-A +A

De Gewone commanditaire vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

 

 

GCV Wat:

- Een vennootschap oprichtbaar met een minimum aan formaliteiten
Pasklaar voor elke oplossing.

- Een Vennootschap naar Belgisch recht volledig conform het Wetboek van Koophandel

- Minimum kapitaal: 1 € volstaat.

- Geen Notariële akte

- persoonlijke schuldeisers hebben geen verhaal tegen het vermogen van de GCV

- 2 Vennoten volstaan

- 1 van de 2 vennoten (de stille vennoot) kan volledig anoniem blijven

De aansprakelijkheid van die stille vennoot is beperkt tot zijn inbreng. De stille vennoot zijn vermogen is dus perfect beschermd.

- De gecommanditeerde vennoot is de persoon die naar buiten wel kenbaar gemaakt wordt. Hij is wel persoonlijk aansprakelijk. Enige voorwaarde de gecommanditeerde vennoot mag niet persoonlijk in faillissement verklaard zijn. Of  niet correctioneel veroordeeld voor bepaalde feiten.

- De naam van de vennootschap  is de naam van de gecommanditeerde met eventueel een commerciële toevoeging.

- Voor de inbreng in natura is geen revisor nodig.

- Er is geen financieel plan vereist bij de oprichting.

- Aandelenverdeling volledig naar keuze.

 

Voor wie is dit  interessant.

Enkele voorbeelden:

- Hij die zich veilig wil stellen voor zijn persoonlijke schuldeisers. Hij is wel nooit persoonlijk failliet verklaard en nooit tot welbepaalde straffen correctioneel veroordeeld. Hij is dan de gecommanditeerde. Een vriend die geen risico loopt of iemand van jullie organisatie is  de stille vennoot.

X is persoonlijk in faling en wil toch iets nieuws opstarten. Of X wil volledig anoniem blijven in een project. Hij wordt dan stille vennoot met een zo uitgebreid mogelijke bevoegdheid en desnoods 99% van de aandelen. Hij dient dan wel een gecommanditeerde te zoeken, deze kan evenwel door jullie gezocht.

- Voor die projecten alwaar zeer vlug zonder veel formaliteiten een vennootschap moet worden opgericht en waarbij geen tijd of geld is om nu reeds een duurdere vennootschap op te richten.

- Voor zij die volledig anoniem willen participeren in een vennootscha als stille vennoot.

- Ter verhelping aan het klassieke probleem van de derde man (stroman) aangezien voor de GCV 2 personen volstaan. Dit kunnen, man en vrouw zijn of zelfs vader en zoon.

- Goedkope afsplitsing van een bedrijfsactiviteit of de oprichting van een middelenvennootschap, om fiscale of economische (krediet/schuldeisers/naambekendheid/conflicten) of sociaalrechtelijke (vb. voordeel eerste werknemer) redenen. Fiscale en Financiële fine tuning.

- Projectontwikkeling: De GCV is ideaal voor personen die een zaak willen opstarten (de gecommanditeerden) maar die zelf niet over voldoende kapitaal beschikken. Zij richten zich dan tot geldschieters, de stille vennoten, die geen ander risico lopen dan het door hen ingebrachte kapitaal.. De inventieve werker (projectontwikkelaar, promotor, uitvinder, inventieve zakenman..) zoekt aldus een geldschieter om zijn ideeën of project uit te werken en de kapitaalverstrekker zoekt verantwoorde risico's, beperkt tot zijn inbreng, om zijn geld rendabel te beleggen.

- Voor personen met een bijberoep. Gezien de minieme oprichtingskost en de beperkte verplichtingen, kan aldus het bijberoep afzonderlijk en dus interessanter worden belast.

- Als ondersteuning van professionele associaties, participatie in gemeenschappelijke middelstructuren, ondersteuningen van verschillende bedrijfstakken..

- Als familiale Holdingstructuur, participaties in een gemeenschappelijk vermogen, verdeling van een familievermogen met blijvende georganiseerde controle van de ouders vermijden van dure successierechten, door goedkopere inbreng in de vennootschap.

 

Let wel:

Ook de beherende vennoten van de gewone commanditaire vennootschap dienen als kooplieden te worden aangemerkt en de faillietverklaring van de gewone commanditaire vennootschap heeft het faillissement van de beherende vennoten tot gevolg (1). (1) Zie de concl. van het O.M. Cass. 19 december 2008 C.2007.0281.N

VENNOOTSCHAPPEN

 



rechtspraak

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 19 december 2008, RW 2008-2009, 1428, NOOT – Het lot van de (werkende) vennoten bij het faillissement van een V.O.F. of Comm.V. lees deze noot met het paswoord van RW

1. Personen die handel drijven onder firma (als vennoot in een V.O.F. of werkende vennoot in een Comm.V.) ontlenen de hoedanigheid van koopman aan hun lidmaatschap van de vennootschap. De faillietverklaring van een V.O.F. casu quo Comm.V. impliceert dat is vastgesteld dat alle vennoten casu quo de beherende vennoten hebben opgehouden te betalen en dat hun krediet is geschokt.

2. De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers maken dat de curator gerechtigd is de vordering tot aanzuivering van het passief van de failliete vennootschap tegen de met de vennootschap hoofdelijk gehouden vennoten in te stellen.

Faillissement Comm.V. G. t/ G. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Luidens art. 202 W.Venn. is de gewone commanditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.

2. Krachtens art. 205 W.Venn., is de vennootschap onder firma ten aanzien van de onbeperkt aansprakelijke vennoten, en een gewone commanditaire vennootschap ten aanzien van de geldschieters.

3. Personen die handel drijven onder firma worden geacht koopman te zijn. Zij ontlenen die hoedanigheid aan hun lidmaatschap van de vennootschap.

4. Alle vennoten van een vennootschap onder firma worden als kooplieden aangemerkt. De faillietverklaring van een vennootschap onder firma impliceert dat is vastgesteld dat alle vennoten hebben opgehouden te betalen en dat hun krediet is geschokt.

5. Aldus dienen ook de beherende vennoten van de gewone commanditaire vennootschap als kooplieden te worden aangemerkt en heeft de faillietverklaring van de gewone commanditaire vennootschap het faillissement van de beherende vennoten tot gevolg.

6. Het arrest, dat overweegt dat een «met een handelsdoel opgerichte gewone commanditaire vennootschap noodzakelijk handelt door haar beherende vennoten (...) niet mee(brengt) dat deze wegens hun functie, zelf handelaar worden», en op die gronden oordeelt dat het faillissement van de vennootschap niet het faillissement van de vennoten tot gevolg heeft, schendt art. 202 W.Venn.».

Het middel is gegrond.

Tweede middel

8. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.

9. De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet aan de gefailleerde toe.

10. De appelrechters die oordelen dat de curator niet gerechtigd is de vordering in te stellen tot aanzuivering van het passief van de failliete vennootschap tegen de met de vennootschap hoofdelijk gehouden vennoten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.


 

 

 

 

Nog dit: 

Cassatie 24/05/2012 AR F.11.0014.N, juridat

1. Volgens artikel 1200 Burgerlijk Wetboek bestaat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt.

2. Luidens artikel 202 Wetboek van Vennootschappen is de gewone comman-ditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.
Artikel 206, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de stille ven-noot voor de schulden en verliezen van de vennootschap slechts instaat tot het be-drag dat hij beloofd heeft te zullen inbrengen.

3. Uit deze bepalingen volgt dat de beherende vennoten onbeperkt en hoofde-lijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de vennoot-schap, ongeacht uit welke oorzaak of op welk tijdstip zij zijn ontstaan.

PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE

F.11.0014.N
Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

1. In het enig middel verdedigt eiser het standpunt dat een beherend vennoot van een gewone commanditaire vennootschap, overeenkomstig artikel 18 Vennootschappenwet / 202 Wetboek van Vennootschappen, hoofdelijk aansprakelijk is voor alle verbintenissen van de vennootschap, ongeacht het tijdstip waarop die verbintenissen werden aangegaan.

Volgens eiser bevat artikel 18 Vennootschappenwet /202 Wetboek van Vennootschappen geen voorwaarden en/of beperkingen (in de tijd) wat de draagwijdte van de hoofdelijke aansprakelijkheid betreft.

Volgens eiser heeft het hof van beroep in casu de aansprakelijkheid van de drie verweerders voor de betaling van de fiscale schulden van de gewone commanditaire vennootschap beoordeeld vanuit de verkeerde rechtsopvatting dat een belastingschuld van dergelijke vennootschap enkel ten laste van een beherend vennoot kan worden ingevorderd voor zover deze schuld is ontstaan op een ogenblik dat hij beherend vennoot was.

2. De aansprakelijkheid van de beherende vennoten van een gewone commanditaire vennootschap is dezelfde als deze van de vennoten onder firma.

Een voorname strekking in de rechtsleer aanvaardt dat een vennoot van een V.O.F. hoofdelijk aansprakelijk is voor alle verbintenissen van de vennootschap, ongeacht de datum van die verbintenissen.

Zo stelt J. VAN BAEL in zijn cursus Vennootschapsrecht (V.O.F.), academiejaar 1994-1995, uitdrukkelijk:
" Wanneer een vennoot toetreedt tot een V.O.F. zou men kunnen staande houden dat hij niet verbonden is met de vennootschap voor de daden gesteld door de vennootschap vóór zijn toetreding, waaraan hij geen deel had.
Nochtans impliceert zijn hoofdelijke en onbeperkte aansprakelijkheid met de vennootschap, dat hij ook voor deze verbintenissen hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk is."

Ook J. RONSE deelt deze visie ("Overzicht van rechtspraak vennootschappen (1978-1985)", TPR, 1986, 975, onder voetnoot 16).

Recent werd dit standpunt visie nog bevestigd:
" On peut même soutenir que, sauf clause contraire publiée, le cessionnaire doit répondre du passif déjà formé (Cass. 1er décembre 1925, Pas. 1926, I, 88). Son engagement tient, en effet, en sa qualité d'associé; en acquérant cette qualité, il est tenu du jour au lendemain de tout le passif (contra: Mons, 27 mai 1980, Rev. Prat. Soc., 1980, p. 284).
Prétendre que le cessionnaire ne serait tenu que du passif né après son entrée dans la société suscite, entre associés, la création de distinctions qui seront difficiles à mettre en œuvre en cas de faillite. Par ailleurs, le cessionnaire était en mesure de prendre connaissance du passif au jour de la cession et pouvait stipuler une garantie contre son cédant" (DE CORDT, Y., DELFORGE, C., LEONARD, Th. en POULLET, Y., Manuel de droit commercial, 2009, 200, nr. 381).

De auteurs B. SMETS en W. HOREMANS stellen zich in hun bijdrage (Vennootschapsrecht nu, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2002, 760, nr. B.1.0115) iets genuanceerder op:

" De nieuwe vennoten zijn slechts hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap ontstaan na hun toetreding. Ook dit is begrijpelijk nu derden die contracteerden met de vennootschap nooit hebben kunnen rekenen op het vermogen van de nieuw toegetreden vennoten (met als voetnoot een verwijzing naar Bergen, 27 mei 1980, R.P.S., 1980, 284, nr. 6110, met noot van COPPENS, P.).

Anderzijds wordt gesteld dat de nieuwe vennoten wel gehouden zijn tot de schulden ontstaan voor hun toetreding in de V.O.F. en dit op basis van het gemeenrecht. Hierbij gaat men ervan uit dat ieder die toetreedt tot een overeenkomst geacht wordt van in dien beginne partij te zijn geweest bij de overeenkomst" (met als voetnoot een verwijzing naar J. RONSE).

3. Voorts kan verwezen worden naar een Frans cassatiearrest van 12 maart 1928 waarin wordt gesteld dat er voor de hoofdelijke aansprakelijkheid geen onderscheid moet gemaakt worden tussen nieuwe en voormalige vennoten (Cass. Fr., 12 maart 1928, S., 1928, 226).

Deze rechtspraak sluit aan bij het arrest van 1 december 1925 van Uw Hof (Cass. 1 december 1925, Pas., I, 1926, 88) waarin eveneens wordt gesteld dat vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap, welke ook de bron of de datum hiervan moge zijn.

4. Eiser in cassatie is terecht van mening dat ingeval van hoofdelijke aansprakelijkheid de toetreding tot een overeenkomst tot gevolg heeft dat men geacht wordt partij te zijn vanaf het ontstaan van de overeenkomst, wat impliceert dat elke nieuwe contractpartij ook aansprakelijk zal zijn voor de schulden die ontstaan zijn vóór zijn toetreding (X, Enkele aspecten van de vennootschap onder firma, de gewone commanditaire vennootschap en de commanditaire vennootschap op aandelen, in Bedrijfseconomisch juridisch dossier, Diegem, Ced.Samson, 1991, 15).

5. In de wet van 17 juli 1989 betreffende de economische samenwerkingsverbanden, thans artikel 848 Wetboek van Vennootschappen, maakte de wetgever reeds expliciet toepassing van deze regel:
" Elk nieuw lid is onder de artikel 3 bedoelde voorwaarden aansprakelijk voor de schulden van het samenwerkingsverband. Hij kan echter door een uitdrukkelijk beding in de oprichtingsovereenkomst of in de toelatingsakte worden ontslagen van de betaling van de schulden die vóór zijn toetreding zijn ontstaan" (artikel 15, tweede lid).

Deze bepaling is afgeleid van de Europese regelgeving in verband met Europese economische samenwerkingsverbanden:
"Elk nieuw lid is op voet van artikel 24 aansprakelijk voor de schulden van het samenwerkingsverband, met inbegrip van de schulden die voorvloeien uit de werkzaamheid van het samenwerkingsverband vóór zijn toetreding" (artikel 26.2 van de Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV); zie hierover H. SWENNEN, "Europese Economische Samenwerkingsverbanden en (Belgische) Economische Samenwerkingsverbanden", TBH 1990, 113, nr. 22 en 129, nr. 51).

6. Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de belastingschulden van de gewone commanditaire vennootschap slechts met toepassing van artikel 202 Wetboek van Vennootschappen (18 Vennootschappenwetboek) ten laste van verweerders kunnen worden ingevorderd voor zover deze schulden ontstonden op het ogenblik dat verweerders beherend vennoot waren.

Eerste verweerder was derhalve ook gehouden tot betaling van de belastingschulden die zijn ontstaan vóór zijn toetreding tot de vennootschap op 1 maart 1997, met name de fiscale schuld voor het aanslagjaar 1997.

Tweede verweerder, die op 1 februari 1998 tot de vennootschap was toegetreden, en derde verweerder, die op 2 november 1998 was toegetreden, waren eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale schuld betreffende het aanslagjaar 1997, alsook voor de fiscale schuld van het aanslagjaar 1998.

De beslissing dat de fiscale schuld voor het aanslagjaar 1998 enkel lastens de eerste verweerder kon worden ingevorderd en dat derde verweerder enkel gehouden was tot betaling van de fiscale schuld voor het aanslagjaar 1999, is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

Het middel komt dan ook gegrond voor.
Besluit: VERNIETIGING van de bestreden arresten.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: za, 31/08/2013 - 13:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.