-A +A

bewijs van verzending van de factuur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bij de invordering van facturen wordt vaak het verweer geformuleerd dat de factuur niet werd ontvangen.

Indien men al zijn ze er met een dergelijk verweer geconfronteerd wordt, kan men het bewijs van verzending van de factuur aantonen middels de aanmaningen die verstuurd zijn en die onbeantwoord zijn gebleven, mits men natuurlijk het bewijs van verzending van deze aanmaningen kan leveren.

Het bewijs kan ook geleverd worden door het uitgaande facturenboek.  Dit bewijs kan spontaan geleverd worden door de eisende partij. Maar ook de verwerende partij kan de eisende partij sommeren om het uitgaande facturen ook voor te leggen.

rechtspraak

• Kh. Brussel (20e k.) 24 december 2001, P.&B. 2002, afl. 1, 81.

De bewering dat een niet-geprotesteerde factuur onbetaald is gebleven, volstaat niet om een vordering ongegrond te verklaren. Wanneer de verweerder betwist de betrokken facturen ooit ontvangen te hebben (de afwezigheid van herinneringsbrieven of aanmaningen kan hiervoor een indicatie zijn), kan de rechtbank de eiser bevelen om zijn uitgaand factuurboek voor te leggen. Elke handelaar dient de door de wet voorziene boeken bij te houden, die voor hun gebruik dienen geparafeerd te worden op de griffie van de bevoegde rechtbank van koophandel. Het bewijs dat facturen verstuurd zijn, kan geleverd worden middels het uitgaand facturenboek.

• Gent 25 september 1998, T.B.H. 1999 (weergave TROCH, K.)

Appellante voerde in opdracht van geïntimeerde een aantal werken in regie uit. Met het oog op de betaling van deze werken stuurt appellante twee facturen welke door geïntimeerde niet geprotesteerd werden. Geïntimeerde betwist evenwel de tweede factuur ontvangen te hebben.
De vordering van appellante wordt toegewezen op grond van de volgende motivering:
'Volgens art. 20 W. Kh. kan een regelmatig gevoerde boekhouding door de rechter aangenomen worden om tussen kooplieden als bewijs te dienen betreffende handelsverrichtingen. Er is een vermoeden van toezending af te leiden uit de vermelding in het verkoopdagboek van de leverancier.
De rechter oordeelt soeverein om de in de boekhouding opgetekende feiten aan te nemen of te verwerpen op grond van de omstandigheden van de zaak'.

• Kh. Kortrijk 30 januari 1997, R.W. 1999-00, 987

Uit de inschrijving van een factuur in de regelmatige boekhouding van een handelaar volgt het vermoeden van de echtheid van de inhoud ervan alsmede van de verzending van die factuur. Behoudens tegenbewijs, wordt een factuur vermoed te zijn verzonden op haar datum.
Een handelaar die beweert dat een factuur niet beantwoordt aan de realiteit of voortijdig werd verzonden, moet zich verzetten en tijdig protesteren; zo niet, dan wordt hij geacht die factuur stilzwijgend te hebben aanvaard.

contra:

Kh. Hasselt 26 december 1995, Limb. Rechtsl. 1996, 127, noot PONET, B. .

Noot PONET, B., Hoe bewijst men de verzending en de ontvangst van de facturen?


De partij die zich op een niet-geprotesteerde factuur beroept, dient te bewijzen op welke datum deze factuur bij de geadresseerde toekwam. Dit bewijs kan geleverd worden door een ingebrekestelling die niet geprotesteerd werd. Een vermoeden van toezending kan niet afgeleid worden uit het facturenboek van de leverancier op grond van art. 20 W.Kh.

• Kh. Tongeren 30 januari 2007, RABG, 2008/15, 974

Het bewijs van de verzending en de ontvangst van de factuur is een materieel feit dat met alle middelen van recht kan worden geleverd (E. DIRIX en G.L. BALLON, De factuur, nr. 47; Antwerpen 10 mei 1999, A.J.T. 2000-01, 40 en Limb. Rechtsl. 1999, 196; Kh. Gent 3 mei 2001, T.G.R. 2001, 299; Kh. Tongeren 27 februari 2002, Limb. Rechtsl. 2003, 72, noot E. MONARD; Vred. Westerlo 18 januari 2002, DAOR 2002, afl. 61/62, 135).

In handelszaken predikt artikel 25 W. Kh. trouwens in principe de vrijheid van bewijsmiddelen, die weliswaar soeverein worden beoordeeld door de rechter (R. MOUGENOT, La preuve, Rép. not., nr. 56).


Op onrechtstreekse wijze kan het materiële feit van de ontvangst van de factuur ook afgeleid worden uit welbepaalde feitelijke omstandigheden, waaraan de betekenis van een vermoeden kan worden gegeven. Aldus kan de rechter gevolgen afleiden uit het uitgaand facturenboek: krachtens artikel 20 kan een regelmatig gevoerde boekhouding door de rechter aangenomen worden om tussen kooplieden als bewijs te dienen betreffende handelsverrichtingen (R. MOUGENOT, La preuve, Rép. not., nr. 206; J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, T. III, 70; E. DIRIX
en G.L. BALLON, De factuur, A.P.R., nr. 34; B. PONET, “Hoe bewijst men de verzending en ontvangst van facturen?”, Limb. Rechtsl. 1996, 132; Gent 25 september 1998, T.B.H. 1999, 67; Antwerpen 10 mei 1999, Limb. Rechtsl. 1999, 196 en A.J.T. 2000-01, 40; Kh. Hasselt 26 december 1995, Limb. Rechtsl. 1996, 126, noot B. PONET; Kh. Brussel 24 december 2001, P. & B. 2001, 81; Kh. Tongeren 27 februari 2002, Limb. Rechtsl. 2003, 72).


Herhaaldelijk werd geoordeeld dat uit de regelmatig opgestelde boekhouding (uitgaand facturenboek) van een handelaar mag afgeleid worden dat facturen ter kennis gekomen zijn op/of omstreeks een datum die overeenstemt met de factuurdatum (E. DIRIX en G.L. BALLON, De factuur, A.P.R., 1993, p. 34, nr. 47 en p. 111, nr. 197; J. ROODHOOFT (red.), Bestendig handboek verbintenissenrecht, Kluwer, losbladig, nrs. 5643 en 5503; Kh. Sint -Niklaas 8 mei 1962, R.W. 1966-67, 404; Kh. Brussel 10 mei 1990, T.B.H. 1991, 522; Kh. Turnhout 4 mei 1995, Turnh. Rechtsl. 1995-96, 153;
Antwerpen 10 mei 1999, Limb. Rechtsl. 1999, 166; Antwerpen 12 juli 1998, onuitg., inzake A.R. 1997/248, onuitg.; Kh. Brussel 26 februari 1999, A.R. 6245/98, onuitg.; Brussel 26 juni 2000, T.B.B.R. 2003,518; Antwerpen 28 mei 2043, Limb. Rechtsl. 2003, 260; Vred. Westerlo 18 januari 2002, R.W. 2004-05, 797;
Antwerpen (4 de bis kamer) 27 november 2006, inzake 2004/AR/2691, onuitg.).

Er dient hier toch met de nodige omzichtigheid geoordeeld, gezien uitsluitend de eisende handelaar over deze inschrijving beslist, en dit de deur op een kier zet voor misbruiken, zeker gezien de last die op de schouders van de bestemmeling wordt gelegd, met name het bewijs leveren dat hij de factuur niet (of niet op de op de factuur vermelde datum) ontving (A. DE KIMPE, noot onder Brussel 26 juni 2000, T.B.B.R. 2003, 520).


De rechter zal bij zijn oordeel de bewijskracht van de koopmansboeken in het voordeel van de handelaar bij voorkeur slechts aanvaarden voor zover er een onbetwistbare schijn van regelmatigheid is, en in combinatie met andere elementen, dit ter vervollediging van zijn overtuiging.

Het hof van beroep te Antwerpen stelde in dat verband: “weliswaar kunnen enkele vragen gesteld worden omtrent de wijze van het bijhouden van het verkoopdagboek.

Het is echter in hoofde van een leverancier zinloos om een factuur in zijn boeken in te schrijven en er BTW op af te dragen, zonder dat het nodige gedaan wordt voor de invordering en dus het verzenden ervan” (Antwerpen 24 juni 2002, Limb. Rechtsl. 2003, 66, hetwelk een vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt d.d.
28 juni 2000 bevestigt). Dit standpunt werd bijgetreden door het hof te Gent (Gent (12de kamer) 1 juni 2005, A.R. 2004/465, onuitg.).

Hieraan zij toegevoegd dat dit een zeer pragmatische bewijsregel is, aangezien men bezwaarlijk kan eisen dat elke factuur aangetekend dient verzonden (H. KEULERS, “Wie draagt de bewijslast inzake de ontvangst van de factuur?”, Recht en onderneming, 1992, 3/9 en 3/10).

In voorliggend geval kan daarbij nog opgemerkt worden dat het eerder onwaarschijnlijk is dat meerdere facturen en een aanmaning, alle verzonden op een andere datum maar gericht aan het juiste adres van de bestemmeling, de bestemmeling niet
zouden bereikt hebben. Bovendien reageerde de BVBA niet op de aangetekende aanmaning d.d. 11 juli 2006 (waarvan de ontvangst niet wordt betwist) terwijl een prompte reactie toch normaal zou geweest zijn als de facturen niet waren toegekomen.

In deze omstandigheden dient aangenomen dat de facturen wel degelijk werden ontvangen, terwijl het eerste protest maar dateert van 11 september 2006, hetzij meer dan twee maand later als de laatste factuur en enkele dagen nadat de inleidende dagvaarding werd betekend (7 september 2006).

Het protest is derhalve manifest laattijdig.
In deze omstandigheden dienen de facturen als aanvaard en derhalve als verschuldigd te worden aanzien.

Hieraan zij volledigheidshalve nog toegevoegd:
– dat de werkfiche, met vermelding dat de werken volgens offerte werden uitgevoerd en door de BVBA N. werden goedgekeurd, door deze laatste werd ondertekend;
– dat een deelbetaling gebeurde zonder voorbehoud;
– dat de gebruikte kabel aan een lager tarief werd gefactureerd dan overeengekomen;
– dat de BVBA H. aan de hand van een huurfactuur het gebruik van een hoogtewerker gedurende twee dagen bewijst;
– dat de aangeklaagde gebreken niet blijken uit de voorgelegde foto’s en de problemen waarover de BVBA N. zich beklaagt zichtbare gebreken zijn waartegen ze in voorkomend geval dadelijk had moeten reageren, hetgeen niet gebeurde.
De vordering is derhalve principieel gegrond.
(…)
De BVBA N. betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de BVBA H.

Het dient vastgesteld dat de offerte verwijst naar “onze algemene gekende erg geldende verkoopvoorwaarden”, dat deze offerte werd ondertekend, en dat de voorwaarden ook op elke factuur voorkomen en dus, zoals hoger reeds gemotiveerd, niet (tijdig) werden betwist.
In deze omstandigheden zijn deze algemene voorwaarden toepasselijk, terwijl er geen aanleiding toe bestaat deze te matigen.

• rb Kh. Brussel 28 december 2007, RABG 2008/15, 979 met N o o t Het bewijs van verzending en ontvangst van een factuur

(…)
5. De verzender van een factuur die zijn vordering tot betaling grondt op de stilzwijgende aanvaarding van die factuur, voortvloeiend uit de afwezigheid van tijdig protest, dient de verzending en de datum van ontvangst door de geadresseerde van die factuur te bewijzen.

Dit bewijs mag in handelszaken door alle middelen van recht worden geleverd.

Verweerster op hoofdeis ontkent de facturen nrs. (…) te gelegener tijd ontvangen te hebben. Indien eiseres op hoofdeis dienvolgens beweert dat deze facturen aan verweerster op hoofdeis werden overgemaakt, dan dient zij daar het bewijs van te leveren.

In de verschillende aanmaningen werd er herhaaldelijk verwezen naar de genoemde facturen. Zo werden ze opgenomen in de aanmaningen van 1 en 13 juni 2006.

De rechtbank dient vast te stellen dat de genoemde aanmaningen – hieronder begrepen de ontvangst te gelegener tijd van de erin vermelde facturen – door verweerster op hoofdeis niet tijdig betwist werden, minstens dat zij het bewijs van een dergelijke betwisting niet levert.

Een vermoeden van toezending van de genoemde facturen kan bovendien worden afgeleid uit het feit dat zij in het verkoopdagboek van eiseres op hoofdeis voorkomen.

Uit wat voorafgaat volgt dat er gewichtige, nauwkeurige en met elkaar overeenstemmende vermoedens voorhanden zijn die erop wijzen dat de voornoemde facturen te gelegener tijd bij verweerster op hoofdeis zijn toegekomen.

6. Het bewijs van een handelsovereenkomst of van het tenietgaan ervan kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen, vermoedens inbegrepen.

Het niet-tijdig protesteren van de factuur levert aldus het vermoeden op dat de geadresseerde het met de factuur en de inhoud ervan eens is.

Wie beweert dat een factuur niet beantwoordt aan hetgeen is overeengekomen, moet tijdig en concreet protesteren, Doet hij dit niet, dan wordt daaruit afgeleid dat de geadresseerde stilzwijgend aanvaard heeft dat wat in de factuur door de opsteller ervan wordt geaffirmeerd, overeenstemt met de overeenkomst, zodat ze geldt als bewijs van wat aan de opsteller van de factuur toekomt en van de overeenstemmende betalingsverbintenis van de geadresseerde.

Op de handelaar rust dienvolgens de verplichting om een onjuiste factuur te protesteren binnen een korte termijn, d.w.z. de termijn die daartoe redelijkerwijze nodig is, gelet de aard van de overeenkomst en de complexiteit van de gegevens van de factuur.

De rechtbank stelt vast dat geen van de ingevorderde facturen door verweerster op hoofdeis tijdig betwist werd, minstens dat zij het bewijs van een dergelijke betwisting niet levert.

De stukken bijgebracht door verweerster op hoofdeis betreffen werven die geen uitstaans hebben met de huidige hoofdeis. M.b.t. de ingevorderde facturen is er voor huidige procedure nooit enige betwisting geweest, noch mondeling, noch schriftelijk.

Het protest van verweerster op hoofdeis is dan ook laattijdig.

Nu eiseres op hoofdeis nooit een tijdig en concreet protest mocht ontvangen met betrekking tot de litigieuze facturen, met duidelijke vermelding van wat en hoeveel er precies onjuist werd gefactureerd, dienen de thans door deze partij ingevorderde facturen en de erin vermelde algemene voorwaarden dan ook bij gebrek aan tijdig en voldoende concreet protest, uitgeschreven tussen handelaars, als volstrekt gekend en aanvaard te worden beschouwd in hoofde van verweerster op hoofdeis.

Alle post factum door de laatstgenoemde partij geformuleerde bezwaren moeten worden beschouwd als te laat ingediend, niet meer ter zake dienend en dienvolgens ongegrond.
(…)

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 13/06/2011 - 21:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.