-A +A

Beëindiging van de pacht wegens beëindiging van de landbouwexploitatie.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer E. Stassijns, Pacht, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 1998, p. 582, nr. 552

 

Beëindiging van de pacht wegens beëindiging van de landbouwexploitatie.

Het niet langer als “boerende boer” bedrijfsmatig exploiteren van een landbouwactiviteit is een reden tot ontbinding van de pachtovereenkomst (Cassatie, 23.12.1988, A. C. 1988-1989, 517).

De rechter kan hierbij verschillende criteria in beschouwing nemen waaronder het nettoresultaat van de uitbating van de landbouwstiel.

Zo kan een uitbating met een nettoresultaat van bijvoorbeeld slechts 1.500 euro niet aanzien worden als een landbouwactiviteit maar slechts als een hobby.

Het niet voorleggen van fiscale gegevens kan doen veronderstellen dat er geen inkomsten zijn uit de landbouwexploitatie dan wel een zeer laag inkomen uit de landbouwexploitatie.

Verdere aanwijzingen kunnen zijn dat de pachters niet meer wonen op het erf maar in een privéwoning die geen uitstaans meer heeft met het landbouwbedrijf en zij de plaats waar vroeger de hoeve stond in vervallen onbewoonbare staat hebben achtergelaten alwaar geen landbouwexploitatie meer te bespeuren valt.

Ook de afwezigheid van landbouwmachines is een aanwijzing in die richting.

De ouderdom van de pachter is op zichzelf geen rechtstreeks voldoende bewijs, doch kan een bijkomende indicatie uitmaken wanneer blijkt dat de betrokkenen reeds gepensioneerd zijn en een ver gevorderde leeftijd hebben bereikt.

Een pachter is verplicht om de gepachte goederen te exploiteren als boer, hetgeen betekent voorzien van dieren en materialen nodig voor een bedrijfsmatige exploitatie van een normaal landbouwbedrijf.

Het laten gebruik maken van de gronden door familieleden is een bijkomende indicatie dat de boerende boer gestopt is met boeren.

Een en ander brengt schade toe aan de verpachter door de onbeschikbaarheid van de betreffende percelen die een economisch belangrijke waarde hebben en waardoor het eigendom zijn beschikkingsrecht van de verpachter wordt beperkt.

Dergelijke tekortkomingen zijn voldoende ernstig om een gerechtelijke ontbinding van de pachtovereenkomst te bevelen.

De rechter kan de ontbinding van een pachtcontract uitspreken vanaf het instellen van de rechtsvordering of zelfs vroeger en de pachters veroordelen tot ontruiming.

Voor een toepassingsgeval zie Vredegerecht Zomergem, 13.05.2011, Tijdschrift van de Vrederechters, 2013, 5-6, pagina 258.

 

Commentaar: 

Een der verplichtingen van de pachter is het gepachte goed te exploiteren binnen de landbouwexploitatie welke hij voert.

Hij mag het goed derhalve niet aanwenden voor een ander doel dan waartoe het bestemd is.

De onwetendheid van de pachter met betrekking tot deze bepaling van de pachtwet maakt geen verschoning of rechtvaardiging uit.

De ontbinding van een pachtovereenkomst kan als toepassing van artikel 1184 B.W. worden toegepast krachtens artikel 29 van de pachtwet en artikel 1741 B.W.

Artikel 29 van de pachtwet bepaalt dat onder de bij dit artikel bepaalde voorwaarden waaronder de bijzonder voorwaarden dat de pachter het verpachtte goed voor een ander doel aanwendt dan waartoe het bestemd was en de algemene voorwaarde dat hij de bepalingen van de pachtwet niet nakomt, de verpachter indien daardoor voor hem schade ontstaat, naargelang van de omstandigheden de pachtovereenkomst kan doen ontbinden.

Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever het aan de ene kant aan de feitenrechter overlaat om te appreciëren of de niet-uitvoering van het contract voldoende ernstig is om het te ontbinden en aan de andere kant dat het ernstige karakter van de niet-uitvoering dient te worden beoordeeld in verband met het al dan niet bestaan van schade aan de zijde van de verpachter. (Cass. 23.07.2005, RW 2007-2008, pagina 1455, nr. 35).

Deze regeling doet geen afbreuk aan artikel 1184 B.W.

De ontbinding is effectief een bijzonder zware sanctie waarmee er niet lichtzinnig kan worden gedreigd.

Er moet een voldoende ernstige of zwaarwichtige tekortkoming zijn.

Een loutere tekortkoming is onvoldoende. (Patrick Vandierendonck, “Perspectief van de Vrederechter”, in Nele Hoekx en Alain Verbeke, Knelpunten pacht, pagina 60 ev, nrs. 110 ev.)

Verbintenisrechterlijk wordt in de regel steeds een ingebrekestelling vereist vooraleer een schuldeiser zijn rechten tegenover zijn schuldenaar kan doen gelden.

Hij moet zijn debiteur duidelijk en ondubbelzinnig ter nakoming van zijn verbintenis aannemen zodat er bij de schuldenaar geen twijfel kan over bestaan dat de schuldeiser zijn verbintenissen uitgevoerd wil zien; het Hof van Cassatie besliste in zijn arrest van 09.04.1976 (RW 176, 77, 921 met noot) dat de voorafgaandelijke ingebrekestelling een algemeen rechtsbeginsel uitmaakt (S. Stijns, Verbintenissenrecht, boek 1, pagina 168, nr. 237).

De pachter moet derhalve door de verpachter voorafgaandelijk in gebreke worden gesteld met als eerste bedoeling hem de kans te bieden om zijn verplichtingen vooralsnog buiten de procedure op correcte wijze na te komen, uiteraard voor zover deze nakoming nog mogelijk is.

De neerlegging van een verzoek tot minnelijke schikking overeenkomstig artikel 1345 Ger.W. heeft de gevolgen van een ingebrekestelling gelijkstaande dagvaarding (Cassatie 18.12.1986, RW, 1987-1988, 55).

Voor een toepassingsgeval zie Vredegerecht Zottegem-Herzele, 19.06.2011, Tijdschrift van de Vrederechters, 2013, 5-6, pagina 349.

In deze zaak had de pachter gedurende 18 maanden rijpaarden laten grazen op de weilanden, hetgeen op zich niet beantwoordt aan de verplichting van de pachter om te exploiteren binnen een landbouwexploitatie.

In casu was er echter geen ingebrekestelling door de verpachter.

Er werd wel opgeroepen in minnelijke schikking.

De dag na de verzoeningszitting deelde de raadsman van de pachter mede dat de pachter zich onmiddellijk in regel had gesteld en dat dit ook naar de toekomst toe het geval zou zijn.

Ondanks dit engagement ging de verpachters over tot dagvaarding op het ogenblik dat er geen enkele wanprestatie meer was.

In deze omstandigheden oordeelde de Vrederechter dat er geen sprake meer kon zijn van een dermate zwaarwichtige wanprestatie die de ontbinding van de pacht in het nadeel van de pachter verantwoordde.

De rechter herinnerde eraan dat de rechter die gevat wordt met een ontbindingsvordering niet noodzakelijk hoeft te ontbinden. Meer zelfs hij kan gebruik maken van zijn uitstelbevoegdheid en derhalve aan de pachter een termijn verlenen om diens verplichtingen na te komen.

De vordering van de verpachter werd dan ook integraal afgewezen.

De redenering die hier gevolgd wordt in zake de pachtwetgeving kan doorgetrokken worden naar de vordering tot ontbinding van bijna alle contracten.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 08/12/2013 - 01:42
Laatst aangepast op: zo, 22/12/2013 - 22:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.