-A +A

Echtgenoten moeten niet meer zelf naar de rechtbank om te scheiden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Door de wet van 5 april 2011 werd de verplichte verschijning in de echtscheiding geschrapt.

De vernederende verplichte aanwezigheid van de echtgenoten op de rechtbank die in lange rijen ten aanzien van de hele stad te kijk werden gezet in lange wachtrijen om te scheiden is hiermee voorbij.

Men kan dus vandaag perfect scheiden zonder persoonlijk op de rechtbank te moeten verschijnen of aanwezig te zijn. Echtgenoten kunnen scheiden terwijl zij of de wederpartij in het buitenland zijn. Een advocaat kan voor hen de volledige procedure afhandelen in alle sereniteit. De pijnlijke aanwezigheden en confrontaties op notariskabinetten kunnen eveneens vermeden worden. De echtscheiding kan volledig buiten het notariskabinet gebeuren en waar eventueel de tussenkomst van een notaris nodig is voor een vereffening-verdeling kan ook daar de advocaat hen vertegenwoordigen.

Echtgenoten kunnen zich bij een echtscheiding laten vertegenwoordiging door een advocaat en dus louter door de procedure op verschijning van hun advocaat uit de echt scheiden.

Let wel:

De rechter kan de partijen weliswaar gelasten om persoonlijk te verschijnen.

• Op louter verzoek van één van de partijen of het openbaar ministerie
• Indien de rechter de scheidende echtgenoten wil trachten te verzoenen
• Indien de rechter de relevantie wil nagaan van het akkoord over de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de kinderen.

Bij de zitting in kort geding waarop de vorderingen over de voorlopige maatregelen met betrekking tot de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de kinderen wordt behandeld, moeten de partijen steeds in persoon verschijnen.

Rechtsleer:

• Patrick Senaeve: Afschaffing van de verplichte persoonlijke verschijning in de echtscheidingsprocedure, Commentaar bij de wet van 5 april 2011, T. Fam. 2011/9, 206
Inhoud:
A. EOO
B. voorlopige maatregelen
C; Sanctie verval echtschedingsvordering
D. Inwerkingtreding

Rechtspraak

• Hof van Beroep te Gent, 11e Kamer – 3 maart 2016, RW 2017-2018, 790

Samenvatting

Voortaan dienen de echtgenoten enkel nog te verschijnen wanneer de rechter hen hiertoe verplicht, en dit op initiatief van (een van) de echtgenoten zelf, het openbaar ministerie of ambtshalve (art. 1255, § 6, eerste lid Ger.W.). De wetgever stelt het nut van de persoonlijke verschijning voorop ingeval verzoening mogelijk lijkt of om de relevantie na te gaan van een akkoord over de persoon en/of de goederen van de kinderen en/of de onderhoudsverplichting ten aanzien van de kinderen. Eens te meer geldt een informatieverplichting over de mogelijkheid om het geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten (art. 1255, § 6, tweede lid Ger.W.). In voorkomend geval verwijst de rechter door naar de kamer voor minnelijke schikking (art. 1255, § 6, derde lid Ger.W.).

De afschaffing van de verplichte persoonlijke verschijning in echtscheidingszaken door de wet van 5 april 2011 brengt mee dat, overeenkomstig art. 757, § 2, eerste lid, 11° Ger.W., de verslagen en pleidooien inzake echtscheiding ten gronde voortaan opnieuw in openbare terechtzitting verlopen, tenzij de echtgenoten toch in persoon zouden verschijnen, hetzij spontaan hetzij na bevel van de rechter, in welk geval de behandeling in raadkamer dient te gebeuren (P. Senaeve, «Afschaffing van de verplichte persoonlijke verschijning in de echtscheidingsprocedure», T.Fam. 2011, p. 210, nr. 9).

Een echtgenoot kan derhalve met vertegenwoordiging van diens advocaat uit de echt scheiden. Behoudens tegenbewijs wordt vermeod dat de advocaat de wil om te scheiden correct te kennen gegeven geeft. Wilsgebreken dienen formeel bewezen en worden niet verondersteld. De handelingsbekwaam wordt vermoed behoudens bewijs van het tegendeel.

Een loutere verklaring dat een advocaat van buiten zijn mandaat handelde, gaat niet op. Een ontkentenis van proceshandeling in de zin van de artt. 848-850 Ger.W. is niet aan de orde.

Terzake kan verwezen naart het vermoeden dat de advocaat binnen zijn mandaat handelt (art. 440, tweede lid Ger.W.).

Het a pasteriori louter inroepen van verzoening ontkracht niet het mandaat van de advocaat.

Tekst arrest

M.S.G. t/ R.A.G.

...

1. Bij vonnis van 15 oktober 2015 spreekt de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, (...) (mede met toepassing van art. 1255, § 2 Ger.W.) de echtscheiding tussen de partijen uit, gelet op de onherstelbare ontwrichting van het op 1 maart 1986 in Somalië te Mogadishu gesloten huwelijk (art. 229, § 3 BW). Daartoe bij dagvaarding van 27 augustus 2014 ingestelde procedure ging uit van M.S.G., die tegelijk voor de kortgedingrechter voorlopige maatregelen in de zin van (het oude) art. 1280 Ger.W. vorderde.

...

Het echtscheidingsvonnis wordt uitgesproken bij verstek van R.A.G.

2. Bij verzoekschrift van 14 december 2015 stelt M.S.G. (tijdig, regelmatig en derhalve op ontvankelijke wijze) hoger beroep in, omdat hij, naar hij beweert, niet wilde scheiden en hij verkeerdelijk met vertegenwoordiging door zijn toenmalige advocaat uit de echt is gescheiden.

3. Het hof heeft M.S.G. (in persoon, bijgestaan door zijn actuele advocaat) en R.A.G. (in persoon) gehoord op de openbare terechtzitting van 25 februari 2016, waarna het hof het debat heeft gesloten en de zaak in beraad heeft genomen.

4. M.S.G., die voor de eerste rechter niet in persoon aanwezig was en met vertegenwoordiging door zijn toenmalige advocaat uit de echt is gescheiden, stelt a posteriori tevergeefs dat hij niet wilde scheiden.

5. De persoonlijk verschijning van de echtgenoten, zoals ingevoegd door de wet van 27 april 2007 «betreffende de hervorming van de echtscheiding», die op 1 september 2007 in werking is getreden, heeft voor heel wat discussie gezorgd, zowel tijdens de parlementaire voorbereiding als na de inwerkingtreding van de wet (F. Aps, «De echtscheiding» in Handboek familierecht voor de advocaat-stagiair 2014-2015, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 145, nr. 280). De uiteindelijke tekst van het oude art. 1255, § 6 Ger.W. bepaalde dat, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, de persoonlijke verschijning van beide echtgenoten was vereist in geval van een gezamenlijke vordering op basis van art. 229, § 2 BW. In de andere gevallen (art. 229, §§ 1 en 3 BW) diende (enkel) de initiatiefnemer persoonlijk te verschijnen en meer precies de echtgenoot-eiser hetzij op hoofdvordering hetzij op tussenvordering. Voor de beoordeling van de bedoelde uitzonderlijke omstandigheden werd aangenomen dat kon worden teruggegrepen naar de eerdere rechtspraak aangaande de vrijstelling van persoonlijke verschijning bij echtscheiding door onderlinge toestemming in de zin van het oude art. 1289bis Ger.W.

De vraag rees of uit de ratio legis van de wet kon worden afgeleid dat de persoonlijke verschijning in geval van een gezamenlijke vordering tot de eerste verschijning was beperkt, dan wel of ze ook verplicht was bij de tweede verschijning. Het vereiste van persoonlijke verschijning gold hoe dan ook niet voor de nevenvorderingen, inzonderheid de vordering tot het verkrijgen van een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding (art. 301 BW).

Een en ander gold evengoed in hoger beroep.

6. Discussie bleef bestaan (F. Aps, «De echtscheiding» in Handboek familierecht voor de advocaat-stagiair 2014-2015, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 145-146, nr. 281). Het nut van de persoonlijke verschijning en daarmee ook de verplichte poging tot verzoening werden steeds opnieuw in vraag gesteld.

Bij de wet van 5 april 2011 «tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de persoonlijke verschijning en de poging tot verzoening bij echtscheiding betreft en tot invoering van een kennisgeving over het bestaan en het nut van bemiddeling in echtscheidingszaken» heeft de wetgever uiteindelijk gekozen voor de afschaffing van de verplichte persoonlijke verschijning van de echtgenoten. Voortaan dienen de echtgenoten enkel nog te verschijnen wanneer de rechter hen hiertoe verplicht, en dit op initiatief van (een van) de echtgenoten zelf, het openbaar ministerie of ambtshalve (art. 1255, § 6, eerste lid Ger.W.). De wetgever stelt het nut van de persoonlijke verschijning voorop ingeval verzoening mogelijk lijkt of om de relevantie na te gaan van een akkoord over de persoon en/of de goederen van de kinderen en/of de onderhoudsverplichting ten aanzien van de kinderen. Eens te meer geldt een informatieverplichting over de mogelijkheid om het geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten (art. 1255, § 6, tweede lid Ger.W.). In voorkomend geval verwijst de rechter door naar de kamer voor minnelijke schikking (art. 1255, § 6, derde lid Ger.W.).

De afschaffing van de verplichte persoonlijke verschijning in echtscheidingszaken door de wet van 5 april 2011 brengt mee dat, overeenkomstig art. 757, § 2, eerste lid, 11o Ger.W., de verslagen en pleidooien inzake echtscheiding ten gronde voortaan opnieuw in openbare terechtzitting verlopen, tenzij de echtgenoten toch in persoon zouden verschijnen, hetzij spontaan hetzij na bevel van de rechter, in welk geval de behandeling in raadkamer dient te gebeuren (P. Senaeve, «Afschaffing van de verplichte persoonlijke verschijning in de echtscheidingsprocedure», T.Fam. 2011, p. 210, nr. 9).

7. M.S.G. kon derhalve met vertegenwoordiging door zijn toenmalige advocaat uit de echt scheiden, terwijl niets erop wijst dat de advocaat van M.S.G. zijn wil om te scheiden niet correct heeft te kennen gegeven. De wil van M.S.G. blijkt een volwaardige wil, vrij van gebreken. Hij was/is handelingsbekwaam en wilsgeschikt.

Een loutere verklaring dat de toenmalige advocaat van M.S.G. buiten zijn mandaat handelde, gaat niet op. Een ontkentenis van proceshandeling in de zin van de artt. 848-850 Ger.W. is niet aan de orde.

Het vermoeden dat de toenmalige advocaat van M.S.G. binnen zijn mandaat handelde (art. 440, tweede lid Ger.W.), blijkt niet weerlegd (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 514, nrs. 1248-1249).

8. De ter terechtzitting van 25 februari 2016 vaag aangevoerde en hoe dan ook onbewezen verzoening verhelpt niet (vgl. inzake echtscheiding door onderlinge toestemming: art. 1299 Ger.W., zoals gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015 «tot wijziging van art. 1299 Ger.W. in verband met het aantekenen van hoger beroep tegen een vonnis dat de echtscheiding op grond onderlinge toestemming uitspreekt, in geval van verzoening»; vgl. ook inzake echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting op basis van art. 229, § 3 BW en meer precies de subgrond van de dubbele verschijning met een reflectieperiode: P. Senaeve, «De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: vereisten, bewijsrecht en rechtspleging» in P. Senaeve, F. Swennen en G. Verschelden (eds.), De beëindiging van de tweerelatie, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 59-60, nr. 73, en p. 64-65, nr. 84).

9. Het hoger beroep van M.S.G. is derhalve manifest ongegrond.

Het hof laat de regelmatig tot stand gekomen echtscheidingsuitspraak onverkort.

...

 

 

Nog dit: 

Sinds de wet van 5 april 2011, in werking vanaf 1 december 2011 kan gesteld:

Omtrent de persoonlijke aanwezigheid van de partijen bij het kortgeding.
- Die persoonlijke aanwezigheid van partijen is enkel nodig indien er kinderen zijn.
- Die persoonlijke aanwezigheid is enkel verplicht bij behandeling niet bij een vraag tot uitstel.
- Als de partijen niet verschijnen (wanneer er kinderen zijn) kan de zaak niet behandeld worden; aan de advocaten wordt met aandrang gevraagd dat zij hun cliënten informeren dat zij moeten aanwezig zijn bij de behandeling.
- Indien wordt vastgesteld dat de afwezigheid van een partij een manoeuver tot uitstel is, kan dit zijn gevolgen hebben onder andere dat de vordering van die partij als vervallen kan verklaard worden.
- In uitzonderlijke gevallen, zoals in de wet uiteengezet, kan er wel vertegenwoordiging zijn (te vergelijken met de vroegere principes van aanwezigheid van art. 229 Burgerlijk Wetboek die vanaf 1 december 2011 niet meer aangehouden zijn).
 

Commentaar: 

R. Vasseur, Wetgever schudt regels persoonlijke verschijning in echtscheidingszaken dooreen, De Juristenkrant, 232, 29 juni 2011, pagina 4.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 07/01/2018 - 12:47
Laatst aangepast op: zo, 07/01/2018 - 12:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.