algemene rechtsbeginselen
Een algemeen rechtsbeginsel is een formele bron van
het recht die een rechtsregel vormt welke niet in geschreven teksten
of in bijzondere teksten zijn neergelegd, maar die een beginsel
uitmaakt die samen met de andere algemene rechtsbeginselen het moreel en institutioneel geraamte vormen waarop de
maatschappelijke organisatie berust.
Dergelijke regels moeten nageleefd worden door de verordenende en
door de bestuurlijke overheid, door de rechter en soms zelfs door de
Wetgevende Macht, wanneer zij een grondwettelijke waarde hebben.
Vaak zijn zij een
uitvloeisel van onze beschaving.
Aldus maken de algemene fundamentele normen uit die in een of meer
rechtssystemen, respectievelijk rechtstakken, min of meer impliciet
aanwezig zijn, daarin door de rechtsleer, maar vooral door de
rechtspraak worden gevonden en naar de (onbetwistbaar geachte)
noden en verwachtingen van de maatschappij (opnieuw) worden
geformuleerd.
De algemene rechtsbeginselen zijn aldus denkkaders, oriëntatiepunten
bij het uitzetten van de te volgen koers. Ze dwingen er toe het
recht te beschouwen in al zijn versterkende en tegenwerkende
krachten.
Het voornaamste nut is erin gelegen dat het toelaat het stilzwijgen,
de duisterheid en de onvolledigheid van de wet aan te vullen. De
erkenning en de toepassing van de algemene rechtsbeginselen draagt
er aldus toe bij dat het recht op een soepeler wijze wordt
toegepast, met meer aandacht voor de geest dan voor de letter van de
wet, en dat een grotere samenhang tussen diverse rechtstakken of in
het recht in het algemeen kan tot stand komen.
zie terzake:
Dumon, F., Artikel 95 G.W., in X., Gerechtelijk Recht.
Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en
rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 37-38;
Soetaert, R., Rechtsbeginselen en marginale toetsing in cassatie,
in Liber Amicorum J. Ronse, Brussel, Story-Scientia, 1986, 51;
Asser/Vranken, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands
burgerlijk recht - Algemeen Deel, III, Zwolle, Tjeenk Willink, 1995,
nr. 135; Buch, H., La nature des principes généraux du droit, Rev.
dr. int. et dr.
comp. 1962, 67.
Jaarverslag Cassatie 2002-2003
Overzicht van algemene rechtsbeginselen (bron jaarverslag Cassatie 2003)
ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN IN HET PUBLIEK RECHT
de rechter mag geen toepassing maken van een
beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt
geschonden:
Cass. 8 april 2003, P.03.1165.N13 (Het door artikel 159 Grondwet aan
de rechter opgedragen wettigheidstoezicht over de algemene,
provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen vormt slechts
een bijzondere toepassing van het meer algemeen rechtsbeginsel
volgens hetwelk de rechter geen toepassing mag maken van een
beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt
geschonden.
Krachtens dit algemeen rechtsbeginsel mag de rechter geen toepassing
maken van algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en
verordeningen waarbij een algemeen rechtsbeginsel waaronder het
algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur wordt miskend.);
beginselen van behoorlijk bestuur
- het rechtszekerheidsbeginsel:
- vertrouwensbeginsel Uit het vertrouwensbeginsel volgt dat de
door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de
burger in de regel moeten worden gehonoreerd.(Cass. 14 juni 1999,
A.C. 1999, nr. 352; 17 mei 1999, A.C. 1999, nr. 285)
het gelijkheidsbeginsel:
gelijkheidsbeginsel
de zorgvuldigheidsplicht: (artikel 1382 van het Burgerlijk
Wetboek)
het redelijkheidsbeginsel:
Het Hof van cassatie overweegt in het arrest van 16 januari 2002 dat
de rechter, bij het bepalen van de wijze van herstel van een inbreuk
inzake stedenbouw, uitspraak moet doen op basis van het
evenredigheidsbeginsel door tegelijkertijd rekening te houden zowel
met de omvang van de gevolgen die elk van de wijzen van herstel voor
de beklaagde meebrengt als met de mate waarin elk van hen de
stedenbouwkundige hinder herstelt die door het bewezen verklaarde
misdrijf wordt veroorzaakt.
de plicht tot onpartijdigheid:
In het cassatiearrest van 9 januari 2002 overweegt het Hof dat het
beginsel van onpartijdigheid een algemeen rechtsbeginsel is dat, in
de regel, van toepassing is op elk actief bestuursorgaan.
gelijkheid voor de openbare lasten:
Cass. 28 januari 1991, A.C. 1990-91, nr. 281 met noot van JFL; 17
november 1988, A.C. 1988-89, nr. 160. Fagnart, J.-L., La garantie
de légalité devant les charges publiques, in Présence du droit
public et des droits de lhomme- Mélanges offerts à Jacques Velu,
Brussel, Bruylant, 1992, 735.
permanentie van de Staat en de continuïteit van de openbare
dienst:
Cass. 28 januari 1999, A.C. 1999, nr. 49 (Het algemeen
rechtsbeginsel van de
continuïteit van de openbare dienst belet niet dat een rechter een
privaat rechtspersoon toestemming kan geven om in de plaats van een
publiek rechtspersoon bepaalde werken uit te voeren, indien de
aanbevolen werken de continuïteit van de openbare dienst niet in het
gedrang brengen. Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het
arrest van 24 april 1998 (A.C. 1998, nr. 210; en Cass. 7 december
1998, A.C. 1998, nr. 505 met conclusie van advocaat-generaal
Leclercq in Bull. en Pas.; 30 september 1993, A.C. 1993, nr. 386
Het algemeen rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare
dienst, volgens welke de goederen van een openbaar persoon niet
vatbaar zijn voor maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging,
strekt er alleen toe de bestendigheid van de openbare instellingen
en van hun werking te verzekeren, zodat voornoemd rechtsbeginsel
alleen in de weg staat aan het voorlopig houden van een voorwerp of
documenten door een deskundige om het te beschrijven in zoverre
daardoor de continuïteit van de openbare
dienst werkelijk in het gedrang wordt gebracht; Cass. 19 oktober
1989, A.C. 1989-90, nr. 102 (de continuïteit van de openbare dienst
is een algemeen rechtsbeginsel dat gerechtvaardigd wordt door de
noodzaak van de ononderbroken werking van de openbare diensten; zij
is dus enkel bedoeld om te voorzien in collectieve behoeften van
algemeen belang); Zie ook: Vareman, A. "Vaarwel aan de absolute
uitvoeringsimmuniteit", Proces en Bewijs 1994, 67.
verordeningsbesluiten hebben geen terugwerkende
kracht:
Cass. 22 januari 1996, A.C. 1996, nr. 44 met conclusie van
advocaat-generaal Leclercq
i
primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het
internationaal recht (incl. het communautair recht) op bepalingen
van het nationaal recht:
Cass. 3 november 2000, A.C. 2000, nr. 593 (om te bepalen of de
voorrang van het internationaal recht werd miskend, is het vereist
te weten welke internationale verdragsbepalingen in strijd met het
voorrangsprincipe werden geschonden); Cass. 26 maart 1980, A.C.
1979-80, nr. 473; 26
september 1978, A.C. 1978-79, 116; 14 januari 1976, A.C. 1976, 547
scheiding der machten:
vb. krachtens het beginsel van de scheiding van de machten, kan de
rechter niet in de plaats van de administratie aan de werkloze een
nieuwe sanctie opleggen ter vervanging van die welke hij tenietdoet,
maar, voor zover de werkloze voldoet aan alle overige wettelijke
vereisten om aanspraak te kunnen maken op de uitkeringen, is hij
verplicht laatstgenoemde te herstellen in de rechten die hem ten
gevolge van de tenietgedane sanctie waren ontnomen);
Cass. 31 mei 2001, het behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht de externe en interne wettigheid van het handelen of het niet-handelen van een overheid te toetsen en te onderzoeken of het strookt met de wet, dan wel op machtoverschrijding of machtsafwending berust; het behoort haar niet de opportuniteit van dit handelen of niet handelen te beoordelen);
ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN IN
HET Gerechtelijk privaatrecht14
gelijkheid der wapens: (recht
op een eerlijk proces)
Cass. 18 juni 2003, P.03.0719.F; 22 maart 1993, A.C. 1993, nr. 154
strikte uitlegging van de afstand van recht (afstand door
een partij van een recht kan enkel worden afgeleid uit feiten die
voor geen andere uitlegging vatbaar zijn): Cass. 7 april 2003, Cass
5 december 2002; Cass. 20 september 1984, A.C. 1984-85, nr. 57; 24
september 1981, A.C. 1981-82; nr. 67; 15 februari 1974, A.C. 1974,
658; Claeys Boúúaert, P., Algemene beginselen van het recht
vijftien jaar rechtspraak van het Hof van Cassatie, R.W. 1986-87,
992;
onpartijdigheid en
onafhankelijkheid van de rechter:
Cass. 28 februari 2003, C.01.0221.N (uit het enkele feit dat een
rechter een voorlopige maatregel heeft bevolen alvorens een
geschilpunt te beslechten, volgt niet dat hij niet meer objectief
onpartijdig is wanneer hij het geschilpunt definitief beslecht);
Cass. 19 december 2002, C.02.0285.F; 7 augustus 2001:De loutere omstandigheid dat het verzoek tot vervanging als hoofdman van de rechtsprekende jury is ingegeven door de emotionele toestand van de betrokkene, wijst nog niet op enige vooringenomenheid of partijdigheid die haar ongeschikt maakt om verder als gezworene aan de beraadslaging deel te nemen);
Cass.
30 mei 2001, P.01.0803.F De wrakingsgronden worden beperkend
opgesomd door de wet, zodat een miskenning van het algemeen
rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter geen
grond tot wraking kan opleveren. Het Hof oordeelde eerder in
dezelfde zin in het arrest, inzake tucht, van 24 november 1994 (A.C.
1994, nr. 513).
De wettige verdenking is een wrakingsgrond geworden sinds de
inwerkingtreding van de wet van 10 juni 2001 tot wijziging van
sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van
Strafvordering en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en
griffierechten, inzake onttrekking en wraking, B.S. 22 september
2001. Het is aldus bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk
Wetboek.);
Cass. 31 mei 2000, A.C. 2000, nr. 338: Rechters worden
vermoed onpartijdig te zijn en het bewijs van hun partijdigheid kan
niet blijken uit het feit alleen dat zij in hun beslissing melding
maken van gegevens die voor eiser ongunstig zijn.
Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin op 24 december 1999 (A.C.
1999, nr. 705)); 19 januari 2000, A.C. 2000, nr. 48; 1 juni 1999,
A.C. 1999, nr. 323 (de rechter die zich reeds voor de opening van
het debat over denoplossing van het geschil heeft uitgesproken is
niet meer gerechtigd om de zaak te beslissen);
Cass. 25 februari
1999, A.C. 1999, nr. 117; 7 mei 1997, A.C. 1997, nr. 220: Het
algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de
rechter wordt geschonden door het veroordelend vonnis van de
krijgsraad die, inzonderheid, samengesteld is uit een magistraat
die, nu hij de uitspraak over de voorlopige
hechtenis heeft gewezen, zitting heeft gehouden in de zaak om de
voorlopige invrijheidstelling van de beklaagde te weigeren;
Cass. 21
november 1996, A.C. 1996, nr. 448: Het algemeen beginsel van het
recht op een onpartijdige rechter wordt miskend door het arrest dat
de exceptie van nietigheid verwerpt die is opgeworpen tegen de
beslissing van de door de directeur van de belastingen gedelegeerde
ambtenaar die uitspraak doet over het bezwaar van een
belastingplichtige, terwijl hij vroeger, als
inspecteur die belast was met de behandeling van het bezwaar, de
directeur een desbetreffend schriftelijk verslag heeft bezorgd;
Cass 19
januari 1994, A.C. 1994, nr. 33; Cass. 21 november 1989, A.C.
1989-90, nr. 178: de draagwijdte van het algemeen rechtsbeginsel van
de onpartijdigheid van de rechter wordt miskend door het hof van
beroep dat, op grond alleen dat een deskundige niet meer de vereiste
waarborgen van objectiviteit biedt, beslist het verslag van die
deskundige uit de debatten te weren.
Cass. 18 november 1993, A.C. 1993, nr. 470: het algemeen
rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onpartijdig moet zijn,
vindt op alle rechtscolleges toepassing en dus ook op de directeur
der belastingen of op de door hem gedelegeerde ambtenaar, wanneer
hij uitspraak doet over de bezwaarschriften van een
belastingplichtige tegen de te zijnen name gevestigde aanslag);
Cass. 23
maart 1990, A.C. 1989-90, nr. 446: Het algemeen
rechtsbeginsel volgens hetwelk een rechter onpartijdig moet zijn,
geldt voor alle gerechten, en derhalve ook ten aanzien van de
directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar die
uitspraak doet over de door de belastingplichtige ingediende
bezwaren tegen het van de te zijnen name vastgestelde aanslag.
Dit algemeen rechtsbeginsel is met name geschonden wanneer de
beslissing is gewezen door een rechter van wie op objectieve gronden
kan worden gevreesd dat hij niet de waarborg van onpartijdigheid
biedt waarop de justitiabele recht heeft. Inzake directe belastingen
op de inkomsten is zulks het geval wanneer de taxatieambtenaar die
de betwiste aanslag heeft vastgesteld, later, in de hoedanigheid van
door de directeur der belastingen gedelegeerd ambtenaar, met
toepassing van artikel 276 W.I.B. uitspraak doet over de bezwaren
die de belastingplichtige tegen de door hem vastgestelde aanslag
heeft ingediend.
onafhankelijkheid en de de tuchtrechter: Cass. 7 mei 1999, A.C.
1999, nr. 269: het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en
onpartijdigheid van de rechter is op alle rechtscolleges
toepasselijk en met name op de Raad van beroep van de Orde der
geneesheren; dit beginsel wordt miskend wanneer de beslissing mede
wordt gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd
dat hij niet de waarborgen van onpartijdigheid biedt waarop de
rechtzoekende recht heeft; zulks is het geval wanneer een lid van
die Raad van beroep mede een tuchtsanctie uitspreekt terwijl dat lid
tevens deel uitmaakt van het controleorgaan, het Comité van de
Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor
Ziekte- en invaliditeitsverzekering, dat het onderzoek heeft gevoerd
op grond waarvan die tuchtsanctie is genomen);
Cass.
25 februari 1999, A.C. 1999, nr. 117: uit de omstandigheid dat de
geneesheer, die kennis heeft genomen van de zaak als lid van de
provinciale raad na beraadslaging mede beslist heeft over de
verwijzing naar een onderzoekscommissie, zelf deelnam aan de
behandeling, de beraadslaging en de uitspraak over de zaak door de
raad van beroep, valt af te leiden dat de beslissing van de raad van
beroep gewezen is met schending van het algemeen rechtsbeginsel van
de onpartijdigheid van de rechter ;
Zie ook de cassatierechtspraak van 20 juni 1997, A.C. 1997, nr. 289;
9 december 1994, A.C. 1994, nr. 547; 22 april 1994, A.C. 1994, nr.
194; 24 december 1993, A.C. 1993- 94, nr. 550 met conclusie van
advocaat-generaal De Swaef; 26 november 1993, A.C. 1993, nr. 489; 4
maart 1993, A.C. 1993, nr. 178; 4 februari 1993, A.C. 1993, nr. 74
Het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en de
onpartijdigheid van de rechter dat op alle rechtscolleges en met
name op de provinciale raden van de Orde van Geneesheren van
toepassing is, wordt miskend wanneer de beslissing mede wordt
gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd dat hij
niet de waarborgen van onpartijdigheid biedt waarop de justitiabele
recht heeft; zulks is het geval, wanneer een of meer leden die
hebben deelgenomen aan de beslissing van een provinciale raad,
waarbij aan een geneesheer een tuchtsanctie is opgelegd, vóór de
beslissing om die geneesheer voor de raad te doen verschijnen, de
zaak mede hebben onderzocht; een miskenning van dat beginsel kan
echter niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat leden van een
provinciale raad die mede de beslissing hebben gewezen waarbij tegen
een geneesheer een tuchtsanctie is uitgesproken, hebben deelgenomen
aan de beslissing alvorens recht te doen om die geneesheer voor die
raad te doen verschijnen;
Zie ook Cass. 15 januari 1993, A.C. 1993, nr. 28; 17 oktober 1991, A.C. 1991- 92, nr. 95; 30 mei 1991, A.C. 1990-91, nr. 502: in tuchtzaken van de beroepsorden strekt het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn tot bescherming van de rechten van de vervolgde persoon en niet van de rechten van de beroepsorde die aan de basis ligt van de vervolging;
Cass. 12 november 1990, A.C. 1990-91, nr. 141: In tuchtzaken
is het beginsel inzake de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van
de rechter, als zodanig enkel toepasselijk op de rechtscolleges die
uitspraak doen over tuchtmaatregelen en op de leden ervan. Het
bureau van de raad, wanneer het onderzoekingen inzake het
deontologisch gedrag van leden van de Orde instelt, handelt niet als
rechtscollege en zijn leden vervullen alsdan geen rechtersfunctie;
Zie ook Cass. 22 maart 1990, A.C. 1989-90, nr. 439;
Cassatie 3 november 1988, A.C. 1988- 89, nr. 134 geen onafhankelijke
en onpartijdige rechterlijke instantie is de assessor van de
tuchtraad van beroep die, als stafhouder van de balie van de
vervolgde advocaat en vóór de behandeling van de tuchtzaak in eerste
aanleg, bij een ter post aangetekende brief, de tuchtrechtelijk
vervolgde advocaat heeft gedagvaard om voor de raad van zijn orde te
verschijnen, en in die dagvaarding als zijn mening te kennen heeft
gegeven dat het ging om "zaken (die) een ernstige inbreuk
vaststellen op deontologische regels en tuchtsancties kunnen
medebrengen.
onpartijdigheid en onderzoeksrechter:
Cass. 2 oktober 2001, de omstandigheid dat de samenstelling van de
kamer van inbeschuldigingstelling die in de loop van het
gerechtelijk onderzoek reeds geoordeeld heeft over een hoger beroep
tegen de beslissing van de onderzoeksrechter betreffende bijkomende
onderzoeksverrichtingen, dezelfde is als deze die ter gelegenheid
van de regeling van de rechtspleging over bijkomende
onderzoekshandelingen met hetzelfde voorwerp oordeelt, kan geen
objectief gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan betreffende de
onpartijdigheid van de rechters);
Cassatie 2 oktober 2001 de rechter die eerder als onderzoeksrechter is opgetreden neemt geen kennis van de zaak doordat hij als feitenrechter zetelt op een zitting waarop een voordien in beraad genomen zaak wegens verder beraad voor uitspraak op een latere datum wordt uitgesteld, zodat er geen gewettigde twijfel kan bestaan omtrent de onpartijdigheid van de rechters die later over de zaak uitspraak doen);
Cassatie 23 januari 1996, A.C. 1996, nr.
49: de rechter die als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling
uitspraak heeft gedaan over de voorlopige hechtenis, kan zitting
nemen in de correctionele kamer die uitspraak doet over een door de
beklaagde ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling; zie
ook Cass 13
mei 1992, A.C. 1991-92, nr. 472.
nemo iudex in causa sua (verbod rechter en partij in dezelfde
zaak te zijn):
Cass. 19 december 2002, C.02.0285.F; 13 januari 1986, A.C. 1985-86,
nr. 308 voor de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat
niemand in dezelfde zaak rechter en partij mag zijn, wordt onder
dezelfde zaak hetzelfde geschil verstaan;
Cassatie 6 mei 1982, A.C. 1981-82, nr. 526: Het algemeen
rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand tegelijk rechter en partij
mag zijn in een zelfde zaak of in een zaak waarin tussen dezelfde
partijen identieke verweermiddelen kunnen worden opgeworpen, is een
essentiële regel voor de rechtsbedeling en raakt de openbare orde.
De advocaat die in een bepaalde zaak een partij heeft
vertegenwoordigd, mag het ambt van rechter niet waarnemen in
dezelfde zaak en evenmin in een zaak die, hoewel zij niet identiek
is als de eerste, dezelfde partijen tegenover elkaar stelt met
betrekking tot een geschil waarin dezelfde verweermiddelen kunnen
worden opgeworpen;
Cassatie 13 oktober 1975, A.C. 1976, 191. Het is
tevens verboden tegelijk rechter en deskundige te zijn in een zelfde
zaak. Dit werd door het Hof geoordeeld in de arresten van 14
februari en 21 juni 1977, A.C. 1977, 657 en 1089.
recht van verdediging
verbod voor de rechter om ultra petita uitspraak te doen;
autonomie van de procespartijen
beschikkingsbeginsel -
recht van partijen in burgerlijke zaken om de
grenzen van het geschil zelf te bepalen en verbod voor de
rechter ambtshalve de oorzaak van een vordering te wijzigen
zonder de heropening van het debat te bevelen: Zie artikel 1138, 2°,
van het Gerechtelijk Wetboek, dat het beschikkingsbeginsel inhoudt
maar een beperktere draagwijdte heeft dan dit beginsel.
Cass. 20 februari 2002, De rechter mag, krachtens het
beschikkingsbeginsel, het voorwerp van de vordering niet ambtshalve
wijzigen, hetzij door ze uit te breiden, hetzij door ze door een
andere te vervangen. De rechter kan aldus, na het voorwerp van een
vordering te hebben verworpen, deze niet ambtshalve vervangen door
een nietgevorderde veroordeling. ;
Zie ook Cassatie 17 januari 2002, C.01.0128.;
Cass. 9 november 2001 het hof van beroep dat tot staving van zijn
beslissing ambtshalve het bestaan van een fout in aanmerking neemt,
zonder dat middel aan de tegenspraak van de partijen voor te leggen,
schendt artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en miskent
het algemeen beginsel van het recht van verdediging
Cass. 26 juni 2001, C.00.0137.N; 23 maart 2001,
C.98.0063.N; 30 november 2000, A.C. 2000, nr. 657: De rechter die
ambtshalve tot staving van zijn beslissing een geschil opwerpt
zonder dat middel aan de tegenspraak van de partijen voor te leggen,
miskent het beschikkingsbeginsel en het algemeen beginsel van het
recht van verdediging;
Cass. 21 september 2000, A.C. 2000, nr. 486: de rechter die een
hogere onderhoudsbijdrage heeft toegekend dan er gevorderd werd - de
indexeringen mede in aanmerking nemend - schendt artikel 1138, 2°
van het Gerechtelijk Wetboek en miskent het beschikkingsbeginsel);
Cassatie 7 januari 2000, A.C. 2000, nr. 15: De rechter vermag de door de partijen tot staving van hun vordering voorgedragen redenen ambtshalve aan te vullen, op voorwaarde echter dat hij geen geschil opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd en dat hij noch het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering wijzigt);
Cassatie 17 september 1999, A.C. 1999, nr. 467; 1 maart 1999, A.C. 1999, nr. 122: De appèlrechter die, ondanks het akkoord van de partijen om de deskundigenopdracht, zoals zij door de eerste rechter werd vastgesteld, te wijzigen, beslist dat er geen grond bestaat tot wijziging van die opdracht, werpt een geschil op die de openbare orde niet raakt, waarvan in de conclusies van de partijen geen gewag wordt gemaakt en waarover de partijen geen uitleg hebben kunnen verstrekken.
Door aldus te oordelen, miskent de appèlrechter het beschikkingsbeginsel en het algemeen beginsel van het recht van verdediging);
Cassatie 1 oktober 1998, A.C. 1998, nr. 425: wanneer de door een onrechtmatige daad benadeelde partij interest vordert op het voor de geleden schade verschuldigde bedrag, zonder aan te geven of het gaat om compensatoire dan wel om moratoire interest, kan de rechter die de aansprakelijke dader veroordeelt, oordelen dat de gevorderde interest compensatoire interest is, zonder artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, te schenden noch het beschikkingsbeginsel te miskennen;
Cassatie 7 mei 1998, A.C. 1998, nr. 228: de verplichting van de rechter, die een uitkering na echtscheiding toekent, vast te stellen dat deze uitkering van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, houdt in dat, als de eisende partij die aanpassing niet uitdrukkelijk vraagt, de rechter die de indexering toekent, hierdoor het beschikkingsbeginsel niet miskent;
Cassatie 9 februari 1998, A.C. 1998, nr. 77: de rechter die een partij veroordeelt op basis van een bedrag dat tussen de door de partijen voorgestelde uitersten in ligt en die zijn beslissing op materiële elementen steunt die zij hem hebben medegedeeld, beslecht enerzijds een geschil dat hem is voorgelegd, en steunt anderzijds niet op eigen kennis van de zaak;
Cassatie 30 juni 1997, A.C. 1997, nr. 311; 16 juni 1997, A.C. 1997, nr. 274: kent meer toe dan gevorderd werd, het arrest dat bij de omschrijving van de toegekende schadevergoeding een schadepost vermeldt, die door de eiser niet gevorderd werd, zelfs al is de totale gevorderde vergoeding hoger dan de toegekende vergoeding;
Cassatie 24 februari 1997, A.C. 1997, nr. 104; 13 juni 1994, A.C. 1994, nr. 299: wanneer de vordering tot betaling van achterstallig loon gegrond is op het misdrijf niet betalen van loon, wijzigt de rechter het voorwerp van die vordering en miskent hij mitsdien het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen door schadevergoeding toe te kennen; zie ook Ca22 april 1993, A.C. 1993, nr. 194; 19 januari 1989, A.C. 1988- 89, nr. 294; 22 januari 1987, A.C. 1986-87, nr. 300; Claeys Boúúaert, P., o.c., 984; Kirkpatrick, J., Larticle 1080 du Code Judiciaire et les moyens de cassation pris de la violation dun principe général de droit, o.c., 630.
motivering van vonnissen en arresten:
Dit beginsel is neergelegd in artikel 149 van de Grondwet.
ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN IN HET STRAFPROCESRECHT
recht van verdediging:
gezag van het strafrechtelijk gewijsde
De beslissingen van de onderzoeksgerechten hebben alleen gezag van
gewijsde wanneer zij uitspraak doen als vonnisgerechten.
Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen geldt voor datgene wat de strafrechter zeker en noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld m.b.t. het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke beslissing uitmaken.
Cass. 12 april 2000, A.C. 2000, nr. 249 (een beslissing alvorens recht te doen, zoals een arrest dat een deskundigenonderzoek beveelt, heeft geen gezag van gewijsde;
Cass. 24 december 1999, A.C. 1999, nr. 705 een beslissing over de strafvordering verkrijgt slechts gezag van gewijsde met alle daaruit voortvloeiende gevolgen op het ogenblik dat de strafvordering is vervallen, d.w.z. op het ogenblik dat de zaak onherroepelijk is berecht; dat is niet het geval zolang het cassatieberoep niet is verworpen;
Cass. 29 maart 1999, A.C. 1999, nr. 189: de
beschikking of het arrest van
buitenvervolgingstelling die het onderzoeksgerecht hierop grondt dat
er niet voldoende bezwaren bestaan tegen de verdachte, hebben enkel
tot gevolg dat de strafvordering voorlopig wordt stopgezet; ze
hebben dus geen gezag van gewijsde t.a.v. de rechtsvordering die
voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld door een partij die
rechten wil afleiden uit het bestaan van de ten laste gelegde
feiten;
Cass. 1 december 1998, A.C. 1998, nr. 498:In geval
van een tot de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering
beperkte cassatie, hoort de rechter naar wie de zaak verwezen wordt,
de ontvankelijkheid te beoordelen van de strafvordering, waarvan de
ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering afhankelijk is,
vanuit het oogpunt van de ontvankelijkheid van de burgerlijke
rechtsvordering; het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van
gewijsde wordt bijgevolg miskend door de rechter naar wie de zaak
verwezen is, die oordeelt dat het arrest van het Hof het gezag van
gewijsde ongeschonden laat van de beschikkingen van het
vernietigde arrest, die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van
de vervolgingen);
Cass. 2 oktober 1997, A.C. 1997, nr. 381: Het gezag van het
strafrechtelijk gewijsde staat er niet aan in de weg dat een partij
in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens,
afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen
partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon
laten gelden). Met deze beslissing is het erga omnes karakter van
het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechterlijk
gewijsde duidelijk afgezwakt;
Cass. 24 januari 1997, A.C. 1997, nr. 45: Krachtens het algemeen
rechtsbeginsel van het strafrechterlijk gewijsde erga omnes heeft de
beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke
rechter gezag van gewijsde wat betreft de feiten waarvan de
strafrechter, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, ten
aanzien van de beklaagde het bestaan zeker en noodzakelijk heeft
aangenomen en wat betreft de noodzakelijke gronden waarop die
beslissing steunt; daaruit volgt dat in de regel die feiten door de
partijen en door derden in een later burgerlijk geschil niet meer
kunnen worden betwist. De burgerlijke rechter die het besturen van
een voertuig door de verzekerde met een alcoholintoxicatie die een
misdrijf uitmaakt als een zware fout in aanmerking neemt, terwijl
hij vaststelt dat de strafrechter de verzekerde heeft vrijgesproken
van dit misdrijf, miskent het gezag van het strafrechterlijk
gewijsde;
een beklaagde kan niet onder eed als getuige in
zijn eigen strafzaak worden ondervraagd, zelfs niet op eigen
verzoek:
Cass. 19 september 2000, A.C. 2000, nr. 478.
loyaliteit van bewijsverkrijging in strafzaken
Cass. 25 juni 2003, P.03.0851.F; 5 maart 2003, Zie de wet van
12 maart
1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van
het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, die
inzonderheid in artikel 28, §3, tweede lid, en artikel 56, §1,
tweede lid, de loyaliteit van de bewijsverkrijging in strafzaken
huldigt.
vermoeden van onschuld
Cass. 17 september 2003, P.03.1018.F.
nemo censetur ignorare legem, iedereen
wordt verondersteld de wet te kennen
Algemene
rechtsbeginselen in het Materieel recht, inzonderheid privaatrecht
verbod van verrijking (of vermogensverschuivingen) zonder
oorzaak - actio de in rem verso: Dit beginsel is neergelegd in
artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek. zie ook
vermogensverschuiving zonder oorzaak
Cass. 7 september 2001, C.99.0520.F; 18 april 1991, A.C. 1990-91, nr.
431: Bij gebrek aan overeenkomst tussen de partijen, kan de huurder,
krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand zich
ten koste van een ander zonder oorzaak mag verrijken, voor de
verbeteringen in het onroerend goed vergoed worden, op voorwaarde
dat de verhuurder niet in de onmogelijkheid verkeerde ze te doen
wegnemen.
verbod van rechtsmisbruik:
Cass. 17 mei 2002. Er kan sprake zijn van misbruik van recht als een
recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend,
inzonderheid wanneer het berokkende nadeel buiten verhouding is met
het door de houder van dat recht beoogde of verkregen voordeel. De
rechter moet, bij de beoordeling van de in het geding zijnde
belangen, met alle omstandigheden van de zaak rekening houden. Het
Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 15 maart
2002, C.01.0225.F);
Cassatie 8 februari 2001, A.C. 2001, nr. 78 Het beginsel van artikel
1134 van het Burgerlijk Wetboek dat overeenkomsten te goeder trouw
moeten worden uitgevoerd, verbiedt een partij misbruik te maken van
de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik bij de
uitvoering van overeenkomsten is de rechtsuitoefening op een manier
die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening
van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Het Hof
oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 1 februari 1996 (A.C.
1996, nr. 66)); 21 juni 2000, A.C. 2000, nr. 392 (gerechtelijk
rechtsmisbruik); 11 juni 1992, A.C. 1991-92, nr. 534 (de sanctie op
misbruik van recht bestaat niet in het verbeuren van dat recht, maar
in het opleggen van de normale uitoefening ervan of in het herstel
van de schade ten gevolge van dat misbruik); 5 maart 1984, A.C.
1983-84, nr. 374, Claeys Boúúaert, P., o.c., 988.
zie ook
rechtsmisbruik bij huurachterstallen en
rechtsmisbruik algemeen
fraus
omnia corrumpit
niet-retroactiviteit van de wet
exceptio
non adimpleti contractus
ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN IN HET STRAFRECHT
niet-retroactiviteit van de strafsanctie: Cass. 22 maart
1994, A.C. 1994, 294.
non bis in idem(het
verbod voor de rechter om een beklaagde te berechten of te straffen
uit hoofde van een strafbaar feit waarvoor die beklaagde vroeger
reeds is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken):
Voor dezelfde feiten een straf opgelegd krijgen evenals een
administratieve sanctie, is niet tegenstrijdig met het algemeen
rechtsbeginsel non bis in idem, zie daaromtrent ook het algemeen
rechtsbeginsel non bis in idem in het fiscaal recht. Cass. 29 april
2003, P.02.1459.N (het in artikel 54 Schengenovereenkomst van 19
juni 1990 neergelegde ne bis in idem beginsel is slechts van
toepassing wanneer een beklaagde ter zake van dezelfde feiten in een
andere overeenkomstsluitende partij is berecht, op voorwaarde dat
ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan
of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de
wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer
ten uitvoer gelegd kan worden);
Cass. 4 februari 2003, Het rechtsprincipe non bis in idem vereist
zowel een
identiteit van feit als van vervolgde persoon). In het arrest van 19
maart 2002 (P.00.1603.N) bevestigt het Hof dat krachtens het
algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14.7
van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966
De intrekking van het rijbewijs die met toepassing
van artikel 55 van de Wegverkeerswet is bevolen, is geen sanctie
maar een preventieve maatregel die ertoe strekt gevaarlijke
bestuurders voor een bepaalde tijd uit het verkeer te verwijderen.
Artikel 55 veronderstelt daarbij geen voorafgaand onderzoek of
vaststelling van schuld en zijn toepassing is volledig onafhankelijk
van de strafrechtelijke vervolgingen die later kunnen worden
ingesteld.
Voor een dergelijke maatregel geldt het algemeen rechtsbeginsel non
bis in idem niet.);
Cass. 19 juni 2001, Onverminderd de eventuele toepassing van artikel
13 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering of
van afwijkende internationale verdragsrechtelijke bepalingen,
verbiedt niets de vervolging in België voor een feit waarvoor de
beklaagde reeds in een vreemd land is vervolgd, zodat de
strafrechter niet verplicht is zijn uitspraak op te schorten tot na
een uitspraak in het vreemde land;
Cass. 28 maart 2001, Voor de toepassing van de artikelen 54 en
56 van de Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord
van Schengen van 14 juni 1985 (hierna: Schengen Overeenkomst), dient
het Belgisch strafgerecht alleen rekening te houden met een
beslissing tot veroordeling van een beklaagde die is uitgesproken
door een vreemd gerecht dat behoort tot een Overeenkomstsluitende
Staat, in zoverre de bij dat Belgisch gerecht aanhangig gemaakte
feiten, volgens zijn onaantastbare beoordeling, dezelfde zijn als
die welke in het buitenland zijn berecht; 31 oktober 2000, A.C.
2000, nr. 589; 23 mei 2000, A.C. 2000, nr. 315;
Cassatie 16 februari 2000, A.C. 2000, nr. 129 De regel volgens welke
een persoon geen tweede maal kan worden vervolgd wegens feiten die
zijn berecht door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, is
alleen van toepassing op de beslissingen van de strafrechter die
uitspraak doet over de grond van de vervolgingen, en niet op de
beslissingen van de commissies voor de voorwaardelijke
invrijheidstelling;
Cassatie 29 juni 1999, A.C. 1999, nr. 408 Ongeacht het in artikel 54
van de Schengen Overeenkomst vervatte non bis in idem-beginsel,
volgt uit artikel 71 van deze Overeenkomst, artikel 36.2.a van het
Enkelvoudig Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen en
artikel 22.2.a(i) van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake
psychotrope stoffen, dat de op het grondgebied van verschillende
Overeenkomstsluitende Partijen gepleegde strafbare feiten, wat de
sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen betreft,
afzonderlijke misdrijven zijn die afzonderlijk worden bestraft); 3
mei 1999, A.C. 1999, nr. 257; 11 oktober 1996, A.C. 1996, nr. 376;
13 februari 1995, A.C. 1995, nr. 86;
Cassatie 22 februari 1994, A.C. 1994, nr. 89. De Belgische
strafrechter behoeft met een ten aanzien van de verdachte door een
buitenlands strafgerecht gewezen beslissing enkel rekening te houden
als het misdrijf waarvan hij kennis neemt, in het buitenland is
gepleegd. Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van
20 februari 1991 (A.C. 1990-91, nr. 335) waarbij nog werd geoordeeld
m.b.t. artikel 14.7 IVBPR dat het geen ander doel heeft dan te
verbieden dat na een definitieve vrijspraak of veroordeling in een
zelfde land opnieuw vervolgingen zouden worden ingesteld voor
hetzelfde misdrijf en dat die bepaling waarin het beginsel non bis
in idem is neergelegd en die niet de strekking heeft de
internationale waarde van een strafvonnis te erkennen, niet van
toepassing is in geval van veroordeling door een buitenlands
gerecht); 5 mei 1992, A.C. 1991-92, nr. 464; Put, J., Bis, Sed non
Idem, R.W. 2001- 2002, 937.
in
in dubio pro
reo (twijfel komt de beklaagde ten goede):
Cass. 16 mei 2001: de twijfel die de beklaagde ten
goede moet komen, is de twijfel die naar het oordeel van de rechter
betrekking heeft op de schuld van de vervolgde persoon aan de hem
ten laste gelegde feiten en niet de twijfel over de feitelijke
beoordeling van een middel van nietigheid, die niet kan leiden tot
vrijspraak van de beklaagde.
Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 8
december 1999 (A.C. 1999, nr. 669) en 2 mei 1990 (A.C. 1989-90, nr.
515) waarbij het nog oordeelde dat het algemeen rechtsbeginsel in
dubio pro reo geen betrekking heeft op de twijfel die bij de
beklaagde rijst omtrent een bestanddeel van het misdrijf);
Cassatie 25 mei 1994, A.C. 1994, nr. 261: de twijfel die de beklaagde ten goede moet komen is de twijfel van de rechter en niet die van een ander persoon van welke hoedanigheid ook, inzonderheid de twijfel van een deskundige die slechts een advies uitbrengt.
Cassatie 10 november 1992, A.C. 1991-92, nr. 726 De
rechter beoordeelt de schuld van de beklaagde volgens zijn
innerlijke overtuiging. Hij veroordeelt hem wanneer hij de
menselijke zekerheid heeft dat de beklaagde schuldig is aan het hem
ten laste gelegde feit; Van Overbeke, S., "In dubio pro reo", R.W.
1994-95, 1190.
persoonlijk karakter van de straf: Cass. 16 april 2002,
P.01.0119.N; 3 maart 1999, A.C. 1999, nr. 124 met conclusie van
advocaat-generaal Spreutels; 24 mei 1995, A.C. 1995, nr. 254 (Het
algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen wordt
geschonden door de rechter die de beklaagde tot een straf
veroordeelt en daarbij te kennen geeft, niet dat naar zijn
overtuiging die beklaagde het hem ten laste gelegde feit heeft
gepleegd, maar dat hij hem strafbaar acht bij toepassing van een
beweerd wettelijk schuldvermoeden. Het Hof oordeelde eerder in
dezelfde zin in het arrest van 26 oktober 1994 (A.C. 1994, nr. 454)
en van 3 november 1992 (A.C. 1991-92, nr. 711); 13 oktober 1993, A.C.
1993, nr. 409; 4 februari 1992, A.C. 1991-92, nr. 290 (het algemeen
beginsel van het persoonlijk karakter van de straf wordt geschonden
door de rechter die niet de overtuiging te kennen geeft dat de
beklaagde het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd, doch hem
strafbaar acht ook wanneer een derde dit feit gepleegd zou hebben).
- toepassing van de mildere straf: Cass. 18 februari 2002,
S.01.0138.N. Dit algemeen rechtsbeginsel is verwoord in artikel 2,
tweede lid, van het Strafwetboek en in artikel 15.1 IVBPR.
- verbod van dwanguitvoering tegen de persoon en van het
binnendringen in het gebied van de persoonlijkheid: In het arrest
van 31 januari 2001, A.C. 2001, nr. 61 met conclusie van
advocaatgeneraal Loop, oordeelt het Hof dat wanneer een verdachte
uitdrukkelijk heeft ingestemd met een afname op het lichaam met het
oog op een DNA-analyse en aanvaard heeft dat zijn genetisch profiel
vergeleken wordt met sporen die op de plaats van het strafbare feit
zijn aangetroffen, noch het algemeen rechtsbeginsel dat verbiedt om
op iemand dwang uit te oefenen, noch het recht op eerbiediging van
het privéleven, gewaarborgd bij artikel 8 EVRM, waartoe het recht op
eerbiediging van de lichamelijke integriteit behoort, noch enig
andere vigerende wettelijke bepaling de onderzoeksrechter verplicht
om, na toestemming van de verdachte, hem die toestemming telkens
opnieuw te vragen wanneer het onderzoek een nieuwe vergelijking van
het regelmatig genomen staal noodzakelijk maakt.
In verband met afstamming echter oordeelt het Hof in het arrest van 17 december 1998 (A.C. 1998, nrs. 525 en 526) dat het verbod van dwanguitoefening tegen de persoon en van het binnendringen in het gebied van de persoonlijkheid een algemeen rechtsbeginsel uitmaakt, hetwelk inhoudt dat elke fysische dwanguitoefening op een persoon, onder meer om hem tot een daad te dwingen of zich aan een lichamelijk of geestesonderzoek te onderwerpen, verboden is.
Het recht op de lichamelijke integriteit is niet onbeperkt en moet worden uitgelegd in het licht van andere fundamentele rechten, zoals dit bepaald in artikel 8 EVRM.
Dit algemeen rechtsbeginsel verbiedt het deskundigenonderzoek van een bloedproef of enig ander onderzoek bepaald bij artikel 331octies van het Burgerlijk Wetboek niet, voor zover de persoon niet gedwongen wordt zich aan dat onderzoek te onderwerpen.
Het bestreden arrest had geoordeeld dat het zich onttrekken aan een genetisch onderzoek zonder enige rechtmatige reden als feitelijk vermoeden geldt dat samen met andere feitelijke gegevens en omstandigheden van het dossier het vermoeden van vaderschap van eiser versterkt.
Het arrest kon zonder schending van
het algemeen rechtsbeginsel van verbod van dwanguitvoering tegen de
persoon en van het binnendringen in het gebied van de
persoonlijkheid, beslissen dat eiser de vader is van het kind. Cass.
25 februari 1997, A.C. 1997, nr. 110 (het algemeen rechtsbeginsel
dat verbiedt om op iemand dwang uit te oefenen, staat er niet aan in
de weg dat van een persoon met diens toestemming voor de
noodwendigheden van het strafonderzoek een bloedstaal wordt
genomen); Claeys Boúúaert, P., o.c., 923.
verbod zelf het recht in handen te nemen: Cass. 24 mei
1976, A.C. 1976, 1053, zie ook, Dirix, E., Het verbod van
eigenrichting als algemeen rechtsbeginsel, in Algemene
rechtsbeginselen Referaten van de
lezingencyclus georganiseerd door de Interuniversitaire Kontaktgroep
Rechtstheorie,
Antwerpen, Kluwer, 1991, 289.
ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN IN HET FISCAAL RECHT
gezag van het rechterlijk gewijsde inzake directe belastingen:
Cass. 13 januari 1995, A.C. 1995, nr. 26 (het algemeen
rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde inzake directe belastingen
wordt miskend door het hof van beroep dat, bij de beoordeling van
een vervangende aanslag, de in de beslissing van de directeur
aangegeven reden van nietigverklaring van de oorspronkelijke aanslag
wijzigt); 3 september 1968, Bull. en Pas. 1969, 4 met conclusie van
advocaat-generaal Mahaux.
algemene beginselen van behoorlijk bestuur:
Cass. 16 mei 2003, met conclusie van advocaat-generaal
met opdracht Thijs: de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
kunnen niet worden ingeroepen indien die leiden tot een beleid dat
tegen de wettelijke bepalingen ingaat; deze beginselen kunnen aldus
niet tot gevolg hebben dat het bestuur in de onmogelijkheid zou
worden geplaatst een nieuwe aanslag te vestigen waar zij daartoe
verplicht is ingevolge een dwingende wetsbepaling;
Cass. 20 februari 2003, 14 juni 2002, het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel houden geen verband met het recht van de administratie om voor elk naslagjaar na te gaan of de kosten of de lasten die de belastingplichtige van zijn bedrijfsinkomsten wil aftrekken al dan niet beroepskosten zijn;
Cass. 3 juni 2002,
met conclusie van eerste advocaat-generaal Leclercq De algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, die bindend zijn voor het bestuur
van Financiën, het recht op rechtszekerheid omvatten.
Dat recht
houdt met name in dat de burger moet 17 Zie ook, Vanistendael, F.,
Les principes généraux de droit en droit fiscal, R.G.F. 1991, 124.
kunnen vertrouwen op wat volgens hem niet anders dan een vaste
gedragsregel en een regel van bestuur kan zijn en krachtens hetwelk
de openbare diensten dienen te voldoen aan de bij hem gewekte
gewettigde verwachtingen.
Het Hof van Cassatie oordeelde eerder in dezelfde zin
in het arrest van 6 november 2000, A.C. 2000, nr. 598 met conclusie
van eerste advocaat-generaal Leclercq waarbij het Hof tevens
oordeelt dat uit de artikelen 245, eerste lid, 246, eerste lid, en
265, eerste lid W.I.B. (1964) volgt dat de administratie weliswaar
de door de belastingplichtige behaalde winsten voor bepaalde
aanslagjaren mag vaststellen aan de hand van een forfaitaire
belastingschaal, maar dat zij door die wijze van ramen niet gebonden
is voor de latere aanslagjaren, daar de belastbare grondslag van elk
aanslagjaar, rekening houdend met de werkzaamheden van de
belastingplichtige, wordt vastgesteld op grond van zijn werkelijk
verkregen inkomsten, en dat de bewijselementen die de administratie
daartoe kan aanvoeren van jaar tot jaar kunnen verschillen, zonder
dat haar vroegere houding, zelfs als die gedurende verschillende
aanslagjaren onveranderd is gebleven, bij de belastingplichtige de
gewettigde overtuiging kan wekken dat de administratie voor latere
aanslagjaren geen gebruik zal maken van haar recht om andere
bewijselementen aan te dragen), van 11 mei 1998 (A.C. 1998, nr.
237), van 13 februari 1997 (A.C. 1997, nr. 84) en van 27 maart 1992
(A.C. 1991-92, nr. 405));
Cass. 26 oktober 2001, met conclusie
van advocaat-generaal Henkes: De beginselen van behoorlijk bestuur
sluiten het recht op rechtszekerheid in en zijn bindend voor de
belastingadministratie. Het recht op rechtszekerheid impliceert niet
dat de belastingplichtige die met het bestuur een akkoord heeft
bereikt over een regeling die in strijd is met wetsbepalingen, van
het bestuur de toepassing van een dergelijk akkoord kan eisen,
aangezien het te zijnen aanzien geen gewettigde verwachtingen heeft
kunnen doen ontstaan.
Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in
het arrest van 3 november 2000 (A.C. 2000, nr. 596 met conclusie van
advocaat-generaal met opdracht Thijs), waarbij nog werd geoordeeld
dat het recht op rechtszekerheid van een individuele
belastingplichtige geen onbeperkt recht is en onder omstandigheden
moet wijken voor het legaliteitsbeginsel van artikel 170 van de
Grondwet dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van
alle belastingplichtigen.); 16 oktober 1997, A.C. 1997, nr. 411. De
Schrijver, D., Kroniek fiscaal recht voor vennootschappen 2001,
TRV 2002, 201-203; Geelhand, N., "Le principe de la croyance
légitime en droit administratif et en droit fiscal", R.C.J.B. 1995,
53 en 488 en R.W. 1991-1992, 1466; Peeters, B. en Cauwenbergh, P.,
"Het voorafgaand schriftelijk akkoord: fiscale
(schijn)rechtszekerheid", T.F.R. 1993, 146; Scoriels, V., Le
principe de confiance légitime en matière fiscale et la
jurisprudence de la Cour de cassation, J.T. 2003, 301; Van
Crombrugghe, S., Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht,
T.F.R. 1996, 1.
non bis in idem:
Cass. 24 januari 2002: Krachtens het
algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14.7 IVBPR mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft
voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en
het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of
waarvan hij is vrijgesproken.
Zulks belet niet dat de Belgische
overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde
inbreuk, de ene onderworpen aan het nationale strafrechtsstelsel, de
andere onderworpen aan het stelsel van de (fiscale) administratieve
sanctie, ook al zouden die administratieve sancties een
strafrechtelijke aard hebben in de zin van artikel 6 EVRM.
Dit belet
evenmin dat de rechter, aan wie gevraagd wordt een administratieve
sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van
artikel 6 EVRM, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken en
in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de
dwingende eisen van internationale verdragen of van het interne
recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
De rechter mag
hierbij, krachtens het Belgische strafrechtsstelsel, eerder
uitgesproken strafsancties die in verband met dezelfde inbreuk
zouden zijn opgelegd, in zijn beoordeling mag betrekken. Zie in
dezelfde zin, het arrest van 5 februari 1999 (A.C. 1999, nr. 67 met
conclusie van advocaat-generaal Goeminne) waarbij tevens werd
geoordeeld dat artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, zich niet
verzetten tegen een stelsel waarbij aan het bestuur de vervolging en
sanctionering van inbreuken op de fiscale reglementering wordt
toevertrouwd, mits de belastingplichtige de opgelegde sanctie kan
laten controleren door een rechterlijke instantie die alle garanties
biedt welke in die bepalingen worden omschreven.
Die rechter moet
aldus kunnen nagaan of voldaan is aan alle wettelijke vereisten van
de straf en moet hiervoor de elementen in feite en in rechte kunnen
beoordelen. Hij moet aldus de mogelijkheid hebben de werkelijkheid
na te gaan van de sanctionering en eveneens te beoordelen of de
sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en
inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke
bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en of zij niet in
strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur.
De
uitoefening van dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de
rechter om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de
belastingplichtige zou kunnen bevrijden van de bedoelde
verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.)
Voor een bespreking van deze arresten, zie Alen, A., Naar een
betere rechtsbescherming inzake administratieve geldboeten na de
koerswijziging van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 5
februari 1999, R.W. 1999-2000, 630 en Kirkpatrick, J., Nudelholc, S.
Le contrôle judiciaire des amendes fiscales et le principe de
proportionnalité, R.C.J.B. 2002, 594; Cass. 3 mei 1999, A.C. 1999,
nr. 257. Zie ook, Van Dooren, E., De regel non bis in idem als
algemeen rechtsbeginsel inzake locale fiscaliteit, R.W. 1998-99,
465.
niet-discriminatie:
Cass. 29 maart 2001: De in de artikelen 10, 11 en 172 van de
Grondwet vastgestelde regels inzake gelijkheid en non-discriminatie
verbieden dat categorieën van personen die in situaties verkeren
die, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, wezenlijk van
elkaar verschillen, op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat
daarvoor een redelijke grond voorhanden is.
Het bestaan van een
dergelijke grond moet worden beoordeeld met inachtneming van het
doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of van de ingevoerde
belasting alsook van de aard van de in het geding zijnde
beginselen;
Cass. 17 november 2000, A.C. 2000, nr. 630 : De
grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de
niet-discriminatie op het stuk van de belastingen staan er niet aan
in de weg dat een verschillende financiële behandeling wordt
ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor
zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.
De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden
getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en
aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen
en het beoogde doel;
Cass. 16 oktober 1997, A.C. 1997, nr. 411:een
eventuele onevenredigheid van de grondslag van de heffing met het
beoogde doel houdt op zichzelf geen schending in van het
gelijkheidsbeginsel). Zie ook, Krings, E., Légalité en matière
fiscale dans la jurisprudence de la Cour de cassation, in
Protection des droits fondamentaux du contribuable sous la direction
de R. Andersen, Brussel, Bruylant, 1993, 63.
niet-terugwerkende kracht van een belastingswet: Cass. 21 februari 2003, ; 25 mei 2000, A.C. 2000, nr. 325: Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
Wanneer een belastingwet een
nieuwe categorie van handelingen, toestanden of feiten aan belasting
onderwerpt, zijn de handelingen, toestanden of feiten die vóór de
inwerkingtreding van de nieuwe wet voltrokken waren, niet belastbaar
ingevolge het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet terugwerkende
kracht van een wet.
ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN IN HET TUCHTRECHT
non bis in idem:
Cass. 12 januari 2001, A.C. 2001, nr. 21: niemand mag voor een
tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit
waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk
land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is
vrijgesproken: zulks belet niet dat de Belgische overheid sancties
van uiteenlopende aard mag bepalen voor dezelfde feiten die
overtredingen uitmaken, de ene onderworpen aan het stelsel van het
tuchtrecht, de andere onderworpen aan het stelsel van de
administratieve sanctie, ook al zouden beide sancties een
strafrechterlijke aard hebben in de zin van artikel 14.7 IVBPR; zie
in dezelfde zin, de arresten van het Hof van 19 maart 2002,
P.00.1603.N, en van 24 januari 2002, C.00.0234.N en C.00.0442.N,
besproken supra.
discretie in onderzoek, behandeling en uitspraak in tuchtzaken:
Cass. 20 september 1979, A.C. 1979-80, nr. 45; 15 juni 1979, A.C.
1978-79, 1232; 19 april 1979, A.C. 1978-79, 976 met noot van P.D.;
26 oktober 1978, A.C. 1978-79, 227; 22 september 1972, A.C. 1973,
89.
REGELS DIE NIET ZIJN ERKEND ALS ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN
§ 1. Publiek en administratief recht
- benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst18
- "grondwetconforme interpretatie van wetten en reglementen"19
- terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest van de Raad van
State20
- overleg in de ministerraad als geldigheidsvereiste voor
regeringshandelingen21
- de niet-terugwerkende kracht geldt onder andere voor individuele
handelingen22
- wederkerigheidsbeginsel in de internationale verdragen
§ 2. Gerechtelijk privaatrecht
- "eenheid der rechtsorde"
- beginsel dat de rechter die mede uitspraak heeft gedaan bij een
door een hoger gerecht tenietgedaan vonnis, kan na de tenietdoening
niet opnieuw zitting houden in deze zaak
- het samentellen van het bedrag van verschillende vorderingen voor
het bepalen van de aanleg
- regel van het accusatoir karakter van het geding
- accessorium sequitur principale (de bijzaak volgt de hoofdzaak)
- electa una via, non datur recursus ad alteram (eens een weg
gekozen, mag men geen andere weg inslaan)
- recht van de dubbele aanleg of regel van de rechtspraak in twee
instanties goede rechtsbedeling
- een proces moet te goeder trouw worden gevoerd
- de Procureur-generaal bij het hof van beroep is de bewaarder van
de gerechtelijke dossiers
- Het Hof kent het recht
- lex specialis posterior derogat priori generali (een bijzondere
wet (die een specifieke materie regelt) heft een algemene wet op (in
zover deze laatste strijdig is met de bijzondere wet))
- de toestand van de vervolgde persoon mag niet worden verzwaard,
als deze alléén hoger beroep heeft ingesteld39
- de verplichting tot ingebrekestelling
- een vonnis moet worden uitgesproken door dezelfde rechter als
degene die de zaak heeft gehoord
§ 3. Strafprocesrecht
- loyaliteitsbeginsel
- geheim van het vooronderzoek
- de strafrechtspleging heeft een inquisitoriaal karakter
- algemeen beginsel betreffende de bewijslast in strafzaken
- eenheid van de beoordeling
- nul ne plaide par procureur
- regel volgens welke de vervaldag van een termijn die op een
zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag afloopt, naar de
eerstkomende werkdag wordt verplaatst
- recht op een rechtspraak in twee instanties
§ 4. Materieel recht, inzonderheid privaatrecht
- gelijkheid in de behandeling van soortgelijke verrichtingen
- tot bewijs van het tegendeel wordt iedereen geacht te goeder trouw
te zijn
- rechtsdwaling levert een rechtvaardigingsgrond op wanneer zij
onoverkomelijk is vrijgesteld, en ook, onder meer, wanneer een
ingebrekestelling met het voorwerp of de aard van de overeenkomst of
met de bedoelingen van de partijen onverenigbaar is);
- nemo auditur suam turpitudinem allegans (niemand wordt aanhoord
indien hij zich beroept op zijn eigen schandelijk gedrag 54 Cass. 2
december 2002,)
- theorie van de vertrouwensleer in het verbintenissenrecht
- eerbied voor de gewettigde verwachtingen van een ander
- een rechtsbeginsel dat steunt op de betrekkingen van genegenheid,
eerbied en toewijding ten gevolge van de bloedgemeenschap, waaruit
het bezoekrecht van de grootouders voortvloeit
- onderhoudsgeld laat geen achterstallen
- niemand kan vervallen verklaard worden van een door de wet
toegekend subjectief recht dan door een wet
- copie vaut original Cass. 3 oktober 2000, A.C. 2000, nr. 505.
- wie het meerdere kan, kan ook het mindere
- regel waarbij elke beoefenaar van de geneeskunde vrij de
behandelingswijze van zijn patiënten mag kiezen
- bij de interpretatie van geschreven stukken, heeft de werkelijke
wil van de partijen voorrang op de uitgedrukte wil
- ad impossibile nemo tenetur (niemand is tot het onmogelijke
gehouden)
- verdelende gerechtigheid
- de mogelijkheid, ten opzichte van de bij een schijnovereenkomst
betrokken partijen, om zich op de gesimuleerde overeenkomst in
plaats van op de achterliggende overeenkomst te beroepen 66
- res perit debitori (de verkochte zaak gaat teniet ten nadele van
de koper)
- er bestaat evenmin een algemeen rechtsbeginsel nopens overmacht,
dwaling of noodtoestand of een ander algemeen rechtsprincipe zoals
niemand mag zijn dwaling omtrent het recht tot verschoning
inroepen.
Cass. 24 mei 2002 en Cass. 25 oktober 1999, A.C. 1999, nr. 559 :de dwaling kan
onder bepaalde omstandigheden door de rechter als onoverkomelijk
worden beschouwd, maar slechts wanneer uit die omstandigheden af te
leiden valt dat degene die zich erop beroept, heeft gehandeld zoals
ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou
hebben gehandeld.
Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het
arrest van 23 januari 1984 (A.C. 1983-84, 598), van 31 oktober 1994
(A.C. 1994, nr. 462 met noot van J.F.L.) en van 18 januari 1999, A.C.
1999, nr. 28. Het Hof oordeelt in deze laatste twee vermelde
arresten ook dat de loutere vaststelling dat het slachtoffer van de
dwaling verkeerd is ingelicht, zelfs door een bevoegd persoon (zoals
een deskundige) niet voldoende is.;
Cass. 18 november 1996, A.C. 1996,
nr. 437:Ononverkomelijke dwaling heeft niet de wettelijke
onmogelijkheid om de rechtsvordering in te stellen tot gevolg, zij
schorst derhalve geenszins de verjaring. Het Hof oordeelde eerder in
dezelfde zin in het arrest van 20 maart 1995 (A.C. 1995, nr. 158)).
A.C. 1993, nr. 516.
- regel dat een onderneming onder één paritair comité
ressorteert, namelijk dat van de hoofdactiviteit van de onderneming
- leer van de rechtsverwerking 69 of een subjectief recht gaat
teniet of kan althans niet meer worden aangevoerd wanneer de houder
van dat recht een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is
met dat recht, waardoor hij aldus het gewettigd vertrouwen van de
schuldenaar en van derden misleidt - algemeen rechtsbegrip van
toeval of overmacht
§ 5. Strafrecht
- in geval van verschillende misdrijven, kan in het kader van een
transactie slechts één enkel bedrag worden gevraagd en dat bedrag
zou moeten worden vastgesteld alsof alleen het misdrijf, strafbaar
met de zwaarste straf, was gepleegd71
- grove schuld is gelijkgesteld aan bedrog72
- evenredigheid (van de straf)73
- de techniek van pseudo-koop (of undercovertechniek) mag maar in
subsidiaire orde worden
aangewend, wanneer de andere onderzoeksmiddelen zijn uitgeput74
__
72 Cass. 7 maart 1988, A.C. 1987-88, nr. 417.
73 Cass. 1 februari 1995, A.C. 1995, nr. 62; 16 november 1994, A.C.
1994, nr. 490.
74 Cass. 3 april 2001, P.99.1170.N; 17 januari 1996, R.D.P. 1996,
1110.
§ 6. Fiscaal recht
- beginsel dat belastingwetten strikt moeten worden uitgelegd75
- degene die het voordeel geniet van een hem gedane uitbetaling
waarop een belasting wordt geheven (
) de belasting uiteindelijk
moet dragen76
- beginsel dat het boekhoudrecht, het fiscaal recht beheerst 77
- verbod om tweemaal dezelfde belasting op hetzelfde inkomen van
dezelfde
belastingplichtige te heffen
__
75 Cass. 10 november 1997, A.C. 1997, nr. 464.
76 Cass. 25 januari 1980, A.C. 1979-80, nr. 315.
77 Cass. 5 mei 1995, A.C. 1995, nr. 226.
78 Cass. 21 november 1997, A.C. 1997, nr. 498
§ 7. Tuchtrecht
- regel inzake de redelijke termijneis in tuchtzaken79
- evenredigheid (van de straf)80
- vereiste van unanimiteit van een disciplinaire strafverzwaring in
hoger beroep81
- plicht in hoofde van wie disciplinair vervolgd wordt, blijk te
geven van oprechtheid
tegenover de disciplinaire overheid82
__
79 Cass. 21 juni 2001, D.00.0003.N.
80 Artikel 3 EVRM wordt evenwel in deze context toegepast, zie Cass.
19 november 1993, A.C. 1993, nr. 473; 17
september 1992, A.C. 1991-92, nr. 620.
81 Cass. 21 november 1991, A.C. 1991-1992, nr. 152.
82 Cass. 21 maart 1986, A.C. 1985-86, nr. 459.
HIËRARCHIE DER NORMEN: HOE STAAT HET ALGEMEEN RECHTSBEGINSEL T.A.V.
DE WETSBEPALING?
bron jaarverslag Hof van Cassatie 2003
§ 1. Vooraf
Sommige rechtsbeginselen zijn in de Grondwet of de wet vermeld,
anderen zijn het niet 83. Volgens Procureur-generaal W.J. Ganshof
van der Meersch bestaat er geen verschil in natuur tussen de
geschreven en ongeschreven algemene rechtsbeginselen. De enige
verschillen rijzen op proceduraal vlak (zie infra).
Hij stelt:
Quand le juge affirme et applique les principes généraux du droit,
il ne fait quinterpréter la volonté du législateur ou du
constituant. Si le principe na pas été formulé dans la loi ou sil
ne la été quen vue de régler des applications déterminées, cest
que son existence est si certaine que le législateur estime ne pas
devoir le constater dans un texte de loi."84 Het nut van een
bijvoorbeeld in de Grondwet geschreven algemeen rechtsbeginsel is
dat het dan zeker vatbaar is om als een algemeen rechtsbeginsel met
grondwettelijke waarde te worden erkend waaraan een wet dan ook kan
worden getoetst.
In het geval een algemeen rechtsbeginsel niet is
gedekt door een (grond)wetsbepaling, zal het onwaarschijnlijk zijn
deze een (grond)wettelijke waarde te kunnen toekennen. 85 Staat het
beginsel met zoveel woorden in de (Grond)wet, dus indien de
betekenis van het beginsel volledig is gedekt door een wet, dan
geldt de regel als (Grond)wet en niet als algemeen rechtsbeginsel.
__
83 Zie ook, Leurquin-De Visscher, F., Principes, principes généraux
et principes fondamentaux dans la jurisprudence de la Cour
darbitrage, Ann. dr. Louvain 1996, 275. 84 Ganshof van der Meersch,
W.J., "Propos sur le texte de la loi et les principes généraux du
droit", o.c., 50. Hij verwijst daarbij ook naar Geny die daaromtrent
schreef Ces principes généraux du droit, représentant un idéal de
raison et de justice conforme au fond permanent de la nature humaine,
on les présuppose à la base de la loi.
On considère quils ont dû être constamment présents à la pensée du
législateur.
85 Professor F. Delpérée gaat daarin iets verder. Hij stelt Là où
ces principes fondamentaux voient leur valeur
juridique expressément ou implicitement consacrée par la
Constitution - comme dans le préambule de la
Constitution française de 1946 - , leur autorité ne saurait faire
doute: ils ont même valeur que les autres
dispositions constitutionnelles. Tevens erkent hij algemene
rechtsbeginselen met reglementaire waarde: Là
où, comme en droit belge, la valeur des principes fondamentaux reste
indéterminée, leur autorité prête plus à
discussion. Il semble quon puisse leur reconnaître une valeur
identique à celle des règles écrites dont ils sont
induits. Selon les cas, les principes généraux se verront conférer
la valeur dun texte constitutionnel, dune
disposition législative ou dune mesure réglementaire. (Delpérée,
F., Droit constitutionnel, Tome I - Les
données constitutionnelles, Brussel, Larcier, 1980, 67-68
Het is ook mogelijk dat een algemeen rechtsbeginsel
is uitgedrukt in een wet of de Grondwet maar daar niet
noodzakelijkerwijze volledig door is gedekt of een ruimer
toepassingsgebied heeft dan de wet of Grondwet uitdrukkelijk
bepaalt.
In dit geval ook zal het algemeen rechtsbeginsel een
onduidelijke of lacunaire wet kunnen uitleggen of vervolledigen.86
Zo bijvoorbeeld is de motiveringsplicht van wie met een
rechtsprekende functie is belast, ruimer dan het voorschrift van
artikel 149 van de Grondwet, dat alleen doelt op de gewone
rechtbanken van de rechterlijke macht.
De motiveringsplicht geldt
trouwens voor alle overheidsorganen87 (behalve de wetgever). Het
algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit heeft in het
positief recht een veel beperktere draagwijdte dan het beginsel
verwoordt.
§ 2. Algemene rechtsbeginselen met grondwettelijke waarde
Zij vullen de Grondwet aan, zijn onderliggend aan de Grondwet of
zijn in de Grondwet vermeld en staan hiërarchisch boven de wet.
Procureur-generaal F. Dumon stelt dat algemene rechtsbeginselen
dienen te worden nageleefd door de verordenende en door de
bestuurlijke overheid, door de rechter en ook door de wetgevende
macht, wanneer ze grondwettelijke waarde hebben.
Deze algemene
rechtsbeginselen worden ook wel eens de algemene rechtsbeginselen sensu lato genoemd of aangezien als materiële bron van het recht.
De algemene rechtsbeginselen met een grondwettelijke waarde
verwoorden de idee van de rechtstaat, en zijn alleszins fundamentele
gedragsregels die wezenlijk zijn voor het bestaan en de handhaving
van de rechtsorde en per definitie deel uitmaken van de Grondwet,
die immers de fundamentele regels omvat die de inrichting en de
werking van de staat, en zijn relatie met de onder hem ressorterende
groepen en personen beheersen.
Bij schijnbare strijdigheid van de
wet met een dergelijk algemeen rechtsbeginsel moet worden nagegaan
of de wet niet kan worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het
beginsel, waarvan zogezegd is afgeweken: de wetgever moet vermoed
worden geen afbreuk te hebben gedaan aan voor de samenleving
wezenlijke regels. In dergelijk geval geldt het algemeen
rechtsbeginsel als aanvullende of interpretatieve rechtsbron.
De
wet kan derhalve aan deze fundamentele rechtsbeginselen91 worden
getoetst.
Deze rechtsbeginselen zijn tevens een leidraad voor de
wetgever bij het uitvaardigen van de wetten. Zie ook verder in
dit jaarverslag: du Jardin, J., Het recht van verdediging in de
rechtspraak van het Hof van Cassatie (1990-2003) - rede uitgesproken
op de plechtige zitting van 1 september 2003, i.h.b. Afdeling 1- §2-
Het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel. 87 Wet 29
juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen, B.S. 12 september 1991. 88 Dumon, F., Artikel
95 G.W., in X., o.c., 37-38. 89 Van Orshoven, P., Algemene
rechtsbeginselen, in alle rechtstakken - Over de grondwettelijke
waarde van de publiek- en privaatrechtelijke beginselen, in
Postuniversitaire Cyclus Willy Delva -Publiekrecht, 1996/1997, nr. 6
90 Van Orshoven, P., Algemene rechtsbeginselen, in alle
rechtstakken - Over de grondwettelijke waarde van de publiek- en
privaatrechtelijke beginselen, o.c., 1; Van Orshoven, P., Non
sripta, sed nata lex, in Algemene rechtsbeginselen - Referaten van
de lezingencyclus georganiseerd door de Universitaire Kontaktgroep
Rechtstheorie, Antwerpen, Kluwer, 1991, 79. 91 Deze rechtsbeginselen
worden door P. Popelier, beginselen van behoorlijke wetgeving,
genoemd; Popelier, P., Beginselen van behoorlijke wetgeving in de
rechtspraak, T.P.R. 1995, 1049. Zie ook, Van Orshoven, P., Non
scripta, sed nata lex, o.c., 76. Zie ook: Alen, A., Handboek van
het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1995, 88; Mast, A.,
Dujardin, J., Van Damme, M. en Vande Lanotte, J., Overzicht van het
Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 1996, 45; Suetens,
L.P., Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Het gaat om de
algemene rechtsbeginselen die bij uitstek voor de uitoefening van de
wetgevende functie zijn bedoeld: het rechtszekerheidsbeginsel93
(vindt zijn grondslag in het beginsel van de rechtsstaat); het
gelijkheidsbeginsel dat is ingeschreven in de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet; het legaliteitsbeginsel dat zijn grondslag vindt in
artikel 159 van de Grondwet94, de waarborg van de vrijheid van de
persoon (artikel 12 van de Grondwet) waaronder de vrijheid van
mening; het recht op een menswaardig leven (artikel 23 van de
Grondwet) waaronder het verbod te folteren.
Aan de lijst mag
ongetwijfeld ook het beginsel van de scheiding der machten worden
toegevoegd evenals het beginsel, in de wet van 8 augustus 1980
neergelegd, dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de Belgische
monetaire en economische unie.
Het beginsel van de primauteit van
het inter- en supranationaal recht is geen eigenlijk beginsel met
grondwettelijke waarde maar is in werkelijkheid een rechtsbeginsel
dat rechtstreeks zijn oorsprong vindt in het internationaal recht.
§ 3. Algemene rechtsbeginselen met wettelijke waarde
Zij vullen de
wet aan en staan hiërarchisch boven de (algemene en individuele)
uitvoeringsbesluiten van de administratieve overheden.97 Deze
algemene rechtsbeginselen worden ook wel eens de algemene
rechtsbeginselen sensu stricto of de eigenlijke algemene
rechtsbeginselen genoemd of als formele bron van het recht
aangezien.
Daaronder vallen onder andere het
zorgvuldigheidsbeginsel, de hoorplicht, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de redelijke
termijn. Wat betreft de positie van de algemene rechtsbeginselen in
de normenhiërarchie oordeelt het Hof van Cassatie: (...) dat (...)
de algemene rechtsbeginselen door de rechter in een bepaalde zaak
niet mogen worden toegepast wanneer die toepassing onverenigbaar zou
zijn met de vaste wil van de wetgever (...).
Een algemeen
grondbeginsel bezit in ons nationaal recht begrip en plaats in de
hiërarchie der normen, in Algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, Opdebeek, I. (red.), Antwerpen, Kluwer, 1993, 5 en 22. 92
Zie Vandelanotte, J., Overzicht van het publiek recht, Brugge, Die
Keure, 123. 93 Het Arbitragehof toetst ook formele wetgeving aan dit
ongeschreven rechtsbeginsel gerelateerd aan het gelijkheidsbeginsel
(zie Arbitragehof, nr. 25/90, 5 juli 1990, B.S. 6 oktober 1990; nr.
36/90, 22 november 1990, B.S. 28 december 1990; nr. 10/93, 11
februari 1993, B.S. 9 maart 1993; nr. 59/ 93, 15 juli 1993, B.S. 16
september 1993; nr. 28/96, 30 april 1996, B.S. 4 mei 1996. Bouvier,
P., Eléments de droit administratif, Brussel, De Boeck en Larcier,
2002, 53. 94 Zie nr. 8 uit de conclusie van eerste advocaat-generaal
Leclercq onder het arrest van het Hof van 6 november 2000, A.C.
2000, nr. 598, ook verschenen in A.P.T. 2000/3, (236) 240. 95
Procureur-generaal Liekendael schrijft: Hoewel geen enkele tekst
uitdrukkelijk bepaalt dat in onze Rechtsstaat de machten gescheiden
zijn, blijkt die scheiding nochtans uit de hele opzet van onze
grondwettelijke regels. (Liekendael, E., o.c., 3).
Artikel 151 van
de Grondwet houdt maar een beperkte erkenning in van de
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht die moet aangevuld
worden met het algemeen rechtsbeginsel.
Cass. 27 mei 1971, Bull.
en Pas. 1971, I, 886 (smeerkaasarrest). Dit arrest gaat uit van een
monistische visie. Een wijziging van de Grondwet die de hiërarchie
anders bepaalt zou dan ook door de rechter worden terzijde gelaten.
97 Vande Lanotte, J., Enkele knelpunten in de hiërarchie van de
rechtsnormen, in Postuniversitaire Cyclus Willy Delva
-Publiekrecht, 1996/1997, 37. 98 Van Orshoven, P., Algemene
rechtsbeginselen, in alle rechtstakken - Over de grondwettelijke
waarde van de publiek- en privaatrechtelijke beginselen, o.c., nr.
7. 99 Cass. 30 oktober 2000, A.C. 2000, nr. 587; 20 februari 1991,
A.C. 1990-91, nr. 335; 20 december 1990, A.C. 1990-91, nr. 215; 13
september 1989, A.C. 1989, nr. 32. Zie ook: Krings, E., Aspecten
van de bijdrage van het Hof van Cassatie tot de rechtsvorming, A.C.
1990, 11, nr. 14; Sace, J., Quelques réflexions sur les principes
geen juridische waarde die hoger is dan een wet der
Wetgevende Macht (de grondwettelijke grondbeginselen vormen hierop
nochtans een uitzondering).
De wetgever staat in de regel boven
de algemene rechtsbeginselen, of, algemene rechtsbeginselen kunnen
naast maar niet tegen de wet gelden. Heeft de wetgever [...]
expliciet afbreuk gedaan aan de toepassing van een rechtsbeginsel,
dan primeert zonder meer de wettekst.
In de hiërarchie der rechtsbronnen nemen de algemene rechtsbeginselen dus duidelijk een ondergeschikte plaats in ten aanzien van de (formele) wetgeving.
Aangezien algemene beginselen (met wettelijke waarde) naast de wet kunnen staan, kunnen zij leemtes in de wet vullen, ze kunnen dan aangezien worden als een aansporing voor de rechter om bepaalde wetgeving beperkend of verruimend uit te leggen. Deze algemene rechtsbeginselen kunnen echter niet contra legem gelden.
Onrechtstreeks echter zal de gewone rechter in bepaalde gevallen de toepassing van de formele wetgeving aan de algemene rechtsbeginselen met wettelijke waarde toetsen.
Dit is het geval bv. bij de beoordeling indien de sanctie opgelegd in toepassing van koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, beantwoordt aan de wettelijke voorschriften met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
De rechter, aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen of van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Artikel 35, § 2 en 5, Wet Voorlopige Hechtenis, bepaalt dat alle beslissingen waarbij aan de verdachte of de beklaagde een of meer voorwaarden worden opgelegd, met redenen moeten omkleed zijn.
De rechter kan de
op te leggen voorwaarden niet alleen slechts binnen de wettelijke
grenzen vrij bepalen, maar kan daarbij ook geen voorwaarden opleggen
die in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen.104
WANNEER KUNNEN ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN CASSATIETECHNISCH WORDEN
AANGENOMEN?
§ 1. Ontvankelijkheidvereiste van een cassatiemiddel
Een
van de ontvankelijkheidvereisten van een cassatiemiddel is vervat in
artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt: Het
verzoekschrift, dat zowel op het afschrift als op het origineel door
een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend, bevat de
uiteenzetting van de middelen van de eiser, zijn conclusie en de
vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt
aangevoerd, een en ander op straffe van nietigheid. In strafzaken
daarentegen zijn er, wat de redactie van de middelen betreft, geen
voorgeschreven vormen.
De vermelding in het middel van het wetsartikel of algemeen rechtsbeginsel waarvan généraux de droit, in Mélanges Philippe Gérard, Brussel, Bruylant, 2002, 79; Van Hoecke, M., De algemene rechtsbeginselen als rechtsbron, in Algemene rechtsbeginselen referaten van de lezingencyclus georganiseerd door de Interuniversitaire kontaktgroep Rechtstheorie, Antwerpen, Kluwer, 1991, 5. 100 Dumon, F., o.c., 40. 101 Van Hoecke, M., o.c., 5. 102 Cass. 25 april 2002, C.00.0464.N. 103 Cass. 24 januari 2002, C.00.0234.N en C.00.0422.N. Zie Kirkpatrick, J., en Nudelholc, S. Le contrôle judiciaire des amendes fiscales et le principe de proportionnalité, R.C.J.B. 2002, 594. 104 Cass. 18 maart 2003, P.03.0352.N.
De schending wordt aangeklaagd, is in strafzaken, op
straffe van nietigheid, niet voorgeschreven. Behoudens een
alleenstaand arrest van 10 januari 1867, heeft het Hof eerst
vanaf de jaren 50107-60108 het bestaan van de algemene
rechtsbeginselen als een aangewezen wetsbepaling aanvaard in de zin
van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk het
Hof van Cassatie kennis neemt van de beslissingen in laatste aanleg
die voor het Hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of
wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid
voorgeschreven normen.
Tot dan kon een cassatiemiddel niet de
schending van een algemeen rechtsbeginsel aanvoeren indien de
schending daarvan ook niet de schending van een wetsbepaling met
zich meebracht.
§ 2. Aanvoering van de schending van een algemeen
rechtsbeginsel
A.
WANNEER GEEN WETTEKST BESTAAT WAARIN HET IS
VERWOORD Indien geen wettekst voorhanden is die het algemeen
rechtsbeginsel verwoordt, is het mogelijk enkel schending van het
(erkend) algemeen rechtsbeginsel aan te voeren.
B.
WANNEER EEN
WETTEKST BESTAAT WAARIN HET IS VERWOORD Indien een wettekst in de
ruime betekenis voorhanden is die het algemeen rechtsbeginsel
vaststelt, dient ook schending van de desbetreffende wettekst te
worden aangevoerd en volstaat het niet het algemeen rechtsbeginsel
in te roepen.
Zo zal indien schending van het rechtsbeginsel dat de retroactiviteit van de rechtsregels verbiedt, wordt aangevoerd,
tevens schending van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek dienen te
worden aangevoerd. Op grond van artikel 774, tweede lid, van het
Gerechtelijk Wetboek, wordt het verzuim van heropening van debat in
burgerlijk zaken aangevoerd. Bij schending van de motiveringsplicht
dient tevens artikel 149 van de Grondwet als geschonden te worden
aangewezen.
C. NIET-ONTVANKELIJKHEID VAN HET CASSATIEMIDDEL De
aanwijzing in het cassatiemiddel van de wettelijke bepaling die het
algemeen rechtsbeginsel (ten dele of geheel) verwoordt waarvan
schending wordt aangevoerd, dient te gebeuren op straffe van
niet-ontvankelijkheid van het middel.
Het Hof beperkt vaak de
draagwijdte van een middel en van de grond van cassatie door de
formule dat het in zoverre gegrond is. Op deze wijze wordt over
(mede) aangevoerde rechtsbeginselen vaak geen uitspraak gedaan. 105
Declercq, R., De cassatieprocedure in strafzaken, Leuven, Wouters,
1988, 148. 106 Cass. 10 januari 1867, Pas. 1867, I, 117 met
conclusie van Procureur-generaal Leclercq. 107 Cass. 14 juni 1956,
Bull. en Pas. 1956, I, 1111 met conclusie van advocaat-generaal
Ganshof van der Meersch. 108 Cass. 2 mei 1961, Bull. en Pas. 1961,
926; 6 en 29 april 1960, Bull. en Pas. 1960, 915 en 1000, beiden met
conclusie van advocaat-generaal Mahaux
Om ontvankelijk te zijn mag het middel dat de
schending van een rechtsbeginsel aanvoert, ook niet nieuw zijn,
tenzij het de openbare orde raakt of van dwingend recht is, want
enkel in dat geval kan het voor het eerst in cassatie worden
aangevoerd.
Steunt de aangevoerde schending op een feit dat door
de rechter niet is vastgesteld of anders is beoordeeld, dan moet dat
feit eerst door het middel hersteld worden.
Dat kan alleen door
voorafgaande aanvoering van miskenning van bewijskracht, gebrek aan
antwoord, enz.
Aldus oordeelt het Hof in het arrest van 14 maart
1994110 dat het onderdeel dat enkel de schending van het algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur aanvoert en berust op een
beoordeling van feiten waarover het bestreden arrest zich niet
uitspreekt, niet-ontvankelijk is.
Komt de vraag naar het bestaan en
de formulering van het rechtsbeginsel uiteindelijk aan bod, dan pas
zal het Hof zich daarover uitspreken en dan alleen nog binnen de
betrokken materie. Het Hof van Cassatie is terughoudend ten opzichte
van het kwalificeren van een regel als nieuw algemeen
rechtsbeginsel.
§ 3. Aanvoering van de schending van een
rechtsspreuk of regel die niet als algemeen rechtsbeginsel is erkend
Wat de schending van een rechtsspreuk (voor een opsomming van
dergelijke adagia, zie supra) betreft, kan dit enkel tot cassatie
leiden als zij in een wets- of verordeningsbepaling is vastgelegd en
die bepaling in het cassatiemiddel als geschonden wordt
aangewezen.
In het arrest van 26 maart 1980112 oordeelt het Hof dat zo eventueel de theorie van de vertrouwensleer in het verbintenissenrecht opgenomen is in de bepalingen van dat recht, de schending van de wetsbepalingen waarin deze theorie haar neerslag heeft, dient aangevoerd te worden, en niet de loutere schending van een zogezegd principe of zogezegde beginselen ontleend aan de theorie van de vertrouwensleer in het verbintenissenrecht.
AFDELING 6 - ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN EN HET INTERNATIONAAL EN EUROPEES RECHT
§ 1. Bestaan van algemene rechtsbeginselen in het
internationaal publiek recht
De algemene rechtsbeginselen bestaan
niet enkel in het interne recht. Het is tevens een autonome bron van
internationaal publiek recht voorzover hieronder internrechtelijke
principes worden verstaan die gemeen zijn aan verschillende
nationale rechtsstelsels en voor zover deze transponeerbaar zijn
naar de internationale rechtsorde.
Procureur-generaal W.J. Ganshof
van der Meersch stelt omtrent de internationale algemene
rechtsbeginselen: Lexpression a ici un sens différent de celui
quelle a en droit interne. Elle vise les principes généraux du
droit international public, cest à dire des principes
spécifiquement applicables aux relations des Etats entre eux et qui
ne se confondent ni avec 109 Cass. 29 januari 2003, P.02.1684.F 110
Cass. 14 maart 1994, A.C. 1994, nr. 119 met conclusie van
advocaat-generaal Leclercq in Bull. en Pas. 111 Cass. 2 december
2002, C.98.0460.N; 10 december 1993, A.C. 1993, nr. 516; 25 februari
1991, A.C. 1990-91, nr. 34 ; 10 november 1988, A.C. 1988-89, nr.
144. 112 Cass. 26 maart 1980, A.C. 1979-80, nr. 473 met noot van F.D.
De ratio van deze rechtsbron is een oplossing te
bieden voor de lacunes in het internationale recht waarmee
internationale hoven en rechtbanken kunnen worden geconfronteerd.
Derhalve zijn de algemene rechtsbeginselen als autonome bron van het
internationaal recht slechts een beperkte en aanvullende rechtsbron.
De algemene rechtsbeginselen kunnen als bron van internationaal
recht wegens hun functie (met name als oplossing voor een probleem
waarmee de internationale hoven en rechtbanken worden
geconfronteerd) en internrechtelijke oorsprong, slechts
uitzonderlijk een rol spelen voor interne hoven en rechtbanken.
Een
belangrijk toepassingsgeval van algemene rechtsbeginselen als
rechtsbron van internationaal recht, is de rechtspraak van het Hof
van Justitie van de EG inzake grondrechten.
Bepaalde
internationale teksten verwijzen naar het begrip algemeen
rechtsbeginsel: - Artikel 38, eerste lid, c, van het Statuut van 26
juni 1945 van het Internationaal Gerechtshof, opgemaakt te San
Francisco bepaalt: Het Hof, dat tot taak heeft de aan hem
voorgelegde geschillen te beslechten overeenkomstig het
internationaal recht, doet dit met toepassing van de door beschaafde
naties erkende algemene rechtsbeginselen.
Men spreekt over les
principes généraux de droit international of principes communs.
- Artikel 7.1 EVRM117 stipuleert dat niemand kan worden veroordeeld
wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar
nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het
handelen of nalaten geschiedde.
Artikel 7.2 van het verdrag bepaalt
dat dit niet in de weg staat 113 Ganshof van der Meersch, W.J.,
Propos sur le texte de la loi et les principes généraux du droit,
rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van
Cassatie op 1 september 1970, A.C. 1971, 46.
De algemene
rechtsbeginselen in het internationaal recht zijn volgens
Procureur-generaal Ganshof van der Meersch de beginselen die
specifiek van toepassing zijn op de relaties tussen de staten
onderling en zijn niet te verwarren met het internationaal
conventioneel of gewoonterecht.
Het betreft eveneens de algemene
rechtsbeginselen van intern recht die van toepassing zijn op de
relaties tussen de staten, indien deze materies van intern recht
beslaan of betrekking hebben op de belangen van particulieren. De
algemene rechtsbeginselen in het internationaal recht en in het
intern recht zijn van subsidiaire aard.
Van Eeckhoutte, D.,
Doorwerking van internationale normen in de Belgische rechtsorde,
in Themis, Internationaal en Europees recht, Brugge, die Keure,
2003, 14. goedgekeurd bij wet van 14 december 1945, B.S. 10
september 1987. Zie ook noot 2 van de conclusie van eerste
advocaat-generaal Leclercq onder het arrest van 12 maart 2001 van
het Hof, verschenen in A.P.T. 2001, (61) 65. 116 J. Verhoeven stelt
daarbij Point ne devrait être besoin de souligner que laffirmation
dun principe commun est en soi une tâche considérable dans une
communauté comportant aujourdhui plus de 180 membres.
Ce qui
suppose que plus de 180 droits soient théoriquement pris en
considération, quitte à en écarter par la suite lun ou lautre. A
dire vrai, une telle comparaison, na jamais été sérieusement faite.
Lon se contente à lordinaire détablir de vagues ressemblances
entre des familles juridiques, ce qui ne contribue guère à la
crédibilité des principes généraux de droit. (Verhoeven, J., Droit
International Public, Brussel, Larcier, 2000, (347) 348).
C. Rousseau beschrijft een aantal beginselen als deel uitmakend van het
internationale recht maar die echter als zodanig nooit door het
Internationaal Gerechtshof als algemene beginselen van
internationaal recht in de zin van artikel 38 van het Statuut van 26
juni 1945 van het Internationaal Gerechtshof zijn erkend. (Rousseau,
C., Droit International Public, T. I, Paris, Sirrey, 1970, (370)
379). Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, B.S.
19 augustus 1955, err., B.S. 29 juni 1961 aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is
aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of
nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene
rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend.
- Ook in het Aanvullend Protocol van 29 april 1969 bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie ondertekend te s-Gravenhage wordt verwezen naar het begrip algemeen rechtsbeginsel.
Artikel 13 van het aanvullend protocol bepaalt namelijk dat behalve indien het beroep is gericht tegen een besluit, waarbij een disciplinaire straf is opgelegd of een preventieve schorsing met of zonder inhouding van salaris heeft plaatsgevonden, het slechts kan worden gegrond op schending van het geschreven recht of van substantiële vormen, op overschrijding of afwending van macht, dan wel op schending van enig algemeen rechtsbeginsel.
Sommige teksten verwijzen naar specifieke algemene rechtsbeginselen: - De artikelen 22 tot 34 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof bevatten algemene beginselen van strafrecht waaronder: nullum crimen sine lege (geen misdrijf zonder wet), nulla poena sine lege (geen straf zonder wet), geen terugwerkende kracht ratione personae, individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid, niet-toepasselijkheid van verjaringswetten, dwaling omtrent de feiten of dwaling omtrent het recht.
Het statuut maakt in het artikel 20 ook melding van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem. Dat laatste beginsel is tevens opgenomen in artikel 14.7 IVBPR en in de artikelen 54 en 56 van de Schengen Overeenkomst.
- Het gekwalificeerd recht op dubbele aanleg is opgenomen in artikel 14.5 IVBPR 127. België heeft evenwel bij artikel 14.5 van voornoemd Verdrag een voorbehoud gemaakt waarvan de inhoud onder meer overeenstemt met de beperking waarvan sprake is in artikel 2 van het Aanvullend protocol nr. 7 bij het EVRM, naar luid waarvan op dat recht uitzonderingen kunnen bestaan wanneer de betrokkene in eerste aanleg is berecht door de hoogste rechterlijke instantie.
- Het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht erkent in het derde lid van de preambule de beginselen van vrijwillige instemming, goede trouw en pacta sunt Goedgekeurd bij wet van 7 januari 1971, B.S. 11 december 1973. 119 B.S. 1 december 2000.
Het Statuut werd door België getekend op 10 september 1998 en bekrachtigd op 28 juni 2000. Het Internationaal Strafhof is in werking getreden op 1 juli 2002.
Artikel 22.1 van het statuut: Niemand is krachtens dit Statuut strafrechtelijk aansprakelijk tenzij de desbetreffende gedragingen op het tijdstip waarop deze plaatsvinden een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.
Artikel 23 van het statuut: Een persoon die door het Hof is veroordeeld kan enkel worden gestraft overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut. Artikel 24.1 van het statuut:
Niemand is strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Statuut ter zake van gedragingen die plaatsvonden voor de inwerkingtreding van het Statuut. artikel 25 van het statuut.
artikel 29 van het statuut: Misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit verjaren niet. artikel 32 van het statuut.
Voor de rechtspraak van het Hof omtrent het rechtsbeginsel non bis in idem, zie Afdeling 2. Artikel 14.5 bepaalt: Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet. Cass. 5 april 1996, A.C. 1996, nr. 111. Goedgekeurd bij wet van 10 juni 1992, B.S. 25 december 1993
pacta sunt servanda (overeenkomsten moeten worden nagekomen). De
artikelen 60 tot 62 zijn een uitdrukking van het beginsel rebus sic
stantibus.
Het beginsel favor contractus is terug te vinden in de
artikelen 55, 56 en 74 van het verdrag.
De algemene rechtsbeginselen
die eigen zijn aan het internationaal publiek recht, of les
principes généraux du droit international bestaan uit de algemene
rechtsbeginselen betreffende de verhoudingen tussen de verschillende
rechtsordes (waaronder de primauteit van het internationaal
recht, de uitoefeningen van de bevoegdheden van de staten
(waaronder de continuïteit van de Staat), de internationale
verantwoordelijkheid (waaronder de uitputting van de interne
beroepsmogelijkheden) en het voeren van oorlog op zee.
Daaronder kan men ook de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, en aangehaald door het Verdrag van Wenen plaatsen, nl. de beginselen van de gelijkgerechtigheid der volkeren en hun recht op zelfbeschikking, de soevereine gelijkheid en de onafhankelijkheid van alle Staten, het zich niet mengen in binnenlandse aangelegenheden van Staten, het verbod van het dreigen met of het gebruikmaken van geweld en de universele en daadwerkelijke eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voor allen.
Deze beginselen kunnen soms onderling in conflict zijn zoals het recht op niet-inmenging in een interne aangelegenheid en de eerbied voor de rechten van de mens.
Het Hof van Justitie van de EG heeft ook algemene beginselen van internationaal recht erkend, zie infra.
§ 2. Algemene
rechtsbeginselen in het communautair recht
A. STATUS In het
EG-Verdrag134 wordt gewag gemaakt van de algemene rechtsbeginselen
in artikel 288, tweede lid, van het EG-Verdrag krachtens hetwelk de
Gemeenschap inzake de nietcontractuele aansprakelijkheid
overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke de rechtsstelsels
gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen
of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is
veroorzaakt.
De algemene rechtsbeginselen van het gemeenschapsrecht
zijn normen die elementaire opvattingen over recht en
rechtvaardigheid weerspiegelen en in elke rechtsorde worden
gehuldigd. Het geschreven gemeenschapsrecht dat voornamelijk alleen
op economische en Raadgevend advies van het Permanent
Internationaal Gerechtshof van 31 juli 1930 betreffende de zaak van
de Grieks-Bulgaarse gemeenschappen, zoals aangehaald door J.
Rousseau op p. 393.
Zaak betreffende de behandeling van de Polen
in Dantzig, 4 februari 1932, Série A/B, n° 44, 25, aangehaald door
J. Verhoeven, o.c., 350. Vijfde lid van de preambule van het
verdrag. Zie daarover Fallon, M., Droit matériel général de
lUnion européenne, Brussel, Bruylant, 2002, 41; Papadopoulou,
R.-E., Principes généraux du droit et droit communautaire, Brussel,
Bruylant, 1996; Verougstraete, I., "Lapplication des principes
généraux du droit communautaire par le juge belge", in Les principes
communs dune justice des Etats de lUnion Européenne, Paris, La
documentation française, 2001, 259. Verdrag van 25 maart 1957
tot oprichting van de Europese Gemeenschap, B.S. 25 december 1975,
laatstelijk gewijzigd bij het Verdrag van Nice van 26 februari 2001
houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de
Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige
bijhorende akten, ondertekend te Nice, PB C80, 10 maart 2001.
De algemene rechtsbeginselen vormen één van de belangrijkste rechtsbronnen van de Gemeenschap vormen. Met deze beginselen kunnen niet alleen leemten worden opgevuld maar kan ook het bestaande recht door interpretatie in de zin van het rechtvaardigheidsbeginsel verder worden ontwikkeld. J. Mertens de Wilmars, ziet in de door het Hof van Justitie van de EG aanvaarde algemene rechtsbeginselen verscheidene uitwerkingen van de ideeën die de juridische gemeenschap (wetgever, administratie, rechters, juridische auteurs, balie en juridische wetenschappelijke groeperingen) koesteren over het beleid van het recht.
De verwezenlijking van de rechtsbeginselen geschiedt door de toepassing van het recht met name door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG, dat overeenkomstig de hem toegewezen taken de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag moet verzekeren (artikel 220 EG).
Aanknopingspunten voor het vinden van de algemene rechtsbeginselen zijn hoofdzakelijk de rechtsbeginselen die de rechtsorden van de lidstaten gemeen hebben. Zij bieden de voorbeelden waaruit de voor de oplossing van een probleem noodzakelijke rechtsregel op het niveau van de Gemeenschap kan worden ontwikkeld.
Daarnaast zijn er ook de algemene rechtsbeginselen die specifiek van toepassing zijn op de EU en die dus niet noodzakelijkerwijze zijn opgenomen in de interne rechtsorde van de lidstaten.
Aangezien de algemene rechtsbeginselen deel uitmaken van de communautaire rechtsorde, vormt de miskenning ervan een schending van het verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan in de zin van artikel 230, tweede lid, van het EG-Verdrag.
Het Hof van Justitie heeft er zelf in het arrest van 25 juli 2002 aan herinnerd dat de EG een rechtsgemeenschap is in die zin dat de instellingen niet ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het verdrag en met de algemene rechtsbeginselen, waaronder de grondrechten.
B. ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN AANVAARD IN DE COMMUNAUTAIRE RECHTSORDE
1. Constitutionele beginselen Grondrechten Wat betreft de grondrechten bepaalt artikel 6, § 2, EG-Verdrag : De Unie verzekert de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.
Diverse rechtsbeginselen vinden steun in het Handvest van 7 december 2000 over de grondrechten van de EU137, handvest dat weliswaar geen bindende kracht heeft, noch voor de instellingen van de EU, Mertens de Wilmars, J., Algemene beginselen in het Europees recht, in Algemene rechtsbeginselen - Referaten van de lezingencyclus georganiseerd door de Interuniversitaire Kontaktgroep Rechtstheorie, Antwerpen, Kluwer, 1991, 277, pt. 9. 136 H.v.J. 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores, C-50/00 P, nog niet gepubliceerd in Jur., r.o. 38. Zie ook H.v.J. 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C-46/93 en C-48/93, Jur. 1996, I-1029. 137 PB C 364, 18 december 2000. Zie Ger. 30 januari 2002, max.mobil Telekomunikation Service/Commissie, T- 54/99, nog niet gepubliceerd in Jur. noch voor de Lidstaten.
De relatie van die rechtsbeginselen met die van het EVRM stellen overigens zware problemen.
De grondrechten waarover het Hof van Justitie van de EG zich reeds heeft uitgesproken, zijn: het gelijkheidsbeginsel, non-discriminatiebeginsel of beginsel van gelijke behandeling; het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, het recht op een effectief rechterlijk toezicht, het recht op tegenspraak, het vermoeden van onschuld, het recht om zich te doen verdedigen en het recht op getuigen; het beginsel dat strafbepalingen geen terugwerkende kracht mogen hebben; de retroactiviteit van de lichtere straf; het recht op de menselijke waardigheid; de eerbiediging van het privé-leven, het gezinsleven, het huis en de briefwisseling, de fysieke integriteit, het recht zijn gezondheidstoestand geheim te houden, het medisch geheim en de onschendbaarheid van de woning, die als grondrecht echter niet geldt voor bedrijfslokalen; de vrijheid van godsdienst; de vrijheid van meningsuiting; de vrijheid 138 H.v.J. 19 maart 2002, Commissie/Italië, C-224/00 (Artikel 6 E.G., dat een specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel is, verbiedt elke discriminatie op grond van nationaliteit.
De gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en buitenlanders verbieden niet alleen de openlijke discriminaties op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die, door toepassing van andere onderscheidingscriteria, feitelijk tot hetzelfde resultaat leiden);
Hof 19 november 1998, Verenigd Koninkrijk/Raad, C-150/94, Jur. 1998,
I-7235, punt 97 het non-discriminatiebeginsel eist dat
vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij
dit objectief gerechtvaardigd is); 18 april 1991, Assurances du
crédit, C-63/89, Jur. 1991, I-1799; 13 december 1984, Sermide,
106/83, Jur. 1984, 4209, punt 28. Ger. 2 juli 2002, T-323/00,
SatellitenFernsehen, nog niet gepubl. in Jur. (de eerbiediging van
het beginsel van gelijke behandeling moet te verenigen zijn met de
eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand
zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan
anderen hebben kunnen profiteren);
Hof 2 oktober 2001, Martinez,
T-222/99, T-327/99 en T-329/99, Jur. 2001, II-2823 (het
nondiscriminatiebeginsel verbiedt dat vergelijkbare situaties
verschillend worden behandeld of dat verschillende materies gelijk
worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief
gerechtvaardigd is); 17 december 1997, Petrides, T-152/95, Jur.
1997, II-2427. Zie ook Lenaerts, K, Van Nuffel, P., o.c., nrs. 115 -
127. 139 H.v.J. 5 maart 1980, Pecastaing, 98/79, Jur. 1980, 691.
Ger. 23 februari 1995, F./Raad, T-535/93, Jur. Ambt. 1995, II-163.
140 Ger. 22 oktober 1997, SCK en FNK, T-213/95 en T-18/96, Jur.
1997, II-1739. 141 H.v.J. 22 september 1998, Coote, C-185/97, Jur.
1998, I-5199; 3 december 1992, C-97/91, Oleificio Borelli, Jur.
1992, I, 6313; 31 maart 1971, Csion, 22/70, Jur. 1971, 263. Ger. 3
mei 2002, Jégo-Quéré, T-177/01, nog niet gepubliceerd in Jur. 142
H.v.J. (besch.) 4 februari 2000, Emesa Sugar (Free Zone) en Aruba,
C-17/98, Jur. 2000, I-667. 143 H.v.J. 8 juli 1999, Hüls, C-199/92 P,
Jur. 1999, I-4287 en Montecatini, C-235/92 P, Jur. 1999, I-4539. 144
H.v.J. 28 maart 2000, Krombach, C-7/98, Jur. 2000, I-1935. 145 Ger.
20 maart 2002, HFB, T-9/99, nog niet gepubliceerd in Jur. 146 Voor
de strafbaarstelling: H.v.J. 12 december 1996, X., C-74/95 en
C-129/95, Jur. 1996, I-6609. Voor de strafmaat: Ger. 20 maart 2002,
LR AF 1998, T-23/99, nog niet in gepubliceerd in Jur. 147 Ger. 12
oktober 1999, Acme Industry, T-48/96, Jur. 1999, II-3089. 148 H.v.J.
9 oktober 2001, Nederland/EP en Raad, C-377/98, Jur. 2001, I-7079.
149 H.v.J. 14 september 2000, Fisher en Fisher, C-369/98, Jur. 2000,
I-6751; 8 november 1993, Commissie/UK, 165/82, Jur. 1983, 3431. 150
H.v.J. 11 juli 2002, Carpenter, C-60/00, nog niet gepubliceerd in
Jur. Zie inzake het recht van gezinshereniging: H.v.J. 30 september
1987, Demirel, 12/86, Jur. 1987, 3719. 151 H.v.J. 23 september 1986,
AKZO Chemie, 5/85, Jur. 1986, 2585. 152 H.v.J. 9 oktober 2001,
Nederland/EP en Raad, C-377/98, Jur. 2001, I-7079; 5 oktober 1994,
X./Commissie, C-404/92 P, Jur. 1994, I-4737. Ger. 14 april 1994,
A./Commissie, T-10/93, Jur. 1994, II-179. 153 Ger. 13 juli 1995,
K./Commissie, T-176/94, Jur. Ambt. 1995, II-621. 154 H.v.J. 8 april
1992, Commissie/Duitsland, C-62/90, Jur. 1992, I-2575. 155 H.v.J. 21
september 1989, Hoechst, 46/87 en 277/88, Jur. 1989, 2859. 156 H.v.J.
27 oktober 1976, Prais, 130/75, Jur. 1976, 1589. 157 H.v.J. 13
december 2001, Commissie/Cwik, C-340/00P, Jur. 2001, I-10269; 13
december 1989, Oyowe en Traore, C-100/88, Jur. 1989, 4285.
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.

