-A +A

conclusietermijn art. 747 §2

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer over de concrete toepassing en de sancties mbt art. 747 Ger. Wetboek, Zie kanttekening van Stefan Van der jeught in R.W. 2006-2007, 617

 

 

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 747
§ 1
De partijen kunnen op de inleidingszitting en op elke latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken.
De rechter licht de partijen die conclusietermijnen wensen af te spreken in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.
De rechter neemt akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaalt de rechtsdag overeenkomstig § 2, derde lid. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier geeft de partijen en hun advocaten kennis van deze beschikking overeenkomstig § 2, vierde lid.

§ 2
Onverminderd de toepassing van de regels inzake het verstek, kunnen de partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, in voorkomend geval in de gedinginleidende akte, aan de rechter en aan de andere partijen hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak bezorgen, uiterlijk binnen de maand na de inleidingszitting. Deze termijn kan door de rechter worden verkort ingeval dat noodzakelijk is of de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.

Zij kunnen eveneens in onderlinge overeenstemming afwijken van deze instaatstelling van de zaak en om de verwijzing ervan naar de rol verzoeken en, als de omstandigheden het toelaten, om verdaging tot een bepaalde datum.
Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen. Afhankelijk van de datum van de pleitzitting, die, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden bepaald, uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt, bepaalt de rechter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.

Tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open. De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving in de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag, deze beschikking ambtshalve dan wel op, zelfs mondeling, verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier brengt de beschikking bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten, en bij gerechtsbrief van de niet verschenen partij.

Wanneer de zaak naar de rol is verwezen, of werd verdaagd naar een latere datum, kan iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak verzoeken, overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Dit verzoek wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten. Deze kennisgeving doet de termijnen bepaald in het eerste en het derde lid ingaan.

Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak gewezen is.
In geval van onsplitsbaarheid van het geschil en onverminderd de toepassing van artikel 735, § 5, moet deze paragraaf worden toegepast wanneer een of meer partijen verstek laten gaan, terwijl ten minste één partij verschijnt.

§ 3
Voor de rechter in kort geding, voor de voorzitter van de als in kort geding zetelende rechtbank en voor de beslagrechter bedraagt, in afwijking van de vorige paragrafen, de termijn waarover de partijen beschikken om hun opmerkingen te doen gelden ten hoogste 5 dagen, en de termijn waarbinnen de rechter het tijdsverloop dan wel de instemming daarmee van de partijen aantekent ten hoogste 8 dagen. De rechter kan die termijnen inkorten of afschaffen indien de omstandigheden zulks verantwoorden.
De griffier geeft uiterlijk de eerste werkdag volgend op die waarop de beschikking werd gewezen, bij gewone brief kennis van de beschikking aan de partijen en in voorkomend geval aan hun advocaat, alsmede bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij, tenzij de partijen hem van die kennisgeving vrijstellen.

Rechtspraak:

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 12 juni 2008? RW, 2008-2009, 931, met noot NOOT – Conclusietermijnen die verstrijken op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag, worden verlengd tot de eerstvolgende werkdag link naar deze rechtspraak en noot

De neerlegging van de conclusie ter griffie en de gelijktijdige toezending ervan aan de tegenpartij zijn proceshandelingen in de zin van art. 48 Ger. W., zodat de door de rechter overeenkomstig (het oude) art. 747 Ger. W. bepaalde termijn die verstrijkt in het weekend of op een wettelijke feestdag overeenkomstig art. 53 Ger. W. wordt verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.


I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 19 december 2006 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens het toepasselijke art. 745, eerste lid, Ger. W. worden alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden tezelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd.

Krachtens het toepasselijke art. 747, § 2, vijfde lid, Ger. W., bepaalt de voorzitter of de door hem aangewezen rechter de termijnen om conclusie te nemen en de rechtsdag.

Krachtens het toepasselijke zesde lid van diezelfde bepaling worden, onverminderd de toepassing van de uitzonderingen bedoeld in art. 748, §§ 1 en 2, de conclusies die zijn overgelegd na het verstrijken van de termijnen in het voorgaande lid, ambtshalve uit het debat geweerd.

2. Wanneer de rechter met toepassing van voormelde bepaling termijnen bepaalt om conclusie te nemen, moeten telkens zowel de neerlegging van de conclusie ter griffie als de gelijktijdige toezending ervan aan de tegenpartij binnen de bepaalde termijn plaatsvinden.

3. Krachtens art. 53 Ger. W. wordt de vervaldag van de termijnen voor het verrichten van proceshandelingen verplaatst op de eerstvolgende werkdag, wanneer de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is.

4. De neerlegging van de conclusie ter griffie en de gelijktijdige toezending ervan aan de tegenpartij zijn proceshandelingen in de zin van art. 48 Ger. W., zodat de door de rechter bepaalde termijn die verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag overeenkomstig art. 53 Ger. W. wordt verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

5. De appelrechters stellen vast dat:

– de overeenkomstig art. 747, § 2, Ger. W. bepaalde termijn voor de eisers om conclusie te nemen verstreek op 15 juli 2006;

– de eisers hun conclusie pas op 17 juli 2006 ter griffie hebben neergelegd;

– de eisers hun conclusie op 18 juli 2006 aan de tegenpartij(en) hebben overgelegd.

De appelrechters beslissen deze conclusie, omdat ze naar hun oordeel te laat ter griffie werd neergelegd, uit het debat te weren.

6. De appelrechters die aldus de datum voor de neerlegging van de conclusie van de eisers niet verplaatsen op maandag 17 juli 2006, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

 

• HOF VAN CASSATIE 16/03/2006 RABG 2006/11, 845

1. Wanneer de rechter krachtens artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek termijnen bepaalt om conclusie te nemen, moet de conclusie die na het verstrijken van de bepaalde termijn is overgelegd ambtshalve uit het debat worden geweerd.
Dit artikel heeft niet de strekking dat een partij die nalaat binnen de aldus bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor het recht verbeurt om binnen de voor haar bepaalde daaropvolgende termijn een conclusie te nemen.
2. Het arrest stelt vast dat ter terechtzitting van 16 maart 2004 het akkoord van de partijen om te concluderen als volgt werd geacteerd:
- de verweerders: uiterlijk op 25 maart 2004
- de eiser: uiterlijk op 25 mei 2004
- de verweerders: uiterlijk op 25 juli 2004
- de eiser: uiterlijk op 25 september 2004
- de verweerders: uiterlijk op 25 oktober 2004
Het arrest stelt verder dat:
- de eerste conclusie neergelegd op 9 maart 2004 door de verweerder, op 16 maart 2004 door de verweerster en op 25 mei 2004 door de eiser tijdig zijn;
- de aanvullende conclusie van de verweerster is neergelegd op 26 juli 2004, dus na het verstrijken van haar tweede termijn doch voor het verstrijken van haar derde termijn en de eiser zijn laatste conclusie binnen zijn laatste termijn op 24 september 2004 heeft kunnen neerleggen.
3. Het arrest beslist dat de verweerster terecht betoogt dat zij over een conclusietermijn beschikte tot 25 oktober 2004 en de eiser op haar conclusie heeft geantwoord en dat er aldus geen wettige reden voorhanden is om enige conclusie uit het beraad te weren.
4. Het arrest schendt zodoende artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek niet.
5. Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.

Balieregelementering

GERECHTSBRIEF - TOEPASSING VAN DE ARTIKELEN 730 § 2B, 747 § 2, 748 § 2,
751, 753, 803 EN 804 GER.W.
Reglementen van 15 januari 1981, 3 december 1992, 28 januari 1993, 30 juni 1994 en 2 maart 1995.
Aangezien de verscheidenheid van de regels en gebruiken van de Belgische balies inzake de toepassing van de artikelen 747 § 2, 748 § 2, 751, 753 en 804 van het Gerechtelijk Wetboek de betrekkingen tussen de leden van de verschillende balies kan beïnvloeden ;
Aangezien het past er eenheid in te brengen krachtens artikel 494 van het GerechtelijkWetboek ;
Stelt de algemene raad van de Belgische Nationale Orde van Advocaten het volgendreglement vast :
Artikel 1
(Gewijzigd bij reglement van 30 juni 1994) De advocaat die toepassing wenst te vragen vande artikelen 747 § 2, 748 § 2, 751 en 753 van het Gerechtelijk Wetboek moet dit vooraf schriftelijk melden aan de advocaat van de partij die niet verschenen is of geen conclusie heeft genomen.
Artikel 2
(Gewijzigd bij reglement van 30 juni 1994) De advocaat die toepassing heeft gevraagd van de artikelen 747 § 2, 748 § 2, 751 en 753 van het Gerechtelijk Wetboek, moet de advocaat van bedoelde partij naargelang het geval tijdig en schriftelijk de ontvangst van de verwittiging of de beschikking en de datum van de rechtsdag melden.
Artikel 3
(Gewijzigd bij reglement van 30 juni 1994) Indien de ene of de andere advocaat bij toepassing  van artikel 751 § 2, alinea 2 of 3 van het Gerechtelijk Wetboek de zaak naar de rol wil laten verzenden, dient hij dit tijdig te melden aan zijn confrater.
Artikel 4
(Afgeschaft bij reglement van 2 maart 1995)
Artikel 5
(Gewijzigd bij reglement van 30 juni 1994) De advocaat die een vonnis wil vorderen met toepassing van de artikelen 730 § 2 b), 803 en 804 Ger.W., moet de advocaat van de betrokken partij dit tijdig en schriftelijk melden.

Rechtsleer: Is artikel 747 Ger. W. van toepassing op de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbank? (voor en na de wet van 26 april 2007), Marie MELIS, RW 2008-2009, 178;

Het antwoord ,wordt ontkennend beantwoord in Brussel, Mechelen en Leuven(infra) doch bevestigend in Antwerpen en Turnhout.

Rechtspraak:

Hof van Beroep te Brussel,  Jeugdkamer – 3 oktober 2007, 2008-2009, 199

Samenvanttig: De regels art. 747 en 748 Ger. W., zowel in de oude als in de nieuwe versie, zoals gewijzigd door de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet verenigbaar met de wettelijke bepalingen en de rechtsbeginselen die specifiek zijn voor de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbanken.

Derhalve is de in art. 747 en 748 Ger. W. bedoelde conclusiekalenderregeling  niet toepasselijk op de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbank en voor de jeugdkamer van het hof van beroep.

P.B. t/ G.V.D.W.

...

De regels van het Gerechtelijk Wetboek worden in de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbanken niet toegepast wanneer deze rechtsplegingen inzake jeugd zijn onderworpen aan afwijkende wettelijke bepalingen of rechtsbeginselen die niet te verenigen zijn met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek (art. 2 Ger. W. en art. 62 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming).

De vaststelling van de zaken in jeugdaangelegenheden wordt geregeld door art. 51 en art. 58 van de wet van 8 april 1965, waaruit kan worden afgeleid dat, net zoals in alle zaken ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak (art. 1034sexies Ger. W.), het de griffier is die de partijen oproept, in overleg met de rechter. De zitting wordt dus bepaald op initiatief van de rechter en niet van de partijen.

Ook de regels van de instaatstelling van de burgerlijke zaken, opgenomen in art. 747 en 748 Ger. W., zowel in de oude als de nieuwe versie, zoals gewijzigd door de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand (B.S. 12 juni 2007), zijn niet verenigbaar met de wettelijke bepalingen en de rechtsbeginselen die specifiek zijn voor de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbanken, en dit om verschillende redenen:

1o Het nieuwe art. 747 Ger. W. bepaalt dat de partijen hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak kunnen bezorgen uiterlijk binnen een maand na de inleidingszitting, en dat de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging uiterlijk zes weken na de inleidingszitting bepaalt.

Dit systeem onderstelt het bestaan van een «inleidingszitting» in de zin als bedoeld in het Gerechtelijk Wetboek, zijnde een zitting waarbij de griffier de zaken afroept in de volgorde waarin zij op de algemene rol zijn ingeschreven (art. 727 Ger. W.), waar partijen verschijnen hetzij in persoon, hetzij bij advocaat (art. 728 Ger. W.), of deze verschijning kunnen vervangen door een schriftelijke verklaring van verschijning (art. 729 Ger. W.).

In de procedurele bepalingen van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming bestaat een dergelijke inleidingszitting echter niet.

De eerste zitting voor de jeugdrechtbank of de jeugdkamer van het hof van beroep heeft een andere logica, omdat de rechtbank «de partijen poogt te verzoenen». «Zij verstrekt hen alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de bemiddeling» (art. 387bis B.W.). Deze verzoeningspoging en de informatie aan de partijen verliezen alle pertinentie en alle nut indien zij pas plaatsvinden op een pleitzitting na de wisseling van de conclusies van de partijen. In de logica van deze bepaling is het nodig dat op de eerste zitting voor de jeugdrechtbank – althans wanneer deze oordeelt in het raam van een vordering inzake ouderlijk gezag – de partijen in persoon zouden verschijnen, al dan niet bijgestaan door hun advocaat, en dit zelfs indien zij van mening zijn dat de zaak niet in staat is. Het is de rechter niet mogelijk partijen die niet aanwezig zijn trachten te verzoenen.

2o Het systeem van art. 747 en 748 Ger. W. is niet verenigbaar met de actieve rol van de jeugdrechter. De jeugdrechtbanken hebben nooit gewerkt in een systeem waarin de vooruitgang van de zaken afhangt van de ijver van de partijen. Sinds 1965 heeft de wetgever in jeugdaangelegenheden een actieve rechter vooropgesteld, die «alle maatregelen treft en het onderzoek doet verrichten dat nodig is om de persoonlijkheid van de betrokkene en het milieu waarin hij wordt grootgebracht, te kennen en om uit te maken wat zijn belang is en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn» (art. 50 Jeugdbeschermingswet), welke zelf de zaken op zitting laat vaststellen zonder te wachten op een vaststellingsvraag van de partijen (art. 51 en 58 Jeugdbeschermingswet) en die te allen tijde de partijen en ook andere personen kan oproepen in zijn kabinet (art. 51 Jeugdbeschermingswet) of kan bevelen dat de partijen persoonlijk verschijnen (art. 54 Jeugdbeschermingswet).

Deze bepalingen moeten het de rechter mogelijk maken snel en efficiënt op te treden telkens als het nodig is.

Deze actieve rol is overigens gerechtvaardigd door de bijzonderheden van de jeugdprocedure in de mate dat deze er niet alleen toe strekt recht te spreken over de rechten en de belangen van de partijen, maar ook en hoofdzakelijk het belang van derden, namelijk het kind, te bepalen. Dit rechtvaardigt ook het vorderingsrecht van het openbaar ministerie (art. 387bis B.W.).

De wijzigingen aangebracht aan het Gerechtelijk Wetboek door de wet van 26 april 2007 hebben weliswaar aan de burgerlijke rechter een actievere rol toebedeeld. Niettemin blijft de actieve rol van de jeugdrechter nog verschillend van die bepaald in de nieuwe wet.

Voor de jeugdrechtbank bestaat er immers geen absoluut recht om conclusies op te stellen, ook al zal deze mogelijkheid in de meeste gevallen wel aan de partijen worden toegekend. Er bestaat ook geen absoluut recht voor de partijen om gezamenlijk de verzending naar de rol te vragen.

De jeugdrechter moet in ieder geval het recht van de verdediging van elke partij voor ogen houden, maar de wijze waarop dit gebeurt, is gebonden aan de eigenheid van de zaak en de noodzaak die eruit voortkomt.

De specificiteit van de procedure voor de jeugdrechtbank werd opnieuw beklemtoond door de wet van 18 juli 2006 tot bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (B.S. 4 september 2006), waarin de wetgever heeft beslist dat de jeugdrechtbank «zelfs ambtshalve» op de eerste zitting een voorlopige regeling kan treffen over de toestand van de partijen of een onderzoeksmaatregel kan bevelen (art. 387bis B.W.). Deze bepaling wijkt duidelijk af van art. 19, tweede lid, Ger. W., als gewijzigd bij de wet van 26 april 2007, waarbij de rechter dezelfde mogelijkheden heeft maar alleen op vordering van de meest gerede partij, die hiertoe de zaak voor de rechter brengt.

3o Het systeem van art. 747 en 748 Ger. W. is te formalistisch en te strak, wat niet te verenigen is met de soepele werking die de wetgever voor de burgerlijke procedures in jeugdaangelegenheden heeft gewild.

De wetgever heeft, met art. 50 en 51 van de Jeugdbeschermingswet, goed ingezien dat de organisatie van het verblijf en de geschillen inzake ouderlijk gezag bij gescheiden ouders moeten kunnen worden beslecht op een soepele manier, waarbij op efficiënte wijze aan een steeds evoluerende situatie moet worden tegemoetgekomen.

Tot aan de sluiting van het debat kan de situatie wijzigen en moet de rechter kennis kunnen nemen van nieuwe omstandigheden die eventueel het uitwisselen van nieuwe conclusies kunnen rechtvaardigen. De automatische wering van conclusies die buiten een vooropgestelde termijn zouden zijn neergelegd, is daarom een onaangepaste sanctie. De eventuele wering van dergelijke conclusies moet worden beoordeeld in het licht van het beginsel van eerbied voor het recht van de verdediging.

De bijzondere procedure van art. 748, § 2, Ger. W. voor het geval «een nieuw en ter zake dienend stuk of feit wordt ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt», is eveneens onverenigbaar met de reeds beschreven eigenheden, omdat deze voorbehouden is aan de verzoekschriften die «ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag» worden neergelegd, terwijl de jeugdrechter alle maatregelen kan nemen en onderzoeksdaden kan stellen m.b.t. een situatie die permanent kan wijzigen, tot aan de sluiting van het debat.

De procedure bepaald in art. 748, § 2, Ger. W. (nl. verzoekschrift door een partij tot verkrijgen van nieuwe conclusietermijnen, kennisgeving door de griffier aan de andere partijen, opmerkingen van de andere partijen binnen vijftien dagen te rekenen vanaf deze kennisgeving, beschikking uit te spreken binnen acht dagen na verstrijken van deze termijn) is gekenmerkt door een formalisme dat onaangepast is in jeugdaangelegenheden en is van aard om de te nemen maatregelen onnodig uit te stellen.

4o De wetgever heeft uitdrukkelijk in afwijkingen voorzien voor de toepassing van het nieuwe art. 747, § 2, Ger. W., meer bepaald voor rechtszaken die een snellere behandeling vereisen, namelijk de procedures in kort geding of zoals in kort geding en de beslagprocedures (art. 747, § 3, Ger. W.).

De procedures voor de jeugdrechtbank worden hier niet vermeld, en werden trouwens op geen enkel ogenblik ter sprake gebracht tijdens de parlementaire bespreking van deze wet van 26 april 2007, hoewel het opmerkelijk is dat de termijnen die in het nieuwe art. 747, § 2, Ger. W. voorkomen niet aangepast zijn aan de procedures voor de jeugdrechtbank.

Dit is een bijkomend argument waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever niet heeft geacht dat deze nieuwe regels van toepassing zijn op de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbanken. In het tegengestelde geval zou hij immers zeker ook voor deze procedures een uitdrukkelijke afwijking hebben bepaald.

...

Hoewel de jeugdrechters de geest van de nieuwe bepalingen kunnen naleven en aanpassen aan hun procedures in de mate van de eigenheid van elke afzonderlijke zaak (bv. door op de eerste zitting, bij mislukking van de verzoeningspoging, conclusiekalenders te laten vaststellen voor een goede organisatie van het recht van verdediging en van de rechtsbedeling), dient te worden aangenomen dat art. 747 en 748 Ger. W. niet van toepassing zijn in de procedures voor de jeugdrechtbanken en voor de jeugdkamer van het hof van beroep.

 




 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: za, 29/05/2010 - 12:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.