-A +A

bedrieglijk onvermogen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
   

Uittreksel uit het strafwetboek: Art. 490 bis Sw.: Met gevangenisstraf van een één maand tot twee jaar en met een geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die bedrieglijk zijn onvermogen heeft bewerkt en aan de op hem rustende verplichtingen niet heeft voldaan.

Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, kan worden afgeleid uit enige omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.

Ten aanzien van de derde die de mededader of medeplichtige is, vervalt de strafvordering wanneer hij de hem overhandigde goederen teruggeeft.

Rechtsleer en Rechtspraak:

  • ‘Het bewerken van het onvermogen gaat m.a.w; verder dan het omzeilen van het burgerrechtelijke voorschrift van artikel 8 van de Hypotheekwet.’ (Schuind, G., Traité pratique de droit criminel, I, herwerkt door A. Vandeplas, losbl. (Compl. 13), 440L, randnummer 5)

  • ‘Bedrieglijk onvermogen veronderstelt niet noodzakelijk een absoluut onvermogen. Het is dus irrelevant dat één van de daders van deze inbreuk nog over inkomsten beschikt die voor beslag vatbaar zijn, dat hij bepaalde schuldeisers nog verder afbetaalt conform een afbetalingsplan en dat hij aan zijn schuldeisers niets verborg m.b.t. zijn patrimonium.’ (Luik 12 mei 1989, Pas. 1990, II, 17.)

  • ‘Het misdrijf van bedrieglijk onvermogen vereist niet dat de schuldenaar een reële verarming heeft gelden; vereist is niet dat de dader daadwerkelijk onvermogend is, maar verondersteld wordt dat hij zijn onvermogen bewerkt heeft, m.a.w. dat de goederen die normaal het pand van de schuldeiser uitmaken, onttrokken worden aan de gerechtelijke executie (niet-uitvoering van een verbintenis jegens zijn schuldeiser).’ (Antwerpen, 27 mei 1982, R.W. 1982-83, 2677)

  • ‘Het onvermogen hoeft niet totaal te zijn; het is voldoende dat de overblijvende goederen van de beklaagde niet toereikend zijn voor de betaling van zijn schuld of de gedwongen tenuitvoerlegging van zijn verplichtingen.’ (Cass. AR 8761, 17 april 1991, Arr. Cass. 1990-91, 834).

  • ‘De rechter kan het bestaan van het bedrieglijk opzet, dat vereist is voor het misdrijf bedrieglijke bankbreuk, afleiden uit gegevens waaruit blijkt dat de verduistering van de activa van een onderneming ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers is gepleegd met het opzet om iemand anders een onrechtmatig voordeel te bezorgen (art. 489 Sw.).’ (Cass. AR P 97.1028F, 19 november 1997, Arr. Cass. 1997, 1177).
     

  • Het misdrijf van bedrieglijk onvermogen bestaat niet uit de enkele reden dat een schuldenaar zijn schulden niet heeft betaald maar omdat hij aan de op hem rustende verplichtingen niet heeft voldaan en zijn vermogenstoestand telkens opnieuw zo heeft ingericht dat al zijn bezit, feitelijk of juridisch, onttrokken is aan gedwongen tenuitvoerlegging (Cass. 2 september 2008 cfr www.juridat.be ).
     

medeplichtigheid:

Zeer vaak zijn derden medeplichtig aan het misdrijf bedrieglijk onvermogen. Ook zij kunnen worden aangesproken in de door hen veroorzaakte schade en delen in de strafrechtelijke aansprakelijkheid: Cass. 23 februari 2005: De schade die door de schuld van een mededader aan het misdrijf bedrieglijk onvermogen wordt veroorzaakt, kan worden afgezonderd van de onbetaalde schuld van de hoofddader, maar bestaat in het verlies van een kans voor de schuldeisers om van deze laatste de betaling van de hen verschuldigde sommen te verkrijgen (1). (1) Zie Cass., 20 feb. 2001, AR P.99.0480.N, nr 102; Gent, 3 april 1979, R.W., 1979-1980, 849-851 en noot A. VANDEPLAS; COLLIN J.P., Organisation frauduleuse de l'insolvabilité, in "Droit pénal et procédure pénale", Kluwer, 2002, nr 48 en 49.

 

Bedrieglijk onvermogen en de schade van de burgerlijke partij:

Ten aanzien van het misdrijf van bedrieglijk onvermogen bestaat de schade uit het misdrijf in beginsel niet uit het onbetaald blijven van een schuld; de materiële schade die voor de strafrechter in aanmerking komt, is de specifieke schade die voortspruit uit de krenking van het rechtmatig belang op onmiddellijke betaling, waardoor bijzondere bijkomende kosten zijn ontstaan (Cass., 23 feb. 2005, AR P.04.1517.F, A.C., 2005, nr 112.); de rechter kan evenwel ook oordelen dat de benadeelde ingevolge het bewezen verklaarde misdrijf morele schade heeft geleden, zelfs indien de benadeelde niet zelf de schuldeiser is tegenover wie de dader zijn verplichtingen niet is nagekomen maar slechts degene tegen wie de schuldeiser zich ten gevolge hiervan heeft gewend om betaling te verkrijgen. (Cass. 02/09/2008, RABG 2009/,3, met noot, Bedrieglijk onvermogen kan ook moreel leed veroorzaken)

 

0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.