, TBBR 1988, 207, noot A. VAN OEVELEN, Rev.not.b. 1987, 39, noot J.E. (een voorstel van regeling tussen werkgever en werknemer inzake de terugbetaling van een schuld zou kunnen gelden als afstand van de tijd van de verjaring die reeds verstreken is).

B. Kan de wettelijke verjaringstermijn worden gewijzigd?

1° Kunnen partijen de termijn inkorten?

idem regeling  als voor de periode vóór het aanvangspunt van de wettelijke verjaringstermijn.

2° Kunnen partijen de termijn verlengen?

antwoord genuanceerd negatief (zie bijdrage in RW De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring RW 2010-2011, 1538).

C. Kunnen de regels inzake de stuiting en de schorsing van de verjaring worden gewijzigd?

• Beperkingen en uitbreidingen van de stuitingsgronden toegelaten – Na het aanvangspunt van de verjaringstermijn mogen de partijen de wettelijke stuitingsgronden beperken en uitbreiden. 

• Schorsing en uitbreiding van de schorsingsgronden zijn mogelijk – Als de verjaringstermijn eenmaal loopt, kunnen de partijen overeenkomen om de wettelijke verjaringstermijnen te schorsen en om de schorsingsgronden uit te breiden, tenzij het om een materie gaat die de openbare orde aanbelangt. 

D. Het gedrag van de schuldeiser: rechtsverwerking en rechtsmisbruik

1. Situering:

Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn wanneer een partij een houding aanneemt die onverenigbaar is met het betreffende recht. De rechtsverwerking vereist geen rechtshandeling of uitdrukking van de wil van de houder van een recht; deze figuur vloeit voornamelijk voort uit de houding van de betrokkene, die niet de bedoeling heeft om afstand te doen van zijn recht. (S. STIJNS, «La rechtsverwerking: fin d‘une attente (dé-)raisonnable? Considérations à propos de l‘arrêt de la Cour de cassation du 17 mai 1990», JT 1990, (685), nr. 2; S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, Boek 2, nrs. 195-196; S. STIJNS, D. VAN GERVEN en P. WÉRY, «Chronique de jurisprudence. Les obligations: les sources (1985- 1995)», JT 1996, (689), nrs. 41-43; S. STIJNS en I. SAMOY, «La confiance légitime en droit des obligations» in E. DIRIX en Y.-H. LELEU (red.), Rapports belges au congrès de l‘académie internationale de droit comparé à Utrecht, Brussel, Bruylant, 2006, (223), p. 233, nr. 13 (ook gepubliceerd in Frankrijk: S. STIJNS en I. SAMOY, «La confiance légitime en droit des obligations» in B. FAUVARQUE-COSSON (red.), La confiance légitime et l‘estoppel, Vol. 4. Droit privé comparé et européen, Parijs, Société de législation comparée, 2007). Maar het Hof van Cassatie nadien gelvolgd door lagere rechtspraak stelt ernstige vragen bij rechtsverwerking: het Hof van Cassatie in zijn princiepsarrest van 17 mei 1990 geoordeeld dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat op grond waarvan een subjectief recht tenietgaat indien de houder van dat recht een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met dat recht en aldus het gewettigd vertrouwen van de schuldenaar of van derden misleidt.

2. Verjaring en rechtsverwerking  

Een schuldeiser is niet verplicht zijn subjectief recht onmiddellijk uit te oefenen. Dit blijkt a contrario uit de regelels van de bevrijdende verjaring.

Bovendien heeft het Hof van Cassatie in zijn princiepsarrest van 17 mei 1990 geoordeeld dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat op grond waarvan een subjectief recht tenietgaat indien de houder van dat recht een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met dat recht en aldus het gewettigd vertrouwen van de schuldenaar of van derden misleidt. 55 Deze uitspraak werd al snel bevestigd door latere arresten.

(Cass. 6 december 1991, Pas. 1992, 266, Arr.Cass. 1991-92, 315; Cass. 20 februari 1992, Pas. 1992, 549, Arr.Cass. 1991-92, 583, JT 1992, 454, noot,JLMB 1992, 530; Cass. 1 oktober 1993, Pas. 1993, 777, Arr.Cass. 1993, 787, RW 1995-96, 236, T.Not. 1994, 385; Cass. 6 november 1997, Pas.1997, 1144, Arr.Cass. 1997, 1092, TBBR 1998, 250, T.Not. 1999, 258. Zie voor een recent voorbeeld: Arbh. Brussel 29 oktober 2009, JTT 2010, 104. Zie ook: Luik 16 november 1992, JT 1994, 44; Rb. Mechelen 8 december 1992,Pas. 1993, III, 1 (vordering tot inning van onkosten voor sociale bijstand, toegekend met een vertraging van meer dan twee jaren). Minder afwijzend: Cass. 16 november 1990, Pas. 1991, 292, Arr.Cass, 1990-91, 321, RW 1990- 91, 1090, noot M.E. STORME, Act.dr. 1991, 202, noot I. MOREAU- MARGRèVE.).

Via een ezelsbruggetje blijft de rechtsverwerking bestaan door de aanwending van het rechtsmisbruik.

(In deze zin: S. CNUDDE, «De rechtsverwerking verwerkt?», TBH 1991, nr. 5; X. DIEUX, Le respect dû aux anticipations légitimes d‘autrui. Essai sur la genèse d‘un principe général de droit, Brussel, Bruylant, 1995, nrs. 83 en 88; E. DIRIX en A. VAN OEVELEN, «Kroniek verbintenissenrecht (1985-1992)», RW 1992-93, nr. 41; P.-A. FORIERS, «Observations sur le thème de l‘abus de droit en matière contractuelle» (noot onder Cass. 30 januari 1992), RCJB 1994, nrs. 31-32; P. HENRY, «R.I.P.», JLMB 1990, 884; R. KRUITHOF, «La théorie de l‘apparence dans une nouvelle phase» (noot onder Cass. 20 juni 1988), RCJB 1991, nr. 37; S. STIJNS, «La «rechtsverwerking»: fin d‘une attente...», JT 1990, nrs. 19 e.v.; S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, Boek 2, nr. 196; S. STIJNS, P. WÉRY en D. VAN GERVEN, «Chronique de jurisprudence: les obligations – Le régime général de l‘obligation (1985-1995)», JT 1999, (821), nr. 95; M.E. STORME, «Rechtsverwerking na de cassatiearresten van 17 mei 1990 en 16 november 1990: nog springlevend», RW 1990-91, nrs. 4-5; A. VAN OEVELEN, «Afstand van recht en rechtsverwerking in het individuele arbeidsovereenkomstenrecht» in M. RIGAUX (red.), Actuele problemen van het arbeidsrecht/4, Antwerpen, Maklu, 1993, nrs. 54-55; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, I, Brussel, Bruylant, 2010, 80-81; P. VAN OMMESLAGHE, o.c., in Etudes offertes à Jacques Ghestin, nrs. 24-26; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Théorie générale du contrat, nr. 114, voetnoot 590, en nr. 489).

Feitelijke omstandigheden die rechtsverwerking uitmaken kunnen evenzeer rechtsmisbruik uitmaken dat éénvoudiger sanctioneerbaar is.

(Bijvoorbeeld, voor de hoven van beroep: Antwerpen 11 februari 1998, AJT1998-99, 132; Luik 4 december 1998, JLMB 1999, 1732; Brussel 17 januari 1995, JT 1995, 588; Luik 30 november 1993, JT 1994, 311, JLMB 1994, 290; Luik 16 mei 1991, JLMB 1992, 84, noot P. HENRY; Bergen 7 mei 1993, De Verz. 1995, 278; Bergen 14 november 1990, JLMB 1991, 769).

Rechtsmisbruik wordt ook in verband gebracht met de matigende werking van de goede trouw

(Cass. 1 oktober 2010, C.09.0565.N, www.cass.be. Dit arrest is belangrijk, omdat een vordering tot schadevergoeding (in het raam van een afnemingsovereenkomst tussen een brouwerij en een café- uitbater), die als rechtsmisbruik wordt beschouwd, volledig wordt afgewezen. Dit doet aan rechtsverwerking denken. Op die manier wordt een geval dat neerkomt op rechtsverwerking door de feitenrechter opgelost via rechtsmisbruik. Deze beslissing wordt niet vernietigd in cassatie). Voor nadere toelichting S. Stijns De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring, RW 2010-2011, 1538
 

III. Na het verkrijgen van de verjaring

• Voorrangspositie van de wilsautonomie 
• Uitzondering voor materies die de openbare orde aanbelangen.

A. Kan afstand worden gedaan van het recht op verjaring?

1° Keuzerecht van de schuldenaar: Ja

2° Uitzondering voor de materies van openbare orde 

3° Grens aan deze uitzonderingen – Wat vroeger allemaaal als openbare orde werd beschouwd (vb. fiscale vorderingen) is het daarom vandaag niet meer.

4° De rechter mag het middel van de verjaring niet ambtshalve opwerpen).

5° De verjaring moet niet in limine litis worden opgeworpen. Men kan zich in elke staat van het geding op de verjaring beroepen (art. 2224 BW), zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich niet op het middel van verjaring heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

6° Een schuldenaar die zijn verjaarde schuld voldoet erkent hoofdschuld en bijhorigheden zoals rente en schadevergoeding die eveneens alsdan dienen betaald.

7° De afstand is onherroepelijk en is persoonlijk aan de afstanddoende persoon.

8° Uitdrukkelijke of stilzwijgende afstand

De afstand kan uitdrukkelijk of stilzwijgend plaatsvinden. 

► voorbeelden van stilzwijgende afstand van verjaring:

• afbetalingsvoorstel
• een verzoek tot opschorting van betaling door de schuldenaar (Rb. Aarlen 16 december 1975, JL 1975-76, 202.)
• de herhaalde betaling door een verzekerde van termijnen die slechts vervallen na het bereiken van de verjaring in het raam van een regresvordering ingesteld door de verzekeraar (Pol. Gent 8 december 2003, RW 2005-06, 471, T.Vred. 2004, 293. Zie: G. JOCQUÉ, «De verjaring in het verzekeringsrecht» in CBR (red.), De verjaring, 138 ), 
• de deelname door de Belgische Staat, zonder voorbehoud, aan een gerechtelijk deskundigenonderzoek zonder enig middel in te roepen inzake het te laat ingesteld zijn van de vordering, noch voor de eerste rechter noch in beroep, (Bergen 22 maart 1995, JT 1995, 544.)
• de betaling van een voorschot of een afbetaling, 
• een verzoek tot collectieve schuldenregeling, (109. B. HUMBLET en R. DAVIN, «La prescription extinctive en droit civil» in Les prescriptions et les délais,).

► maken geen stilzwijgende afstand uit:

• een document waarin een vervoerder zijn verzekeraar op de hoogte brengt door hem te vragen «het nodige te doen» of het feit van een deskundigenverslag af te wachten, (Antwerpen 17 mei 1999, RHA 1999, 321.)
• de aanvaarding door de schuldenaar van de overdracht van de verjaarde schuldvordering, (H. DE PAGE, Traité, VII, 1957, p. 1129, nr. 1255 (de aanvaarding van de overdracht heeft immers niet tot gevolg dat aan de schuldenaar alle excepties worden ontnomen. Hij kan aan de cessionaris dezelfde excepties tegenwerpen als die welke hij kon tegenwerpen aan de oorspronkelijke schuldeiser).
• het opeisen van een prestatie in een wederkerige overeenkomst,
• het verweer ten gronde (Pand.b.vo Prescription en général (mat. civ.), nr. 470.), 
• de kennisgeving door de derde-houder aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers om tot een zuivering te komen, (H. DE PAGE, Traité, VII, 1957, p. 1129, nr. 1255.)
• het niet verschijnen voor de rechter (verstek dient aanzien als een betwisting van de vordering), 
• de erkenning van mogelijkerwijze schuldenaar te zijn terwijl de verjaring nochtans wordt ingeroepen, (Cass. 29 juni 1961, Pas. 1961, I, 1195, JT, 1961, 665.)
• het verzoek om documenten die van de verzekeraar uitgaan en aan de verzekerde gericht zijn, (Rb. Brugge 22 december 2000, De Verz. 2001, 374.)

9° Voorrechten verleend aan andere belanghebbenden

De afstand mag niet schaden aan derde belanghebbenden 

B. Geen mogelijkheid voor de rechter om het middel van de verjaring ambtshalve toe te passen

C. Informeel beroep op het verkrijgen van de verjaring

Het inroepen van de verjaring door de schuldenaar niet aan vormvoorwaarden onderworpen, een impliciete verwijzing volstaat. (H. DE PAGE, Traité, VII, 1957, p. 1123, nr. 1248; C. LEBON, «Verjaring» in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar, p. 10, nr. 9; Pand. b.voPrescription en général (mat. civ.), nr. 380).

D. verbod op rechtsmisbruik bij het inroepen van verjaring

(C. LEBON, «Hoofdstuk III: Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen» in I. CLAEYS (red.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, 119; J. LIMPENS en R. KRUITHOF, «Rechtsvergelijkende aantekeningen bij het begrip rechtsmisbruik» in Recht in beweging. Opstellen aangeboden aan Prof. Mr. René Victor, I, Antwerpen, Kluwer, p. 669, nr. 21; M.E. STORME, o.c.TPR1994, p. 2017, nr. 33.)

Dit behelst een foutieve daad waardoor een schuldeiser zijn rechten niet kan uitoefenen. Bv. Het laten opzettelijk aanslepen van onderhandelingen om verjaring te bekomen, het achterhouden van documenten . Dit misbruik wordt gesanctioneerrd door een verlenging van de verjaring voor de belemmerende periode door de schuldenaar.( I. BOONE, «De verjaring van de vordering tot schadeherstel op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid en van de burgerlijke vordering uit een misdrijf» in De herziening van de bevrijdende verjaring door de Wet van 10 juni 1998, 124; C. LEBON, «Hoofdstuk III: Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen» in I. CLAEYS (red.),Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, 119-120; M. MARCHANDISE, La prescription libératoire en matière civile, 156; M.E. STORME, o.c.TPR 1994, p. 2017, nr. 33.)

E. Het adagium «contra non valentem agere, non currit praescriptio»

Volgens dit adagium loopt de verjaring van een vordering niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen ten gevolge van een beletsel. De verjaringstermijn blijft geschorst zolang dit beletsel niet is opgeheven. (Zie in dezelfde zin de bijdrage van M. MARCHANDISE en J.- F. VAN DROOGHENBROECK, «Les causes d‘interruption et de suspension de la prescription libératoire en droit belge» in La prescription extinctive. Etudes de droit comparé, Brussel, Bruylant, Zurich, Schulthess, Parijs, LGDJ, 2010, nrs. 67 e.v.)

het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 30 juni 2006 geoordeeld dat dit adagium geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt. (Cass. 30 juni 2006, JLMB2006, 1622.)

F. Het beginsel «fraus omnia corrumpit» en de verjaring

zie rechtsmisbruik. Andere gevallen zijn denkbaar bij vervalsing der stukken

zie tegenstrijdige standpunten terzake:

Pro: I. CLAEYS, «De nieuwe verjaringswet: een inleidende verkenning», RW1998-99, 397. en  I. BOONE, «De verjaring van de vordering tot schadeherstel op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid en van de burgerlijke vordering uit een misdrijf» in De herziening van de bevrijdende verjaring door de Wet van 10 juni 1998, p. 123-124, nr. 156; M. MARCHANDISE, La prescription libératoire en matière civile, 156 (zelfs al beschouwen beide auteurs de bescherming die geboden wordt door de leer van het rechtsmisbruik als voldoende)..

 

 

De algemene regels:

Artikel 2262 : “Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 30 jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen”.
 

artikel 2262 bis :
§1.“Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar”.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

§2 : “Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende 20 jaar na de uitspraak”.
Verder voorziet de wet een aantal technische aanpassingen.

onderscheid aldus:
- zakelijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 30 jaar ;
- persoonlijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 10 jaar.
Tien jaar mag beschouwd worden als de suppletieve gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

Voor schade uit buitencontractuele aansprakelijkheid geldt een termijn van 5 jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of de verzwaring ervan en de identiteit van de aansprakelijke. De vordering verjaart evenwel in ieder geval maximum 20 jaar na de datum van het schadeverwekkend feit.
 

Expliciete en impliciete afstand van een verkregen verjaring

Rechtspraak:

• Cass. 18/02/2016, RW 2017-2018, 1141, juridat AR C.15.0215.N

Samenvatting

De bepalingen van de artikelen 2220, 2221 en 2224 Burgerlijk Wetboek laten in zaken van privaat belang toe afstand te doen niet alleen van een verkregen verjaring, maar ook van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring (1); afstand van de reeds verkregen verjaring of van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn; het behoort aan de rechter hieromtrent in feite te oordelen.

Tekst arrest:

Beoordeling

1. Krachtens art. 2220 BW kan men vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar kan wel afstand worden gedaan van een verkregen verjaring.

Krachtens art. 2221 BW geschiedt afstand van verjaring uitdrukkelijk of stilzwijgend en wordt de stilzwijgende afstand afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Krachtens art. 2224 BW kan men zich op verjaring beroepen in elke stand van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

2. Deze bepalingen laten in zaken van privaat belang toe afstand te doen niet alleen van een verkregen verjaring, maar ook van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring.

Afstand van de reeds verkregen verjaring of van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn. Het behoort aan de rechter hierover in feite te oordelen.

3. De appelrechters stellen vast dat de eiseres op 16 juni 2003 de verweerster in kort geding heeft gedagvaard voor de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, dat bij beschikking van 20 juni 2003 E.G. als gerechtsdeskundige werd aangesteld en dat deze deskundige zijn eindverslag heeft neergelegd op 11 maart 2005.

Zij oordelen dat, hoewel de eiseres zich beriep op de bevindingen van deskundige G., haar houding tijdens het deskundigenonderzoek m.b.t. het openstaand saldo niet anders geïnterpreteerd kan worden dan als een afstand van recht om de verjaring nog in te roepen. Aldus geven de appelrechters ook te kennen dat de eiseres afstand heeft gedaan van de op 11 maart 2005 reeds verlopen tijd van de lopende verjaring.

4. Aangezien uit de redenen van het arrest volgt dat de eiseres op 11 maart 2005 afstand heeft gedaan van de reeds verstreken termijn van de lopende verjaring m.b.t. de factuurschuld van 5 maart 2003, konden de appelrechters wettig oordelen dat de vordering van de verweerster die werd ingesteld bij op 13 maart 2013 neergelegde conclusie, niet is verjaard.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Noten

• Cass. 3 februari 1950, AC 1950, 357;

• Cass. 23 oktober 1986, AR nr. 7608, AC 1986-87, nr. 119;

• A. VAN OEVELEN, Het afstand doen van het reeds verstreken gedeelte van een lopende verjaring, TBBR 1988, 209;

• S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring, RW 2010-2011, 1544.

• Cass. 23 september 1988, AR nr. 6013, AC 1988-89, nr. 48;

• Cass. 16 december 2013, AR S.10.0111.N, AC 2013, nr. 684.

 

VERJARING uittreksel uit het burgerlijk wetboek

HOOFDSTUK I : ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2219

Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

Artikel 2220

Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.

Artikel 2221

Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt geleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Artikel 2222

Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.

Artikel 2223

De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.

Artikel 2224

Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

Artikel 2225

Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.

Artikel 2226

Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

Artikel 2227

De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.

HOOFDSTUK II : BEZIT

Artikel 2228

Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of van een recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent.

Artikel 2229

Om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar.

Artikel 2230

Men wordt steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten, tenzij bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten.

Artikel 2231

Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt steeds vermoed dat men het bezit onder dezelfde titel voortzet, tenzij het tegendeel bewezen is.

Artikel 2232

Daden van louter vermogen of van eenvoudig gedogen kunnen noch bezit, noch verjaring teweegbrengen.

Artikel 2233

Daden van geweld kunnen evenmin als grondslag dienen voor een bezit waaruit verjaring zou ontstaan.

Een deugdelijk bezit neemt eerst een aanvang, nadat het geweld heeft opgehouden.

Artikel 2234

De tegenwoordige bezitter die bewijst voorheen het bezit te hebben gehad, wordt geacht het ook in de tussentijd te hebben gehad, behoudens tegenbewijs.

Artikel 2235

Om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, kan men bij zijn eigen bezit het bezit voegen van zijn rechtsvoorganger, op welke wijze men hem ook is opgevolgd, hetzij onder een algemene of een bijzondere titel, hetzij om niet of onder een bezwarende titel.

HOOFDSTUK III : OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN

Artikel 2236

Zij die voor een ander bezitten, kunnen nooit, door welk tijdsverloop ook, iets door verjaring verkrijgen.

Alzo kunnen de huurder, de bewaarnemer, de vruchtgebruiker, en alle anderen, die de zaak van de eigenaar ter bede onder zich hebben, deze niet door verjaring verkrijgen.

Artikel 2237

De erfgenamen van hen die de zaak onder zich hadden uit kracht van een der in het vorig artikel genoemde titels, kunnen die evenmin door verjaring verkrijgen.

Artikel 2238

Nochtans kunnen de in de artikelen 2236 en 2237 genoemde personen de zaak door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, hetzij uit een oorzaak die van een derde voortkomt, hetzij door hun tegenspraak tegen het recht van de eigenaar.

Artikel 2239

De personen aan wie de huurders, bewaarnemers en andere houders ter bede de zaak door een titel van eigendomsoverdracht hebben overgedragen, kunnen die door verjaring verkrijgen.

Artikel 2240

Men kan geen verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men de oorzaak en het beginsel van zijn bezit voor zichzelf niet kan veranderen.

Artikel 2241

Men kan verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men zich door verjaring bevrijdt van de verbintenis die men heeft aangegaan.

HOOFDSTUK IV : OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN

Afdeling I : Oorzaken die de verjaring stuiten

Artikel 2242

Stuiting van de verjaring kan of natuurlijk of burgerlijk zijn.

Artikel 2243

Er is natuurlijke stuiting, wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, hetzij door de oude eigenaar, hetzij zelfs door een derde.

Artikel 2244

Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.

---------------------------
[Interpretatie van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk
Wetboek, op het vlak van inkomstenbelastingen:

Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,  moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien  de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft  (art. 49, W 09.07.2004 (B.S. 15.07.2004))].

Artikel 2245

[...]

Artikel 2246

Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.

Artikel 2247

Indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm,

Indien de eiser afstand doet van zijn eis,

Of indien zijn eis wordt afgewezen,

Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.

Artikel 2248

De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.

Artikel 2249

De ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen.

De ingebrekestelling van een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar, of de erkenning van de schuld door die erfgenaam stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige medeërfgenamen, zelfs niet in het geval van een hypothecaire schuld, tenzij de verbintenis ondeelbaar is.

Die ingebrekestelling of die erkenning stuit de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars slechts voor het aandeel waarvoor die erfgenaam verbonden is.

Om de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars te stuiten voor het geheel, is vereist de ingebrekestelling van alle erfgenamen van de overleden schuldenaar, of de erkenning door al die erfgenamen.

Artikel 2250

De ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen de borg.

Afdeling II : Oorzaken die de loop van de verjaring schorsen

Artikel 2251


De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt.

Artikel 2252

De verjaring loopt niet tegen minderjarigen en onbekwaamverklaarden, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen.

Artikel 2253

De verjaring loopt niet tussen echtgenoten.

Artikel 2254

De verjaring loopt tegen de echtgenoot aan wie het bestuur van zijn goederen is ontnomen, behoudens zijn verhaal op de andere echtgenoot of de op de lasthebber, in geval van nalatigheid.

Artikel 2255

[...]

Artikel 2256

[...]

Artikel 2257

De verjaring loopt niet:

Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;

Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad;

Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.

Artikel 2258

De verjaring loopt niet tegen de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, ten aanzien van zijn schuldvorderingen ten laste van de nalatenschap.

Zij loopt tegen een onbeheerde nalatenschap, hoewel er geen curator is aangesteld.

Artikel 2259

Zij loopt eveneens gedurende de drie maanden die voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de veertig dagen die voor het beraad zijn verleend.

HOOFDSTUK V : TIJD DIE VOOR DE VERJARING VEREIST IS

Afdeling I : Algemene bepalingen

Artikel 2260

De verjaring wordt gerekend bij dagen, niet bij uren.

Artikel 2261

Zij is verkregen, wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is.

Afdeling II : Algemene termijn van verjaring

Artikel 2262

Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaren, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen.

-------------------
Art. 2262 : gewijzigd bij art. 5, W.10.06.1998, in werking 27.07.1998 Wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding.

De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig jaar bedragen.
Wanneer de rechtsvordering bij een in kracht van gewijsde  gegane beslissing verjaard is verklaard vóór de  inwerkingtreding van deze wet, kan deze inwerkingtreding niet  tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te  lopen.
Indien de rechtsvordering tot vergoeding van de schade is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet maar de schade  nadien verzwaart, begint de termijn van vijf jaar te lopen  vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft  gekregen van de verzwaring van de schade en de termijn van
twintig jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer dan dertig  jaar bedragen.

Artikel 2262bis

§ 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

§ 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak.

-------------------
Art. 2262bis : ingevoegd bij art. 5, W.10.06.1998

Artikel 2263

Na verloop van acht jaren, te rekenen van de dagtekening van de laatste titel, kan de schuldenaar van een rente genoodzaakt worden om op zijn kosten aan zijn schuldeiser of aan diens rechtverkrijgenden een nieuwe titel te verschaffen.
-------------------
Art. 2263 : gewijzigd bij art. 6, W.10.06.1998

Artikel 2264

De regels van de verjaring met betrekking tot andere onderwerpen dan die in deze titel vermeld zijn, worden bepaald in de titels die daarover in het bijzonder handelen.

Afdeling III : Tienjarige en twintigjarige verjaring

Artikel 2265

Hij die te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel een onroerend goed verkrijgt, bekomt daarvan de eigendom door verjaring na tien jaren, indien de ware eigenaar woont binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarin het onroerend goed gelegen is; en na twintig jaren, indien hij buiten dat gebied zijn woonplaats heeft.

Artikel 2266

Indien de ware eigenaar op verschillende tijdstippen zijn woonplaats binnen en buiten het rechtsgebied heeft gehad, moet, om de tot verjaring vereiste tijd aan te vullen, bij hetgeen aan de tien jaren aanwezigheid ontbreekt, tweemaal zoveel jaren afwezigheid worden gevoegd als er jaren ontbreken om de volle tien jaren aanwezigheid te bereiken.

Artikel 2267

Een titel die nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm, kan niet als grondslag dienen voor een tienjarige en twintigjarige verjaring.

Artikel 2268

Goede trouw wordt steeds vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.

Artikel 2269

Het is voldoende dat de goede trouw aanwezig was op het ogenblik van de verkrijging.

Artikel 2270

Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid

Rechtsleer:

De verjaring, de vierde Antwerpse juristencongres, Intersentia 2007

Rechtspraak

• wijzigbaarheid van de verjaringstermijn door partijen:

Kh. Antwerpen 19 juli 1967, R.H.A. 1967, 493.

De partijen kunnen de verjaringstermijn, die wordt opgelegd door een niet imperatieve wet, wijzigen.


• toepasselijkheid in de tijd van nieuwe verjaringswetten:

• Cass. 4 oktober 1957, Arr. Cass. 1958, 54 en , Pas. 1958, I, 94, noot.

Wanneer in burgerlijke zaken een wet, zelfs van openbare orde, voor de verjaring van een vordering een kortere termijn bepaalt dan deze door een vorige wetgeving voorzien, en het recht tot de vordering vóór het inwerkingtreden van de nieuwe wet is ontstaan, dan begint de nieuwe termijn slechts te lopen vanaf die inwerkingtreding, behalve duidelijke strijdige wil van de wetgever. Niettemin kan de gehele duur van de verjaring de door de oude wet voorziene termijn niet overtreffen.

• Cass. 7 mei 1953, Arr. Cass. 1953, 607 en , Pas. 1953, I, 636.

Een wet die een vroegere bepaling betreffende de verjaring wijzigt, doet geen afbreuk aan verworven rechten. Dergelijke wet is van toepassing op de bij haar inwerkingtreding lopende verjaringen, doch heeft geen enkele invloed op reeds verworven verjaringen.

• Antwerpen (6e k.) 29 april 2003, R.W. 2006-07, afl. 9, 405 en )De inwerkingtreding van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring heeft tot gevolg dat de nieuwe termijnen van toepassing zijn op rechtsvorderingen waaromtrent nog niet definitief werd beslist.

• Rb. Luik 15 oktober 1956, J.L. 1956-57, 163.

Een verjaring die aanving onder een later gewijzigde wet volgt het regime van de nieuwe wet die geacht wordt beter te zijn.


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 09/05/2011 - 22:19
Laatst aangepast op: wo, 13/06/2018 - 14:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.