art. 31 WCK
De wettekst:
Art. 31. <W 2003-03-24/40, art. 28, 018;
Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 1. Het is de kredietgever en de kredietbemiddelaar
verboden om, onverminderd de toepassing van § 4, de consument
te verplichten in het raam van het sluiten van een
kredietovereenkomst een andere overeenkomst te ondertekenen bij de
kredietgever, de kredietbemiddelaar of een door hen aangewezen
derde.
§ 2. Het is de kredietgever en de kredietbemiddelaar eveneens verboden om bij het sluiten van een kredietovereenkomst, van de consument te bedingen om het ontleende kapitaal, geheel of gedeeltelijk, in pand te geven, of om het, geheel of gedeeltelijk, te bestemmen als deposito of voor de aankoop van effecten of andere financiële instrumenten.
§ 3. Het stelsel van reeconstitutie van het kapitaal, zoals bedoeld in artikel 5, 2°, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, is verboden.
§ 4. Wanneer de kredietovereenkomst gepaard gaat met het sluiten van een schuldsaldoverzekering die het overlijdensrisico dekt, van een verzekering werkverlies, ziekte of arbeidsongeschiktheid, teneinde de terugbetaling van het krediet te waarborgen, en een der begunstigden is de kredietgever, de kredietbemiddelaar of de kredietverzekeraar, dan moeten de desbetreffende kosten opgenomen worden in de totale kosten van het krediet. De Koning kan, conform artikel 21, § 1, het maximaal jaarlijks kostenpercentage voor deze overeenkomsten vastleggen. Dit lid is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten die betrekking hebben op kredietbedragen hoger dan 5.000 euro. De Koning kan dit bedrag aanpassen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekeringsovereenkomst wordt gesloten na het sluiten van de kredietovereenkomst en op het uitdrukkelijk verzoek van de consument. Het bewijs van dat verzoek komt toe aan de kredietgever en kan alleen geleverd worden door een van de verzekeringsovereenkomst onderscheiden geschrift en na het sluiten van de kredietovereenkomst.
De kredietovereenkomst mag met geen enkele andere verzekeringsovereenkomst van personen gepaard gaan.
§ 5. Elk beding strijdig met dit artikel wordt voor niet geschreven gehouden.
De Federale Overheidsdienst Economie, dienst controle en toezicht stelde een overzicht op met de meest voorkomende inbreuken op de wet op het consumentenkrediet en publiceerde deze in het Tijdschrift van de Vrederechters (T. Vred.), Jaargang 2002, Volgnummer 1-2 Pagina 67, Auteur(s) Luc Kinnaert.
Een van de meest voorkomende vastgestelde inbreuken betreft de inbreuk op art. 31 WCK.
Verplichte schuldsaldoverzekeringen
1. De dubbele keuzevrijheid inzake verzekeringen
Wanneer samen met het krediet een schuldsaldoverzekering wordt
verkocht moet de consument volgens de economische inspectie een
dubbele keuzevrijheid hebben inzake de schuldsaldoverzekering:
- de keuze om zich al dan niet te verzekeren
- de keuze van de verzekeraar (art. 31 WCK).
In afwezigheid van deze dubbele keuzevrijheid moeten de kosten van
de verzekering in het JKP verrekend worden, wat quasi nooit gebeurt.
(sinds de laatste wetswijziging is de kredietverzekering overigens
nooit verplicht).
Hierdoor is in elk geval het JKP hoger dan het cijfer vermeld op het kredietaanbod (art. 14 § 3 5° - burgerlijke sanctie art. 86 WCK); - of zelfs hoger is dan het wettelijk maximum (burgerlijke sanctie art. 87 WCK).
2. De enkele keuzevrijheid van sommige kredietgevers
Een aantal kredietgevers menen dat een kredietgever soms wel een verzekering kan opleggen voorzover zij de consument vrij de verzekeraar laten kiezen. De Economische inspectie is in de bijdrage van Kinnaert (op. cit T. Vred. Jaargang 2002, Volgnummer 1-2 Pagina 67) formaal: sedert artikel 2 § 3 van het K.B. van 4 augustus 1992 werd aangevuld in 1993 geen twijfel meer mogelijk: naast de vrije keuze van verzekeraar moet er, behalve voor de financieringshuur, ook de vrijheid zijn om zich al dan niet te verzekeren
Zelden worden schuldsaldoverzekeringen opgelegd bij wijze van waarborg. Het risico op overlijden is immers tijdens de afbetaling verwaarloosbaar klein, gezien er geen kredieten worden toegestaan aan oudere personen met een hoger actuarieel risico om tijdens de duur van het contract te overlijden. Het risico verkleint overigens elke maand met elke terugbetaling. De echte motieven liggen dan ook in een toegepaste truc om via een omweg de kredietkost te verhogen, tot boven de rente van de concurrentie of zelfs tot boven het wettelijk toegelaten maximum, nu heel wat risicokredieten stereotiep aan het absolute maximum worden verpatst aan verzwakte consumenten die geen keuzevrijheid meer hebben om op de normale concurrentiele markt krediet te zoeken.
Criteria aan de hand waarvan de FOD Economie beslist dat de verzekering verplicht werd door de kredietgever (Bron FOD, Economie, F. Kinnaeert in T.Vred. op. cit Jaargang 2002, Volgnummer 1-2 Pagina 67):
Vermelding van de SSV op de kredietovereenkomst: Wanneer op de kredietovereenkomst een verzekering wordt vermeld als waarborg zelfs indien hierbij verwezen wordt naar art. 31 WCK is er geen vrije keuze voor de consument geweest om zich al dan niet te verzekeren. Het JKP op de kredietovereenkomst moet herberekend worden.
Vermelding op het inlichtingenformulier van de bank: Wanneer de kredietovereenkomst niets zegt over de verzekering, wordt soms toch op het interne bankdocument voor de beoordeling van de kredietaanvraag een SSV vermeld als waarborg of voorwaarde. Af en toe wordt zo een document voorgelegd door de kredietgever in zijn procedure voor de rechtbank. Of men zou kunnen vragen de interne documenten van de bank voor te leggen.
3. Het totaal gebrek aan keuzevrijheid bij vele kredietmakelaars
DE FOD Economie bevestigt in de bijdrage van Kinnaert dat de inbreuken bij vele kredietmakelaars veel ernstiger dan bij de kredietgevers. Vooreerst wordt de consument in het geheel geen redelijke keuzevrijheid gelaten om zich al dan niet te verzekeren, laat staan om zijn verzekeraar te kiezen. DE FOD stelt formeel dat uit honderden verhoren van de consumenten in het kader van de onderzoeken oortdurend dezelfde subtiele werkwijze naar voren komt:
- er
wordt zelden expliciet gezegd dat de verzekering verplicht is; als
het toch gebeurt dan wordt het door de makelaar voorgesteld alsof de
verzekering een eis van de kredietgever is;
- meestal wordt aan de consument niets gezegd over de verzekering,
ze wordt als vanzelfsprekend voorgesteld, of als inbegrepen in het
krediet.
- de verzekeringsovereenkomst wordt tussen de andere te ondertekenen
documenten weggemoffeld (kredietaanbod, akte van loonsafstand,
kredietaanvraag
).
Inspecteur Kinnaert schrijft hoe verbazingwekkend vaak de controleurs tijdens een verhoor vaststellen dat de consument nog niet eens beseft dat hij een verzekering is aangegaan
dikwijls heeft hij ook geen kopie van zijn polis ontvangen
- het door de consument gevraagde kredietbedrag wordt op initiatief
van de makelaar verhoogd met ongeveer de kostprijs van de (erg dure)
verzekering: de consument leent hierdoor meer dan hij van plan was.
Het veldwerk van de economische inspectie leert dat deze makelaars
aan de consument helemaal geen keuze van verzekeringsmaatschappij
laten. Deze makelaars verkopen polissen die door de economische
inspectie zeer duur tot abnormaal duur worden geheten, omdat ze aan
de makelaar hier handelend als tussenpersoon voor verzekeringen
een fors commissieloon garanderen.
Het abnormaal hoge prijsniveau van deze schuldsaldoverzekeringen kan onmiddellijk worden vastgesteld door enkele tarieven van verzekeringsmaatschappijen voor dit soort verzekeringen op het internet te consulteren bv. via www.verzekeringen.be . De consument in financiële nood, die via het reguliere bankcircuit reeds lang geen krediet meer kan bekomen is de sitting duck. Van zijn gebrek aan economische vrije keuze en zijn zwakheid wordt gebruik gemaakt om hem een schuldsaldoverzekering aan te bieden die vooreerst onnodig is, en verder ver boven de normale tarieven ligt. Het argument van de kredietmaatschappijen dat een en ander risicoleningen betreffen, die toegestaan worden aan personen met een verhoogdrisico tot terugbetaling en daarom dus aan de hoogste tarieven, gaat op dit punt niet op. Op geen enkele wijze wordt namelijk aangetoond dat er voor deze personen een verhoogd risico bestaat op overlijden. Er wordt anderzijds vastgesteld dat gelijkaardige kredieten voor zelfde bedragen in de reguliere kredietsector niet stereotiep met schuldsaldoverzekeringen worden afgesloten worden en deze praktijk dus voorbehouden worden aan de risicoleningen voor financiële risicogroepen naar Amerikaans model.
Hoe kan men volgens de FOD Economie vaststellen dat een verzekering verplicht werd door de kredietmakelaar T. Vred. Jaargang 2002, Volgnummer 1-2 Pagina 67?
Wanneer er aanwijzingen zijn dat het kredietbedrag verhoogd werd met ongeveer de premie van de verzekering.
Mensen hebben de neiging om afgeronde bedragen te vragen: 100.000, 200.000, 500.000 BEF. Indien het bedrag van de kredietovereenkomst door de makelaar werd verhoogd met ongeveer de kostprijs van de premie, is dit te merken aan het kredietbedrag. Bedragen van 120.000, 225.000, 540.000 BEF gaan gepaard met een verzekeringspremie van ca. 20.000, 25.000 of 40.000 BEF: meer dan waarschijnlijk werd hier het kredietbedrag verhoogd door de makelaar, om toe te laten de dure verzekering te financieren. Het heeft weinig zin om op de kredietaanvraag van de consument te controleren of het kredietbedrag overeenstemt met de oorspronkelijke aanvraag: op de officiële kredietaanvraag zal het gevraagde bedrag immers overeenkomen met dat van de kredietovereenkomst.
Wanneer er zich in het dossier een document bevindt waarbij de consument verklaart dat hij de verzekering vrij is aangegaan, dat hem alles goed werd uitgelegd en dat hij na beraad de verzekering heeft onderschreven.
Uit de onderzoeken van de FOD Economie blijkt meestal dat zulk een verklaring juist gevraagd wordt door makelaars die verzekeringen verplichten, om zich in te dekken tegen eventuele latere betwistingen door de consument. Dit document is dan een van de vele documenten die de consument dient te ondertekenen bij de uitbetaling van het krediet. Een makelaar die correct werkt, hoeft zich niet op zo een wijze in te dekken.
Wanneer het systeem van de dubbele cheque wordt gebruikt. Het kredietbedrag wordt uitbetaald met twee cheques: één voor het door de consument te ontvangen bedrag, een tweede voor de premie van de verzekering. In de praktijk ontvangen de consumenten deze tweede cheque niet, maar wordt hij door de makelaar geïnd, zodat deze zeker is dat de klant een verzekering aangaat. Of er met twee cheques gewerkt werd, is gemakkelijk te controleren aan de hand van de kwijting van de uitbetaling, waarop de cheques en meestal ook het doel van de cheque vermeld worden. In een poging om paal en perk te stellen aan de misbruiken, werd door de kredietgevers onder impuls van de Beroepsvereniging van het Krediet het systeem van de dubbele cheque afgeschaft in de eerste maanden van 2000.
Wanneer het ontleend bedrag pas ter beschikking wordt gesteld na overhandiging van een overschrijvingsformulier voor de verzekering. Het verdwijnen van de dubbele cheque heeft weliswaar de toestand enigszins verbeterd. Anderzijds gaf het aanleiding tot een nog ernstiger misbruik, gelukkig minder verspreid: de consument ontvangt zijn cheque niet onmiddellijk. Om zeker te zijn dat de premie zal betaald worden, bezorgt de makelaar de cheque aan de bank van de klant, samen met een door hem ondertekend overschrijvingsformulier voor de premie.
Wanneer de verzekering ook arbeidsongeschiktheid dekt en de kredietnemer reeds arbeidsongeschikt is. De verzekering dekt niet alleen overlijden maar ook invaliditeit of arbeidsongeschiktheid, terwijl de verzekerde reeds een ziekte- of invaliditeitsuitkering ontving (kan gecontroleerd worden op de kredietaanvraag, waar de inkomsten en werkgever van de consument vermeld worden). Dit misbruik komt regelmatig voor en bewijst dat de klant helemaal niet vrij was om een verzekering aan te gaan (hij is immers onverzekerbaar).
Volgens de FOD economie blijkt verder de afwezigheid van redelijke keuzevrijheid bij het aangaan van de schuklsaldoverzekering uit het feit dat schuldsaldoverzekering en kredietovereenkomst werd gesloten via een verzekeringstussenpersoon met zelfde kantooradres als de kredietmakelaar, of wanneer de voorgestelde verzekeraar steeds de zelfde was en wanneer de verzekeringspremie werd afgehouden van det ontleend bedrag. Zie Jaarboek kredietrecht, 2004, 173.
Het stereotiep voorstellen van een zustermaatschappij van de kredietgever als verzekeraar, of de keuze laten tussen 2 maatschappijen is evenzeer een aanduiding die wijst op een gebrek aan redelijke keuzevrijheid.
abnormaal
dure schuldsaldoverzekeringen
Oververzekering bij saldering door reeds bestaande verzekering
verbonden aan het gesaldeerd krediet
Vred. Oudenaarde, 15 januari 2001, Tijdschrift van de Vrede- en
Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2002, Volgnummer 1-2, Pagina
138
Het afsluiten van een schuldsaldoverzekering samen met een lening is geschied zonder redelijke keuzevrijheid indien de kredietgever de "keuze" laat tussen twee maatschappijen. Alsdan is het verzekeringscontract nietig en dient de premie door de kredietgever terugbetaald.
volledige tekst van dit vonnis
Rb. Antwerpen (5eB Kamer), 29 april 1999,
Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang
2000, Volgnummer 3-4, Pagina 124
Uit de vermelding in het aanbod dat waarin staat dat de kredietgever
zich ertoe verbindt ten voordele van de consument een
schuldsaldoverzekering aan te gaan bij een maatschappij naar keuze,
blijkt evenwel dat niet de kredietnemer maar wel de de kredietgever
die de keuze heeft.
In het niet gedateerd contract van schuldsaldoverzekering met
hetzelfde
nummer als het nummer van het kredietaanbod twee mogelijke
verzekeringsmaatschappijen vermeld. Een keuze uit twee
maatschappijen voorgesteld door de Europabank is geen vrije
keuze had van verzekeringsmaatschappij.
De keuze was inderdaad beperkt tot slechs twee maatschappijen
die door de contractueel bepaalde vrije keuze van de kredietgever
zelf werden aangereikt.
Bij schending van artikel 31 WCK dient de premie van de
verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 2, § 3 van het
koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de
percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het
consumentenkrediet te worden verrekend in het jaarlijkse
kostenpercentage. Bij overschrijding
van het toegelaten maximale jaarlijkse kostenpercentage dient de
sanctie van
artikel 87 WCK te worden toegepast, op grond waarvan de consument
enkel gehouden is tot terugbetaling van het ontleende bedrag, zonder
intresten en kosten.
Gezien de stukken van het geding, vervat en geïnventariseerd
in het dossier
van de rechtspleging en onder meer: - het eensluidend verklaard
afschrift van
het vonnis op tegenspraak d.d. 30 juni 1998 van de vrederechter van
het kanton Brasschaat, waartegen hoger beroep;
- de beroepsakte, neergelegd ter griffie dezer rechtbank op 7
september 1998;
Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni
1935;
Gehoord partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld in de
Nederlandse
taal ter terechtzitting van 5 maart 1999; Overwegende dat het hoger
beroep tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de
vorm;
1. In feite
Op 7 mei 1996 sloten partijen een overeenkomst
tot lening op afbetaling voor een bedrag van 600.000 frank, met een
jaarlijks kostenpercentage van 12,51 %, terugbetaalbaar in 60
maanden à rato
van 13.300 frank per maand, hetzij een totaal bedrag van 798.000
frank.
Geïntimeerden bleven in gebreke gedurende twee maanden het
maandelijks te
betalen bedrag te voldoen, zodat appellante na aangetekende
ingebrekestelling
overging tot dagvaarding op 14 november 1997.
2. Het vonnis a quo
De eerste rechter stelde vast dat er een schending was van de
artikelen 31, 21 en 14 WCK. Appellante bleef in gebreke het bewijs
te leveren dat geïntimeerden niet verplicht werden een verzekering
af te sluiten en dat zij de vrije keuze hadden inzake het sluiten
van een kredietsaldoverzekering. Deze keuze kan niet afgeleid worden
uit de voorgelegde overeenkomst, noch uit
andere door appellante voorgelegde stukken. De premie van de
kredietsaldoverzekering dient dan ook in aanmerking genomen
te worden voor de berekening van het jaarlijks kostenpercentage dat
het op
dat ogenblik toegelaten maximum van 13 % oversteeg. Ingevolge
artikel 87 WCK zijn geïntimeerden dan ook enkel gehouden tot
terugbetaling van het ontleende bedrag zonder intresten en kosten.
Het verweer van g ïntimeerden dat de bankier aansprakelijk zou zijn,
kan niet weerhouden worden vermits niet bewezen is dat de
kredietgever een krediet zou hebben toegekend in omstandigheden
waarin een normaal, redelijk en voorzichtig kredietgever zich zou
hebben onthouden van kredietverlening.
De eerste rechter merkt op dat het aanbod van kredietverstrekking
werd gegeven op 3 mei 1996, dat op 7 mei 1996 aanvaard werd en dat
de eerste vervaldag was vastgesteld op 3 juni 1996. Of uitbetaling
gebeurde voor de aanvaarding, werd door geïntimeerden niet
opgeworpen, zodat de eerste rechter oordeelde dat artikel 16 WCK
geen toepassing krijgt, nu dit artikel van dwingend recht is, doch
niet van openbare orde.
3. Het hoger beroep
Appellante stelde tegen dit vonnis hoger beroep in teneinde haar
oorspronkelijke vordering integraal te horen gegrond verklaren en
dienvolgens geïntimeerden solidair te horen veroordelen tot betaling
van 738.895 frank, meer de intresten overeenkomstig artikel 28 WCK
en de kosten van het geding en onder vermindering van een bedrag van
188.420 frank.
Appellante werpt op dat de eerste rechter artikel 31 WCK zou
geschonden hebben. Het voorgelegde contract van
schuldsaldoverzekering zou aantonen
dat de ontlener wel degelijk de volledige keuzevrijheid had inzake
de verzekeringsmaatschappij. Zowel de keuzemogelijkheid al dan niet
een verzekering aan te gaan, als de keuze van maatschappij zou
besproken zijn
naar aanleiding van het bekomen van de lening. Het feit dat
appellante twee
maatschappijen had gesuggereerd belette geïntimeerden niet een
andere verzekeraar voor te stellen.
De eerste rechter kon dan ook niet vaststellen dat de vrije keuze
van de consument terzake zou zijn geschonden, aldus nog appellante.
Het loutere feit dat naar aanleiding van de ondertekening van de
overeenkomst
van de lening ook het contract van kredietsaldoverzekering wordt
afgesloten,
is niet in strijd met de bepalingen van artikel 31 WCK. Zelfs de eis
een accessoir contract af te sluiten is niet strijdig met de wet
zolang de consument de verzekeraar mag kiezen. Appellante verwijst
dienaangaande naar het verslag van de Senaatscommissie. In casu was
er een
dubbele keuze.
Overigens wijst appellante erop dat een dergelijke
kredietsaldoverzekering in het voordeel van de kredietnemer wordt
afgesloten. De kosten van verzekering vallen niet onder artikel 31
WCK zo de consument terzake over een redelijke keuzevrijheid
beschikt. Appellante verwijst hiervoor naar het koninklijk besluit
van 4 augustus 1992 betreffende de kostenpercentages, de duur en de
terugbetalingsmodaliteiten en naar een vonnis van de vrederechter
van het zevende kanton Antwerpen van 16 december 1997.
Ten slotte merkt appellante op dat de eerste rechter onterecht
melding maakte
van artikel 16 WCK, nu uit de stukken zou blijken dat de gelden pas
op 7 mei
1996 ter beschikking van geïntimeerden zouden zijn.
Geïntimeerden roepen de exceptie van gezag van gewijsde in,
verwijzend naar
een vonnis van 30 juni 1998 van de vrederechter van Brasschaat met
betrekking tot de loonsoverdracht. Dit vonnis betreft de
bekrachtiging van de loonsoverdracht.
Loonsoverdracht en hoofdschuld zijn een onsplitsbaar geschil. Dit
betekent
dat de bekrachtiging van de loonsoverdracht door de vrederechter
onvermijdelijk voor gevolg heeft dat de overnemer in laatste aanleg
een titel bekomt met betrekking tot de hoofdschuld, aldus
geïntimeerden.
Ondergeschikt stellen geïntimeerden dat de eerste rechter terecht
een inbreuk op artikel 31 WCK vaststelde, nu zij geen redelijke
vrije keuze hadden van kredietverstrekker voor wat betreft de
schuldsaldoverzekering. Op incidenteel beroep vorderen geïntimeerden
de nietigverklaring van de leningsovereenkomst,
conform artikel 86 WCK, alsmede een schadevergoeding.
Tevens roepen geïntimeerden de schending in van de artikelen 14 en
16 WCK
en vorderen zij terugbetaling van alle reeds betaalde sommen.
4. Beoordeling
4.1. Omtrent de toelaatbaarheid Het vonnis a quo van 30 juni 1998 (A.R.
nr. 97A23964) doet uitspraak over de vraag van appellante tot
ontbinding van
de overeenkomst van lening op afbetaling tussen appellante en
geïntimeerden
gesloten op 7 mei 1996. Het vonnis van 30 juni 1998 (A.R. nr. 98A59)
doet uitspraak over het verzet dat door eerste geïntimeerde werd
ingesteld tegen de loonsoverdracht in het voordeel van appellante.
Tegen dit vonnis werd geen beroep aangetekend. Overigens is dit
vonnis geveld in laatste
aanleg conform de bepalingen van artikel 31 van de
Loonbeschermingswet van
12 april 1965. Deze loonsoverdracht heeft eveneens betrekking op de
kredietovereenkomst van 7 mei 1966, waarvan de loonsoverdracht een
accessorium is. In deze procedure zijn enkel appellante en eerste
geïntimeerde betrokken. In het vonnis met rolnummer 98A59 verwijst
de vrederechter naar de procedure gekend onder rolnummer 97A23964.
De vrederechter stelt dat met deze twee procedures geenszins twee
keer een afzonderlijke titel wordt nagestreefd en dat een
samenvoeging van beide procedures niet noodzakelijk is. De
bekrachtiging van de loonsoverdracht betreft slechts een manier van
uitvoeren, aldus nog de vrederechter.
In een arrest van 10 november 1983 stelde het Hof van Cassatie (R.W.,
1984-85, 832, noot) dat de vrederechter, zonder de grenzen van
artikel 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming
van het loon der werknemers te overschrijden, in laatste aanleg
uitspraak dient te doen over alle voor hem opgeworpen betwistingen
betreffende de vorm en de grond van de overdracht en van de
hoofdschuldvordering, daar anders het geschil tussen verschillende
rechtscolleges wordt verdeeld. Dit betekent dat om een
loonsoverdracht te kunnen bekrachtigen, moet nagegaan worden in
welke mate de schuldvordering vaststaat en opeisbaar is. De
procedure met betrekking
tot de loonsoverdracht verleent geen afzonderlijke titel, maar
valideert enkel
de bedongen overdracht, na een onderzoek of aan de vereisten eraan
gesteld
is voldaan. Het hoger beroep is regelmatig naar de
vorm en tijdig en derhalve toelaatbaar.
4.2. Omtrent de grond van de zaak
4.2.1. Het hoofdberoep
In de leningsovereenkomst met aanbodnummer 671-4605114-13/301 van 7
mei
1996 is in de algemene voorwaarden onder punt 7 een titel opgenomen
met betrekking tot de schuldsaldoverzekering, luidende als volgt:
Wanneer de consumenten dit wensen, hetgeen blijkt uit de vermelding
bij het
aanbod, verbindt de Europabank N.V. er zich toe ten voordele van hen
een
schuldsaldoverzekering aan te gaan bij een maatschappij naar keuze,
op voorwaarde van aanvaarding door de verzekeringsmaatschappij
aan haar basistarief ....
Uit de lectuur van deze voorwaarde blijkt overduidelijk dat het wel
degelijk appellante is, die de keuze van maatschappij heeft.
Bovendien staan in het contract van schuldsaldoverzekering met
hetzelfde nummer als het aanbodnummer en niet gedateerd, twee
mogelijke verzekeringsmaatschappijen,
waarbij enkel nog één van deze twee dient aangekruist te worden.
De vermelding van het contract is: De ontlener verzekerde wenst dat
het
contract van schuldsaldoverzekering wordt onderschreven bij volgende
verzekeringsmaatschappij
naar zijn keuze:
❍ Mercator N.V.
❍ Noordstar N.V.
Hieruit valt onomstotelijk af te leiden dat geïntimeerden niet de
vrije keuze hadden van verzekeringsmaatschappij. Deze keuze was
beperkt tot twee onderscheiden maatschappijen, die door de
contractueel bepaalde vrije keuze van appellante zelf werden
aangereikt.
Bovendien blijft appellante in gebreke om aan te tonen dat
geïntimeerden niet
verplicht werden een schuldsaldoverzekering te ondertekenen tezamen
met de
leningsovereenkomst. Integendeel wordt de schuldsaldoverzekering als
waarborg beschouwd door appellante, zoals blijkt uit de
leningsovereenkomst.
Geïntimeerden konden dan ook niet weten of appellante zonder deze
waarborg
ook zou zijn overgegaan tot het verstrekken van de lening. Er is
derhalve een schending van artikel 31 WCK.
Artikel 2, § 3 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992
betreffende de kosten, de percentages, de duur en de
terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet bepaalt:
Onverminderd de bepalingen van artikel 31 van de wet en op
voorwaarde dat de consument terzake over een redelijke
keuzevrijheid beschikt omvatten de totale kosten van het krediet
evenmin 3°)
de kosten van verzekeringen. Hieruit volgt dat de verschuldigde
premie
van 901 frank derhalve had dienen verrekend te worden in het
jaarlijks kostenpercentage.
Alzo komt men tot een jaarlijks kostenpercentage dat het alsdan
toegelaten percentage van 13 % overstijgt. De eerste rechter paste
dan ook terecht de sanctie voorzien in artikel 87 WCK toe. Het
hoofdberoep is ongegrond.
4.2.2. Het incidenteel beroep
Geïntimeerden houden voor dat er een schending is van artikel 14 WCK
en artikel 16 WCK. Wat betreft de al dan niet naleving van artikel
16 WCK moet opgemerkt worden dat uit de stukken 16 en 17 door
appellante bijgebracht, blijkt dat geen uitbetaling is gebeurd voor
7 mei 1996. Er is
geen schending van artikel 16 WCK. Er is evenmin een schending van
artikel
14 WCK. Het aanbod vermeldt de voorzieningen zoals opgenomen in
artikel 14
WCK, ook al is het jaarlijks kostenpercentage foutief berekend. Het
incidenteel beroep is dan ook ongegrond."
Rb. Gent (9e kamer), 10 december 1999, Tijdschrift
van de Vrede- en Politierechters (T. Vred.), Jaargang 2002,
Volgnummer 1-2, Pagina 82
uittrekstel:
"3.2.3. Het verbod tot het verplicht aangaan van
een bijkomende overeenkomst
Terecht roepen geïntimeerden in dat appellante de verbodsbepaling
van artikel 31 WCK heeft miskend doordat zij verplicht werden een
tijdelijke kredietverzekering af te sluiten waarvan de kost niet in
het jaarlijks lastenpercentage is doorgerekend en zonder dat zij
keuzevrijheid hadden in
verband met de verzekeringsmakelaar of verzekeringsmaatschappij.
De praktijk van het ondergeschikt maken van het sluiten van de
kredietovereenkomst aan een andere overeenkomst bij een met name
aangewezen derde, en niet enkel het beding dat hiertoe aanleiding
geeft, is door de wetgever verbonden zelfs indien hierdoor het
maximale jaarlijks kostenpercentage niet wordt overschreden (M.
DAMBRE, o.c.).
Dit verbod geldt niet wanneer de totale kosten van de bijkomende
overeenkomst opgenomen worden in de totale kosten van het krediet,
wat terzake niet het geval was. Dienaangaande neemt de rechtbank de
motieven van de eerste rechter over: de verzekeringsovereenkomst is
terzelfder tijd met de kredietovereenkomst afgesloten en de
eenmalige verzekeringspremie ten bedrage van 6.998 frank is
afzonderlijk gekweten door overschrijving van de zichtrekening van
de geïntimeerden op deze van appellante (stuk 7 en 8 van de
appellante).
Wanneer de verzekeringskost niet in de totale kredietkost is
begrepen, mag de
kredietgever de consument slechts verplichten tot het sluiten van
een verzekeringsovereenkomst ter dekking van zijn risico voorzover
de consument de vrije keuze wordt geboden van cocontractant (art. 2
§ 3 3° en het uitvoeringsbesluit van 4 augustus 1992).
In geval van betwisting dient de kredietgever de redelijke
keuzevrijheid te bewijzen (o.c.), welk bewijs appellante niet
levert. Artikel 31 WCK bepaalt dat elk ermee strijdig beding nietig
is maar tast de rechtsgeldigheid van de kredietovereenkomst zelf
niet aan.
De bepaling van artikel 31 WCK die de vrije marktconcurrentie
beoogt, is van
openbare orde zodat de schending ervan gesanctioneerd wordt door de
nietigheid van de verzekeringsovereenkomst met het recht op
terugbetaling van de premie in hoofde van de consument.
Derhalve dient appellante veroordeeld te worden tot terugbetaling
van de verzekeringspremie van 6.998 frank. Gelet op wat voorafgaat
oordeelt de rechtbank dat er geen gronden zijn om de
nietigverklaring van het kredietaanbod of van de kredietovereenkomst
uit te spreken, met als gevolg dat appellante zou moeten worden
veroordeeld om de ontvangen afbetalingen terug te betalen en dat
geïntimeerde de ontvangen bedragen zou mogen behouden. "
(mede op grond van een schending van art. 11 WCK oordeelde de rechtbank dat appellante voldoende gesanctioneerd is door de verplichtingen van geïntimeerden te herleiden tot het openstaand nominaal bedrag van de lening met behoud van het voordeel van de termijnbetalingen).
Vred. Kortrijk (2° kanton) 2 januari 2002 RABG 2003/1 p. 12
Wanneer het afsluiten een schuldsaldoverzekering als voorwaarde van een consumentenkrediet wordt gesteld dient de kost van deze verzekering opgenomen in de kost van het krediet bij gebreke waaraan de sanctie van artikel 86 WCK dient toegepast. De kredietgever draagt de bewijslast van de redelijke vrije keuze.
Vred. Ronse 24.09.02 RABG 2003/I p. 25 Citibank/GM en DBM
Art. 31 WCK verbiedt de kredietgever en -bemiddelaar om de consument te verplichten bij henzelf of bij een door hen aangewezen derde een bijkomende overeenkomst te sluiten, tenzij de kost daarvan opgenomen is in de totale kost van het krediet.
Verweerders leggen een doorslag neer van de polissen die alleen door de persoon die eveneens namens eiseres de overeenkomst van lening op afbetaling ondertekende. Geen van deze polissen waarin de verweerders als verzekerde en verzekeringsnemer zijn aangeduid werd door hen ondertekend. Wel blijkt dat die verzekeringsovereenkomst is totstandgekomen door bemiddeling van de kredietbemiddelaar die de polis ondertekende én als kwijting voor de premie voor eiseres én voor de verzekeraar Citilife.
Beide polissen vermelden letterlijk: "Gezien onderhavig document dient als basis van het met de maatschappij te onderschrijven contract".
Hieruit volgt dat er duidelijk eenheid is tussen eiseres (Citibank) en Citlilfe en dat er geen keuzevrijheid in hoofde van verweerders is bewezen.
zie ook noot onder dit vonnis "moeten de kosten van een schuldsaldoverzekering nu in het JKP worden opgenomen RABG 2003/1 p. 33.
abnormaal dure schuldsaldoverzekeringen
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
