-A +A

Blijvende arbeidsongeschiktheid blijvende invaliditeit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Na een schadeverwekkend feit met lichamelijk letsel, wordt een slachtoffer soms ook geconfronteerd met een blijvende arbeidsongeschiktheid. Deze kan geheel of gedeeltelijk zijn en soms zelfs zeer miniem.

De schadeverwekker is tot volledige schadevergoeding verplicht en dus ook tot de vergoeding van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid in al haar facetten. Indien deze concreet becijferbaar is, is deze volledige becijferde vergoeding verschuldigd mits bewezen en correct bevonden.

Maar veelal is het moeilijk zoniet onmogelijk om bewijsstukken te verzamelen of een precieze schadebegroting te maken. Anderzijds vergt een dergelijke rekenoefening een hulpmiddel uit de praktijk. Daarom wordt bij de schaderegeling vaak de indicatieve tabel gebruikt als hulpmiddel of leidraad.


In praktijk richten de rechtbanken zich tot dit tarificatiesysteem dat ontwikkeld werd door de rechtsleer en de rechtspraak, uitgewerkt in de zogeheten indicatieve tabel.

Deze tabel is evenwel slechts een richtlijn waarvan de rechtbank steeds kan afwijken. De indicatieve tabel is dus noch een minimum of maximumtarificatie, noch een bindend voorschrift.

De schade die hier wordt bedoeld is het toekomstige, te verwachten verlies van arbeidsvermogen ingevolge een psychische en fysieke aantasting. Om dit verlies vast te stellen moet eerst worden uitgemaakt hoeveel de getroffene in de toekomst zou verdiend hebben zonder de schadeverwekkende oorzaak. Daarna moet worden nagegaan hoeveel hij in werkelijkheid nog zal kunnen verdienen.

Het verschil tussen beide is de schade. De schade wordt begroot op het ogenblik van de uitspraak. Derhalve moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het verleden en de toekomstige schade. Het scharniermoment, namelijk de overgang van verleden naar toekomstige schade moet vastgesteld worden op het vermoedelijke tijdstip van de uitspraak die kan verschillen naargelang hetgeschil in eerste aanleg of in hoger beroep wordt behandeld.

Inkomensverlies ingevolge blijvende arbeidsongeschiktheid dat reeds werd geleden vóór de uitspraak moet immers bewezen worden.
 

Wijzen van schadeloosstelling

1. Kapitalisatie - splitsingsmethode

Kapitalisatie is een manier van berekenen van toekomstige schade. Het is de meest gebruikte methode voor de berekening van doorlopende vermogenschade uit overlijden en belangrijke percentages van blijvende invaliditeit of ongeschiktheid waardoor het inkomen of de economische waarde van het slachtoffer wordt aangetast.

Het is de omzetting in een kapitaal van de toekomstige reeks van al de jaarlijkse of maandelijkse te vervallen rente (zoals een loon) over de vermoedelijke periode waarover de vergoeding verschuldigd is.

De rechter moet zich stellen op het ogenblik van zijn uitspraak.

Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de tot dan geleden schade en de schade die voortloopt na de uitspraak. Enkel deze laatste schade kan door kapitalisatie berekend worden. Het in aanmerking te nemen basisloon (te bewijzen aan de hand van stukken) is het loon van de laatste periode voorafgaand aan de uitspraak.

Als basisloon bij inkomensverlies wordt het nettoloon genomen, met voorbehoud voor de fiscale en sociale lasten op de vergoeding.

De te hanteren kapitalisatiecoëfficiënt wordt bepaald in functie van de gegevens op het ogenblik van de uitspraak, niet deze van de consolidatiedatum of een andere datum uit het verleden. Rekening moet worden gehouden met het feit dat de pensioengerechtigde leeftijd van vrouwen progressief wordt opgetrokken tot 65 jaar.

Bij het berekenen van vergoedingen voor toekomstige schade begeeft men zich op onzeker terrein waarbij zowel de levensduur van het slachtoffer, de veronderstelde toekomstige intrest en de muntontwaarding assumpties zijn die ertoe leiden dat het resultaat, het te ontvangen kapitaal als vergoeding, veelal fout is. Indien de schadelijder deze vorm van vergoeding wenst moet het kapitaal zo berekend worden dat het slachtoffer niet geconfronteerd wordt met een uitputting van zijn vergoeding vooraleer de vergoedbare periode verstreken is.
 

De logica gebiedt bij de keuze tussen tabellen met maandelijkse dan wel jaarlijkse uitkeringen te opteren voor dezelfde periodiciteit als de vervallen schade: voor inkomensverlies zijn dat de tabellen met maandelijkse uitkeringen.

Het enige alternatief dat geen rekening houdt met veronderstellingen maar wel met een reële levensduur en evoluerende renten zijn rente-uitkeringen of de geïndexeerde rente.

Wordt deze rente-uitkeringen niet gevraagd en wordt rekening gehouden met een onbepaalde  levensverwachting dan is de lijfrente te verkiezen is boven de ‘zekere’ annuïteiten omdat de levensverwachting in de lijfrente actuarieel in aanmerking wordt genomen.

Kiest de schadelijder toch voor ‘zekere’ annuïteit dan zal dit bij een vaste duurtijd zoals de pensioenleeftijd, meer kans geven dat zijn kapitaal niet uitgeput is vooraleer die leeftijd wordt bereikt.


1.1  Rentevoet

Zich steunende op de formule van kapitalisatie (rentevoet is gelijk aan de reële rentevoet verminderd met inflatie en belastingen) en het feit dat rentepeilen in de toekomst moeilijk voorspelbaar zijn, neemt de werkgroep van de indicatieve tabel aan dat voor 2004-2005 kapitaliseren aan een rentevoet van 3 % verantwoord is.

Wanneer de termijn waarover de rente (de periodieke vergoeding) moet worden betaald, relatief lang is, moet volgens de voormelde werkgroep rekening worden gehouden met de veiligste beleggingsmethoden. Deze hebben traditioneel het laagste nettorendement. Omdat ook rekening moet gehouden worden met een verwachte inflatie in 2004 van 1,40 % en de nog bestaande roerende voorheffing van 0,9 % op een renteopbrengst van OLO’s 10-20 jaar van gemiddeld 4,5 % is het nog verantwoord 3 % als rentevoet voor kapitalisatie te hanteren.

Bedoeling van de kapitalisatie is dat, mits belegging van het ontvangen kapitaal aan de voor de berekening gebruikte rentevoet, het slachtoffer in staat is om jaarlijks/ maandelijks, over de volledige voor vergoeding in aanmerking komende periode, het bedrag van de periodieke rente te kunnen opnemen.

Hoe hoger de in aanmerking genomen rentevoet, hoe lager de vergoeding.

1.2. Sterftetabellen

Hierbij dienen steeds de meest recente overlevings- of sterftetafels gebruikt. De laatste gepubliceerde tafels op het ogenblik van de opstelling van de indicatieve lijst 2004, zijn die van 2001. Momenteel moeten de laatst gepubliceerde jaarlijkse tafels door het Nationaal instituut voor de statistiek (NIS) niet gecorrigeerd worden.

2. Geïndexeerde rente

Deze vorm van schadevergoeding kan in sommige zware schadegevallen een juistere vergoeding van schade betekenen doordat het slachtoffer, jaarlijks of maandelijks, over de volledige periode waarin de vergoedbare nood bestaat, een (periodiek herzienbaar, eventueel geïndexeerd) bedrag ontvangt. Het voordeel voor het slachtoffer is dat de ontvangen vergoeding dichter aansluit bij de economische toestand en precies de realiteit van de hulpbehoevendheid volgt, anders dan bij kapitalisatie waar steeds rekening wordt gehouden met de kans van een tussentijds overlijden. Nodig is wel dat de debiteur over de nodige solvabiliteit beschikt, gezien de periode waarover moet worden betaald .

Door het toekennen van dergelijke rente kan het slachtoffer tegen zichzelf (of tegen zijn naasten) beschermd worden. Het voordeel voor de debiteur (verzekeraar) is dat hij niet langer betaalt dan nodig.

3. Vergoeding per punt of percentage blijvende arbeidsongeschiktheid/blijvende invaliditeit

Hier moet rekening worden gehouden met de impact van de letsels op de totaliteit van de activiteiten van het slachtoffer.
 

De basis is de leeftijd op de datum van de consolidatie. Bij ongeschiktheden ≤ 15 % worden in de indicatieve lijst 2004 de hierna voorgestelde bedragen worden toegepast, rekening houdend met de ernst, de impact en de graad van de restletsels.

Bij een lager percentage kan er gekapitaliseerd worden als er zekerheid bestaat dat deze letsels een belangrijke en onafwendbare vermindering van het arbeidsvermogen op lange termijn met zich meebrengen.

De materiële en morele schade in geval van blijvende ongeschiktheid wordt in de indicatieve tabel 2004 vergoed volgens volgende tabel:ftijd slachtoffer Geactualiseerde bedragen

< 15 jaar € 2.000,-

< 25 jaar € 1.875,-

< 30 jaar € 1.750,-

< 35 jaar € 1.750,-

< 40 jaar € 1.625,-

< 45 jaar € 1.500,-

< 50 jaar € 1.375,-

< 55 jaar € 1.250,-

< 60 jaar € 1.125,-

< 65 jaar € 875,-

< 70 jaar € 750,-

< 75 jaar € 625,-

< 80 jaar € 500,-

< 85 jaar € 375,-

> 85 jaar € 250,-

Bij blijvende ongeschiktheid wanneer de materiële schade niet forfaitair begroot werd, wordt de morele schade bepaald op basis van de helft van de bedragen vermeld in bovenstaand tabel.

In de gevallen van blijvende invaliditeit, dit is zonder meerinspanning in het huishouden en professioneel leven, wordt als morele schade de helft van de bedragen uit bovenstaande tabel in aanmerking genomen.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.