-A +A

bevoegdheid van de vrederechter inzake huur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 26 mei 2011, RW 2012-2013, 786

samenvatting

Wanneer een factuur wordt ingevorderd een geschil betreft op basis van een huurverhouding tussen partijen, is de vrederechter bevoegd, ook al gaat het om een geschil tussen handelaars.

tekst vonnis

NV V.I. t/ BVBA Van C.B.

...

4.3. De bevoegdheid van de vrederechter inzake huurgeschillen is van bijzondere aard. Conform de wil van de wetgever primeren bijzondere op algemene bevoegdheidsregels.

Krachtens art. 591, 1o Ger.W. neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen. Die bijzondere bevoegdheid van de vrederechter inzake verhuur omvat de geschillen die betrekking hebben op de toepassing van de wettelijke of contractuele bepalingen die gelden in de relatie tussen de partijen bij de huurovereenkomst (Cass. 20 februari 2009, RW 2010-11, 800).

4.4. Hoewel volgens de gangbare cassatiejurisprudentie de bevoegdheid bepaald wordt op grond van wat gevorderd wordt in de dagvaarding, is het de vaste rechtspraak van deze rechtbank dat bij een bevoegdheidsdiscussie steeds een prima facie-onderzoek van de stukken mogelijk moet zijn. De rechter voor wie de onbevoegdheidsexceptie wordt opgeworpen, behoudt steeds een minimaal toetsingsrecht, zodat hij de aangewende stavingsstukken – bv. de contractuele documenten – kan onderzoeken; in andersluidend geval zou een debat over de onbevoegdheid overigens altijd een steriel en volstrekt inhoudsloos debat zijn en zouden misbruiken zelfs niet uit te sluiten vallen.

4.5. Uit de stukken blijkt dat de vordering van eiseres steun vindt in de huurovereenkomst. Beide partijen staan in een (ver)huurrelatie ten opzichte van elkaar.

4.6. Dat eiseres zich luidens de dagvaarding enkel en alleen baseert op niet nader verduidelijkte facturen (die volgens eiseres bovendien ook nooit zouden geprotesteerd of betwist zijn geweest) doet aan het bovenstaande bijgevolg geen afbreuk. De weg zou overigens geëffend worden naar (proces)rechtsmisbruik en forum-shopping indien het de rechter niet zou toegestaan zijn een beperkt onderzoek te voeren naar de rechtsverhouding die aan deze facturen ten grondslag ligt. Het opstellen van facturen mag nooit als bedoeling of als neveneffect hebben dat men, in geval van geschil over de prestaties die het voorwerp uitmaken van de factuur, onttrokken wordt aan de natuurlijke rechter voor betwistingen dienaangaande.

Eiseres vermag dan ook niet zomaar te stellen dat er sprake is van een conflict over onbetaalde facturen tussen twee handelsvennootschappen; een factuur kan in beginsel niet worden geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding en geldt enkel als instrumentum.

4.7. In zoverre eiseres zich meent te kunnen baseren op de factuurvermelding “terbeschikkingstelling magazijn” dient nog, volledigheidshalve (en afgezien van het feit dat eiseres deze facturen zelfs niet voorlegt als stuk onder haar bundel met stavingsstukken: zij legt enkel ingebrekestellingen voor), opgemerkt te worden dat deze eenzijdige kwalificatie wordt weerlegd en tegengesproken door het feit dat tussen partijen kennelijk een huurovereenkomst werd gesloten: deze overeenkomst, die als hoofding vermeldt “Huurovereenkomst – Opslagruimte”, hanteert de termen “verhuurder”, “huurder”, “gehuurde ruimten”, “huurprijs”, “huurwaarborg”, enz.

Men kan bezwaarlijk ontkennen dat de kwalificatie die van de partijen zelf uitgaat aan belang gewonnen heeft in de recente (cassatie)rechtspraak. In het licht van de zgn. “kwalificatiearresten” van het Hof van Cassatie (zie o.a. Cass. 23 december 2002, RW 2005-06, 24; Cass. 28 april 2003, RABG 2003, 1093; Cass. 8 december 2003, JTT 2004, 122; Cass. 3 mei 2004, RW 2004-05, 1220) dient aangenomen te worden dat de kwalificatie die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, het vertrekpunt vormt van de beoordeling door de rechter. Door de kwalificatie van de partijen als uitgangspunt te hanteren en vervolgens te onderzoeken of de feitelijke gegevens eigen aan de zaak dit statuut niet tegenspreken, wordt de contractvrijheid, die toch een van de fundamentele beginselen uitmaakt van het verbintenissenrecht, zoveel mogelijk gerespecteerd. In de praktijk zal de conventionele kwalificatie daarom het bewijsrisico van diegene die een andere dan die door partijen gegeven kwalificatie erkend wil zien verzwaren (vgl. A. Van Regenmortel en K. Van den Langenbergh, “De Unizo-formule kritisch bekeken”, TSR 2002, 8-9). Slechts indien de gegevens waarover de feitenrechter moet oordelen de kwalificatie kunnen uitsluiten die de partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomst hebben gegeven, kan hij deze door een andere kwalificatie vervangen (Cass. 25 mei 2009, JT 2009, 369; Cass. 23 maart 2009, JT 2009, 370; Cass. 9 juni 2008, RW 2009-10, 279; F. Van Remoortel, “De kwalificatie van de overeenkomst door partijen en de beoordelingsmarge van de precies motiverende feitenrechter” (noot onder Cass. 3 mei 2004), TBBR 2005, 276).

De rechtbank moet alleszins vaststellen dat er geen feitelijke gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat een herkwalificatie van de overeenkomst nodig is, want er is niet aangetoond dat de kwalificatie door partijen (in tempore non suspecto) niet verenigbaar zou zijn met de feitelijke elementen of gegevens van het dossier.

Eiseres stelt voorts zelf geen kwalificatie voor inzake de terbeschikkingstelling van de bewuste magazijnruimte, terwijl er geen redenen zijn om aan te nemen dat er in voorliggende zak sprake zou zijn van een sui generis-overeenkomst. Het enige wat de rechtbank dienaangaande kan vaststellen is dat er sprake is van een tijdelijke verschaffing van het genot van een zaak, c.q. onroerend goed (magazijnruimte) tegen een periodiek betaalbare vergoeding. Welnu, voormelde eigenschappen zijn inherent aan een huurcontract (zie o.a. art. 1709 BW). De verbintenis van eiseres betreft duidelijk het in huur geven. Dat het voorwerp van de huur een opslagruimte betreft doet hieraan geen afbreuk.

4.8. De – in wezen – fiscale bepalingen waarop eiseres zich beroept (art. 18, 9o WBTW, waar de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen als een dienst wordt gekwalificeerd, voor wat betreft de toepassing van de btw-heffing) hebben niet de roeping te gelden als bevoegdheidsvoorschrift en kunnen zeker niet prevaleren op de hierboven reeds vermelde bevoegdheidsbepaling van art. 591, 1o Ger.W.

Dat er (al dan niet terecht) btw werd aangerekend, is niet van aard om de huurovereenkomst te denatureren; btw-heffing (en facturatie) is een fiscale aangelegenheid, waaruit geen rechtstreekse civielrechtelijke implicaties kunnen worden afgeleid.

4.9. Dat er sprake is van een contract tussen twee handelaars/kooplieden vermag evenmin afbreuk te doen aan de vaststelling dat de kennisname van het geschil onder de bevoegdheid van de vrederechter valt.

Overigens is de vrederechter ook bevoegd inzake handelshuur, ook wanneer de beide contractpartijen handelaar (of handelsvennootschappen) zijn.

...

 

Nog dit: 

Bevoegdheid van de Vrederechter inzake huur is beperkt tot die geschillen waarvan de beslechting de toepassing van de regels van het huurrecht vereist.

• Rechtbank eerste aanleg Antwerpen 9 april 2013, RW 2013-2014, 352, met noot

Van E. J. en Van B. M. t/ H.P.

Eis

De eis strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling aan eisers van 5.250 euro, te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf 9 december 2011, de gerechtelijke interest en de gerechtskosten.

Verweerster besluit in de eerste plaats tot de onbevoegdheid van de rechtbank en verzoekt om de verzending van het geschil naar de vrederechter te Schilde.

Feiten

Bij overeenkomst van 2 juli 2009 verhuurden eisers een winkelpand gelegen te Schilde, (...), aan de BVBA in oprichting A.

De vennootschap in oprichting werd bij deze huurovereenkomst vertegenwoordigd door verweerster, die zich tevens persoonlijk ondeelbaar borg stelde voor de verbintenissen volgend uit deze huurovereenkomst.

De BVBA A. werd inmiddels failliet verklaard en het faillissement werd op 5 juni 2012 afgesloten wegens ontoereikend actief.

Eisers deden aangifte van hun schuldvordering in het faillissement voor 10.500 euro. De handelshuur nam een einde en de huurwaarborg ten belope van 5.250 euro werd in het voordeel van eisers vrijgegeven. Het saldo van de schuldvordering van eisers maakt thans het voorwerp van dit geschil uit.

Beoordeling

Art. 591, 1o Ger.W. bepaalt dat alle betwistingen betreffende de verhuring van onroerende goederen tot de bevoegdheid van de vrederechter behoren. Omdat de bijkomstigheid het lot van de hoofdzaak volgt, is de vrederechter ook bevoegd om kennis te nemen van de betwistingen met betrekking tot aanhorigheden van verhuringen van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak (art. 591, 1o Ger.W.).

In art. 591, 1o Ger.W. worden de geschillen “betreffende de verhuring” van onroerende goederen bedoeld. Dit wil zeggen de geschillen die ontstaan uit de uitvoering of de beëindiging van de verhuring en de aanhorigheden van deze verhuring, evenals uit de toepassing van de wettelijke bepalingen die gelden voor de contractuele betrekkingen tussen de verhuurders en huurders. De wet bedoelt hier niet de geschillen die min of meer verband houden met een onroerende huurovereenkomst en haar aanhorigheden, maar uitsluitend de geschillen waarvan de beslechting de toepassing van de regels van het huurrecht vereist.

Dit geschil heeft betrekking op de borgstelling van verweerster voor de BVBA A. De beslechting van dit geschil vereist geen toepassing van de regels van het huurrecht, maar enkel van de burgerlijke bepalingen die de borgtocht beheersen. De borgtochtovereenkomst werd weliswaar in hetzelfde contract (in de zin van instrumentum) als de huurovereenkomst opgetekend, maar beide overeenkomsten (in de zin van negotium) en de daaruit volgende verbintenissen kunnen los van elkaar beslecht worden.

Gelet op de volheid van bevoegdheid van de rechtbank en het bedrag van de eis, is de rechtbank wel degelijk bevoegd om kennis te nemen van dit geschil.

Hoewel de borgtocht een eenzijdige overeenkomst is, werd ze opgetekend in een complex contract, waarin enerzijds een eenzijdige overeenkomst bedongen werd (de borgtocht) en anderzijds een wederkerige overeenkomst (de handelshuur). Dit contract dient dan ook niet te beantwoorden aan de vormvereisten bepaald in art. 13126 BW, maar wel aan de vormvereisten van art. 1326 BW. Bovendien dient de borgstelling niet te beantwoorden aan de vormvereisten van art. 1326 BW wanneer de omvang van de verbintenis van de borg nog niet gekend is bij het sluiten van de overeenkomst en deze dan ook niet door een cijfer kan worden uitgedrukt.

Het contract van 22 juli 2009 dat door eisers wordt voorgelegd, beantwoordt aan alle vereisten van art. 1325 BW. Aldus bewijzen eisers naar genoegen van recht dat verweerster zich ondeelbaar borg heeft gesteld voor de verbintenissen van de BVBA A. ten aanzien van eisers. In dit contract staat uitdrukkelijk vermeld dat verweerster zich in persoonlijke naam borg stelt voor de vennootschap. Verweerster ontkent haar handtekening trouwens niet. Verweerster behoefde dit contract helemaal niet tweemaal te ondertekenen. Door haar enige handtekening eigent zij zich dit geschrift zowel als vertegenwoordigster van de vennootschap, als in persoonlijke naam toe.

Ten slotte is de borgstelling van verweerster niet beperkt tot het ogenblik waarop de vennootschap effectief werd opgericht, waarna verweerster bevrijd zou zijn geweest ten aanzien van eisers, maar blijkt het de duidelijke, uitdrukkelijke en gemeenschappelijke bedoeling van partijen te zijn geweest dat verweerster zich borg stelde voor alle verbintenissen voortvloeiende uit de huurovereenkomst.

Cijfermatig wordt de eis niet betwist en deze blijkt dan ook op basis van de voorgelegde stukken gegrond te zijn.

Overige rechtspraak in die zin

• Cass. 4 december 1975, RW 1975-76, 2074.

Franse term: 
juge de paix
Nuttige tips: 

Nieuwe regels met betrekking tot hoger beroep 

Vanaf 1 september 2014 werden regels met betrekking tot de aanleg gewijzigd, in die zin dat de grenzen die de mogelijkheid bepalen om hoger beroep aan te tekenen werden opgetrokken. Daar waar de grens om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis van de Vrederechter vroeger 1.240,00 EUR bedroeg, wordt deze na 1 september 2014 op 1.860,00 EUR gebracht. Voor vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel, wordt de grens opgetrokken van 1.860,00 EUR naar 2.500,00 EUR.

Beslissingen van de vrederechter over vorderingen die het bedrag van 1.860,00 EUR niet overschrijden, worden vanaf 1 september 2014 in laatste aanleg gewezen worden, dus zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel die handelen over vorderingen die het bedrag van 2.500,00 EUR niet overschrijden.worden vanaf 1 september 2014 in laatste aanleg gewezen worden, dus zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Sinds 1 september 2014 is de Rechtbank van Koophandel niet meer bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen vonnissen van de Vrederechter. De bevoegde rechter in hoger beroep tegen vonnissen van de Vrederechter is sinds 1 september 2014 de Rechtbank van eerste aanleg

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 12/01/2013 - 02:46
Laatst aangepast op: vr, 06/01/2017 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.