-A +A

DE BESCHERMING VAN DE INFORMATIEBRONNEN VAN JOURNALISTEN

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Het recht van een journalist om zijn bronnen niet prijs te geven is volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) een van de hoekstenen van de persvrijheid.
 
Hof Mensenrechten, arrest Goodwin t. Verenigd Koninkrijk van 27 maart 1996; arrest Roemen en Schmit t. Luxemburg van 25 februari 2003; arrest Ernst e.a. t. België van 15 juli 2003; arrest Stângu en Scutelnicu t. Roemenië van 31 januari 2006, § 52; arrest Voskuil t. Nederland van 22 november 2007; arrest Tillack t. België van 27 november 2007; arrest Financial Times Ltd. e.a. t. Verenigd Koninkrijk van 15 december 2009; arrest (Gr.K.) Sanoma Uitgevers
B.V. t. Nederland van 14 september 2010; arrest Martin e.a. t. Frankrijk van 12 april 2012; arrest Ressiot e.a. t. Frankrijk van 28 juni 2012; arrest Telegraaf Media Nederland Landelijke Media N.V. e.a. t. Nederland van 22 november 2012; arrest Saint-Paul Luxembourg S.A. t. Luxemburg van 18 april 2013; arrest Nagla t. Letland van 16 juli 2013. 
 
Enkel wegens een zwaarwegende eis van algemeen belang zou de rechter een journalist kunnen bevelen zijn bronnen bekend te maken, voorzover er geen 
er geen alternatieven zijn om de identiteit van de bron van de jornalist te achterhalen, voorzover deze schending van de persvrijheid, de proportionaliteitstoets doortstaat op grond van de extreme noodzakelijkheid ter bescherming van de maatschappij die bij gebreke aan de bekendmaking in extreem gevaar zou komen.

Het Europees Hof hekent de vaak gebruikte techniedk van de huiszoeking bij de journalist of op de nieuwsdienst om aldus (via een omweg de bronnen van de journalist te kennen). Deze techniek is, volgens het EVRM, niet te aanzien als een noodzakelijk maatregel in een democratische rechtstaat.
samenleving.
 

Zie Hof Mensenrechten, arrest Roemen en Schmit t. Luxemburg van 25 februari 2003; arrest Ernst e.a. t. België van 15 juli 2003; arrest Tillack t. België van 27 november 2007; arrest Saint-Paul Luxembourg S.A. t. Luxemburg van 18 april 2013; arrest Nagla t. Letland van 16 juli 2013.

In het Belgisch Staatsblad van 27/04/2005 verscheen de wet van 07/04/2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen

TOEPASSINGSGEBIED VAN DEZE WET  

De journalisten   

 

 

 

Er is geen wettelijke omschrijving van het begrip journalist. Bij de toepassing van de wet geldt als journalist éénieder die als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is met inbegrip van de rechtspersonen en die op regelmatige wijze een rechtstreekse bijdrage levert tot het verzamelen, opstellen, produceren of verspreiden van informatie bestemd voor het publiek via een medium.

Alleen professionele journalisten vallen onder het toepassingsgebied van de wet.

De vereisten van een rechtstreekse bijdrage : de journalist die informatie aan een andere journalist doorspeelt, wordt niet beschermd. Enkel de journalist die informatie ontvangt, wordt beschermd. Een journalist die informatie van een andere journalist ontvangt worde we beschermd.

Niet alleen journalisten maar ook het redactiemedewerkers genieten van de bescherming. bronnengeheim voor bloggers

Inhoud van de bescherming  

 

 

 

 

 

geheimhouding van de bronnen

verbod van opsporings- of onderzoeksmaatregelen

geen vervolging wegens heling

geen medeplichtigheid aan schending van het beroepsgeheim. 

Belangrijkste uitzondering :

Een journalist kan enkel op vordering van de rechtbank gedwongen worden om zijn informatiebronnen vrij te geven voor zover deze van aard zijn misdrijven te voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van personen voor zover de te vrij geven informatie van cruciaal belang is bij het voorkomen van deze misdrijven en de gevraagde informatie op geen enkele wijze kan verkregen worden.

Uitbreiding begrip Journalist tot Bloggers

Bloggers plaatsen op geregelde tijdstippen nieuwsberichten, nieuwsfeiten en opinies. Ingevolge een arrest van het arbitragehof nr. 2006/91 van 07/06/06 (NJW 147, 645) werd het begrip journalist van art. 2 van de wet op het bronnengeheim uitgebreid tot bloggers die thans dezelfde bescherming kunnen inroepen. Zie Werkers, Lievens en Vlacke, Bronnegeheim voor Bloggers, NJW, 147, 630.

zie Ceuleers, De journalistieke bronnen wettelijk beschermd, RW 2005-2006, 48.

Uitbreiding van de bescherming tot occasionele en freelancejournalisten zie arrest arbitragehof 91/2006 van 7 juni 2006 RW 20062007, 1349.

Het bronnengeheim is evenwel geen vrijbrief om om het even wat te publiceren. Evenmin is het bronnengeheim een vrijbrief om mensen zwart te maken, te belagen, te belasten, om hun verleden of hun privacy te grabbel te gooien. Evenmin laat het bronnengeheim toe om een spreekbuis te worden van roddelpraat. De journalistieke vrijheid ontneemt het individu niet het  het recht tot eerbiediging van zijn privéleven, op zijn seksuele integriteit, over zijn intieme relaties, zij liefdesleven, zijn seksuele geaardheid.De benadeelde burger kan tegen de journalist in dit geval een aansprakelijkheidsvordering instellen.

zie ook: Eric Brewaeys, Recente rechtspraak van het Arbitragehof over persvrijheid in RW 2007, 1342.

Het bronnengeheim wordt wettelijk geregeld door de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen. 

 

 

Aldus heeft de journalist evenals elke redactiemedewerker het recht hun informatiebronnen geheim te houden en mag de rechter hen enkel dwingen die bronnen vrij te geven ter voorkoming van bepaalde misdrijven tegen de fysieke integriteit van personen.

 

Opsporings- en onderzoeksmaatregelen mogen niet slaan op gegevens die betrekking hebben op die bronnen, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat
de bedoelde misdrijven worden gepleegd.

 

Ofschoon de wet van 7 april 2005 tot doel heeft om het journalistiek brongeheim te beschermen, heeft zij evenwel aan dat geheim geen absoluut karakter verleend. Zo verbiedt zij geen strafrechtelijke onderzoeksmaatregelen tegen iemand die geen bescherming van de bronnen geniet en die ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd door informatie door te geven aan iemand die wel die bescherming geniet.

Rechtspraak:

•• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 6 februari 2008, RW 2008-2009 met NOOT – Beperkte draagwijdte van het journalistiek bronnengeheim lees deze noot met het paswoord RW

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 september 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling.

...

II. Feiten

Ten gevolge van een klacht, ingediend op 10 juli 2006 wegens schending van het beroepsgeheim tegen onbekenden, werd op het parket te Verviers een opsporingsonderzoek geopend.

Op 22 november 2006 heeft de onderzoeksrechter, op vordering van de procureur des Konings, met toepassing van art. 28septies Sv., de oproepgegevens doen opsporen van de mobiele diensttelefoon van de eiser, een politieambtenaar, vanwaar of naar waar was of werd opgebeld.

Op 30 juli 2007, nadat in de zaak een gerechtelijk onderzoek ten laste van de eiser was ingesteld, werd deze telefoon door de onderzoeksrechter in beslag genomen.

De voormelde ambtsverrichtingen hadden tot doel na te gaan of de eiser art. 458 Sw. heeft geschonden door aan journalisten informatie te verstrekken die door het beroepsgeheim is gedekt.

Op grond van art. 61quater Sv. heeft de eiser een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het beslag, dat door de onderzoeksrechter ongegrond werd verklaard.

Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bevestigt de beschikking tot weigering van de opheffing van het beslag en beslist, op grond van art. 235bis Sv., dat de voormelde onderzoeksverrichtingen regelmatig zijn.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Over het middel

Eerste onderdeel

De eiser betoogt dat het arrest art. 5 tot 7 van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen schendt. Hij voert aan dat deze bepalingen alle onderzoeksmaatregelen verbieden die ertoe strekken om de gegevens betreffende de informatiebronnen van een journalist aan het licht te brengen, ook als dat onderzoek enkel betrekking heeft op een derde die ervan verdacht wordt hem onrechtmatig informatie te hebben bezorgd.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van art. 6 en 7 van de voormelde wet, zonder dat het daarbij aangeeft in hoeverre het arrest deze bepalingen schendt, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.

Krachtens art. 5 van de wet, gewijzigd bij art. 2 van deze van 9 mei 2006, mogen gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen van de personen bedoeld in art. 2, niet het voorwerp uitmaken van enige opsporings- of onderzoeksmaatregel, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat de in art. 4 bedoelde misdrijven worden gepleegd, en met naleving van de daarin bepaalde voorwaarden.

Ofschoon de wet van 7 april 2005 tot doel heeft om het journalistiek brongeheim te beschermen, heeft zij evenwel aan dat geheim geen absoluut karakter verleend. Zo verbiedt zij geen strafrechtelijke onderzoeksmaatregelen tegen iemand die geen bescherming van de bronnen geniet en die ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd door informatie door te geven aan iemand die wel die bescherming geniet.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers dat de wet weliswaar naspeuringen verbiedt bij journalisten of personen die daarmee worden gelijkgesteld, ter identificatie van wie hen informeert, maar geen enkele opsporings- of onderzoeksmaatregel verbiedt t.a.v. derden die ervan verdacht worden op onwettige wijze informatie te hebben verstrekt aan om het even wie, ook al is die persoon journalist.

De hoedanigheid van degene die de informatie ontvangt, waarvan de onthulling een misdrijf is, vrijwaart de auteur van deze onthulling niet.

Het arrest beslist dat de bekritiseerde onderzoekshandelingen regelmatig zijn op grond dat tegen de eiser een onderzoek is ingesteld om na te gaan of er schendingen van het beroepsgeheim zouden zijn gepleegd met behulp van zijn mobiele telefoon en dat, ook al genoten sommige betrokkenen het recht om hun bron te verzwijgen, hijzelf geenszins onschendbaar is.

De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.

Rechtsleer:

• D. VOORHOOF (ed.), Het journalistiek bronnengeheim onthuld, Brugge, die Keure, 2008, 172 p.;

• D. VOORHOOF, “’Telefoontap’ bij journaliste De Morgen ultiem bewijs van noodzaak wet bescherming journalistieke bronnen”, Juristenkrant 2005/103, 4;

• D. VOORHOOF, “Hof van Cassatie (te) zuinig met journalistieke rechten”, Juristenkrant 2005/102, 12;

µ• Q. VAN ENIS, “Développements récents relatifs à la protection des sources journalistiques en Belgique. Pierre angulaire ou pierre d’achoppement”, JT 2010, 261-269;

• C. BAEKELAND, “Het EHRM en het journalistiek bronnengeheim: een contrarevolutie in de maak?” (noot onder Hof Mensenrechten, arrest (Gr.K.) Sanoma Uitgevers B.V. t. Nederland van 14 september 2010), CDPK 2011, 244-253.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: za, 20/01/2018 - 15:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.