Betalen voor het afspelen van muziek
|
Wanneer moet men aan Sabam betalen voor het afspelen van muziek |
auteurswet SABAM en misbruik van economische machtspositie |
Men is geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik van auteursrechten, voor het afspelen van muziek in een besloten familiale kring. De vraag die zich evenwel geregeld stelt is wat onder een besloten kring van personen tussen wie een familiale band bestaat dient begrepen te worden.
Vooreerst mag opgemerkt worden dat onder de voormelde kring van personen ook een beperkte kring van personen behoort tussen wie een dermate nauwe band bestaat zodat hij kan gelijkgesteld worden met een familiale band.
Voorbeelden:
- afspelen van muziek in een boekenwinkel: publiek
- afspelen van muziek in een winkel ter demonstratie van een
toestel: publiek
- voetbalfeestje met 35 personen zonder duidelijkheid of deze allen
tot de zelfde club behoorde: publiek
- orkest in een rustoord: privaat
- muziek op feest van 23 werknemers en hun familie: privaat
- muziek in garage waar 5 man werkt en dit enkel in de werkruimte:
privaat
Muziek op de werkvloer kan dus een privaat karakter hebben indien het aantal werknemers beperkt is (dus niet in een atelier waar 75 man werkt) en de muziek niet hoorbaar is voor het publiek.
Rechtsleer J. Deene, Muziek afspelen op werkvloer geen inbreuk auteursrecht, Juristenkrant, 124, 22 februari 2006, 1 en 6 en noot onder Cass. 26/01/2006 in NJW 137, 168.
Rechtspraak van het Hof van Cassatie:
Cass. 26/01/2006, DCCR , Nr. 72, p. 31, met noot
Cass. 20/01/06, R.W. 2006-2007, 511 met noot Joris
Deene, De Odysee van de privé-mededeling doorheen het auteursrecht:
Er is recht op kosteloze mededeling van een werk van een auteur
wanneer deze plaatsvindt in gesloten kring tussen wie een familiale
band bestaat. Hiermee kan gelijkgesteld een beperkte groep van
personen die een dermate nauwe band hebben, waardoor deze band met
een familiale band kan worden gelijkgesteld.
Arrest van het Hof van Cassatie, 1E KAMER, 26/01/06
BELGISCHE VERENIGING VAN AUTEURS, COMPONISTEN EN
UITGEVERS SABAM, burgerlijke coöperatieve vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid, met zetel te 1040 Brussel, Aarlenstraat 75-77,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van
Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6,
alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
BRITISCH CAR CENTER, naamloze vennootschap, met zetel te 2800
Mechelen, Antwerpsesteenweg 277,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 24 november 2004
in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het kanton
Mechelen.
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 1, ,§1, eerste en vierde lid, en 22, ,§1, enig lid, 3°,
van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de
naburige rechten.
Aangevochten beslissingen
De Vrederechter van het kanton Mechelen verklaart in het thans
bestreden vonnis van 24 november 2004 eiseres' vordering
ontvankelijk, doch ongegrond en veroordeelt eiseres tot de kosten
van het geding. Bovendien verklaart de vrederechter het vonnis
uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder
borgstelling.
De vrederechter grondt deze beslissing op de volgende motieven
(vonnis pp. 2-3):
"1. Vooreerst bewijst (eiseres) niet dat de radiomuziek geproduceerd
werd in een voor het publiek toegankelijke plaats of op een plaats
waar het publiek de radiomuziek kon beluisteren.
Het gaat om een afgesloten werkatelier enkel toegankelijk voor het
personeel van (verweerster) (4 arbeiders en 1 verkoper).
De aanwezigheid van publiek of de hoorbaarheid voor publiek bv. in
de showroom is door de beëdigde agent van (eiseres) niet vastgesteld
zelfs niet de mogelijkheid daartoe.
2. Volgens de criteria door (eiseres) zelf aangehaald kan de
uitzondering van art. 22, ,§1-3°, Auteurs(wet) ten deze in concreto
wel degelijk toegepast worden omdat:
a) de mededeling kosteloos en privé is.
b) de verduidelijking van het begrip familiekring inhoudt dat het
moet gaan om personen tussen wie een band van familiale of 'sociale'
aard bestaat die gelijkgesteld kan worden met de familieband.
c) dat dit niet het geval is in scholen, ziekenhuizen, rusthuizen en
een fuif van een vereniging is begrijpelijk, enerzijds omwille van
het aantal personen en anderzijds de meer losse en toevallige
samenhang van de daar aanwezige personen.
Anders ligt het zoals ten deze waar in een afgesloten ruimte 5
mensen werken dag in dag uit die elkaars aanwezigheid niet kunnen
ontlopen. Tussen deze beperkte werknemers in de afgesloten ruimte
van de werkplaats bestaat derhalve een dermate private en intieme
band dat slechts sprake kan zijn van een private opvoering waarvoor
geen rechten verschuldigd zijn".
Grieven
Overeenkomstig artikel 1, ,§1, eerste en vierde lid, van de wet van
30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten
(hierna Auteurswet) heeft alleen de auteur van een werk van
letterkunde of kunst het recht om het werk op welke wijze of in
welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en om het
werk volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen.
Artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, van de Auteurswet luidt: "Wanneer het
werk op geoorloofde wijze is openbaar gemaakt, kan de auteur zich
niet verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring".
De uitzondering van voormeld artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, geldt
slechts indien drie cumulatieve voorwaarden verenigd zijn: (1) de
mededeling moet kosteloos zijn, (2) het moet gaan om een
privé-mededeling en (3) ze moet plaatshebben in familiekring.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt dat de in
laatstgenoemde bepaling omschreven voorwaarden beperkend moet worden
uitgelegd.
De nieuwe Auteurswet voegde de voorwaarde "in familiekring" toe. De
bedoeling van de wetgever was de uitzondering van artikel 22, ,§1,
enig lid, 3°, van de Auteurswet strikter te maken. Dit blijkt
eveneens uit de verwerping door de Commissie voor Justitie van de
Kamer van een amendement dat er toe strekte om scholen, bedrijven,
ziekenhuizen, tehuizen en VZW's gelijk te stellen met de
familiekring (Amendement Stengers in Verslag De Clerck, Gedr. St.
Kamer 1991-92, nr. 473/5, p. 6 en nr. 473/33, 192 en 195; Vr.
en Antw. Kamer 1995-96, 5 april 1996, 5901 (Vr. nr. 221 Eeman)).
Mede gelet op de parlementaire werkzaamheden van de Auteurswet,
dient de uitzondering die in artikel 22, ,§1, 3°, van de Auteurswet
is omschreven, op beperkende wijze te worden uitgelegd, zoals door
eiseres in haar conclusies aangevoerd (conclusies p. 3, zesde
alinea, en p. 4, bovenaan).
Daarenboven voerde eiseres aan dat onder het begrip "familiekring",
naast personen die een bloed- of aanverwantschapsband met elkaar
hebben, weliswaar de personen moeten worden begrepen tussen wie een
band van familiale of sociale aard bestaat die gelijkgesteld kan
worden met de familieband, maar dat van dergelijke band in
bedrijven, scholen of ziekenhuizen nooit sprake kan zijn (conclusies
p. 4, zesde en zevende alinea).
In het thans bestreden vonnis stelde de vrederechter (1) dat de
radiomuziek werd geproduceerd in een werkatelier dat toegankelijk
was voor de personeelsleden van verweerster, (2) dat de
verduidelijking van het begrip "familiekring" inhoudt dat het moet
gaan om personen tussen wie een band van familiale of sociale aard
bestaat, die gelijkgesteld kan worden met de familieband en (3) dat
er tussen verweersters werknemers op de werkplaats binnen haar
onderneming een dermate private en intieme band bestaat die met een
familieband gelijk kan worden gesteld, zodat er sprake is van een
private opvoering waardoor er geen rechten verschuldigd zijn (vonnis
p. 2, onderaan en p. 3, bovenaan).
Waar de feitenrechter soeverein de feiten vaststelt op grond waarvan
hij besluit tot het al dan niet bestaan van een familiekring,
behoort het evenwel aan het Hof toezicht uit te oefenen op de
naleving van het wettelijk begrip "familiekring" in de zin van
artikel 22, ,§1, enig lid, 3°, van de Auteurswet en kan dienvolgens
de beslissing waarin de rechter besluit tot het bestaan van een
"familiekring" op grond van feiten die daarmee onbestaanbaar zijn,
vernietigd worden.
Op grond van de hiervoren aangehaalde overwegingen kon de
vrederechter niet naar recht beslissen dat de mededeling door
verweerster van werken uit het repertorium van eiseres plaatshad in
familiekring, zodat geen rechten verschuldigd waren (schending van
de artikelen 1, ,§1, eerste en vierde lid en 22, ,§1, enig lid, 3°,
van de Auteurswet van 30 juni 1994).
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ingevolge artikel 1, ,§1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende
het auteursrecht en de naburige rechten, heeft alleen de auteur van
een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of
in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren en om het
werk ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen.
Artikel 22, ,§1, 3°, van die wet bepaalt dat, wanneer het werk op
geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan
verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring.
Uit de tekst van die met elkaar in verband gebrachte bepalingen en
uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt dat de
mededeling een publiek karakter heeft, zodra ze niet valt onder de
uitzondering, die in het bovenaangehaalde artikel 22 op beperkende
wijze is omschreven.
Hieruit volgt dat als een privé-mededeling waartegen de auteur zich
niet kan verzetten, de kosteloze mededeling geldt die plaatsvindt in
besloten kring ten overstaan van personen tussen wie een familiale
band bestaat, daaronder begrepen een beperkte groep van personen
tussen wie een dermate nauwe band bestaat dat hij kan worden
gelijkgesteld met een familiale band.
Het bestreden vonnis overweegt dat de verduidelijking van het begrip
familiekring inhoudt dat het moet gaan om personen tussen wie een
band van familiale of "sociale" aard bestaat die gelijkgesteld kan
worden met de familieband en stelt vast dat:
de radiomuziek ten gehore werd gebracht in een afgesloten
werkatelier dat enkel toegankelijk is voor het personeel van
verweerster, zijnde vier arbeiders en één verkoper;
deze vijf mensen dagelijks in elkaars aanwezigheid vertoeven en er
derhalve tussen hen een "private en intieme band" bestaat.
Het bestreden vonnis oordeelt zodoende wettig dat de uitvoering van
muziekwerken in casu geen openbaar karakter had.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 491,87 euro jegens de eisende
partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste
kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als
voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers,
Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van 26
januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in
aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met
bijstand van griffier Philippe Van Geem.
---
Nummer : RC969Q2_1 Datum : 1996-09-26
Juridictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER
Zetel : RAPPE
Verslaggever : PARMENTIER
Openb. Min. : PIRET
Rolnummer : C950380F
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Verveelvoudiging. - Radio-uitzending.
- Bescherming van de auteur. - Voorwaarde. - Art. 1 en 16,
Auteurswet.
Samenvatting
De bescherming van de rechten van de auteur van een muziekwerk is
niet onderworpen aan de voorwaarde dat de uitvoering of de opvoering
ervan, meer bepaald via een radio-uitzending, bewust voor het
publiek bestemd is of permanent is; het is voldoende dat zij
openbaar en hoorbaar is.
Wettelijke basis
-WET VAN 22-03-1886,ART 1
-WET VAN 22-03-1886,ART 16
Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1996(332)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1996(I/332)
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 3 maart 1995 in laatste aanleg
gewezen door de vrederechter van het eerste kanton van Zinnik;
Over het middel : schending van de artikelen 1, 16, van de
Auteurswet van 22 maart 1886, 2, eerste en vierde lid, 11, eerste
lid en 11bis, eerste lid, van de Conventie van Bern voor de
bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend op 9
september 1886, herzien te Brussel op 26 juni 1948 en goedgekeurd
bij de wet van 16 juni 1951,
doordat de vrederechter, na te hebben vastgesteld dat "er in de
show-room of in een belendende plaats van verweerster een
radiotoestel speelde en dat de muziekwerken die het uitzond hoorbaar
waren voor de personen in de show-room" de vordering van eiseres
niet gegrond verklaart op de volgende gronden : "er moet nochtans
nog worden nagegaan of het in de gegeven omstandigheden van de zaak
wel degelijk ging om een heruitzending die speciaal voor het publiek
was bedoeld; (...) de rechter heeft aangenomen dat zulks wel
degelijk het geval was wanneer een radiotoestel onafgebroken speelde
in een drankgelegenheid omdat die radio-uitzending verondersteld
werd het comfort van de verbruikers te verbeteren en hen ertoe aan
te zetten in de zaak te blijven en er de aldaar verkochte dranken te
verbruiken; (...) zulks is ook het geval in de winkels waar de
radiotoestellen zijn geïntegreerd in een vaste, met luidsprekers
uitgeruste installatie die permanent achtergrondmuziek speelt met de
bedoeling de klanten in de zaak te houden (...); het is minder
evident en zelfs twijfelachtig dat er sprake is van heruitzending
die bewust voor het publiek is bestemd wanneer het radiotoestel een
autoradio is die te koop staat opgesteld in de inkomhal van de zaak;
(...) gelet op het type van het bewuste radiotoestel, de plaats
ervan en het programma dat het uitzond op het tijdstip van de
vaststelling, blijkt duidelijk dat het toestel slechts af en toe
speelde en dat er zeker geen permanente achtergrondmuziek mee kon
worden gespeeld met de bedoeling de klanten in de zaak te houden;
(...) het spreekt immers vanzelf dat de uitzending van een
muziekwerk door een radio maar af en toe wordt aangezet door de
eigenaar ervan of door een toevallige klant die het wil testen, geen
grond kan zijn voor de heffing van auteursrechten, zelfs als de
uitgezonden werken worden gehoord door andere personen die zich in
de nabijheid bevinden",
terwijl krachtens de artikelen 1 en 16 van de Auteurswet van 22
maart 1886, een muziekwerk alleen met toestemming van de maker
geheel of gedeeltelijk mag worden uitgevoerd of opgevoerd in het
openbaar en dat krachtens de artikelen 2, eerste en vierde lid, 11,
eerste lid en 11bis, eerste lid, van voornoemde Conventie van Bern
de auteur het uitsluitend recht heeft machtiging te verlenen tot de
openbare mededeling van zijn werk door radio-uitzending, door middel
van een luidspreker of een ander soortgelijk middel of instrument
dat klanken overzendt; het auteursrecht wordt beschermd van zodra de
uitvoering of de mededeling van het werk werkelijk openbaar en
hoorbaar is; het enkele feit dat een muziekwerk ten gehore wordt
gebracht door middel van een radio-ontvangsttoestel op een openbare
plaats, al is het maar af en toe, derhalve een openbare opvoering
van dat werk is in de zin van de wet van 22 maart 1986; noch de
voornoemde bepalingen noch enige andere wetsbepaling de
noodzakelijke toestemming van de auteur van een muziekwerk
onderwerpt aan de voorwaarde "dat er bewuste heruitzending is ten
behoeve van het publiek"; de wettelijke bescherming van de auteur
geenszins afhangt "van het type radiotoestel, de plaats ervan of het
programma dat het uitzond" noch van "de permanente uitzending van
achtergrondmuziek met de bedoeling de klanten in de zaak te houden";
daaruit volgt dat de vrederechter zijn beslissing niet naar recht
heeft verantwoord :
Overwegende dat luidens artikel 1 van de Auteurswet van 22 maart
1886, dat te dezen van toepassing is, alleen de maker van een werk
van letterkunde of kunst het recht heeft om het op welke wijze of in
welke vorm ook te reproduceren of om daarvoor toestemming te geven;
dat artikel 16 van die wet preciseert dat geen enkel muziekwerk
zonder de toestemming van de maker geheel of gedeeltelijk in het
openbaar mag worden uitgevoerd of opgevoerd;
Overwegende dat het vonnis, ofschoon het vaststelt "dat er in de
show-room of in een belendende plaats van verweerster een
radiotoestel speelde en dat de muziekwerken die het uitzond hoorbaar
waren voor de personen in de show-room", en het de rechtsvordering
van eiser niet gegrond verklaart op grond dat het niet bewezen is
dat er "een bewuste heruitzending ten behoeve van het publiek was"
en dat het radiotoestel " slechts af en toe speelde en dat er zeker
geen permanente achtergrondmuziek mee kon worden gespeeld met de
bedoeling de klanten in de zaak te houden";
Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling de bescherming van
de rechten van de auteur van een muziekwerk onderwerpt aan de
voorwaarde dat de uitvoering of de opvoering van het muziekwerk
bewust voor het publiek bestemd is of permanent is;
Dat het auteursrecht wordt beschermd zodra de uitvoering of
vertoning van het werk openbaar en hoorbaar is;
Dat het vonnis de in het middel aangegeven wettelijke bepalingen
schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van
het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de
feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het tweede kanton van
Bergen.
---
Nummer : RC969Q3_1 Datum : 1996-09-26
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER
Rolnummer : C950385F
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Verveelvoudiging. - Radio-uitzending.
- Bescherming van de auteur. - Voorwaarde. - Art. 1, Nieuwe
auteurswet.
Samenvatting
De bescherming van de rechten van de auteur van een muziekwerk is
niet onderworpen aan de voorwaarde dat de personen die toegang
hebben tot een openbare plaats waar de muziek wordt uitgezonden daar
plaatsnemen; die bescherming hangt evenmin af van de plaats van het
radiotoestel, de aard of de bedoeling van het gebruik ervan; het is
voldoende dat de uitvoering of vertoning van het werk openbaar en
hoorbaar is.
Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART 1
Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1996(333)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1996(I/333)
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 22 juni 1995 in laatste aanleg
gewezen door de vrederechter van het eerste kanton van Elsene;
Over het middel : schending van de artikelen 1, § 1, van de wet van
30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, 2,
eerste en vierde lid, 11, eerste lid en 11bis, eerste lid, van de
Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en
kunst, ondertekend op 9 september 1886, herzien te Brussel op 26
juni 1948 en goedgekeurd bij de wet van 16 juni 1951,
doordat de vrederechter, na te hebben vastgesteld dat "twee getuigen
van (eiseres) op 23 november 1994 hebben vastgesteld dat de
zaakvoerder van verweerster naar de radio luisterde in de
handelszaak (boekhandel) die hij te Elsene, Elsensesteenweg 102,
uitbaat (en) dat niet wordt betwist dat het radiotoestel achter de
toonbank stond" de vordering van eiseres niet gegrond verklaart op
de volgende gronden : "(...) hoewel de ernst en de objectiviteit van
de inspecteurs van SABAM niet in twijfel kunnen worden getrokken (cfr.
de omstandige rechtspraak die door eiseres is voorgelegd), moet er
toch worden nagegaan in welke omstandigheden en met welk doel de
radio speelde; (...) in het onderhavige geval gaat het hoe dan ook
om een plaats die toegankelijk is voor het publiek maar waar de
klanten alleen maar even langslopen om een krant of iets anders in
de boekhandel te kopen; de klanten nemen geen plaats in de winkel en
'genieten' dus niet van de muziek; (...) de plaats waar de radio
stond, bevestigt het standpunt van verweerster volgens hetwelk de
radio aanstond voor het eigen gebruik van de zaakvoerder; (...) uit
de hierboven omschreven gegevens volgt dat er geen openbare
uitvoering van muziekwerken is geweest en de vordering derhalve niet
gegrond kan worden bevonden",
terwijl, krachtens artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni 1994
alleen de auteur van een kunstwerk het recht heeft om het op welke
wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren,
en het volgens eender welk procédé aan het publiek mede te delen;
krachtens de voornoemde bepalingen van de bovenvermelde Conventie
van Bern de auteur het uitsluitend recht heeft machtiging te
verlenen tot de openbare mededeling van zijn werk door
radio-uitzending, door middel van een luidspreker of een ander
soortgelijk middel of instrument dat klanken overzendt; het
auteursrecht wordt beschermd zodra de uitvoering of de mededeling
van het werk openbaar en hoorbaar is; het enkele feit dat een
muziekwerk ten gehore wordt gebracht door middel van een
radio-ontvangsttoestel op een openbare plaats, al is het maar af en
toe, derhalve een openbare opvoering van dat werk is in de zin van
de wet van 30 juni 1994; noch de voornoemde bepalingen noch enige
andere wetsbepaling de noodzakelijke toestemming van de auteur van
een muziekwerk onderwerpt aan de voorwaarde "dat de klanten (...)
plaatsnemen (...) in de winkel en (...) 'genieten' (...) van de
muziek"; de wettelijke bescherming van de auteur geenszins afhangt
van de plaats waar het radiotoestel staat, noch van de aard van het
gebruik waarvoor het opstond; daaruit volgt dat de vrederechter zijn
beslissing niet naar recht heeft verantwoord :
Overwegende dat luidens artikel 1 van de wet van 30 juni 1994
betreffende het auteursrecht en de naburige rechten alleen de auteur
van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het op
welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten
reproduceren;
Overwegende dat het vonnis, ofschoon het vaststelt dat de
zaakvoerder van verweerster via een radiotoestel dat achter de
toonbank stond muziek uitzond in haar boekhandel, de rechtsvordering
van eiseres niet gegrond verklaart op grond dat "de klanten alleen
maar even langslopen om een krant of iets anders in de boekhandel te
kopen; dat de klanten niet plaatsnemen in de winkel en dus niet van
de muziek 'genieten'" en dat "de plaats waar de radio stond het
standpunt van verweerster bevestigt volgens hetwelk de radio opstond
voor het eigen gebruik van haar zaakvoerder";
Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling de bescherming van
de auteur van een muziekwerk onderwerpt aan de voorwaarde dat de
personen die toegang hebben tot een openbare plaats waar de muziek
wordt uitgezonden daar plaatsnemen; dat die bescherming evenmin
afhangt van de plaats van het radiotoestel, de aard van het gebruik
of de bedoeling van de gebruiker ervan;
Dat het auteursrecht wordt beschermd zodra de uitvoering of
vertoning van het werk werkelijk openbaar en hoorbaar is;
Dat het vonnis de in het middel aangegeven wettelijke bepalingen
schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van
het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de
feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het tweede kanton van
Elsene.
---
Nummer : RC985B5_1 Datum : 1998-05-11
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, NEDERLANDSE AFDELING, 1E KAMER
Rolnummer : C950142N
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Openbare uitvoering. - Voorwaarde. -
Artt. 1 en 16, Auteurswet.
Samenvatting
Het enkele feit dat de maker van een muziekwerk toelating verleent
tot het reproduceren van zijn werk op een drager met het oog op het
commercialiseren ervan, houdt niet in dat de auteur aan de verkoper
van de muziekdrager het recht verleent om in de ruimte die is
bestemd voor de verkoop, zijn werk openbaar uit te voeren, ook al
geschiedt die uitvoering met het doel de verkoop van de muziekdrager
te bevorderen.
Wettelijke basis
-WET VAN 22-03-1886,ART 1
-WET VAN 22-03-1886,ART 16
Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1998(235)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1998(I/235)
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 15 februari 1994 in laatste aanleg
gewezen door de Vrederechter van het tweede kanton Leuven;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1 en
16 van de Auteurswet van 22 maart 1886, waarvan de Nederlandse tekst
is vastgesteld bij de wet van 26 juni 1981, 2.1 en 4, en 11.1 van
het Verdrag van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde
en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886, zoals herzien te
Brussel op 26 juni 1948 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1951,
doordat de vrederechter eiseres' vordering ontvankelijk doch
ongegrond verklaart, o.m. op grond :
"(...) dat de reproductie de vastlegging is van het werk in een
materiële vorm, ongeacht de gebruikte techniek (CD of plaat); dat
inherent aan het reproductierecht het bestemmingsrecht van de auteur
vervat zit, het recht van de auteur om, wanneer hij de reproductie
van zijn werk toegestaan heeft, aan het gebruik van de reproductie
bepaalde voorwaarden te verbinden;
(...) dat het de rechtbank behoort te appreciëren of een uitvoering
onder de toepassing valt van het auteursrecht (art. 15 en 16
Auteurswet). (...) dat de uitvoering in concreto niet onder de
toepassing valt van de auteurswet omdat de auteur impliciet aan het
verleende reproductierecht en toestemming tot commercialisatie, het
uitvoeringsrecht heeft verleend in een ruimte, exclusief bestemd
voor verkoop van CD's en platen aan de consument.
(...) dat in concreto vaststaat dat het werk werd uitgevoerd in een
ruimte exclusief bestemd voor verkoop van CD's en platen aan de
consument zodat de auteur geen rechten meer kan vorderen, uitgeput
door het verleende reproductierecht en het bestemmingsrecht, de
commercialisatie",
terwijl krachtens de artikelen 1 en 16 van de Auteurswet van 22
maart 1886, de gehele of gedeeltelijke openbare uitvoering of
opvoering van een muzikaal kunstwerk verboden is zonder toestemming
van de auteur en deze, krachtens de artikelen 2.1 en 4, en 11.1 van
voormeld Verdrag van Bern, uitsluitend het recht heeft om
toestemming te geven tot elke openbare mededeling van zijn werk; het
auteursrecht beschermd is zodra de uitvoering of mededeling
daadwerkelijk openbaar en hoorbaar is en hieraan, noch krachtens
voormelde wets- of verdragsbepalingen, noch krachtens enige andere
wetsbepaling, afbreuk wordt gedaan door het enkele feit dat het werk
wordt uitgevoerd 'in een ruimte exclusief bestemd voor de verkoop
van CD's en platen aan de consument' (schending van voormelde wets-
en verdragsbepalingen); de genoemde bepalingen geen vermoeden
instellen dat de auteur die toestemming heeft gegeven tot het
reproduceren en het commercialiseren van zijn werk door middel van
CD's en platen, daardoor ook toestemming heeft gegeven voor elke
openbare uitvoering of mededeling in elke ruimte die exclusief
bestemd is voor de verkoop van deze CD's en platen aan de consument,
zodat de vrederechter, door het tegendeel te beslissen, in deze wets-
en verdragsbepalingen een vermoeden leest dat zij niet bevatten,
minstens een uitzondering op het toestemmingsvereiste vanwege de
auteur aanvaardt die daarin geen steun vindt en derhalve deze
bepalingen schendt :
Overwegende dat het vonnis vaststelt, zonder desaangaande te worden
bekritiseerd, dat verweerster niet de openbaarheid van de bedoelde
uitvoeringen van muziekwerken heeft betwist en niet heeft
voorgehouden dat het demonstraties betrof;
Overwegende dat het enkele feit dat de maker van een muziekwerk
toelating verleent tot het reproduceren van zijn werk op een drager
met het oog op het commercialiseren ervan, niet inhoudt dat de
auteur aan de verkoper van de muziekdrager het recht verleent om in
de ruimte die is bestemd voor de verkoop, zijn werk openbaar uit te
voeren, ook al geschiedt die uitvoering met het doel de verkoop van
de muziekdrager te bevorderen;
Overwegende dat het vonnis de vordering van eiseres afwijst op grond
dat de uitvoering van een muziekwerk in concreto niet onder de
toepassing van de auteurswet valt "omdat de auteur impliciet aan het
verleende reproductierecht en toestemming tot commercialisatie, het
uitvoeringsrecht heeft verleend in een ruimte, exclusief bestemd
voor verkoop van CD's en platen aan de consument";
Dat het vonnis aldus de in het middel aangehaalde wets- en
verdragsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van
het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de
feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Vredegerecht van het eerste kanton
Brussel.
---
Nummer : RC99A83_1 Datum : 1999-10-08
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER
Rolnummer : C980078F
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Mededeling. - Familiekring. - Begrip.
- Art. 22, § 1, 3°, Nieuwe auteurswet.
Samenvatting
De "familiekring" waarbinnen de auteur zich niet kan verzetten tegen
de mededeling van zijn werk, moet op beperkende wijze worden
uitgelegd; hij strekt zich niet uit tot een sportclub.
Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART 22,§1,3°
Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 1999(519)
-PASICRISIE BELGE
VAN 1999(I/519)
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 2 september 1997 in laatste aanleg
gewezen door de vrederechter van het kanton Lens;
Over het middel: schending van de artikelen 1, §1, eerste en vierde
lid, en 22, §1, 3° van de wet van 30 juni 1994 betreffende het
auteursrecht en de naburige rechten,
doordat de vrederechter de vordering van eiseres niet gegrond
verklaart, na in zijn vonnis van 1 oktober 1996 erop te hebben
gewezen "dat de rechtsvordering van eiseres ertoe strekt verweerder
te doen veroordelen tot betaling van het bedrag van 6.475 frank
...", wegens uitvoering van muzikale werken op 11 maart 1995 ...",
op grond "(...) dat verweerder op de zitting van 15 april 1997 het
volgende verklaard heeft: 'Ingevolge de in de krant verschenen
aankondiging, die door de raadsman van SABAM wordt overgelegd is de
maaltijd niet doorgegaan wegens het geringe aantal ingeschrevenen en
heeft A. Stradiot de huur van de zaal overgenomen om er zijn
verjaardag te vieren met de spelers van de club'; (...) dat
verweerder een 'huurcontract' overlegt, dat op 25 februari 1995 is
gesloten tussen de VZW Sporting Club Irchonwelz en Arthur Stradiot
en waarin de lokalen (bar, keuken, kleedkamers) worden verhuurd voor
het vieren van een 'verjaardagsfeestje' op 11 maart 1995; dat onder
de rubriek 'kosten' geen melding wordt gemaakt van huur; (...) dat
verweerder reeds op de zitting van 3 maart 1996 had uiteengezet dat
Arthur Stradiot een speler van de club was; dat hij zijn verjaardag
vierde en 35 personen of twee ploegen van de club had
bijeengebracht; (...) dat uit de vaststelling blijkt dat er +/- 25
personen aanwezig waren; dat het menu 250 frank kostte, de
consumpties: Vieux Temps, Jupiler, waters: 35 frank, witbier: 45
frank, worst, chips: 25 frank; (...) dat de door verweerder
verstrekte toelichting aannemelijk lijkt; (...) dat niet is gebleken
dat personen van buiten de club (niet-clubleden) aanwezig waren;
(...) dat niet is aangetoond dat de organisatie een publiek karakter
had waardoor auteursrechten verschuldigd waren",
terwijl, krachtens artikel 1, §1, eerste en vierde lid, van de wet
van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige
rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het
recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te
reproduceren of te laten reproduceren en het volgens ongeacht welk
procédé aan het publiek mede te delen; het recht van de auteur wordt
beschermd, zodra de uitvoering of de opvoering daadwerkelijk
openbaar en hoorbaar is; artikel 22, §1, 3° van genoemde wet bepaalt
dat, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de
auteur zich niet kan verzetten tegen de kosteloze prive-mededeling
in familiekring; de vaststelling dat alleen leden van een
sportvereniging aanwezig waren op het verjaardagsfeest van een van
haar leden bijgevolg niet voldoende is om die bescherming te laten
vallen en om te gewagen van een prive-mededeling; de vrederechter
bijgevolg zijn beslissing volgens welke het niet is aangetoond dat
de organisatie een publiek karakter had waardoor auteursrecht
verschuldigd was, op grond "dat Arthur Stradiot een speler van de
club was; dat hij zijn verjaardag vierde en 35 personen of twee
ploegen van de club had bijeengebracht" en "dat niet is gebleken dat
personen van buiten de club (niet-clubleden) aanwezig waren", niet
naar recht verantwoordt (schending van de in het middel aangewezen
wetsbepalingen):
Overwegende dat krachtens artikel 1 van de wet van 30 juni 1994
betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de
auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het
op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten
reproduceren, alsook om het werk volgens ongeacht welk procédé aan
het publiek mede te delen;
Dat artikel 22, §1, 3° bepaalt dat, wanneer het werk op geoorloofde
wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen
de kosteloze prive-mededeling in familiekring;
Overwegende dat uit de tekst van die met elkaar in verband gebrachte
bepalingen en uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt
dat de mededeling een publiek karakter heeft, zodra ze niet valt
onder de uitzondering, die in het bovenaangehaalde artikel 22 op
beperkende wijze is omschreven,
Overwegende dat het vonnis vaststelt "dat A. Stradiot een speler van
de club was; dat hij zijn verjaardag vierde en 35 personen of twee
ploegen van de club had bijeengebracht" en beslist "dat niet is
gebleken dat personen van buiten de club (niet-clubleden) aanwezig
waren";
Dat de bodemrechter op grond van die vermeldingen niet wettig heeft
kunnen beslissen dat "de organisatie" geen publiek karakter had;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van
het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de
bodemrechter over;
Verwijst de zaak naar de vrederechter van het tweede kanton Bergen.
---
Nummer : RC002I1_1 Datum : 2000-02-18
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER
Rolnummer : C980517F
AUTEURSRECHT. - Muziekwerk. - Weergave. - Bescherming van de auteur.
- Uitzondering. - Familiekring. - Begrip. - Art. 22, § 1, 3°, Nieuwe
auteurswet.
Samenvatting
De auteur van een muziekwerk kan zich niet verzetten tegen de
kosteloze privé-mededeling van een op geoorloofde wijze openbaar
gemaakt werk binnen de "familiekring"; die "familiekring" kan
bestaan in de beperkte en intieme kring van de bewoners van een
rusthuis voor bejaarden die er allen verblijven en er "in familie"
wonen.
Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART 22,§1,3°
Publicatie
-ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE
VAN 2000(135)
-PASICRISIE BELGE
VAN 2000(I/135)
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 7 juli 1998 in laatste aanleg
gewezen door de vrederechter van het kanton Marche-en-Famenne;
Over het middel: schending van de artikelen 1, § 1, eerste en vierde
lid, en 22, § 1, 3°, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het
auteursrecht en de naburige rechten,
doordat de vrederechter de vordering van eiseres niet gegrond
verklaart, na erop te hebben gewezen dat zij verweerster wil doen
veroordelen tot betaling van 2.120 frank auteursrechten voor een
optreden met orkest op 24 december 1996 van 15 uur tot 16 uur 30 in
de residentie Douce Quiétude in Marche-en-Famenne, op grond "dat de,
sociale of familiale, intimiteitsband die tussen de leden van het
publiek bestaat, de maatstaf vormt om onderscheid te maken tussen
het openbaar en privé-karakter van het optreden; (...) dat in casu
het privékarakter van de uitvoering voldoende blijkt uit het feit ze
in een rusthuis voor bejaarden plaatsvond; dat het wel degelijk gaat
om een beperkte en intieme kring van bewoners van een rusthuis voor
bejaarden die er allen verblijven en er "in familie" wonen; dat er
tussen die bewoners dagelijks nauwe, quasi familiale, contacten
worden gelegd - denken we hierbij aan de film «Home Sweet Home'; dat
die toestand niet vergelijkbaar is met die van een school, een
bedrijf of een ziekenhuis; dat verweerster terecht die uitvoering
als strikt privé beschouwt",
terwijl, overeenkomstig artikel 1, § 1, eerste en vierde lid, van de
wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige
rechten, alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het
recht heeft om het op welke wijze of in welke vorm ook te
reproduceren of te laten reproduceren en het volgens ongeacht welk
procédé aan het publiek mede te delen; het recht van de auteur
beschermd is zodra de uitvoering of vertoning effectief openbaar en
hoorbaar is; artikel 22, § 1, 3°, van die wet bepaalt dat wanneer
het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich
niet kan verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in
familiekring; derhalve, om aan die bescherming te ontsnappen en om
te stellen dat het om een privé-mededeling gaat, geenszins kan
worden volstaan met de vaststelling dat de uitvoering plaatsvond in
een rusthuis voor bejaarden die een "beperkte en intieme kring
vormen van bewoners die allen in dat rusthuis verblijven en er 'in
familie' wonen (...)" en "dat die toestand niet vergelijkbaar is met
die van een school, een bedrijf of een ziekenhuis"; daaruit volgt
dat de beslissing van de vrederechter om de vordering van eiseres af
te wijzen op grond van het strikt privé-karakter van de uitvoering
niet naar recht verantwoord is (schending van alle in het middel
aangewezen wetsbepalingen):
Overwegende dat ingevolge artikel 1, § 1, van de wet van 30 juni
1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de
auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het
op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten
reproduceren en het ongeacht volgens welk procédé aan het publiek
mede te delen;
Dat artikel 22, § 1, 3°, van die wet bepaalt dat wanneer het werk op
geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan
verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling in familiekring;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat "dat het privé-karakter van
de uitvoering voldoende blijkt uit het feit ze in een rusthuis voor
bejaarden plaatsvond; dat het wel degelijk gaat om een beperkte en
intieme kring van bewoners van een rusthuis voor bejaarden die er
allen verblijven en er ìn familie' wonen; dat er tussen die bewoners
dagelijks nauwe, quasi familiale, contacten worden gelegd (...)";
Overwegende dat de bodemrechter door die consideransen wettig heeft
kunnen afleiden dat de uitvoering van muziekwerken in casu geen
openbaar karakter had;
Dat het middel niet aangenomen kan worden;
OM DIE REDENEN;
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
---
Nummer : RC03BL3_1 Datum : 2003-11-21
Jurisdictie : HOF VAN CASSATIE, FRANSTALIGE AFDELING, 1E KAMER
Rolnummer : C020347F
AUTEURSRECHT
Muziekwerk
Weergave
Bescherming van de auteur
Uitzondering
Familiekring
Samenvatting
Een bedrijfsfeest dat strikt voorbehouden is voor de personeelsleden
en hun naaste familie, echtgenotes en kinderen, dat plaatsvindt in
een lokaal dat niet voor het publiek toegankelijk is, kan niet
worden aangemerkt als de "familiekring" waarbinnen de auteur van een
werk zich niet kan verzetten tegen de kosteloze privé-mededeling van
een op geoorloofde wijze openbaar gemaakt werk (1). (1) Cass., 8
okt. 1999, AR C.98.0078.F, nr 519, 18 feb. 2000, AR C.98.0517.F, nr
135.
Wettelijke basis
-WET VAN 30-06-1994,ART Art. 22, § 1,
Nr. C.02.0347.F.-
BELGISCHE VERENIGING VAN AUTEURS, COMPONISTEN EN UITGEVERS (SABAM),
burgerlijke vennootschap in de vorm van een coöperatieve
vennootschap,
Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
FARRIS ANTONIO, besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid,
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 2 november 2001
in laatste aanleg door de Vrederechter van het kanton Châtelet
gewezen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
III. Middel
IV. Beslissing van het Hof
Overwegende dat, ingevolge artikel 1, ,§ 1, van de wet van 30 juni
1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, alleen de
auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht heeft om het
op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten
reproduceren en om het ongeacht welk procédé aan het publiek mede te
delen ;
Dat artikel 22, ,§ 1, 3°, van die wet bepaalt dat, wanneer het werk
op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan
verzetten tegen de kosteloze privé&§64979;mededeling in familiekring
;
Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet volgt
dat de in laatstgenoemde bepaling omschreven uitzondering op
beperkende wijze uitgelegd moet worden ;
Overwegende dat het vonnis van oordeel is "dat de uitdrukking
'familiekring' weliswaar op beperkende wijze uitgelegd moet worden,
maar toch erop gewezen moet worden dat de litigieuze toestand
gelijkenissen vertoont met een familiegroep ; dat (...) de (...)
zaakvoerder van verweerster en haar enige bestuurder immers
gepreciseerd heeft dat het bewuste avondfeest strikt voorbehouden
was voor zijn personeelsleden en hun naaste familie, echtgenotes en
kinderen ; dat (...) het feest plaatsvond in een school (maar) dat
het lokaal niet voor het publiek toegankelijk was ; dat de
voornoemde bestuurder in zijn kleine onderneming (23 personen) een
familiale sfeer wilde creëren (...) (en) dat (...) de vrouwen en
kinderen van het personeel uit sympathie voor dat personeel waren
uitgenodigd en om door alcoholisme veroorzaakte problemen te
vermijden" ;
Overwegende dat de bodemrechter, op grond van die overwegingen, niet
naar recht heeft kunnen beslissen dat de mededeling door verweerster
van werken uit het repertorium van eiseres geen openbaar karakter
had ;
Dat het middel gegrond is ;
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Vernietigt het bestreden vonnis ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van
het vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de
feitenrechter over ;
Verwijst de zaak naar de Vrederechter van het eerste kanton
Charleroi.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te
Brussel, door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, de
raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Daniel Plas en Sylviane
Velu, en in openbare terechtzitting van eenentwintig november
tweeduizend en drie uitgesproken door raadsheer Philippe Echement,
waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André
Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van Etienne Goethals en
overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De raadsheer,
SABAM en Misbruik van machtspositie
Het opzetten van een niet transparant tariefsysteem door Sabam werd
door het Hof van Beroep te Brussel als misbruik van machtspositie
gezien. Dit gebrek aan transparantie werd weerhouden ten aanzien van
een tarificatie die kortingen toestand mits er minimale vergoedingen
werden betaald en er geen geschil met SABAM werd gevoerd. Hof van
Beroep Brussel, 03/11/2005, NJW, 322.
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
