archeologische vondsten
wettelijke bron:
Decreet houdende Bescherming van het Archeologisch
Patrimonium van 30 juni 1993 (B.S. 15.09.1993),
gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (B.S. 08.06.1999) en 28
februari 2003 (B.S. 24.03.2003)
Meldingsplicht van vondsten:
archeologische vondsten moeten worden gemeld
- ofwel bij de cel archeologie van de Afdeling Monumenten en
Landschappen.
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Afdeling Monumenten en Landschappen / Cel archeologie
Phoenixgebouw 8e verdiep
Koning Albert II-laan 19 bus 3
1210 Brussel
- ofwel bij de Centrale Archeologisch Inventaris te melden.
Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
Centrale Archeologische Inventaris
Phoenixgebouw 1e verdiep
Koning Albert II-laan 19 bus 5
Digitaal melden kan via
www.monument.vlaanderen.be/cai/nl/index.html
Wie is eigenaar van een vondst?
De eigenaar van de grond is ook steeds de eigenaar van wat er in de
grond gevonden wordt.
Alleen de loutere toevalsvondst door een derde geeft aan deze het
eigendomsrecht op de helft (van de waarde) van de schat.
De eigendom van de grond bevat in zich de eigendom van hetgeen op en
onder de grond is (Burgerlijk Wetboek, artikel 552, eerste lid).
De eigendom van een schat behoort aan wie hem in zijn eigen erf
vindt; wordt de schat in een ander erf gevonden dan behoort hij voor
de ene helft toe aan de vinder en voor de andere helft aan de
eigenaar van het erf (Burgerlijk Wetboek, artikel 716,eerste lid).
De overheid kan geen oudheidkundige vondsten vorderen van de vinders
en/of eigenaars. De vinder is enkel verplicht om de vondst te melden
maar blijft steeds de eigenaar van de gemelde vondst.
Maar een eigenaar mag niet op eigen initiatief een onderzoek doen
rond een archeologische vondst die op zijn eigendom is gedaan. Hij
moet hiervoor beschikken over de vereiste kwalificaties en
competenties zoals voorgeschreven in het archeologiedecreet en hij
dient te beschikken
over een vergunning voor een opgraving.
Een vruchtgebruiker kan geen recht doen gelden op een
schatvondst. (Burgerlijk Wetboek, art. 598).
Wie gericht en doelbewust op zoek is op andermans grond kan ook
nooit de vinder zijn van schatvondst en heeft dan ook geen recht op
de helft van de waarde van de schat. Bij gericht en doelbewust
zoeken kan het toeval immers niet meer ingeroepen worden wanneer
men een vondst zou doen. Deze regel geldt voor personen die bv. met
een metaaldetector speuren op andermans grond, maar deze regel geldt
bijvoorbeeld ook voor archeologen omdat zij beroepsmatig en
gericht handelen en niet bij toeval een vondst vinden. Hun vondsten
kunnen zij dus niet opeisen.
In de praktijk zullen ze met de eigenaar van de grond een
overeenkomst afsluiten waarin hun rechten op een deel van de vondst
of een vindersloon worden bepaald.
tekst hier
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
