-A +A

Betalen voor het afspelen van muziek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Wanneer moet men aan Sabam betalen voor het afspelen van
muziek

auteurswet




SABAM en misbruik van economische machtspositie

Men is geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik van auteursrechten, voor het afspelen van muziek in een besloten familiale kring. De vraag die zich evenwel geregeld stelt is wat onder een besloten kring van personen tussen wie een familiale band bestaat dient begrepen te worden.

Vooreerst mag opgemerkt worden dat onder de voormelde kring van personen ook een beperkte kring van personen behoort tussen wie een dermate nauwe band bestaat zodat hij kan gelijkgesteld worden met een familiale band.

Voorbeelden:


- afspelen van muziek in een boekenwinkel: publiek
- afspelen van muziek in een winkel ter demonstratie van een toestel: publiek
- voetbalfeestje met 35 personen zonder duidelijkheid of deze allen tot de zelfde club behoorde: publiek
- orkest in een rustoord: privaat
- muziek op feest van 23 werknemers en hun familie: privaat
- muziek in garage waar 5 man werkt en dit enkel in de werkruimte: privaat

Muziek op de werkvloer kan dus een privaat karakter hebben indien het aantal werknemers beperkt is (dus niet in een atelier waar 75 man werkt) en de muziek niet hoorbaar is voor het publiek.

 

Rechtsleer J. Deene, Muziek afspelen op werkvloer geen inbreuk auteursrecht, Juristenkrant, 124, 22 februari 2006, 1 en 6 en noot onder Cass. 26/01/2006 in NJW 137, 168.

 

Rechtspraak van het Hof van Cassatie:

• Cass. 26/01/2006, DCCR , Nr. 72, p. 31, met noot

• Cass. 20/01/06, R.W. 2006-2007, 511 met noot Joris Deene, De Odysee van de privé-mededeling doorheen het auteursrecht:

Er is recht op kosteloze mededeling van een werk van een auteur wanneer deze plaatsvindt in gesloten kring tussen wie een familiale band bestaat. Hiermee kan gelijkgesteld een beperkte groep van personen die een dermate nauwe band hebben, waardoor deze band met een familiale band kan worden gelijkgesteld.

• Arrest van het Hof van Cassatie, 1E KAMER, 26/01/06

BELGISCHE VERENIGING VAN AUTEURS, COMPONISTEN EN UITGEVERS SABAM, burgerlijke coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Aarlenstraat 75-77,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
BRITISCH CAR CENTER, naamloze vennootschap, met zetel te 2800 Mechelen, Antwerpsesteenweg 277,
verweerster.
 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 24 november 2004 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het kanton Mechelen.
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 1, ,§1, eerste en vierde lid, en 22, ,§1, enig lid, 3°, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.
Aangevochten beslissingen
De Vrederechter van het kanton Mechelen verklaart in het thans bestreden vonnis van 24 november 2004 eiseres' vordering ontvankelijk, doch ongegrond en veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding. Bovendien verklaart de vrederechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.
De vrederechter grondt deze beslissing op de volgende motieven (vonnis pp. 2-3):
"1. Vooreerst bewijst (eiseres) niet dat de radiomuziek geproduceerd werd in een voor het publiek toegankelijke plaats of op een plaats waar het publiek de radiomuziek kon beluisteren.
Het gaat om een afgesloten werkatelier enkel toegankelijk voor het personeel van (verweerster) (4 arbeiders en 1 verkoper).
De aanwezigheid van publiek of de hoorbaarheid voor publiek bv. in de showroom is door de beëdigde agent van (eiseres) niet vastgesteld zelfs niet de mogelijkheid daartoe.
2. Volgens de criteria door (eiseres) zelf aangehaald kan de uitzondering van art. 22, ,§1-3°, Auteurs(wet) ten deze in concreto wel degelijk toegepast worden omdat:
a) de mededeling kosteloos en privé is.
b) de verduidelijking van het begrip familiekring inhoudt dat het moet gaan om personen tussen wie een band van familiale of 'sociale' aard bestaat die gelijkgesteld kan worden met de familieband.
c) dat dit niet het geval is in scholen, ziekenhuizen, rusthuizen en een fuif van een vereniging is begrijpelijk, enerzijds omwille van het aantal personen en anderzijds de meer losse en toevallige samenhang van de daar aanwezige personen.
Anders ligt het zoals ten deze waar in een afgesloten ruimte 5 mensen werken dag in dag uit die elkaars aanwezigheid niet kunnen ontlopen. Tussen deze beperkte werknemers in de afgesloten ruimte van de werkplaats bestaat derhalve een dermate private en intieme band dat slechts sprake kan zijn van een private opvoering waarvoor geen rechten verschuldigd zijn".
Grieven
Overeenkomstig artikel 1, ,§1, eerste en vierde lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna Auteurswet) heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het werk op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en om het werk volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen.
Artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, van de Auteurswet luidt: "Wanneer het werk op geoorloofde wijze is openbaar gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring".
De uitzondering van voormeld artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, geldt slechts indien drie cumulatieve voorwaarden verenigd zijn: (1) de mededeling moet kosteloos zijn, (2) het moet gaan om een privé-mededeling en (3) ze moet plaatshebben in familiekring.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt dat de in laatstgenoemde bepaling omschreven voorwaarden beperkend moet worden uitgelegd.
De nieuwe Auteurswet voegde de voorwaarde "in familiekring" toe. De bedoeling van de wetgever was de uitzondering van artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, van de Auteurswet strikter te maken. Dit blijkt eveneens uit de verwerping door de Commissie voor Justitie van de Kamer van een amendement dat er toe strekte om scholen, bedrijven, ziekenhuizen, tehuizen en VZW's gelijk te stellen met de familiekring (Amendement Stengers in Verslag De Clerck, Gedr. St. Kamer 1991-92, nr. 473/5, p. 6 en nr. 473/33, 192 en 195; Vr.
en Antw. Kamer 1995-96, 5 april 1996, 5901 (Vr. nr. 221 Eeman)).
Mede gelet op de parlementaire werkzaamheden van de Auteurswet, dient de uitzondering die in artikel 22, ,§1, 3°, van de Auteurswet is omschreven, op beperkende wijze te worden uitgelegd, zoals door eiseres in haar conclusies aangevoerd (conclusies p. 3, zesde alinea, en p. 4, bovenaan).
Daarenboven voerde eiseres aan dat onder het begrip "familiekring", naast personen die een bloed- of aanverwantschapsband met elkaar hebben, weliswaar de personen moeten worden begrepen tussen wie een band van familiale of sociale aard bestaat die gelijkgesteld kan worden met de familieband, maar dat van dergelijke band in bedrijven, scholen of ziekenhuizen nooit sprake kan zijn (conclusies p. 4, zesde en zevende alinea).
In het thans bestreden vonnis stelde de vrederechter (1) dat de radiomuziek werd geproduceerd in een werkatelier dat toegankelijk was voor de personeelsleden van verweerster, (2) dat de verduidelijking van het begrip "familiekring" inhoudt dat het moet gaan om personen tussen wie een band van familiale of sociale aard bestaat, die gelijkgesteld kan worden met de familieband en (3) dat er tussen verweersters werknemers op de werkplaats binnen haar onderneming een dermate private en intieme band bestaat die met een familieband gelijk kan worden gesteld, zodat er sprake is van een private opvoering waardoor er geen rechten verschuldigd zijn (vonnis p. 2, onderaan en p. 3, bovenaan).
Waar de feitenrechter soeverein de feiten vaststelt op grond waarvan hij besluit tot het al dan niet bestaan van een familiekring, behoort het evenwel aan het Hof toezicht uit te oefenen op de naleving van het wettelijk begrip "familiekring" in de zin van artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, van de Auteurswet en kan dienvolgens de beslissing waarin de rechter besluit tot het bestaan van een "familiekring" op grond van feiten die daarmee onbestaanbaar zijn, vernietigd worden.
Op grond van de hiervoren aangehaalde overwegingen kon de vrederechter niet naar recht beslissen dat de mededeling door verweerster van werken uit het repertorium van eiseres plaatshad in familiekring, zodat geen rechten verschuldigd waren (schending van de artikelen 1, ,§1, eerste en vierde lid en 22, ,§1, enig lid, 3°, van de Auteurswet van 30 juni 1994).
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ingevolge artikel 1, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en om het werk ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen.
Artikel 22, ,§1, 3°, van die wet bepaalt dat, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring.
Uit de tekst van die met elkaar in verband gebrachte bepalingen en uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt dat de mededeling een publiek karakter heeft, zodra ze niet valt onder de uitzondering, die in het bovenaangehaalde artikel 22 op beperkende wijze is omschreven.
Hieruit volgt dat als een privé-mededeling waartegen de auteur zich niet kan verzetten, de kosteloze mededeling geldt die plaatsvindt in besloten kring ten overstaan van personen tussen wie een familiale band bestaat, daaronder begrepen een beperkte groep van personen tussen wie een dermate nauwe band bestaat dat hij kan worden gelijkgesteld met een familiale band.
Het bestreden vonnis overweegt dat de verduidelijking van het begrip familiekring inhoudt dat het moet gaan om personen tussen wie een band van familiale of "sociale" aard bestaat die gelijkgesteld kan worden met de familieband en stelt vast dat:
de radiomuziek ten gehore werd gebracht in een afgesloten werkatelier dat enkel toegankelijk is voor het personeel van verweerster, zijnde vier arbeiders en één verkoper;
deze vijf mensen dagelijks in elkaars aanwezigheid vertoeven en er derhalve tussen hen een "private en intieme band" bestaat.
Het bestreden vonnis oordeelt zodoende wettig dat de uitvoering van muziekwerken in casu geen openbaar karakter had.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 491,87 euro jegens de eisende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van 26 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

---

Nummer : RC969Q2_1 Datum : 1996-09-26
Juridictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER
Zetel : RAPPE
Verslaggever : PARMENTIER
Openb. Min. : PIRET
Rolnummer : C950380F


AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Verveelvoudiging. - Radio-uitzending. - Bescherming van de auteur. - Voorwaarde. - Art. 1 en 16, Auteurswet.

Samenvatting
De bescherming van de rechten van de auteur van een muziekwerk is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de uitvoering of de opvoering ervan, meer bepaald via een radio-uitzending, bewust voor het publiek bestemd is of permanent is; het is voldoende dat zij openbaar en hoorbaar is.

Wettelijke basis
-WET VAN 22-03-1886,ART 1
-WET VAN 22-03-1886,ART 16

Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1996(332)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1996(I/332)

HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 3 maart 1995 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter van het eerste kanton van Zinnik;
Over het middel : schending van de artikelen 1, 16, van de Auteurswet van 22 maart 1886, 2, eerste en vierde lid, 11, eerste lid en 11bis, eerste lid, van de Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend op 9 september 1886, herzien te Brussel op 26 juni 1948 en goedgekeurd bij de wet van 16 juni 1951,
doordat de vrederechter, na te hebben vastgesteld dat "er in de show-room of in een belendende plaats van verweerster een radiotoestel speelde en dat de muziekwerken die het uitzond hoorbaar waren voor de personen in de show-room" de vordering van eiseres niet gegrond verklaart op de volgende gronden : "er moet nochtans nog worden nagegaan of het in de gegeven omstandigheden van de zaak wel degelijk ging om een heruitzending die speciaal voor het publiek was bedoeld; (...) de rechter heeft aangenomen dat zulks wel degelijk het geval was wanneer een radiotoestel onafgebroken speelde in een drankgelegenheid omdat die radio-uitzending verondersteld werd het comfort van de verbruikers te verbeteren en hen ertoe aan te zetten in de zaak te blijven en er de aldaar verkochte dranken te verbruiken; (...) zulks is ook het geval in de winkels waar de radiotoestellen zijn geïntegreerd in een vaste, met luidsprekers uitgeruste installatie die permanent achtergrondmuziek speelt met de bedoeling de klanten in de zaak te houden (...); het is minder evident en zelfs twijfelachtig dat er sprake is van heruitzending die bewust voor het publiek is bestemd wanneer het radiotoestel een autoradio is die te koop staat opgesteld in de inkomhal van de zaak; (...) gelet op het type van het bewuste radiotoestel, de plaats ervan en het programma dat het uitzond op het tijdstip van de vaststelling, blijkt duidelijk dat het toestel slechts af en toe speelde en dat er zeker geen permanente achtergrondmuziek mee kon worden gespeeld met de bedoeling de klanten in de zaak te houden; (...) het spreekt immers vanzelf dat de uitzending van een muziekwerk door een radio maar af en toe wordt aangezet door de eigenaar ervan of door een toevallige klant die het wil testen, geen grond kan zijn voor de heffing van auteursrechten, zelfs als de uitgezonden werken worden gehoord door andere personen die zich in de nabijheid bevinden",
terwijl krachtens de artikelen 1 en 16 van de Auteurswet van 22 maart 1886, een muziekwerk alleen met toestemming van de maker geheel of gedeeltelijk mag worden uitgevoerd of opgevoerd in het openbaar en dat krachtens de artikelen 2, eerste en vierde lid, 11, eerste lid en 11bis, eerste lid, van voornoemde Conventie van Bern de auteur het uitsluitend recht heeft machtiging te verlenen tot de openbare mededeling van zijn werk door radio-uitzending, door middel van een luidspreker of een ander soortgelijk middel of instrument dat klanken overzendt; het auteursrecht wordt beschermd van zodra de uitvoering of de mededeling van het werk werkelijk openbaar en hoorbaar is; het enkele feit dat een muziekwerk ten gehore wordt gebracht door middel van een radio-ontvangsttoestel op een openbare plaats, al is het maar af en toe, derhalve een openbare opvoering van dat werk is in de zin van de wet van 22 maart 1986; noch de voornoemde bepalingen noch enige andere wetsbepaling de noodzakelijke toestemming van de auteur van een muziekwerk onderwerpt aan de voorwaarde "dat er bewuste heruitzending is ten behoeve van het publiek"; de wettelijke bescherming van de auteur geenszins afhangt "van het type radiotoestel, de plaats ervan of het programma dat het uitzond" noch van "de permanente uitzending van achtergrondmuziek met de bedoeling de klanten in de zaak te houden"; daaruit volgt dat de vrederechter zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord :
Overwegende dat luidens artikel 1 van de Auteurswet van 22 maart 1886, dat te dezen van toepassing is, alleen de maker van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of om daarvoor toestemming te geven; dat artikel 16 van die wet preciseert dat geen enkel muziekwerk zonder de toestemming van de maker geheel of gedeeltelijk in het openbaar mag worden uitgevoerd of opgevoerd;
Overwegende dat het vonnis, ofschoon het vaststelt "dat er in de show-room of in een belendende plaats van verweerster een radiotoestel speelde en dat de muziekwerken die het uitzond hoorbaar waren voor de personen in de show-room", en het de rechtsvordering van eiser niet gegrond verklaart op grond dat het niet bewezen is dat er "een bewuste heruitzending ten behoeve van het publiek was" en dat het radiotoestel " slechts af en toe speelde en dat er zeker geen permanente achtergrondmuziek mee kon worden gespeeld met de bedoeling de klanten in de zaak te houden";
Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling de bescherming van de rechten van de auteur van een muziekwerk onderwerpt aan de voorwaarde dat de uitvoering of de opvoering van het muziekwerk bewust voor het publiek bestemd is of permanent is;
Dat het auteursrecht wordt beschermd zodra de uitvoering of vertoning van het werk openbaar en hoorbaar is;
Dat het vonnis de in het middel aangegeven wettelijke bepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het tweede kanton van Bergen.

---

Nummer : RC969Q3_1 Datum : 1996-09-26
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER

Rolnummer : C950385F

AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Verveelvoudiging. - Radio-uitzending. - Bescherming van de auteur. - Voorwaarde. - Art. 1, Nieuwe auteurswet.

Samenvatting
De bescherming van de rechten van de auteur van een muziekwerk is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de personen die toegang hebben tot een openbare plaats waar de muziek wordt uitgezonden daar plaatsnemen; die bescherming hangt evenmin af van de plaats van het radiotoestel, de aard of de bedoeling van het gebruik ervan; het is voldoende dat de uitvoering of vertoning van het werk openbaar en hoorbaar is.

Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART 1

Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1996(333)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1996(I/333)

HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 22 juni 1995 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter van het eerste kanton van Elsene;
Over het middel : schending van de artikelen 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, 2, eerste en vierde lid, 11, eerste lid en 11bis, eerste lid, van de Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend op 9 september 1886, herzien te Brussel op 26 juni 1948 en goedgekeurd bij de wet van 16 juni 1951,
doordat de vrederechter, na te hebben vastgesteld dat "twee getuigen van (eiseres) op 23 november 1994 hebben vastgesteld dat de zaakvoerder van verweerster naar de radio luisterde in de handelszaak (boekhandel) die hij te Elsene, Elsensesteenweg 102, uitbaat (en) dat niet wordt betwist dat het radiotoestel achter de toonbank stond" de vordering van eiseres niet gegrond verklaart op de volgende gronden : "(...) hoewel de ernst en de objectiviteit van de inspecteurs van SABAM niet in twijfel kunnen worden getrokken (cfr. de omstandige rechtspraak die door eiseres is voorgelegd), moet er toch worden nagegaan in welke omstandigheden en met welk doel de radio speelde; (...) in het onderhavige geval gaat het hoe dan ook om een plaats die toegankelijk is voor het publiek maar waar de klanten alleen maar even langslopen om een krant of iets anders in de boekhandel te kopen; de klanten nemen geen plaats in de winkel en 'genieten' dus niet van de muziek; (...) de plaats waar de radio stond, bevestigt het standpunt van verweerster volgens hetwelk de radio aanstond voor het eigen gebruik van de zaakvoerder; (...) uit de hierboven omschreven gegevens volgt dat er geen openbare uitvoering van muziekwerken is geweest en de vordering derhalve niet gegrond kan worden bevonden",
terwijl, krachtens artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994 alleen de auteur van een kunstwerk het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren, en het volgens eender welk procédé aan het publiek mede te delen; krachtens de voornoemde bepalingen van de bovenvermelde Conventie van Bern de auteur het uitsluitend recht heeft machtiging te verlenen tot de openbare mededeling van zijn werk door radio-uitzending, door middel van een luidspreker of een ander soortgelijk middel of instrument dat klanken overzendt; het auteursrecht wordt beschermd zodra de uitvoering of de mededeling van het werk openbaar en hoorbaar is; het enkele feit dat een muziekwerk ten gehore wordt gebracht door middel van een radio-ontvangsttoestel op een openbare plaats, al is het maar af en toe, derhalve een openbare opvoering van dat werk is in de zin van de wet van 30 juni 1994; noch de voornoemde bepalingen noch enige andere wetsbepaling de noodzakelijke toestemming van de auteur van een muziekwerk onderwerpt aan de voorwaarde "dat de klanten (...) plaatsnemen (...) in de winkel en (...) 'genieten' (...) van de muziek"; de wettelijke bescherming van de auteur geenszins afhangt van de plaats waar het radiotoestel staat, noch van de aard van het gebruik waarvoor het opstond; daaruit volgt dat de vrederechter zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord :
Overwegende dat luidens artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren;
Overwegende dat het vonnis, ofschoon het vaststelt dat de zaakvoerder van verweerster via een radiotoestel dat achter de toonbank stond muziek uitzond in haar boekhandel, de rechtsvordering van eiseres niet gegrond verklaart op grond dat "de klanten alleen maar even langslopen om een krant of iets anders in de boekhandel te kopen; dat de klanten niet plaatsnemen in de winkel en dus niet van de muziek 'genieten'" en dat "de plaats waar de radio stond het standpunt van verweerster bevestigt volgens hetwelk de radio opstond voor het eigen gebruik van haar zaakvoerder";
Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling de bescherming van de auteur van een muziekwerk onderwerpt aan de voorwaarde dat de personen die toegang hebben tot een openbare plaats waar de muziek wordt uitgezonden daar plaatsnemen; dat die bescherming evenmin afhangt van de plaats van het radiotoestel, de aard van het gebruik of de bedoeling van de gebruiker ervan;
Dat het auteursrecht wordt beschermd zodra de uitvoering of vertoning van het werk werkelijk openbaar en hoorbaar is;
Dat het vonnis de in het middel aangegeven wettelijke bepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het tweede kanton van Elsene.
 

---

Nummer : RC985B5_1 Datum : 1998-05-11
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, NEDERLANDSE AFDELING, 1E KAMER

Rolnummer : C950142N

 
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Openbare uitvoering. - Voorwaarde. - Artt. 1 en 16, Auteurswet.

Samenvatting
Het enkele feit dat de maker van een muziekwerk toelating verleent tot het reproduceren van zijn werk op een drager met het oog op het commercialiseren ervan, houdt niet in dat de auteur aan de verkoper van de muziekdrager het recht verleent om in de ruimte die is bestemd voor de verkoop, zijn werk openbaar uit te voeren, ook al geschiedt die uitvoering met het doel de verkoop van de muziekdrager te bevorderen.

Wettelijke basis
-WET VAN 22-03-1886,ART 1
-WET VAN 22-03-1886,ART 16

Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1998(235)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1998(I/235)

HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 15 februari 1994 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het tweede kanton Leuven;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1 en 16 van de Auteurswet van 22 maart 1886, waarvan de Nederlandse tekst is vastgesteld bij de wet van 26 juni 1981, 2.1 en 4, en 11.1 van het Verdrag van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886, zoals herzien te Brussel op 26 juni 1948 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1951,
doordat de vrederechter eiseres' vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart, o.m. op grond :
"(...) dat de reproductie de vastlegging is van het werk in een materiële vorm, ongeacht de gebruikte techniek (CD of plaat); dat inherent aan het reproductierecht het bestemmingsrecht van de auteur vervat zit, het recht van de auteur om, wanneer hij de reproductie van zijn werk toegestaan heeft, aan het gebruik van de reproductie bepaalde voorwaarden te verbinden;
(...) dat het de rechtbank behoort te appreciëren of een uitvoering onder de toepassing valt van het auteursrecht (art. 15 en 16 Auteurswet). (...) dat de uitvoering in concreto niet onder de toepassing valt van de auteurswet omdat de auteur impliciet aan het verleende reproductierecht en toestemming tot commercialisatie, het uitvoeringsrecht heeft verleend in een ruimte, exclusief bestemd voor verkoop van CD's en platen aan de consument.
(...) dat in concreto vaststaat dat het werk werd uitgevoerd in een ruimte exclusief bestemd voor verkoop van CD's en platen aan de consument zodat de auteur geen rechten meer kan vorderen, uitgeput door het verleende reproductierecht en het bestemmingsrecht, de commercialisatie",
terwijl krachtens de artikelen 1 en 16 van de Auteurswet van 22 maart 1886, de gehele of gedeeltelijke openbare uitvoering of opvoering van een muzikaal kunstwerk verboden is zonder toestemming van de auteur en deze, krachtens de artikelen 2.1 en 4, en 11.1 van voormeld Verdrag van Bern, uitsluitend het recht heeft om toestemming te geven tot elke openbare mededeling van zijn werk; het auteursrecht beschermd is zodra de uitvoering of mededeling daadwerkelijk openbaar en hoorbaar is en hieraan, noch krachtens voormelde wets- of verdragsbepalingen, noch krachtens enige andere wetsbepaling, afbreuk wordt gedaan door het enkele feit dat het werk wordt uitgevoerd 'in een ruimte exclusief bestemd voor de verkoop van CD's en platen aan de consument' (schending van voormelde wets- en verdragsbepalingen); de genoemde bepalingen geen vermoeden instellen dat de auteur die toestemming heeft gegeven tot het reproduceren en het commercialiseren van zijn werk door middel van CD's en platen, daardoor ook toestemming heeft gegeven voor elke openbare uitvoering of mededeling in elke ruimte die exclusief bestemd is voor de verkoop van deze CD's en platen aan de consument,
zodat de vrederechter, door het tegendeel te beslissen, in deze wets- en verdragsbepalingen een vermoeden leest dat zij niet bevatten, minstens een uitzondering op het toestemmingsvereiste vanwege de auteur aanvaardt die daarin geen steun vindt en derhalve deze bepalingen schendt :
Overwegende dat het vonnis vaststelt, zonder desaangaande te worden bekritiseerd, dat verweerster niet de openbaarheid van de bedoelde uitvoeringen van muziekwerken heeft betwist en niet heeft voorgehouden dat het demonstraties betrof;
Overwegende dat het enkele feit dat de maker van een muziekwerk toelating verleent tot het reproduceren van zijn werk op een drager met het oog op het commercialiseren ervan, niet inhoudt dat de auteur aan de verkoper van de muziekdrager het recht verleent om in de ruimte die is bestemd voor de verkoop, zijn werk openbaar uit te voeren, ook al geschiedt die uitvoering met het doel de verkoop van de muziekdrager te bevorderen;
Overwegende dat het vonnis de vordering van eiseres afwijst op grond dat de uitvoering van een muziekwerk in concreto niet onder de toepassing van de auteurswet valt "omdat de auteur impliciet aan het verleende reproductierecht en toestemming tot commercialisatie, het uitvoeringsrecht heeft verleend in een ruimte, exclusief bestemd voor verkoop van CD's en platen aan de consument";
Dat het vonnis aldus de in het middel aangehaalde wets- en verdragsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Vredegerecht van het eerste kanton Brussel.

---

Nummer : RC99A83_1 Datum : 1999-10-08
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER

Rolnummer : C980078F

 
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Mededeling. - Familiekring. - Begrip. - Art. 22, § 1, 3°, Nieuwe auteurswet.

Samenvatting
De "familiekring" waarbinnen de auteur zich niet kan verzetten tegen de mededeling van zijn werk, moet op beperkende wijze worden uitgelegd; hij strekt zich niet uit tot een sportclub.

Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART 22,§1,3°

Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1999(519)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1999(I/519)

 
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 2 september 1997 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter van het kanton Lens;
Over het middel: schending van de artikelen 1, §1, eerste en vierde lid, en 22, §1, 3° van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten,
doordat de vrederechter de vordering van eiseres niet gegrond verklaart, na in zijn vonnis van 1 oktober 1996 erop te hebben gewezen "dat de rechtsvordering van eiseres ertoe strekt verweerder te doen veroordelen tot betaling van het bedrag van 6.475 frank ...", wegens uitvoering van muzikale werken op 11 maart 1995 ...", op grond "(...) dat verweerder op de zitting van 15 april 1997 het volgende verklaard heeft: 'Ingevolge de in de krant verschenen aankondiging, die door de raadsman van SABAM wordt overgelegd is de maaltijd niet doorgegaan wegens het geringe aantal ingeschrevenen en heeft A. Stradiot de huur van de zaal overgenomen om er zijn verjaardag te vieren met de spelers van de club'; (...) dat verweerder een 'huurcontract' overlegt, dat op 25 februari 1995 is gesloten tussen de VZW Sporting Club Irchonwelz en Arthur Stradiot en waarin de lokalen (bar, keuken, kleedkamers) worden verhuurd voor het vieren van een 'verjaardagsfeestje' op 11 maart 1995; dat onder de rubriek 'kosten' geen melding wordt gemaakt van huur; (...) dat verweerder reeds op de zitting van 3 maart 1996 had uiteengezet dat Arthur Stradiot een speler van de club was; dat hij zijn verjaardag vierde en 35 personen of twee ploegen van de club had bijeengebracht; (...) dat uit de vaststelling blijkt dat er +/- 25 personen aanwezig waren; dat het menu 250 frank kostte, de consumpties: Vieux Temps, Jupiler, waters: 35 frank, witbier: 45 frank, worst, chips: 25 frank; (...) dat de door verweerder verstrekte toelichting aannemelijk lijkt; (...) dat niet is gebleken dat personen van buiten de club (niet-clubleden) aanwezig waren; (...) dat niet is aangetoond dat de organisatie een publiek karakter had waardoor auteursrechten verschuldigd waren",
terwijl, krachtens artikel 1, §1, eerste en vierde lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en het volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen; het recht van de auteur wordt beschermd, zodra de uitvoering of de opvoering daadwerkelijk openbaar en hoorbaar is; artikel 22, §1, 3° van genoemde wet bepaalt dat, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze prive-mededeling in familiekring; de vaststelling dat alleen leden van een sportvereniging aanwezig waren op het verjaardagsfeest van een van haar leden bijgevolg niet voldoende is om die bescherming te laten vallen en om te gewagen van een prive-mededeling; de vrederechter bijgevolg zijn beslissing volgens welke het niet is aangetoond dat de organisatie een publiek karakter had waardoor auteursrecht verschuldigd was, op grond "dat Arthur Stradiot een speler van de club was; dat hij zijn verjaardag vierde en 35 personen of twee ploegen van de club had bijeengebracht" en "dat niet is gebleken dat personen van buiten de club (niet-clubleden) aanwezig waren", niet naar recht verantwoordt (schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen):
Overwegende dat krachtens artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren, alsook om het werk volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen;
Dat artikel 22, §1, 3° bepaalt dat, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze prive-mededeling in familiekring;
Overwegende dat uit de tekst van die met elkaar in verband gebrachte bepalingen en uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt dat de mededeling een publiek karakter heeft, zodra ze niet valt onder de uitzondering, die in het bovenaangehaalde artikel 22 op beperkende wijze is omschreven,
Overwegende dat het vonnis vaststelt "dat A. Stradiot een speler van de club was; dat hij zijn verjaardag vierde en 35 personen of twee ploegen van de club had bijeengebracht" en beslist "dat niet is gebleken dat personen van buiten de club (niet-clubleden) aanwezig waren";
Dat de bodemrechter op grond van die vermeldingen niet wettig heeft kunnen beslissen dat "de organisatie" geen publiek karakter had;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de bodemrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het tweede kanton Bergen.
 

---

Nummer : RC002I1_1 Datum : 2000-02-18
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER

Rolnummer : C980517F
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Weergave. - Bescherming van de auteur. - Uitzondering. - Familiekring. - Begrip. - Art. 22, § 1, 3°, Nieuwe auteurswet.

Samenvatting
De auteur van een muziekwerk kan zich niet verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling van een op geoorloofde wijze openbaar gemaakt werk binnen de "familiekring"; die "familiekring" kan bestaan in de beperkte en intieme kring van de bewoners van een rusthuis voor bejaarden die er allen verblijven en er "in familie" wonen.

Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART 22,§1,3°

Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 2000(135)
-PASICRISIE BELGE
VAN 2000(I/135)

HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 7 juli 1998 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter van het kanton Marche-en-Famenne;
Over het middel: schending van de artikelen 1, § 1, eerste en vierde lid, en 22, § 1, 3°, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten,
doordat de vrederechter de vordering van eiseres niet gegrond verklaart, na erop te hebben gewezen dat zij verweerster wil doen veroordelen tot betaling van 2.120 frank auteursrechten voor een optreden met orkest op 24 december 1996 van 15 uur tot 16 uur 30 in de residentie Douce Quiétude in Marche-en-Famenne, op grond "dat de, sociale of familiale, intimiteitsband die tussen de leden van het publiek bestaat, de maatstaf vormt om onderscheid te maken tussen het openbaar en privé-karakter van het optreden; (...) dat in casu het privékarakter van de uitvoering voldoende blijkt uit het feit ze in een rusthuis voor bejaarden plaatsvond; dat het wel degelijk gaat om een beperkte en intieme kring van bewoners van een rusthuis voor bejaarden die er allen verblijven en er "in familie" wonen; dat er tussen die bewoners dagelijks nauwe, quasi familiale, contacten worden gelegd - denken we hierbij aan de film «Home Sweet Home'; dat die toestand niet vergelijkbaar is met die van een school, een bedrijf of een ziekenhuis; dat verweerster terecht die uitvoering als strikt privé beschouwt",
terwijl, overeenkomstig artikel 1, § 1, eerste en vierde lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en het volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen; het recht van de auteur beschermd is zodra de uitvoering of vertoning effectief openbaar en hoorbaar is; artikel 22, § 1, 3°, van die wet bepaalt dat wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring; derhalve, om aan die bescherming te ontsnappen en om te stellen dat het om een privé-mededeling gaat, geenszins kan worden volstaan met de vaststelling dat de uitvoering plaatsvond in een rusthuis voor bejaarden die een "beperkte en intieme kring vormen van bewoners die allen in dat rusthuis verblijven en er 'in familie' wonen (...)" en "dat die toestand niet vergelijkbaar is met die van een school, een bedrijf of een ziekenhuis"; daaruit volgt dat de beslissing van de vrederechter om de vordering van eiseres af te wijzen op grond van het strikt privé-karakter van de uitvoering niet naar recht verantwoord is (schending van alle in het middel aangewezen wetsbepalingen):
Overwegende dat ingevolge artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en het ongeacht volgens welk procédé aan het publiek mede te delen;
Dat artikel 22, § 1, 3°, van die wet bepaalt dat wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat "dat het privé-karakter van de uitvoering voldoende blijkt uit het feit ze in een rusthuis voor bejaarden plaatsvond; dat het wel degelijk gaat om een beperkte en intieme kring van bewoners van een rusthuis voor bejaarden die er allen verblijven en er ìn familie' wonen; dat er tussen die bewoners dagelijks nauwe, quasi familiale, contacten worden gelegd (...)";
Overwegende dat de bodemrechter door die consideransen wettig heeft kunnen afleiden dat de uitvoering van muziekwerken in casu geen openbaar karakter had;
Dat het middel niet aangenomen kan worden;
OM DIE REDENEN;
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.

---

Nummer : RC03BL3_1 Datum : 2003-11-21
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER

Rolnummer : C020347F

AUTEURSRECHT
Muziekwerk
Weergave
Bescherming van de auteur
Uitzondering
Familiekring

Samenvatting
Een bedrijfsfeest dat strikt voorbehouden is voor de personeelsleden en hun naaste familie, echtgenotes en kinderen, dat plaatsvindt in een lokaal dat niet voor het publiek toegankelijk is, kan niet worden aangemerkt als de "familiekring" waarbinnen de auteur van een werk zich niet kan verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling van een op geoorloofde wijze openbaar gemaakt werk (1). (1) Cass., 8 okt. 1999, AR C.98.0078.F, nr 519, 18 feb. 2000, AR C.98.0517.F, nr 135.

Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART Art. 22, § 1,

Nr. C.02.0347.F.-
BELGISCHE VERENIGING VAN AUTEURS, COMPONISTEN EN UITGEVERS (SABAM), burgerlijke vennootschap in de vorm van een coöperatieve vennootschap,
Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
FARRIS ANTONIO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 2 november 2001 in laatste aanleg door de Vrederechter van het kanton Châtelet gewezen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
III. Middel
IV. Beslissing van het Hof
Overwegende dat, ingevolge artikel 1, ,§ 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en om het ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen ;
Dat artikel 22, ,§ 1, 3°, van die wet bepaalt dat, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze privé&§64979;mededeling in familiekring ;
Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt dat de in laatstgenoemde bepaling omschreven uitzondering op beperkende wijze uitgelegd moet worden ;
Overwegende dat het vonnis van oordeel is "dat de uitdrukking 'familiekring' weliswaar op beperkende wijze uitgelegd moet worden, maar toch erop gewezen moet worden dat de litigieuze toestand gelijkenissen vertoont met een familiegroep ; dat (...) de (...) zaakvoerder van verweerster en haar enige bestuurder immers gepreciseerd heeft dat het bewuste avondfeest strikt voorbehouden was voor zijn personeelsleden en hun naaste familie, echtgenotes en kinderen ; dat (...) het feest plaatsvond in een school (maar) dat het lokaal niet voor het publiek toegankelijk was ; dat de voornoemde bestuurder in zijn kleine onderneming (23 personen) een familiale sfeer wilde creëren (...) (en) dat (...) de vrouwen en kinderen van het personeel uit sympathie voor dat personeel waren uitgenodigd en om door alcoholisme veroorzaakte problemen te vermijden" ;
Overwegende dat de bodemrechter, op grond van die overwegingen, niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de mededeling door verweerster van werken uit het repertorium van eiseres geen openbaar karakter had ;
Dat het middel gegrond is ;
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Vernietigt het bestreden vonnis ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de zaak naar de Vrederechter van het eerste kanton Charleroi.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Daniel Plas en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend en drie uitgesproken door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,

SABAM en Misbruik van machtspositie

Het opzetten van een niet transparant tariefsysteem door Sabam werd door het Hof van Beroep te Brussel als misbruik van machtspositie gezien. Dit gebrek aan transparantie werd weerhouden ten aanzien van een tarificatie die kortingen toestand mits er minimale vergoedingen werden betaald en er geen geschil met SABAM werd gevoerd. Hof van Beroep Brussel, 03/11/2005, NJW, 322.
 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.