antidiscriminatiewet
| stand wetgeving per 21/09/06 |
Rechtspraak mbt huurwoningen en de praktijktest uitgevoerd door een gerechtsdeurwaarder, zie Hof van Beroep Gent 30/11/2005, R.W. 2006-2007, 144 met noot Joke Kusters |
25 FEBRUARI 2003. - Wet ter bestrijding van
discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot
oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding.
Publicatie : 17-03-2003
Inwerkingtreding : 27-03-2003
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel
77 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen.
Art. 2. § 1. Er is sprake van directe discriminatie indien een
verschil in behandeling dat niet objectief en redelijkerwijze wordt
gerechtvaardigd, rechtstreeks gebaseerd is op het geslacht, een
zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst, de nationale of etnische
afstamming, seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte,
het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de
huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een
fysieke eigenschap.
§ 2. Er is sprake van indirecte discriminatie wanneer een
ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze als
dusdanig een schadelijke weerslag heeft op personen op wie een van
de in § 1 genoemde discriminatiegronden van toepassing is, tenzij
die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief en redelijkerwijze
wordt gerechtvaardigd.
§ 3. Het ontbreken van redelijke aanpassingen voor de persoon met
een handicap vormt een discriminatie in de zin van deze wet.
Als een redelijke aanpassing wordt beschouwd de aanpassing die geen
onevenredige belasting betekent, of waarvan de belasting in
voldoende mate gecompenseerd wordt door bestaande maatregelen.
§ 4. Elke vorm van directe of indirecte discriminatie is verboden
bij :
- het leveren of het ter beschikking stellen van goederen en
diensten aan het publiek;
- de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst, tot
onbetaalde arbeid of als zelfstandige, met inbegrip van de selectie-
en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle
niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van de
bevorderingskansen, alsook de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden,
met inbegrip van ontslag en bezoldiging, zowel in de privé-sector
als in de overheidssector;
- de benoeming of de bevordering van een ambtenaar of de aanwijzing
van een ambtenaar voor een dienst;
- de vermelding in een officieel stuk of in een proces-verbaal;
- het verspreiden, het publiceren of het openbaar maken van een
tekst, een bericht, een teken of enig andere drager van
discriminerende uitlatingen;
- de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening
van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit
toegankelijk voor het publiek.
§ 5. Op het gebied van de arbeidsbetrekkingen zoals gedefinieerd in
het tweede en het derde streepje van § 4, berust een verschil in
behandeling op een objectieve en redelijke rechtvaardiging indien
een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van een beroepsactiviteit of
de context waarin deze wordt uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende
beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem en het vereiste
evenredig aan dat doel is.
§ 6. Pesterijen worden beschouwd als een vorm van discriminatie
wanneer er sprake is van ongewenst gedrag dat verband houdt met de
discriminatiegronden opgesomd in § 1 dat tot doel of tot gevolg
heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast en een
bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende
omgeving wordt (gecreëerd). <Erratum, zie B.S. 13.05.2003, p. 23578>
§ 7. Elke handelwijze die er in bestaat wie ook opdracht te geven
zich discriminerend op te stellen jegens een persoon, een groep, een
gemeenschap of een van hun leden op een van de gronden bedoeld in §
1, wordt beschouwd als een discriminatie in de zin van deze wet.
(NOTA : bij arrest nr 157/2004 van 06-10-2004 (B.St. 18-10-2004, p.
72399), vernietigt het Arbitragehof :
- in artikel 2, § 1, de woorden " dat " en " , rechtstreeks
gebaseerd is op het geslacht, een zogenaamd ras, de huidskleur, de
afkomst, de nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid,
de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin, de leeftijd, het
geloof of de levensbeschouwing, de huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap ", met
de gevolgen zoals beschreven in B.15;
- in artikel 2, § 2, de woorden " op wie een van de in § 1 genoemde
discriminatiegronden van toepassing is ";
- in artikel 2, § 6, de woorden " dat verband houdt met de
discriminatiegronden opgesomd in § 1 ";
- in artikel 2, § 7, de woorden " op een van de gronden bedoeld in §
1 ";
- artikel 2, § 4, vijfde streepje)
Art. 3. Deze wet doet geen afbreuk aan de bescherming en de
uitoefening van de in de Grondwet en in de internationale
mensenrechtenconventies opgenomen fundamentele rechten en vrijheden.
Art. 4. De bepalingen van deze wet vormen geen belemmering voor het
nemen of handhaven van maatregelen die beogen, om de volledige
gelijkheid in de praktijk te waarborgen, de nadelen verband houdende
met een van de gronden bedoeld in artikel 2, te voorkomen of te
compenseren.
(NOTA : bij arrest nr 157/2004 van 06-10-2004 (B.St. 18-10-2004, p.
72399), vernietigt het Arbitragehof in artikel 4, de woorden "
verband houdende met een van de gronden bedoeld in artikel 2, ")
Art. 5. Met uitzondering van hoofdstuk III en van artikel 19, §§ 3
en 4, die van toepassing blijven, worden de discriminaties op grond
van het geslacht en die betrekking hebben op de aangelegenheden als
bedoeld in artikel 2, § 4, 2de en 3de streepjes uitsluitend
onderworpen aan de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 op de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de
promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de
aanvullende regelingen voor sociale zekerheid.
HOOFDSTUK III. - Strafbepalingen.
Art. 6. § 1. Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met
geldboete van vijftig EUR tot duizend EUR of met een van die
straffen alleen wordt gestraft :
- hij die in een van de omstandigheden genoemd in artikel 444 van
het Strafwetboek aanzet tot discriminatie, haat of geweld jegens een
persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens het
geslacht, de seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte,
het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de
huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een
fysieke eigenschap;
- hij die in een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 444
van het Strafwetboek openlijk zijn voornemen te kennen geeft tot
discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep, een
gemeenschap of de leden ervan, wegens het geslacht, de seksuele
geaardheid, (de burgerlijke staat), de geboorte, het fortuin, de
leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige of (de
toekomstige gezondheidstoestand), een handicap of een fysieke
eigenschap. <Erratum, zie B.S. 13.05.2003, p. 23578>
§ 2. Met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar wordt
gestraft iedere openbare officier of ambtenaar, iedere drager of
(agent van de openbare macht) die zich in de uitoefening van zijn
ambt schuldig maakt aan discriminatie jegens een persoon, een groep,
een gemeenschap of de leden ervan op basis van het geslacht, de
seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin,
de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige of de
toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke
eigenschap. <Erratum, zie B.S. 13.05.2003, p. 23578>
Indien de verdachte bewijst dat hij heeft gehandeld op bevel van
zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin
hij hen als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was, worden
de straffen alleen toegepast op de meerderen die het bevel hebben
gegeven.
Indien de openbare officieren of ambtenaren die ervan beticht worden
de daden van discriminatie te hebben bevolen, toegestaan of
vergemakkelijkt, beweren dat hun handtekening bij verrassing is
gekregen, zijn zij verplicht de daad in voorkomend geval te doen
ophouden en de schuldige aan te geven; anders worden zij zelfs
vervolgd.
Indien een van de voormelde discriminerende daden is gepleegd door
middel van de valse handtekening van een openbaar ambtenaar, worden
de daders van de valsheid en zij die er kwaadwillig of bedrieglijk
gebruik van maken, gestraft met opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar.
(NOTA : bij arrest nr 157/2004 van 06-10-2004 (B.St. 18-10-2004, p.
72399), vernietigt het Arbitragehof :
- artikel 6, § 1, tweede streepje;
- artikel 6, § 2)
Art. 7. In het Strafwetboek, wordt een nieuw artikel 377bis
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 377bis. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld
in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van
opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming,
zijn geslacht, (zijn seksuele geaardheid), (zijn burgerlijke stand),
zijn geboorte, zijn vermogen, zijn geloof of levensbeschouwing, een
handicap of (een fysieke eigenschap). " <Erratum, zie B.S.
13.05.2003, p. 23578>
Art. 8. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 405quater
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 405quater. In de gevallen bepaald in de artikelen 393 tot
405bis kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen
worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee
jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren
van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn
geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap. "
Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 422quater
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 422quater. In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en
422ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde
correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de
drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat
tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon
wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale of etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele
geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke
eigenschap. "
Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 438bis
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 438bis. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld
in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in
geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad
of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming,
zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat,
zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap of een fysieke eigenschap. "
Art. 11. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 442ter
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 442ter. In gevallen bepaald in artikel 442bis kan het minimum
van de bij dit artikel bepaalde correctionele straffen worden
verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat
in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst,
zijn nationale of etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele
geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd,
zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke
eigenschap. "
Art. 12. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 453bis
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 453bis. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een
van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn
geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap. "
Art. 13. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 514bis
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 514bis . In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot 514
kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden
verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van
de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn
geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap. "
Art. 14. In hetzelfde Wetboek wordt een nieuw artikel 532bis
ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 532bis. In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot 532
kan het minimum van de in die artikelen bepaalde straffen worden
verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van
de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn
geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap. "
Art. 15. Onverminderd de toepassing van de artikelen 31 en 32 van
het Strafwetboek kunnen de daders van de in artikel 6 bedoelde
misdrijven worden veroordeeld tot ontzetting overeenkomstig artikel
33 van hetzelfde Wetboek.
Art. 16. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk
VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de
misdrijven bedoeld in deze wet.
Art. 17. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van
gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen
ambtenaren toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en
de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de
bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de
arbeidsinspectie.
HOOFDSTUK IV. - Burgerrechtelijke bepalingen.
Art. 18. De bedingen van een overeenkomst die strijdig zijn met de
bepalingen van deze wet en de bedingen die bepalen dat een of meer
contracterende partijen bij voorbaat afzien van de rechten die door
deze wet gewaarborgd worden, zijn nietig.
Art. 19. § 1. Op verzoek van het slachtoffer van de discriminatie of
van een van de in artikel 31 bedoelde groeperingen stelt de
voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang van de
aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de
rechtbank van koophandel, het bestaan vast van een zelfs onder het
strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van deze wet worden
overtreden en beveelt hij de staking ervan.
De voorzitter van de rechtbank kan de opheffing van de staking
bevelen zodra bewezen is dat een einde is gemaakt aan de overtreding
van deze wet.
§ 2. De voorzitter van de rechtbank kan bevelen dat zijn beslissing
of de samenvatting die hij opstelt, wordt aangeplakt tijdens de door
hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de
overtreder of de lokalen die hem toebehoren, en dat zijn vonnis of
de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt
bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder.
Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts opgelegd
worden indien zij er kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of
de uitwerking ervan ophouden.
§ 3. Wanneer het slachtoffer van de discriminatie of een van de in
artikel 31 bedoelde groeperingen voor het bevoegde gerecht feiten,
zoals statistische gegevens of praktijktests, aanvoert die het
bestaan van een directe of indirecte discriminatie kunnen doen
vermoeden, valt de bewijslast dat er geen discriminatie is, ten
laste van de verweerder.
§ 4. Het bewijs van discriminatie op grond van het geslacht, een
zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst, de nationale of etnische
afstamming, de seksuele geaardheid, de burgerlijke stand, de
geboorte, het fortuin, de leeftijd, het geloof of de
levensbeschouwing, de huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap of een fysieke eigenschap kan worden geleverd met
behulp van een praktijktest die kan worden uitgevoerd door een
gerechtsdeurwaarder.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere
regels voor de uitvoering van de praktijktest zoals voorzien in §§ 3
en 4.
Art. 20. De rechter kan op verzoek van het slachtoffer van de
discriminatie of van een van de in artikel 31 bedoelde groeperingen
degene die de discriminatie heeft gepleegd, veroordelen tot de
betaling van een dwangsom wanneer aan die discriminatie geen einde
is gemaakt.
De rechter doet een uitspraak overeenkomstig de artikelen 1385bis
tot 1385novies van het GerechtelijkWetboek.
Art. 21. § 1. De werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij
op het vlak van de onderneming of van de dienst die hem tewerkstelt,
overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de Inspectie van
de sociale wetten een met redenen omklede klacht heeft ingediend of
voor wie de Inspectie van de sociale wetten is opgetreden, of die
een rechtsvordering instelt of voor wie een rechtsvordering wordt
ingesteld met toepassing van de bepalingen van deze wet betreffende
de promotiekansen, de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de
ontslagvoorwaarden of van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing
van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, mag de
arbeidsverhouding niet beëindigen, behalve om redenen die vreemd
zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering.
§ 2. De bewijslast van deze redenen rust op de werkgever, wanneer de
werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden
gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de
klacht. Deze bewijslast rust eveneens op de werkgever in geval van
ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat een
rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in
kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke beslissing.
§ 3. Wanneer de werkgever de arbeidsverhouding beëindigt of de
arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigt in strijd met de bepalingen van
§ 1, verzoekt de werknemer of de werknemersorganisatie waarbij hij
is aangesloten, hem opnieuw in de onderneming of de dienst op te
nemen of hem zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te
laten uitoefenen.
Het verzoek wordt gedaan bij aangetekende brief binnen dertig dagen
volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de
beëindiging zonder opzegging of van de eenzijdige wijziging van de
arbeidsvoorwaarden. De werkgever moet zich binnen dertig dagen
volgend op de kennisgeving van de brief over het verzoek uitspreken.
De werkgever die de werknemer opnieuw in de onderneming of in de
dienst opneemt of hem zijn functie onder dezelfde voorwaarden als
voorheen laat uitoefenen, moet het wegens ontslag of wijziging van
de arbeidsvoorwaarden gederfde loon betalen alsmede de werkgevers-
en werknemersbijdragen op dat loon storten.
§ 4. Wanneer de werknemer na het in § 3, eerste lid, bedoelde
verzoek niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder
dezelfde voorwaarden als voorheen kan uitoefenen en er geoordeeld
werd dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de
arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van § 1, moet de
werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze
van de werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat
overeenstemt met het brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de
werkelijk door de werknemer geleden schade; in laatstgenoemd geval
moet de werknemer de omvang van de geleden schade bewijzen.
§ 5. De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen,
zonder dat de werknemer of de werknemersorganisatie waarbij hij is
aangesloten het in § 3, eerste lid, bedoelde verzoek moet indienen
om opnieuw te worden opgenomen of zijn functie onder dezelfde
voorwaarden als voorheen te kunnen uitoefenen :
1° wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van discriminatie
bewezen acht;
2° wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst verbreekt, omdat het
gedrag van de werkgever in strijd is met de bepalingen van § 1, wat
volgens de werknemer een reden is om de arbeidsovereenkomst zonder
opzegging of voor het verstrijken ervan te verbreken;
3° wanneer de werkgever de werknemer heeft ontslagen om een
dringende reden, op voorwaarde dat het bevoegde rechtsorgaan dit
ontslag voor ongegrond houdt en in strijd acht met de bepalingen van
§ 1.
Art. 22. De vordering die steunt op artikel 19, wordt ingesteld en
behandeld zoals in kort geding.
Zij wordt ingesteld bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren
neergelegd op de griffie van de bevoegde rechtbank of bij een ter
post aangetekende brief verzonden aan deze griffie.
Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift :
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de
verzoeker;
3° de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de
rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
4° het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de
vordering.
De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij
bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste
drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de
gerechtsbrief, waarbij een exemplaar van het verzoekschrift is
gevoegd.
Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande vervolging
wegens dezelfde feiten voor enig ander strafgerecht.
Wanneer een vordering tot staking van bij de strafrechter aanhangig
gemaakte feiten ingesteld is, wordt over de strafvervolging pas
uitspraak gedaan nadat over de vordering tot staking een in kracht
van gewijsde getreden beslissing gewezen is. Tijdens de opschorting
is de verjaring van de strafvordering geschorst.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaand enig
rechtsmiddel en zonder borgtocht. Het wordt door de griffier van de
rechtbank onverwijld meegedeeld aan alle partijen en aan de
procureur des Konings.
HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepalingen.
Art. 23. Artikel 2, eerste zin, van de wet van 15 februari 1993 tot
oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding, gewijzigd bij de wet van 13 april 1995, wordt
vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 2. Het Centrum heeft als opdracht het bevorderen van de
gelijkheid van kansen en het bestrijden van elke vorm van
onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van :
1° een zogenaamd ras, de huidskleur, afkomst, nationale of etnische
afstamming;
2° de seksuele geaardheid, burgerlijke stand, geboorte, fortuin,
leeftijd, het geloof of (de levensbeschouwing), de huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke
eigenschap. <Erratum, zie B.S. 13.05.2003, p. 23578>
Het Centrum voert zijn opdracht uit in een geest van dialoog en van
samenwerking met de verenigingen, instituten, organen en diensten
die, geheel of gedeeltelijk, dezelfde opdracht uitvoeren of
rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van deze opdracht. "
Art. 24. Artikel 3, tweede lid, 5°, van dezelfde wet, gewijzigd bij
de wet van 13 april 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling
" 5° om in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen waartoe de
toepassing van de volgende wetten aanleiding kan geven :
- de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme
of xenofobie ingegeven daden;
- de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen,
minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die
tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse
nationaal-socialistische regime is gepleegd;
- de wet van 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van
de mensenhandel en van de kinderpornografie;
- de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en
tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een
Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. "
Art. 25. Artikel 578 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 5 december 1968, 4 augustus 1978, 17 juli 1997, 13
februari 1998, 7 mei 1999 en 17 juni 2002, (wordt aangevuld met een
13°), luidend als volgt : <Erratum, zie B.S. 13.05.2003, p. 23579>
" (13° van geschillen) betreffende de discriminaties, in de zin van
de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot
wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een
Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die
betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot arbeid in
loondienst of onbetaalde arbeid, met inbegrip van de
selectiecriteria en de aanstellingscriteria, ongeacht de tak van
activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip
van de bevorderingskansen, alsook de voorwaarden van werkgelegenheid
en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de voorwaarden van
ontslag en bezoldiging, zowel in de privé-sector als in de
overheidssector, met uitzondering van de betrekkingen die worden
geregeld door een statuut van publiek recht. " <Erratum, zie B.S.
13.05.2003, p. 23578>
Art. 26. Artikel 581 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet
van 30 juni 1971, en gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1978, 1
augustus 1985, (het koninklijk besluit van 25 september 1986) en de
wetten van 30 december 1992 et 7 mei 1999, wordt aangevuld met een
10°, luidend als volgt :
" 10° de geschillen betreffende de discriminaties, in de zin van de
wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot
wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een
Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die
betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot arbeid als
zelfstandige, met inbegrip van de selectiecriteria en de
aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit, de voorwaarden
van werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van
verbreking en bezoldiging, zowel in de privé-sector als in de
overheidssector. "
Art. 27. Artikel 585 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van
11 april 1989, wordt aangevuld met een 9°, luidende :
" 9° over de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van
openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens
artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van
discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot
oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding. "
Art. 28. Artikel 587bis van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet
van 19 maart 1991, wordt vervangen als volgt :
" Art. 587bis. De voorzitter van de arbeidsrechtbank, aangezocht bij
verzoekschrift, doet uitspraak :
1° over de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 4 en 5, §§ 3
en 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere
ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de
ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en
verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de
kandidaat-personeelsafgevaardigden;
2° over de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van
openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens
artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van
discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot
oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding. "
Art. 29. Artikel 588 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten
van 24 juni 1970, 14 juli 1971, 5 december 1984, 11 april 1989 en 4
december 1990, wordt aangevuld met een 13°, luidende :
" 13° op de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van
openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens
artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van
discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot
oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding. ".
Art. 30. In artikel 764, eerste lid van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wetten van 3
augustus 1992, 17 juli 1997, 23 april 1998 en 17 juni 2002, wordt
10° vervangen door de volgende bepaling :
" 10° de vorderingen bedoeld in de artikelen 578, 11° en 12°, 580,
581, 582, 1°, 2° en 6° en 583; ".
HOOFDSTUK VI. - Slotbepaling.
Art. 31. Het centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding kan in rechte optreden in de geschillen waartoe
deze wet aanleiding kan geven (behalve als de betwiste discriminatie
gebaseerd is op het geslacht.
In dit laatste geval, kan het Instituut voor de Gelijkheid van
Vrouwen en Mannen, opgericht bij wet van 16 december 2002, optreden
in rechte in gedingen waartoe de toepassing van deze wet aanleiding
zou geven.) <W 2004-07-09/30, art. 108, 002; Inwerkingtreding :
25-07-2004>
Wanneer afbreuk wordt gedaan aan de statutaire opdrachten die ze
zich tot doel hebben gesteld, kunnen de volgende verenigingen of
organisaties eveneens in rechte optreden in de geschillen waartoe
deze wet aanleiding kan geven :
1° instellingen van openbaar nut en alle verenigingen die op de
datum van de feiten sedert ten minste vijf jaar
rechtspersoonlijkheid genieten en die zich in hun statuten tot doel
hebben gesteld de mensenrechten te verdedigen of discriminatie te
bestrijden;
2° de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, zoals
zij zijn bepaald in artikel 3 van de wet van 5 december 1968
betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire
comités;
3° de représentatieve organisaties in de zin van de wet van 19
december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en
de vakbonden van haar personeel;
4° de representatieve organisaties van de zelfstandigen.
Wanneer het slachtoffer van de wetsovertreding of van de
discriminatie een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is, is de
vordering van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
groeperingen slechts ontvankelijk indien zij bewijzen dat zij
handelen met instemming van het slachtoffer.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden
bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 25 februari 2003.
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
