-A +A

Art. 19 gerechtelijk wetboek beoogt voorlopige maatregelen en geen uitvoeringsincident

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De rechter ten gronde die oordeelt dat het overeenkomstig artikel 19 neergelegde verzoek geen voorlopige maatregel beoogt, maar een uitvoeringsincident, en beslist dat hij het in dit kader gevorderde zoals het bij hem is aangebracht, niet kan toekennen, oordeelt omtrent zijn rechtsmacht op grond van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek (1). (1) Zie concl. OM.

De beschikking tot beschrijvende maatregelen heeft een beperkt gezag van gewijsde ten aanzien van de partijen en de rechter die gevat is door een vordering tot toelating van zulke beschrijvende maatregelen, zolang de omstandigheden niet veranderen (1). (1) Zie concl. OM.

Nr. C.14.0504.N
ROQUETTE FRÈRES, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 62136 Lestrem (Frankrijk), rue de la Haute Loge 1,
eiseres,
tegen
SYRAL BELGIUM nv, met zetel te 9300 Aalst, Burchtstraat 10,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 31 maart 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

1. Artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in alle zaken ho-ger beroep kan worden ingesteld, zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een vonnis alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen een eindvonnis.

Artikel 1055 van dit wetboek bepaalt dat tegen een vonnis alvorens recht te doen of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, hoger beroep kan worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis.

2. Krachtens artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, alvo-rens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat be-trekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.

3. De rechter ten gronde die oordeelt dat het overeenkomstig artikel 19 neer-gelegde verzoek geen voorlopige maatregel beoogt, maar een uitvoeringsincident, en beslist dat hij het in dit kader gevorderde zoals het bij hem is aangebracht, niet kan toekennen, oordeelt omtrent zijn rechtsmacht op grond van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek.

4. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het is niet tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat de voorlopige maatregel hoe dan ook zal vervallen en de eiseres het deskundigenverslag zal kunnen inzien en gebruiken, ingeval de vordering tot nietigverklaring van het Belgische luik van het Europese octrooi wordt afgewezen en, anderzijds, te oordelen dat de eiseres kennis zal kunnen nemen van de bevindingen van de deskundige, indien de door de eiseres ingeroepen octrooien niet worden vernietigd.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Krachtens artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek staat er geen herroeping van het gewijsde open maar enkel, tegen de beslissingen in laatste aanleg, voor-ziening in cassatie wegens overtredingen van de wet, indien er uitspraak gedaan is over niet gevorderde zaken of er meer werd toegekend dan er gevraagd was.

7. De appelrechters stellen vast dat:

- de verweerster in hoofdorde vordert de nietigheid te horen vaststellen van het Belgische luik van het Europees octrooi van de eiseres;

- zij in ondergeschikte orde vordert te horen verklaren voor recht dat de verweer-ster geen rechtstreekse of onrechtstreekse inbreuk pleegt op het Belgische luik van het Europees octrooi van de eiseres of op het Franse octrooi van de eiseres;

- de verweerster bovendien vordert dat aan de eiseres het verbod wordt op-gelegd kennis te nemen of gebruik te maken van enig rapport dat de deskundige in uitvoering van zijn initieel mandaat in het kader van het uitvoerend beslag inzake namaak zou opstellen of indienen, minstens tot wanneer een definitieve en in kracht van gewijsde gegane beslissing is geveld omtrent de vermeende geldigheid van de ingeroepen octrooien van de eiseres en de beweerde inbreuk door de verweerster.

De appelrechters oordelen vervolgens dat "die voorlopige maatregel hoe dan ook [zal] vervallen, ingeval de vordering tot nietigverklaring van het Belgische luik van het Europese octrooi wordt afgewezen. Alsdan zal [de eiseres] meteen het verslag en al [de] documenten kunnen inzien en gebruiken. Alsdan zal [de eiseres] uiteraard volledig gebruik kunnen maken van het deskundig verslag bij het voorleggen van haar vraag of er al dan niet een inbreuk is vanwege [de verweer-ster] op het (de) door [de eiseres] ingeroepen octrooi(en)"; dat "indien het (de) door [de eiseres] ingeroepen octrooi(en) niet worden vernietigd, zij alle kans en tijd [zal] hebben om kennis te nemen van alle bevindingen van de gerechtsdeskundige, zodat zij geen enkele schade zal hebben geleden bij de beoordeling van haar (ge-beurlijke) vorderingen ten gronde wegens gebeurlijke inbreuken door [de verweerster]" en leggen aan de eiseres "het verbod op om kennis te nemen en/of op enige wijze gebruik te maken van enig rapport (...) dat de deskundige (...) alsnog in uitvoering van zijn initieel mandaat in het kader van het uitgevoerde beslag inzake namaak zou opstellen en/of zou indienen, tot wanneer een definitieve en in kracht van gewijsde [gegane] beslissing is geveld omtrent de vermeende geldigheid van de ingeroepen octrooien van [de eiseres]".

8. Met deze redenen hebben de appelrechters geen uitspraak gedaan over de nietigverklaring van het Franse octrooi, die niet gevorderd was.

Zij oordelen enkel dat de voorlopige maatregel blijft gelden totdat de appelrech-ters definitief tot de geldigheid van het Belgische luik van het Europese octrooi hebben beslist of, wanneer de appelrechters tot de vernietiging van het Belgische luik van het Europese octrooi beslissen, totdat de Franse rechter definitief tot de geldigheid van het Franse octrooi heeft beslist.

De appelrechters hebben artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek aldus niet ge-schonden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

9. Verder geven de appelrechters met de geciteerde overwegingen aan de be-roepsconclusie van de verweerster een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskennen zij bijgevolg de bewijskracht ervan niet.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, mist het feitelijke grondslag.

10. De eiseres voert aan dat de appelrechters uitspraak hebben gedaan over een niet-gevorderde zaak door de voorlopige maatregel te laten gelden totdat uit-spraak zou zijn gedaan over de geldigheid van het Franse octrooi, terwijl zij niet gevat waren van een vordering tot nietigverklaring van het Franse octrooi.

11. Artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat er geen herroeping van het gewijsde openstaat maar enkel, tegen de beslissingen in laatste aanleg, voorziening in cassatie wegens overtreding van de wet indien er werd nagelaten uitspraak te doen over één van de punten van de vordering, is vreemd aan deze grief.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van voormeld artikel, is het niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

12. Zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde redenen, oordelen de appelrech-ters, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, niet dat een gebeurlijke vernieti-ging van het Belgische luik van het Europees octrooi met zich meebrengt dat aan de eiseres definitief het recht wordt ontnomen om kennis te nemen en gebruik te maken van de bevindingen van de deskundige, ook in het kader van het geschil inzake de gebeurlijk inbreuken op het Franse octrooi voor de Franse rechter.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feite-lijke grondslag.

Derde middel

13. De eiseres heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de voorlopige maat-regel, die de eiseres verbiedt om kennis te nemen en gebruik te maken van het deskundigenverslag tot wanneer definitief is beslist over de geldigheid van de oc-trooien, niet gerechtvaardigd wordt door een recht op geheimhouding van de ver-weerster, aangezien zulk recht niet bestaat in het kader van beslag inzake namaak wanneer dit een beschrijving van de beweerde namaak verhindert.

14. De appelrechters oordelen dat:
- wat gevraagd wordt, geenszins het op definitieve wijze ontnemen van het recht om een voorafgaand beschrijvend beslag is;
- er evenmin sprake is van het ontnemen van enig voordeel aan de eiseres om te kunnen beschikken over het beschrijvend beslag tijdens de bodemprocedure;
- de bedoeling van het beschrijvend beslag is om gebeurlijke overtredingen door de verweerster van de door de eiseres ingeroepen octrooien naar hun werke-lijkheidswaarde na te gaan en het geenszins de bedoeling is van het beschrij-vend beslag om de geldigheid van de octrooien zelf te onderzoeken;
- het thans reeds volop kennis doen nemen en gebruik doen maken door de eise-res van de bevindingen van de deskundige, de belangen van de verweerster de-finitief beschadigen;
- het risico voor de verweerster op een onherstelbare schade, zowel met betrek-king tot de kennisneming van haar werkprocessen als van haar cliënteel, buiten elke verhouding is indien in rekening wordt gebracht dat er een stellig niet on-redelijke kans is dat de octrooien die de eiseres inroept zullen worden vernie-tigd;
- indien de door de eiseres ingeroepen octrooien niet worden vernietigd, zij alle kans en tijd zal hebben om kennis te nemen van alle bevindingen van de ge-rechtsdeskundige, zodat zij geen enkele schade zal hebben geleden bij de be-oordeling van haar vorderingen ten gronde wegens gebeurlijke inbreuken door de verweerster.

15. Door aldus te oordelen verwerpen en beantwoorden zij dit verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

14. Krachtens artikel 1369bis/1, § 1, Gerechtelijk Wetboek kunnen de personen die een vordering inzake namaak instellen, met de toestemming van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, verkregen op verzoekschrift, door een of meer-dere deskundigen die deze magistraat benoemt, overal laten overgaan tot de be-schrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen.

Krachtens artikel 1369bis/1, § 7, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kan de besla-gene in geval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking tot beschrijvende maatregelen vragen door dagvaarding hiertoe van alle partijen voor de rechter die de beschikking heeft uitgesproken.

Uit deze bepaling volgt tot dat de beschikking tot beschrijvende maatregelen een beperkt gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de partijen en de rechter die ge-vat is door een vordering tot toelating van zulke beschrijvende maatregelen, zo-lang de omstandigheden niet veranderen.

15. Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de beschikking tot beschrijvende maatregelen eveneens een gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de rechter die gevat is door een vordering tot opschorting van de kennisname en het gebruik van de resultaten van deze beschrijvende maatregelen, als maatregel om de toestand van de partijen voorlopig te regelen op grond van artikel 19, derde lid, Gerechte-lijk Wetboek, faalt naar recht.

Vijfde middel

16. Krachtens artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, alvo-rens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat be-trekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.

Krachtens artikel 1369bis/8 Gerechtelijk Wetboek neemt de voorzitter die de be-schikking tot beschrijvend beslag inzake namaak heeft uitgesproken kennis van alle incidenten in verband met de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaat-regelen. Hierdoor komt het de voorzitter toe om uitspraak te doen over alle inci-denten bij de uitvoering van de voormelde maatregelen, inclusief de incidenten ontstaan ter gelegenheid van het neerleggen van het deskundigenverslag.

17. De appelrechters stellen vast dat de verweerster vorderde dat aan de eiseres het verbod wordt opgelegd om kennis te nemen of gebruik te maken van enig ver-slag dat de deskundige in uitvoering van zijn initieel mandaat in het kader van het uitvoerend beslag inzake namaak zou opstellen of indienen, minstens tot wanneer een definitieve en in kracht van gewijsde gegane beslissing is geveld omtrent de geldigheid van de ingeroepen octrooien van de eiseres en de beweerde inbreuk door de verweerster.

Deze maatregel betreft niet de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaatre-gelen, maar de kennisname en het gebruik van de resultaten van het beschrijvend beslag, vervat in het deskundigenverslag, na de uitvoering ervan.

18. Door te oordelen dat "datgene wat door [de verweerster] gevorderd wordt niet te aanzien is als een incident in verband met de uitvoering van de beschrij-vings- en beslagmaatregelen zoals bedoeld in artikel 1369bis/8 Gerechtelijk Wet-boek", dat "wat gevraagd wordt een voorafgaande maatregel is teneinde de toe-stand van de partijen voorlopig te regelen en die zou neerkomen op de opschorting van bepaalde aspecten van het beschrijvend beslag (...)", en dat "de rechtsgrond artikel 19, [derde lid], Gerechtelijk Wetboek [is] en niet die van artikel 1369bis/8 Gerechtelijk Wetboek", verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 768,20 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.14.0504.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:


I. SITUERING

1. In het verlengde van diverse procedures betreffende betwisting inzake octrooirechten tussen partijen, vorderde verweerster voor de rechtbank van koophandel te Gent (in hoofdorde) de nietigverklaring van het Belgische luik van het Europees octrooi van eiseres en (ondergeschikt) voor recht te zeggen dat zij geen inbreuk op voormeld octrooi had begaan.

2. In afwachting van de uitspraak ten gronde vorderde zij, alvorens recht te doen, bij toepassing van artikel 19, lid 2, (oud) Ger.W. eiseres verbod op te leggen om kennis te nemen of gebruik te maken van het deskundigenverslag dat alsnog in uitvoering van het initieel mandaat in het kader van het uitgevoerde beslag inzake namaak zou opgesteld of ingediend worden.

3. Bij vonnis van 27 juni 2013 verklaarde de rechtbank van koophandel te Gent zich zonder rechtsmacht om uitspraak te doen over deze laatste vordering.

4. Op het hoger beroep van verweerster werd dit vonnis door het bestreden arrest vernietigd en willigde het hof van beroep te Gent de op artikel 19, lid 2, (oud) Ger.W. gesteunde vordering in door eiseres verbod op te leggen kennis te nemen of gebruik te maken van het deskundigenverslag. De behandeling van de grond van de zaak werd uitgesteld.

5. Tegen dit arrest voert eiseres vijf middelen tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

1. Het eerste middel verwijt de bestreden beslissing het hoger beroep van verweerster tegen het eerste vonnis ontvankelijk te hebben verklaard, terwijl de eerste rechter zich eigenlijk onbevoegd verklaarde en er volgens eiseres tegen beslissingen van onbevoegdheid geen hoger beroep openstaat, tenzij samen met het eindvonnis dat door de bevoegde rechter zou worden gewezen (schending van art. 1050, lid 2, Ger.W.).

Om de ontvankelijkheid van het hoger beroep te verantwoorden, zou het arrest volgens eiseres onterecht geoordeeld hebben dat de eerste rechter wel degelijk uitspraak deed over een probleem van rechtsmacht en niet van bevoegdheid (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW, artikel 556 Ger.W. en de artikelen 144 en 145 GW).

1.1. De begrippen "rechtsmacht" en "bevoegdheid" dekken niet dezelfde lading(1). Het begrip "rechtsmacht" heeft betrekking op de uitoefening van de rechterlijke macht in die zin dat het gaat om de afbakening van de opdracht van de rechterlijke macht van die van de andere machten. De Belgische hoven en rechtbanken kunnen aldus slechts recht spreken voor zover zij hiertoe macht hebben. Als dusdanig is de beslechting van de geschillen overeenkomstig art. 556, lid. 1, Ger.W. dan ook expliciet aan de hoven en de rechtbanken toevertrouwd, behoudens die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt.

1.2. In het verlengde van deze algemene afbakening inzake de uitoefening van de beoordelingsmacht, heeft het begrip "bevoegdheid" betrekking op de verdeling van de rechtsmacht die de wetgever concreet aan een bepaalde rechter heeft toebedeeld, afhankelijk van de aard van het geschil en van territoriale factoren. Een rechter is als dusdanig dan ook slechts bevoegd wanneer hem op voormelde basis de macht wordt verleend om daadwerkelijk kennis te nemen van de eis die voor hem is gebracht.

1.3. Het onderscheid tussen deze beide begrippen is alleszins relevant voor de mogelijkheid om onmiddellijk hoger beroep in te stellen tegen een beslissing inzake rechtsmacht resp. bevoegdheid. Op basis van artikel 1050, lid 2, Ger.W. kan tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Een beslissing inzake rechtsmacht is daarentegen onmiddellijk vatbaar voor hoger beroep wat de rechtsmacht betreft(2).

1.4. Naast dit traditionele onderscheid tussen rechtsmacht en bevoegdheid - waarbij de rechtsmacht zoals voormeld de uitoefening van de beoordelingsmacht betreft - heeft de rechtsmacht evenwel ook nog een andere betekenis waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van (of de beperkingen in) de beoordelingsmacht van de rechter en dus met wat hij bij de beslechting van een geschilpunt vermag (de juris dictio) (zie de artt. 11 en 19 Ger.W.)(3). Aldus verschilt de rechtsmacht bij de gerechten met volle rechtsmacht van deze die dit niet hebben, of deze die "ten gronde" oordelen ten opzichte van deze van de kort gedingrechter, of nog deze die "in rechte en in feite" oordelen tegenover de cassatierechter ...

1.5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de rechtbank van koophandel te Gent in zijn vonnis van 27 juni 2013 geoordeeld heeft (p. 5, nrs. 16 t.e.m. 20) dat "overeenkomstig artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek de voorzitter die de beschikking uitgesproken heeft kennis [neemt] van alle incidenten in verband met de uitvoering van de beschrijvings- en beslagmaatregelen"; dat "deze bepaling de voorzitter de bevoegdheid [verleent] om uitspraak te doen over alle incidenten bij de uitvoering van de voormelde maatregelen, inclusief de incidenten ontstaan ter gelegenheid van het neerleggen van het deskundigenverslag (zie Cass. 24 maart 2011, TBH 2011, 485-494); dat "het verzoek overeenkomstig artikel 19, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek van [de verweerster] in essentie [strekt] tot het opleggen van een verbod aan [de eiseres] om kennis te nemen of gebruik te maken van enig rapport dat de deskundige zou opstellen of indienen in het kader van het uitgevoerde beslag inzake namaak"; dat "de door [de verweerster] beoogde maatregel dan ook niets meer en niets minder [is] dan een incident in verband met uitvoering van de beschrijvingsmaatregelen door de deskundige (...) ingevolge het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 december 2008"; dat "dat deze rechtbank over een incidentele bevoegdheid zou beschikken om te oordelen over een voorlopige maatregel omdat zij ook bevoegd is om te oordelen over de eis tot nietigverklaring van het Belgisch luik van het Europees octrooi van [de eiseres], geen afbreuk [doet] aan de ‘bevoegdheidsregeling' ex artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek" en dat "de rechtbank bijgevolg enkel [kan] vaststellen zij geen rechtsmacht heeft."

1.6. Wanneer in het kader van deze beoordeling de hierboven vermelde tweede betekenis van het begrip rechtsmacht in ogenschouw wordt genomen, heeft de rechter ten gronde door zich zonder rechtsmacht te verklaren aldus beslist dat hij geen beoordelingsmacht inzake de gevorderde maatregel had, die volgens hem geen voorlopige maatregel maar een uitvoeringsincident betrof.

Vanuit die optiek heeft de rechter ten gronde m.i. dan ook meer gedaan dan zich enkel uit te spreken over zijn bevoegdheid in de strikte zin, en wel degelijk beslist omtrent zijn rechtsmacht(4) op grond van artikel 19, lid 3, Ger.W.(5).

1.7. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. derhalve naar recht.

1.8. Maar ook indien wordt uitgegaan van het onderscheid tussen rechtsmacht en bevoegdheid, waarbij rechtsmacht enkel staat voor de uitoefening van de rechterlijke macht, kan het middel m.i. echter evenmin worden aangenomen.

1.9. Het eindoordeel van de appelrechters dat het onmiddellijk hoger beroep tegen het vonnis a quo ontvankelijk is, lijkt immers naar recht verantwoord op grond van andere redenen die de door de appelrechters opgegeven reden kunnen vervangen.

1.10. Artikel 1369bis/8 Ger.W. betreft een bevoegdheidsregel. In de Memorie van Toelichting(6) wordt verduidelijkt dat "de artikelen 1395 en 1396 van het Gerechtelijk Wetboek aan de beslagrechter bevoegdheid verlenen alle incidenten die kunnen gebeuren bij het instellen of uitvoeren van de bevolen maatregelen te regelen, en dus, onder meer, te waken over het goede verloop van de beslagen inzake namaak. Een gelijkaardige bevoegdheid wordt verleend aan de voorzitter van de rechtbank die de beschikking van beslag inzake namaak heeft uitgesproken." Bovendien oordeelde het Hof van Cassatie in zijn arrest van 24 maart 2011(7) dat de voorzitter krachtens artikel 1369bis/8 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd is om uitspraak te doen over alle tussengeschillen betreffende de tenuitvoerlegging van de voormelde maatregelen, met inbegrip van de tussengeschillen die n.a.v. de neerlegging van het verslag van de deskundige zijn gerezen.

1.11. Indien wordt aangenomen dat de eerste rechter een beslissing inzake de bevoegdheid heeft genomen, is deze beslissing toch onmiddellijk vatbaar voor hoger beroep, nu de eerste rechter zich ertoe beperkt zich onbevoegd te verklaren, maar nalaat de zaak de verwijzen naar de bevoegde rechter, zodat de zaak niet meer aanhangig is.

1.12. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij artikel 1050, tweede lid, werd ingevoegd, blijkt dat een eindvonnis in de zin van de wetsbepalingen van artikel 1050, eerste en tweede lid, een vonnis is inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid uitgesproken door de rechter die zich bevoegd verklaart dan wel door de als bevoegd aangewezen rechter. Hieruit volgt dat geen hoger beroep openstaat tegen het vonnis waarbij de rechter zich bevoegd of onbevoegd verklaart en een dergelijk hoger beroep slechts mogelijk is nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering.

1.13. Dit is vaste rechtspraak van uw Hof(8). In deze rechtspraak verwees de rechter die zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het geschil de zaak telkens door naar de als bevoegd aanwezen rechter, zoals vereist is op basis van artikel 660, lid 1, Ger.W. Op die manier was de zaak nog aanhangig en zou er nog een eindvonnis geveld worden over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering. In dat geval mocht slechts hoger beroep worden ingesteld tegen de bevoegdheidsbeslissing samen met een hoger beroep tegen het eindvonnis.

1.14. De verplichting om slechts een hoger beroep in te stellen tegen een beslissing over de bevoegdheid samen met een hoger beroep tegen een eindvonnis over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering veronderstelt dat de zaak nog aanhangig is en dat er wel degelijk zulk eindvonnis geveld zal worden. Bij een vonnis waarin de rechter zich onbevoegd verklaart, impliceert dit dat de rechter de zaak naar de bevoegde rechter moet hebben verwezen op basis van art. 660, lid 1, Ger.W., die dan een eindvonnis over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering zal vellen. Als de rechter die zich onbevoegd verklaart nalaat de zaak te verwijzen, is ze niet langer aanhangig. In dat geval wordt immers geen rechter als bevoegd aangewezen om een eindvonnis te wijzen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering.

1.15 Zonder verwijzing zou de beslissing van onbevoegdheid zelf als een eindvonnis beschouwd kunnen worden (aangezien daarmee de rechtsmacht van de rechter inzake een geschilpunt is uitgeput: art. 19, lid 1, Ger.W.) waaromtrent het mogelijk moet zijn onmiddellijk hoger beroep in te stellen(9). Indien geen hoger beroep mogelijk zou zijn tegen een dergelijke beslissing, zou enkel nog een cassatieberoep openstaan(10). Dergelijke oplossing lijkt echter niet aanvaardbaar, aangezien de partijen dan een aanleg zouden verliezen inzake de bevoegdheidsbeslissing, terwijl het doel van art. 1050, lid 2, Ger.W. om tegen een beslissing van (on)bevoegdheid enkel een hoger beroep toe te laten samen met dat tegen het eindvonnis, bovendien juist is dilatoire beroepen te vermijden, die enkel worden ingesteld om het eindvonnis inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid te vertragen(11). Bij een beslissing van onbevoegdheid zonder verwijzing is de zaak evenwel niet meer aanhangig, zodat er geen risico bestaat dat het hoger beroep de lopende procedure zal vertragen.

1.16. Bovendien gaat het in deze zaak niet om een zuivere bevoegdheidsbeslissing en heeft de eerste rechter zich niet enkel onbevoegd verklaard, maar ook uitspraak ten gronde gedaan over de tegeneis van verweerster inzake schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Dat enkel hoger beroep tegen de beslissing van onbevoegdheid werd ingesteld, en niet tegen de beslissing over het ander geschilpunt, staat er niet aan in de weg dat tegen dit eindvonnis onmiddellijk hoger beroep kan worden ingesteld. Uit het arrest van uw Hof van 24 juni 2005(12) volgt immers m.i. dat een vonnis dat meer doet dan zich uitspreken over de bevoegdheid niet als een vonnis over de bevoegdheid wordt beschouwd maar als een eindvonnis, zelfs indien de rechter daarbij stelt dat hij onbevoegd is en de zaak naar een andere rechter verzendt, nu hij zich ook definitief over een andere rechtsvraag uitspreekt(13).

1.17. Ook op grond van het onderscheid tussen bevoegdheid en rechtsmacht (in de eerste betekenis) kan het eerste middel m.i. aldus, op grond van deze in de plaats gestelde redenen, niet tot cassatie leiden, zodat het in zoverre niet ontvankelijk is.
(...)

4. In het vierde middel voert eiseres aan dat de appelrechters het gezag van gewijzigde geschonden hebben van de arresten van het hof van beroep te Gent van 9 december 2008 en van het hof van beroep te Antwerpen van 1 februari 2013, waarin de maatregelen van beschrijvend beslag inzake namaak (m.n. de neerlegging van een deskundigenverslag binnen de twee maanden) worden toegekend. Door te beslissen tot de opschorting van de kennisname en het gebruik van de resultaten van dit beschrijvend beslag, aangezien er redenen zijn om te twijfelen aan de prima facie geldigheid van het Belgische luik van het Europese octrooi, zouden de appelrechters volgens eiseres in de bestreden beslissing het voordeel van de eerdere arresten ontnomen hebben, wat volgens haar in strijd zou zijn met de regel dat de rechter geen aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het vroegere gewijsde(14).

4.1. Deze regel geldt echter enkel voor wat het gezag van gewijsde van beslissingen ten gronde betreft, en houdt geen verband met het beperkte gezag van gewijsde van beslissingen tot beschrijvende matregelen in het kader van een beslag inzake namaak, dat specifiek geregeld wordt door artikel 1369bis/1, §7, tweede lid, Ger.W. Deze regel kan in geen geval gelden ten aanzien van de prima facie beoordeling over de grond van de zaak die de voorzitter van de rechtbank van koophandel moet uitvoeren bij het opleggen van louter beschrijvende maatregelen(15). Bovendien gaat het in onze zaak duidelijk om verschillende maatregelen wat het voorwerp betreft(16): de arresten waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen betreffen de toelating van een beschrijvend beslag, terwijl de bestreden beslissing de kennisname en het gebruik van de resultaten van dit beschrijvend beslag betreft.

4.2. Waar verweerster terecht opmerkt dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 februari 2013 in geen geval gezag van gewijsde heeft, aangezien uw Hof deze beslissing heeft vernietigd bij arrest van 12 september 2014(17), leggen de vernoemde beslissingen als dusdanig beschrijvende maatregelen op, op grond van art. 1369bis/1, Ger.W. Het gezag van gewijsde van zulke beslissingen is zeer beperkt op grond van art. 1369bis/1, §7, tweede lid, Ger.W.: zulke beslissingen binden uitsluitend de partijen en de magistraat die hen heeft uitgesproken, voor zover de omstandigheden niet gewijzigd zijn. Dit beperkte gezag van gewijsde(18) dat op de specifieke wetsbepaling van art. 1369bis/1, §7, tweede lid, Ger.W. berust, is dan ook vreemd aan de algemene regels inzake het gezag van gewijsde van de art. 23-26 Ger.W.(19). Ook in zijn arrest van 18 april 2002(20) koppelt uw Hof het beperkte gezag van gewijsde van maatregelen in kort geding, en de mogelijkheid om die maatregelen te wijzigen in geval van veranderde omstandigheden, aan de specifieke wetsbepaling vervat in art. 584, lid 1, Ger.W.

4.3. Het middel dat de schending van art.19, tweede lid, (thans derde lid) en de art. 23 - 26 Ger.W. inroept is m.i. derhalve niet ontvankelijk dan wel faalt het naar recht.

(...)

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
____________________
(1) Zie over dit onderscheid: E. BREWAEYS, "t Is maar een woord? Het eindvonnis van artikel 1050, tweede lid, Ger.W." (noot onder Cass. 24 juni 2005), RABG 2006, 365-369; J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P.THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2008, nrs. 409 en 412; P. VAN ORSHOVEN, De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen, in Themis. Gerechtelijk recht, Brugge, die Keure, 2003, 16-17; zie ook Antwerpen 7 april 2003, TBH 2004, 572.
(2) J. LAENENS e.a., o.c., nrs. 662-663.
(3) J. LAENENS e.a., o.c., nr. 408 in fine.
(4) Zie Cass. 11 mei 1990, AR nr. 7089, AC 1989 - 90, nr. 537.
(5) Bij wet van 28 februari 2014, tot wijziging van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek (...) werd tussen de vroegere leden 1 en 2 van art. 19 Ger.W. een nieuw lid ingevoegd, zodat art. 19, lid 2, (oud) Ger.W. thans art. 19, lid 3, Ger.W. betreft (BS 15 mei 2014).
(6) Parl.St.Kamer 2006 - 2007, Doc. 51-2943/001 - 51.2944/001, 68-69.
(7) Cass. 24 maart 2011, AR C.10.0130.F, AC 2011, nr. 222.
(8) Cass. 13 februari 2003, AR C.00.0441.N, AC 2003, nr. 103; Cass. 6 maart 2006, AR S.05.0113, AC 2005, nr. 129; Cass. 25 maart 2010, AR C.09.0554.N, AC 2010, nr. 221.
(9) J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 324, nr. 664.
(10) Zie P. VAN RILLAER, Art. 1050 Ger.W., in Gerechtelijk recht. Bijzonder commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 61.
(11) P. VAN RILLAER, o.c., nr. 51.
(12) Cass. 24 juni 2005, AR S.04.0150.N, AC 2005, nr. 375. In deze zaak had de eerste rechter de vordering van de verweerder ontvankelijk verklaard, vastgesteld dat de zaak niet tot zijn bevoegdheid behoorde en ze naar de bevoegde rechter verwezen. Het Hof oordeelde dat: "de eerste rechter zich aldus niet beperkt heeft tot een beslissing over zijn bevoegdheid maar zich ook heeft uitgesproken over de ontvankelijkheid van de vordering; dat het arrest dat het hoger beroep van verweerder ontvankelijk verklaart, geen van de aangewezen wetsbepalingen schendt". In voornoemd cassatiearrest was het hoger beroep eveneens uitsluitend gericht tegen de beslissing inzake bevoegdheid en niet tegen de beslissing inzake de ontvankelijkheid van de vordering: zie E. BREWAEYS, "'t Is maar een woord? Het eindvonnis van artikel 1050 tweede lid Ger.W., noot onder Cass. 24 juni 2005, RABG 2006, 366, voetnoot 48.
(13) G. CLOSSET-MARCHAL en J.F. VAN DROOGENBROECK, Examen de jurisprudence 1993-2005. Droit judiciaire et voies de recours, RCJB 2009,169-170.
(14) Zie in dat verband Cass. 20 februari 1975, AC 1975, 692 en 696; zie ook Cass. 14 december 2009, AR S.08.0145.N, AC 2009, nr. 742.
(15) In zijn arrest van 25 april 2007 (IRDI 2007, 256 - 257), nrs. 30-31) heeft het hof van beroep te Antwerpen deze grens aangegeven. Op basis daarvan besliste het dat de beslissing van de beslagrechter, dat er ernstige betwisting was m.b.t. de octrooi-inbreuk en dat de beslagmaatregelen niet verantwoord waren, en niet aan in de weg stond dat het hof in dit arrest voorlopige staking van de inbreuk kon bevelen. Het hof van beroep verduidelijkte dat de beslagrechter maar een marginaal toetsingsrecht heeft om na te gaan of de beweerde rechten een voldoende grond van zekerheid hebben en dat de redenen van opportuniteit van de gevorderde beslagmaatregelen niet noodzakelijk dezelfde zijn als het verbod tot octrooi-inbreuk in een kort gedingprocedure (ibid. nr. 32).
(16) Vgl. het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 september 2002 (NjW 2003, 846-847) waar eiseres in haar argumentatie (p. 31) naar verwijst.
(17) Cass. 12 september 2014, AR C.13.0232.N, AC 2014, nr. 516 met concl. OM.
(18) Zie G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2005, p. 245-246; zie ook F. DE VISSCHER en P. BRUWIER, La saisie-description et sa réforme, Les dossiers du Journal des tribunaux, Brussel, Larcier, 2011, nrs. 203 en 206.
(19) Zie Cass. 8 november 1991, AR nr. 7622, AC 1991-92, nr. 136.
(20) Cass. 18 april 2002, AR C.99.0114.N, AC 2002, nr. 235.
 

Nog dit: 

Burgerlijke rechtbank Ieper 26/04/2011, RW 2012-2013, 112.

Samenvatting

Art 19 kan aangewend voor een deskundigenonderzoek maar niet bij verstek tot het bekomen van een provisionele schadevergoeding

Tekst

V. e.a. t/ D. e.a.

I. Antecedenten

De eisers zetten uiteen dat zij een opbrengsteigendom, gelegen te Ieper en bestaande uit twee appartementen, via de bemiddeling van de derde verweerster hebben aangekocht van de eerste en de tweede verweerders. De desbetreffende notariële akte werd verleden voor notaris (...) op 23 april 2009.

Naar aanleiding van een klacht van een huurster van een van de appartementen verstrekte de brandweerdienst te Ieper begin januari 2010 een negatief brandvoorkomingsadvies m.b.t. het voormelde goed, dat blijkbaar op verschillende punten niet beantwoordde aan de veiligheidsvoorschriften (ontbreken van brandwerende deuren en een verluchtingsopening, te vervangen houten trap, ontbrekende signalisatie, enz.), met alle gevolgen van dien voor de verhuurbaarheid van het pand.

Volgens de eisers hebben de eerste en de tweede verweerders, als oprichters van het bewuste gebouw, een ander bouwplan uitgevoerd dan datgene waarvoor een stedenbouwkundige vergunning was verleend, en dit precies omdat m.b.t. een eerdere vergunningsaanvraag een ongunstig brandvoorkomingsadvies was verleend. De eisers beweren dat met name de eerste verweerder doelbewust een ander plan heeft uitgevoerd dan het vergunde plan.

De eisers voeren aan dat de eerste en de tweede verweerders als verkopers verantwoordelijk zijn voor de desbetreffende verborgen gebreken, en dat de derde verweerster als makelaar is tekortgeschoten aan haar informatieplicht.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19 maart 2010 gingen de eisers over tot dagvaarding van de verweerders voor deze rechtbank. De eisers betoogden in dit verband dat zij hun schade begrootten op minimaal 25.000 euro, gelet op de noodzaak tot aanpassing van het gebouw aan de brandveiligheidsvoorschriften, de derving van de huur en de noodzaak tot het aanvragen van een regularisatievergunning. Dienaangaande vorderden de eisers alvorens recht te doen dat een deskundige zou worden aangesteld met een welbepaalde opdracht.

Tijdens de procedure werd er verder gewerkt aan de aanpassing van het gebouw, waarbij onder meer op 15 juni 2010 een regularisatievergunning werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper.

II. De vordering

In hun gedinginleidende dagvaarding vorderden de eisers dat, alvorens recht te doen, met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W. een gerechtsdeskundige wordt aangesteld met een welbepaalde opdracht.

Blijkens hun ter terechtzitting van 29 maart 2011 neergelegde zittingsconclusie dringen de eisers thans niet meer aan op de aanstelling van een gerechtsdeskundige, maar vorderen zij dat de verweerders hoofdelijk, minstens in solidum, worden veroordeeld om hen een provisioneel bedrag te betalen van 6.410 euro en dat de zaak voor verdere afhandeling op een vaste datum zou worden uitgesteld.

III. Beoordeling

1. Op de inleidende terechtzitting van 31 maart 2010 zijn de verwerende partijen, hoewel regelmatig gedagvaard, niet verschenen noch iemand voor hen, waarop de raadsman van de eisers op die terechtzitting verstek heeft gevorderd tegen de verweerders. De zaak werd hierop, telkens op verzoek van de eisers, die blijkbaar een minnelijke regeling poogden na te streven, in staat van verstek uitgesteld naar een latere terechtzitting.

Uiteindelijk vorderden de eisers ter terechtzitting van 29 maart 2011 dat er een verstekvonnis wordt verleend.

2. Hoewel in de gedinginleidende dagvaarding geen concrete som wordt gevorderd, is het, mede gelet op de vaststelling dat de eisers in hun dagvaarding hun schade begroten “op minimum 25.000 euro”, onbetwistbaar dat het geschil tussen de partijen betrekking heeft op een vordering die meer dan 1.860 euro bedraagt (art. 590 Ger.W.), zodat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is.

Wel stelt de rechtbank vast dat de vordering die in de gedinginleidende dagvaarding wordt gesteld, louter betrekking heeft op en strekt tot aanstelling van een gerechtsdeskundige met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de eisers in hun dagvaarding stellen dat zij “na vrijgave van het gebouw door de aan te stellen deskundige” de mogelijkheid zullen hebben om te beslissen om ofwel de overeenkomst te ontbinden dan wel deze te behouden en schadevergoeding te vorderen. Een daadwerkelijke vordering in dit verband wordt in de dagvaarding immers (nog) niet gesteld.

Dit laatste is als zodanig geenszins onregelmatig. Krachtens art. 962 Ger.W. kan de rechter immers, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. Het is m.a.w. in beginsel wettelijk mogelijk dat een deskundigenonderzoek wordt bevolen n.a.v. een hoofdvordering die louter deze onderzoeksmaatregel tot voorwerp heeft, althans in zoverre een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan (waardoor in dit verband soms gewag wordt gemaakt van een expertise ad futurum).

Deze mogelijkheid om als hoofdvordering louter de aanstelling van een deskundige te vorderen, is een bijzondere toepassing van het algemene beginsel, zoals omschreven in art. 18 Ger.W., dat een rechtsvordering niet alleen moet worden toegelaten wanneer de eiser een “reeds verkregen en dadelijk belang” heeft, maar ook wanneer zij is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen (cf. o.m. T. Lysens en L. Naudts, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 44-45, nr. 51; P. Taelman in Gerechtelijk deskundigenonderzoek in Recht & onderneming, nr. 5, Brugge, die Keure, 2003, (61) p. 68, nr. 9; P. Vanlersberghe in E. Guldix (red.), Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen, Antwerpen, Intersentia, 1999, (3) p. 16-17, nrs. 19-20; K. Vanderper in Expertise in IUS, nr. 8, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 34-36, nrs. 37-42; zie ook: A. Fettweis, Manuel de procédure civile, 1987, p. 381, nr. 515).

Een aldus bij wijze van hoofdeis gevorderd deskundigenonderzoek kan ertoe strekken het teloorgaan van bewijsmiddelen tegen te gaan, maar biedt de eiser in voorkomend geval ook de mogelijkheid om met kennis van zaken te oordelen over het eventueel inleiden van een vordering ten gronde. Dit laatste is aan de orde in de thans voorliggende dagvaarding, daar de eisers daarin, zoals reeds opgemerkt, uitdrukkelijk te kennen geven dat zij “na vrijgave van het gebouw door de aan te stellen deskundige” de mogelijkheid zullen hebben om te beslissen om ofwel de overeenkomst te ontbinden dan wel deze te behouden en schadevergoeding te vorderen.

Er was op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding bijgevolg sprake van een “dreigend geschil” in de zin van de voormelde wetsbepalingen, meer in het bijzonder van een imminent geschil nopens eventuele schadevergoeding dat op dat ogenblik evenwel nog niet formeel aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank (vgl. G. Closset-Marchal in J. Van Compernolle en B. Dubuisson (red.), L’expertise, Brussel, Bruylant, 2002, (5) p. 17, nr. 22; G. De Leval, noot onder Rb. Luik 23 juni 1981, JL, 1983, p. 193, nr. 11; cf. ook: C. De Boel in Ann.dr.Louvain 2006, (97) p. 132-134, nrs. 49-50, inz. p. 132, in fine –133). De eisers poogden na de dagvaarding immers nog om tot een minnelijke regeling te komen met de verweerders alvorens daadwerkelijk een vordering tot schadevergoeding aanhangig te maken. Uiteindelijk blijken de partijen evenwel niet tot een akkoord te zijn gekomen.

3. Problematisch is daarentegen wel de eisuitbreiding zoals die blijkt uit de namens de eisers ter terechtzitting van 29 maart 2011 neergelegde conclusie. Blijkens die conclusie sturen de eisers thans niet meer aan op de aanstelling van een gerechtsdeskundige alvorens recht te doen, maar vorderen zij dat de verweerders zouden worden veroordeeld tot het betalen van een provisioneel bedrag van 6.410 euro, waaromtrent zij deze rechtbank verzoeken een (verstek)vonnis te verlenen en de verdere afhandeling van de zaak op vaste datum uit te stellen.

Het gevorderde bedrag van 6.410 euro houdt een afrekening in van verschillende schadeposten die betrekking hebben op de regularisatie van de brandveiligheid in het bewuste gebouw, waarbij veruit de belangrijkste schadepost betrekking heeft op gederfde huurinkomsten. Volgens de eisers hebben de eerste en de tweede verweerders dienaangaande overigens hun aansprakelijkheid erkend, daar zij bepaalde bedragen, waaronder een bedrag van 2.300 euro wegens gederfde huurinkomsten, in november 2010 reeds vrijwillig hebben betaald.

De vordering tot betaling van een provisioneel bedrag van 6.410 euro moet evenwel worden beschouwd als een tussenvordering die de oorspronkelijke vordering wijzigt, meer in het bijzonder als een uitbreidende en op de keper beschouwd zelfs nieuwe vordering die in de gedinginleidende dagvaarding nog niet was gesteld (art. 13 Ger.W.). In de dagvaarding werd immers louter om de aanstelling van een deskundige verzocht: de loutere omstandigheid dat in de dagvaarding ook reeds wordt geanticipeerd op het bestaan van schade en op een eventueel nog in te stellen vordering in dit verband, doet geen afbreuk aan het feit dat hierover nog geen effectieve vordering wordt ingesteld. In de dagvaarding wordt integendeel zelfs uiteengezet dat de eisers pas in een latere fase zullen beslissen om ofwel de overeenkomst te ontbinden dan wel deze te behouden en schadevergoeding te vorderen.

Hoewel de tussenvordering ongetwijfeld berust op feiten die in de dagvaarding werden aangevoerd, werd ze pas voor het eerst geformuleerd in een conclusie die ter terechtzitting van 29 maart 2011 werd neergelegd, zijnde op verstek t.a.v. de verweerders, die immers niet zijn verschenen noch iemand voor hen, en tegen wie de eisers overigens reeds op de inleidende terechtzitting verstek hadden gevorderd.

Hierbij moet worden beklemtoond dat de verweerders vanuit procedureel oogpunt slechts kennis hebben van een vordering tot aanstelling van een deskundige en niet op de hoogte zijn van een daadwerkelijke vordering tot schadevergoeding. De bedenking dat in de dagvaarding melding wordt gemaakt van schade en van een eventuele vordering tot betaling van schadevergoeding die in een latere fase nog zou kunnen worden ingesteld door de eisers, doet hieraan geen afbreuk.

De in de voormelde zittingsconclusie geformuleerde vordering van de eisers kan dan ook geenszins worden beschouwd als een zgn. aanvullende vordering, zoals bedoeld in art. 808 Ger.W., aangezien het hier niet gaat om een accessorium, d.w.z. een logisch uitvloeisel van een reeds gestelde vordering (vgl. Cass. 20 mei 1999, RW 1999-2000, 1070, noot): aan de orde is wel degelijk een vordering die voor het eerst bij de voormelde conclusie wordt ingesteld (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 496-497, nr. 1085; S. Mosselmans, Tussenvorderingen in APR, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 137-139, nrs. 213-215 en p. 140-141, nr. 220).

Er is in dit geval bijgevolg geen sprake van op tegenspraak genomen conclusies, zodat de uitbreidende/nieuwe vordering met toepassing van art. 807 Ger.W. niet ontvankelijk is (S. Mosselmans, o.c., p. 76-77, nrs. 111-112).
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 08/10/2016 - 18:24
Laatst aangepast op: wo, 12/07/2017 - 16:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.