bewijslast
artikel 1315 BW: Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet daarvan het bestaan bewijzen enhij die beweert bevrijd te zijn, moet het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.
artikel 870 Gerechtelijk Wetboek: Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.
En wat in geval van twijfel? Prof. Benoit Allemeersch wijst er duidelijk op dat de onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering in aanmerking moeten worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt ( Cass. 17 september 1999, Arr. Cass. 1999, 1119. Raadpl. M. CLAVIE, “La charge de la preuve: questions choisies en matière contractuelle”, in E. MONTERO (ed.), La preuve, Luik, Formation permanente CUP, 2002, 5 e.v.)
Bewijsregels zijn evenwel niet absoluut. Sinds de aanvaarding van het principe van procesloyauteit en de verplichting tot medewerking van alle partijen aan de bewijslast is de houdingen tussen procespartijen onderling en tussen rechter en partijen dusdanig veranderd zijn dat niemand zich nog achter de regels van de bewijslast kan verschuilen om een passieve houding aan te nemen. Die gewijzigde verhoudingen hebben te maken met twee belangrijke inzichten van de moderne procestheorie. Het eerste inzicht is dat partijen verplicht zijn loyaal mee te werken aan de bewijsgaring, ongeacht of zij de bewijslast dragen of niet – een stelling die een breed draagvlak geniet. Het tweede is dat de rechter, van zijn kant, een actieve rol in de waarheidsvinding heeft en zijn initiatiefrecht zelfs mag uitoefenen indien het resultaat ervan ten gunste komt van een partij die eigenlijk de bewijslast draagt (Zie Benoit Allemeersch in Stand van zaken en tarijke ontwikkelingen in het Bewijsrecht). De vraag wordt dus niet meer echt wie het bewijs dient te leveren aan het begin van het proces (omdat alle partijen aan de bewijsvoering, maar wie de sigaar wordt indien het bewijs, ondanks deze medewerking van alle partijen en de actieve rol van de rechter niet geleverd wordt.
Aldus wordt nog eens duidelijk gemaakt dat het recht des mensens is en niet met absolute rechtvaardigheid samenvalt omdat hiervoor de waarheid absoluut dient gekend te zijn en bij gebreke hieraan regels worden uitgewerkt die algemeen aanvaard worden en waarbij de burger aanvaardt hoe er zal gehandeld worden wanneer de waarheid onbekend of onbewezen blijft. Als er een God bestaat die almachtig is en zich bezig houdt met recht, beschikt hij of zij daarentegen over alle kennis en dus alle mogelijkheden om met alle kennis van zaken te oordelen. Maar zolang wij mensen zijn en wij als mensen het recht bedrijven blijven wij beperkt tot conventies die we recht, in casu bewijsrecht heten.
Bewijslast en bewijsleer staat ook in rechtstreekse verband met het beginsel van het beginsel van het rechtsvertrouwen, Het rechtsvertrouwen, dat in zekere mate kan gelijkgesteld worden met het rechtzekerheidsbeginsel houdt het geloof en het vertrouwen in van de samenleving dat het recht zo dicht mogelijk de waarheid en de rechtvaardigheid benadert, waardoor eigenrichting zinloos wordt en men vertrouwen kan stellen in een correcte justitie op basis van de werkelijkheid en "de waarheid". De burger heeft het recht op een menselijke justitie in plaats van op een klinische digitale beoordeling alwaar soms onbevattelijke regeltjes de waarheid en het recht kunnen verslaan. De menselijke justitie dient aldus voortdurend een inspanning te leveren tot een volwaardige waarheidsvinding, weze het beperkt door de proceseconomie die uitgeblanceerd dient toegepast en het recht op een eerlijk proces. Wanneer de maatschappij en dus de rechtsorde van de burger correctheid, conformi handelen aan de wet en de goede trouw verwacht, dient Justitie ook in staat te zijn om deze loyauteit in de rechtspleging tot uiting te brengen.
Rust in de maatschappij vergt dat conflicten kunnen beëindigd worden. Maar mogen we niet een stap verder gaan door te stellen dat we met alle mogen middelen moeten betrachten dat justitie een conflict correct en conform het rechtsvertrouwen wordt beslecht.
Dea ctieve rol van de rechter in het proces vergt dat een rechter recht moet spreken niet ten aanzien van de horigen van het recht, maar ten aanzien van de klanten van het recht en dit in de volle betekenis van het woord, wat neerkomt op het recht ten volle toepassen, ook wanneer de partijen zelf het probleem niet volledig doorgrond hebben, op een feitelijke context die zo goed als redelijkerwijs mogelijk op zijn waarachtigheid getoetst werd. "Justice must not only be done but also seen to be done, ", weze deze uitspraak hier gebruikt in een andere dan de gebrukelijke context. zie B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Antwerpen, Intersentia, 2007, 583.
Cass. 25 september 2000, Arr. Cass. 2000, 1424 en P&B 2001, 114, noot B. Allemeersch:. "In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat een rechter niet kan weigeren een onderzoeksmaatregel te bevelen op de enkele grond dat hij hierdoor de bewijslast ten voordele van de verzoekende partij zou verschuiven".
De eiser draagt de bewijslast van de door hem ingeroepen eis. (actori incumbit probatio). De verweerder draagt de bewijslast van zijn verweer (reus in exipiendo fit actor).
Wetgeving art. 1315 BW en 870 Ger. W. .
Slaagt de eiseres in zijn bewijslast en faalt de verweerder in zijn bewijslast tot verweer dan wordt de vordering principieel ingewilligd.
Dit is evenwel een te grote vereenvoudiging, die misschien een goede samenvatting was van de bewijsregels het Romeins recht maar die als simplificatie vandaag niet meer kan standhouden. Vooreerst is de rechter gevat door de feiten en niet door het recht en kan een verkeerde voorstelling van het recht door een van de partijen resulteren in een totaal onverwachte beslissing of kan de rechter het voorgelegde geschil via een totaal andere invalshoek benaderen, waarbij de relevantie van bepaalde bewijsmiddelen totaal vervalt.
Anderzijds mag men niet vergeten dat de rechter ervan uitgaat dat de verweerder die verstek laat verondersteld wordt de vordering te betwisten waardoor het meermaals gebeurd dat een eiser die op verstek een bepaalde vordering instelt in afwezigheid van enig verweer zijn vordering toch afgewezen ziet. Dit is een heel duidelijke toepassing van de afbakening van de rechten van de procespartijen. De rechter krijgt de feiten van de eiser. De rechter wordt verondersteld het recht te kennen, de verweerder verschijnt niet en de rechter oordeelt op basis van het recht en ziet er derhalve na of de eis zoals door de eiser aangebracht kan worden toegekend op basis van een rechtsgrond enerzijds en zijn bewijslast anderzijds.
De oude rechtsregel dat niemand kan verplicht worden tegen zichzelf te pleiten (bewijzen), is er geen rechtsregel meer van het huidige recht. De procesloyaliteit vereist dat elke partij gehouden is mee te werken aan het onthullende waarheid en dat geen partij vanuit een gemakkelijke stoel kan toezien hoe een andere partij faalt in haar bewijslast, wanneer kan worden aangetoond of verondersteld dat deze lakse partij beschikt over bewijsmiddelen. Hierbij weze artikel 871 van het gerechtelijk wetboek herhaald waardoor de rechter elke partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat hij bezit over te leggen.
De medewerking aan de bewijslast (relevante wetgeving artikel 870-876 gerechtelijk wetboek)
Het Hof van Cassatie heeft een en ander verwoord in de erkenning van een algemeen rechtsbeginsel zoals ingeschreven in artikel 870 en 871 gerechtelijk wetboek volgens het welk de partijen verplicht zijn mee te werken aan de bewijsvoering (cassatie 25 september 2000, A.C. 2000, 490, Pas., 2000,I, 490). Maar de rechter blijft beschikken over het opportuniteitsoordeel om al dan niet in te gaan op een vraag van de tegenpartij om een bepaald bewijsmiddel voor te leggen. Toch is zijn appreciatiebevoegdheid dienaangaande beperkt en kan hij een en ander niet weigeren omdat hierdoor de bewijslast zou worden omgedraaid (Cass. 25 september 2000, A.C. 2000, 490). Bij zijn oordeel zal de rechter afwegen of het gevorderde bewijs al dan niet rechtmatig is en opportuun is, lees nuttig om tot beslechting van het geschil te komen. Dit zou het geval zijn wanneer er reeds bij voorbaat vaststaat dat het gevorderde bewijs weinig zou bijdragen aan het reeds geleverde bewijs. Tenslotte kan de rechter oordelen dat een en ander op proceseconomische redenen niet onmiddellijk relevant is en het geschil slechts nodeloos zou vertragen omdat hij bijvoorbeeld reeds beschikt over voldoende elementen om te oordelen, dan wel omdat het gevorderde buiten alle proporties zou staan doordat hierdoor de privacy van derden zou dienen worden geschonden of professionele geheimen zouden dienen worden bloot gegeven.
Vanzelfsprekend zal de rechter te weigeren een wederpartij de veroordeelden een bepaald bewijs te leveren wanneer de partij die zulks vordert zelf gemakkelijk, dit bewijs (gemakkelijk dan wel zonder extreme inspanningen) kan leveren (vb. vordering tot neerlegging van de publicatie in het burgerlijk staatsblad)
Wanneer een partij vordert op een bepaald bewijsstuk door de andere partij wordt voorgelegd dient zij ook duidelijk te omschrijven welke bewijsmiddelen zijn vordert en naar welke feiten zij op zoek gaat.
De overlegging van stukken
Uitreksel het gerechtelijk wetboek:
Art. 877. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.
Art. 878. Indien een derde he t stuk onder zich heeft, verzoekt de rechter deze vooraf het origineel of een afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging te voegen op de wijze en binnen de termijn die hij bepaalt.
De derde kan zijn opmerkingen bij geschrifte of in raadkamer voordragen.
De partijen mogen er inzage van nemen en er op antwoorden.
Het verzoek van de rechter wordt door de griffier aan de derde gezonden bij gerechtsbrief.
Art. 879. Het vonnis waarbij de overlegging van het origineel of van een afschrift van een stuk wordt bevolen, vermeldt de identiteit van de partij of van de derde die het moet overleggen en bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn dit moet geschieden.
Indien het stuk in afschrift moet worden overgelegd, vermeldt het vonnis bovendien de overheid die de juistheid ervan moet bevestigen en, indien daartoe grond bestaat, het voorschot dat de eiser in het tussengeschil in handen van de griffier moet storten.
Art. 880. Het vonnis wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan partijen en in voorkomend geval aan de derde.
Het is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
Art. 881. De Koning stelt regels omtrent de inning en de eventuele teruggave van het in artikel 879 bedoelde voorschot, alsmede omtrent de betaling van de kosten van afschrift.
Art. 882. Partijen of derden die zonder wettige reden nalaten het stuk zelf of het afschrift over te leggen volgens de beslissing van de rechter, kunnen worden veroordeeld tot zodanige schadevergoeding als behoort.
Art. 882bis. <ingevoegd bij W 2006-07-10/39, art. 26; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2009> Onverminderd de toepassing van de voorgaande bepalingen kan de rechter bij wie een betwisting van het reëel karakter of de duur van het disfunctioneren van het Phenix-systeem krachtens artikel 52, derde lid, aanhangig is gemaakt, het beheerscomité, dat bedoeld is in artikel 15 van de wet van 10 augustus 2005 tot oprichting van het informatiesysteem Phenix, bij een beslissing, alle informatie vragen die nuttig is voor de beslechting van die betwisting.
Het beheerscomité deelt de rechter binnen acht dagen na ontvangst van de door de griffier bij gerechtsbrief bezorgde beslissing een antwoord mede, overeenkomstig artikel 46, § 4.
Dat antwoord wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen en, in voorkomend geval, bij gewone brief van hun advocaten.
De partijen kunnen, binnen acht dagen na de verzending van de gerechtsbrief, hun opmerkingen aan de rechter toezenden.
Binnen acht dagen na het verstrijken van de bij het vierde lid bepaalde termijn of in, voorkomend geval, bij dezelfde beslissing als die welke de rechter wijst over de grond van de zaak, doet hij uitspraak op stukken. Indien hij het echter nodig acht de partijen te horen, worden deze binnen acht dagen bij gerechtsbrief opgeroepen. In dat geval doet hij uitspraak binnen acht dagen na de zitting of, in voorkomend geval, bij dezelfde beslissing als die welke hij wijst over de grond van de zaak.
Tegen de beslissing van de rechter het beheerscomité te ondervragen, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
Rechtsleer:
Benoît Allemeersch, Bewijsrecht, Larcier 2007 inhoudstafel
Artikel 871 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De rechter kan niettemin aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen."
Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd."
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
