Betaaltermijn van voorheffingen en belastingen
|
|
uittreksel uit het WIB 92
Artikel 412
Art. 412, 5e lid is van toepassing vanaf 10.01.2004. (Art. 296, W
22.12.2003) B.S. 31.12.2003
De roerende voorheffing is betaalbaar binnen de vijftien dagen na de
toekenning of de betaalbaarstelling van de belastbare inkomsten.
De bedrijfsvoorheffing is betaalbaar binnen de vijftien dagen na het
verstrijken van de maand waarin de inkomsten werden betaald of
toegekend.
In afwijking van het tweede lid is de bedrijfsvoorheffing betaalbaar
binnen 15 dagen na het verstrijken van iedere trimester waarin de
inkomsten zijn betaald of toegekend, wanneer de bedrijfsvoorheffing
op de inkomsten van het vorige jaar minder dan 25.000,00 EUR
bedroeg; dat bedrag wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de
consumptieprijzen van het Rijk aangepast, overeenkomstig artikel
178.
In afwijking van het tweede lid is de bedrijfsvoorheffing
betreffende de inkomsten die zijn betaald of toegekend gedurende de
eerste 15 dagen van december, uiterlijk op 24 december betaalbaar
wanneer de schuldenaar van die inkomsten voor het vorige jaar meer
dan 2.500.000,00 euro bedrijfsvoorheffing verschuldigd was.
In het in het derde lid vermelde geval is uiterlijk op 15 december
een voorschot op de bedrijfsvoorheffing van het vierde trimester
betaalbaar; dat voorschot is gelijk aan de werkelijk verschuldigde
bedrijfsvoorheffing voor de maanden oktober en november van het
lopende jaar.
Gedwongen tenuitvoerlegging met betrekking tot de voorheffingen
vermeld in het eerste tot vijfde lid moet evenwel worden
voorafgegaan door opneming ervan in kohieren overeenkomstig artikel
304.
In afwijking van het eerste lid, wanneer de voorwaarden tot
toekenning van het verlaagd tarief bedoeld in artikel 269, elfde
lid, voor dividenden van aandelen die worden vertegenwoordigd door
een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op
dividend vertegenwoordigen, en een couponblad « STRIP-VV », niet
zijn voldaan, is de roerende voorheffing betaalbaar :
1° ten belope van 15 pct. van het belastbare bedrag van het dividend
: binnen de vijftien dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling
van het dividend;
2° ten belope van 10 pct. van het belastbare bedrag van het dividend
: binnen de vijftien dagen na het verstrijken van het tijdperk van
drie jaar vermeld in artikel 269, elfde lid, 2°.
Afdeling V
Interesten
Onderafdeling I
Nalatigheidsinteresten
Artikel 414
Zie evenwel, voor wat de onroerende voorheffing betreft,
de tekst van toepassing voor :
- het Vlaams Gewest
Met ingang van 01.01.2002 wordt het in dit artikel opgenomen bedrag
in euro uitgedrukt. (Art. 2 en 4, KB 20.07.2000; Art. 42, 5°, KB
13.07.2001 en Art. 3, W 20.06.2002)
§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 gestelde
termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van de Schatkist
voor de duur van het verwijl, de wettelijke interest op, berekend
per kalendermaand.
Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op
de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van 10
euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
vorige betaling voor zover een som werd aangerekend op de hoofdsom
van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling
plaatsgrijpt.
Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde
termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een
interest verschuldigd:
- voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412,
tweede, derde en vijfde lid;
- voor een zesde van een maand in het geval vermeld in artikel 412,
vierde lid.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 5 EUR
per maand bedraagt.
§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, § 1, bedoelde
beslissing niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het
bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet
verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het
overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het
tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die
waarin de termijn van zes maanden verstrijkt, en afloopt op het
einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385
undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij
ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand
waarin de voormelde beslissing ter kennis is gebracht.
Met ingang van 01.01.2002 wordt het in dit artikel (Vlaams Gewest)
opgenomen bedrag in euro uitgedrukt. (Art. 2 en 4, KB 20.07.2000;
Art. 42, 5°, KB 13.07.2001 en Art. 3, W 20.06.2002)
Artikel 414 van toepassing voor het Vlaams Gewest :
§ 1. Bij wanbetaling binnen de in de artikelen 412 en 413 gestelde
termijnen, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaams
Gewest, voor de duur van het verwijl, de wettelijke interest op,
berekend per kalendermaand.
Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op
de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van 10
euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
vorige betaling voor zover een som werd aangerekend op de hoofdsom
van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling
plaatsgrijpt.
Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde
termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een
interest verschuldigd:
- voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412,
tweede, derde en vijfde lid;
- voor een zesde van een maand in het geval vermeld in artikel 412,
vierde lid.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 5 EUR
per maand bedraagt.
§ 2. Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, § 1, bedoelde
beslissing niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het
bezwaarschrift, dan is de in § 1 bedoelde nalatigheidsinterest niet
verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het
overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het
tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die
waarin de termijn van zes maanden verstrijkt, en afloopt op het
einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385
undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij
ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand
waarin de voormelde beslissing ter kennis is gebracht.
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
