Echtscheiding in het Burgerlijk wetboek
|
art. 229 |
TITEL VI. - ECHTSCHEIDING.
HOOFDSTUK I. - GRONDEN TOT ECHTSCHEIDING.
Art. 229. <W 28-10-1974, art. 3> Ieder der echtgenoten kan
echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere
echtgenoot gepleegd.
Art. 230. (Opgeheven) <W 28-10-1974, art. 4>
Art. 231. Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond
van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen door de andere
echtgenoot jegens hem gepleegd.
Art. 232. <W 01-07-1974, art. 1> Ieder der echtgenoten kan
echtscheiding vorderen op grond van feitelijke scheiding van meer
dan (twee) jaar, indien daaruit de duurzame ontwrichting van het
huwelijk blijkt en het toekennen van de echtscheiding op deze grond
de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk
van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige
wijze verslecht. <W 2000 -04-16/32, art. 2, 009; Inwerkingtreding :
2000-05-29>
Echtscheiding kan tevens door een der echtgenoten gevorderd worden,
indien de feitelijke scheiding van meer dan (twee) jaar het gevolg
is van de toestand van krankzinnigheid of van diepe
geestesgestoordheid waarin de andere echtgenoot zich bevindt en uit
deze toestand een duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt, en
het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële
toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de
echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze
verslecht. Die echtgenoot wordt vertegenwoordigd door zijn voogd,
zijn algemene of bijzondere voorlopige bewindvoerder of, bij gebreke
daarvan, door een beheerder ad hoc vooraf door de voorzitter van de
rechtbank aangewezen op verzoek van de eisende partij. <W
02-12-1982, art. 1>
Art. 233. De onderlinge en volgehouden toestemming van de
echtgenoten, uitgedrukt op de wijze die de wet voorschrijft, onder
de voorwaarden en na de proeftijden die zij bepaalt, bewijst
voldoende dat het samenleven voor hen ondraaglijk is en dat er, te
hunnen opzichte, een afdoende grond tot echtscheiding bestaat.
HOOFDSTUK II. - ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
AFDELING I. - VORM VAN DE ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE
FEITEN.
Art. 234. tot 266 bis : opgeheven
AFDELING II. - VOORLOPIGE MAATREGELEN WAARTOE DE EIS TOT
ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN AANLEIDING KAN GEVEN.
Art. 267. tot Art. 271. (Opgeheven)
AFDELING III. - GRONDEN VAN NIET-ONTVANKELIJKHEID TEGEN DE VORDERING
TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
Art. 272. tot Art. 274. (Opgeheven)
HOOFDSTUK III. - ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE TOESTEMMING.
Art. 275. <W 20-11-1969, art. 1> Onderlinge toestemming van de
echtgenoten wordt niet toegestaan, indien één van beiden (op het
ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in
artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek) minder dan (twintig
jaar) oud is. <W 1997-05-20/47, art. 22, 004; Inwerkingtreding :
07-07-1997> <W 19-01-1990, art. 26>
Art. 276. <W 1997-05-20/47, art. 23, 004; Inwerkingtreding :
07-07-1997> Onderlinge toestemming wordt enkel toegestaan indien het
huwelijk aangegaan werd ten minste twee jaar vóór het ogenblik van
de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van
het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 277. tot Art. 294bis. (Opgeheven)
HOOFDSTUK IV. - GEVOLGEN VAN ECHTSCHEIDING.
Art. 295. <W 31-03-1987, art. 36> Indien de gescheiden echtgenoten
zich opnieuw verenigen door hun huwelijk andermaal te doen
voltrekken, is artikel 1465 alleen van toepassing wanneer er
kinderen zijn uit een huwelijk aangegaan tussen de twee
echtverbintenissen.
Art. 296. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 37>
Art. 297. (Opgeheven) <W 30-06-1956, art. 4>
Art. 298. (Opgeheven) <W 15-05-1972, art. 1>
Art. 299. Behalve in geval van onderlinge toestemming verliest de
echtgenoot tegen wie de echtscheiding, op welke grond ook, is
toegestaan, alle voordelen die de andere echtgenoot hem, hetzij bij
hun huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk,
verleend heeft.
Art. 300. <W 14-07-1976, art. IV, 4> De echtgenoot die de
echtscheiding verkregen heeft, behoudt de voordelen hem door de
andere echtgenoot verleend, al waren die wederkerig bedongen en al
heeft geen wederkerigheid plaats.
Art. 301. <W 09-07-1975, art. 1> § 1. De rechtbank kan aan de
echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en
de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die,
rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat
stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze
als tijdens het samenleven.
§ 2. De rechtbank die de uitkering toekent stelt vast dat deze van
rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer
van de consumptieprijzen.
Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer
van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of
het arrest dat de echtscheiding (uitspreekt), kracht van gewijsde
heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de
twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege
aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het
indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.
<W 1997-05-20/47, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de
vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad
van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer.
De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander
systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van
levensonderhoud toepassen.
§ 3. Indien de uitkering, ingevolge omstandigheden onafhankelijk van
de wil van de uitkeringsgerechtigde, in ruime mate ontoereikend is
geworden om de in § 1 bedoelde toestand te waarborgen, kan de
rechtbank de uitkering verhogen.
Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende
wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet
meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of
opheffen.
Dit geldt eveneens bij ingrijpende wijziging van de toestand van de
uitkeringsplichtige ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn
wil.
§ 4. Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan
een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot.
§ 5. De uitkering kan te allen tijde door een kapitaal worden
vervangen op grond van een overeenkomst tussen de partijen
gehomologeerd door de rechtbank. De rechtbank kan ook de
kapitalisatie te allen tijde toekennen op aanvraag van de tot
uitkering gehouden echtgenoot.
§ 6. De uitkering is niet meer verschuldigd bij het overlijden van
de tot uitkering gehouden echtgenoot, maar de echtgenoot aan wie de
uitkering toekwam mag levensonderhoud vorderen ten bezware van de
nalatenschap, dit volgens de voorwaarden voorzien in artikel
(205bis), §§ 2, 3, 4 en 5 van het Burgerlijk Wetboek. <W 31-03-1987>
Art. 301bis. <Ingevoegd bij W 09-07-1975, art. 2> Voor de
vaststelling van het bedrag van de uitkering en voor de
tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij deze uitkering is
vastgesteld, kan de rechtbank gebruik maken van dezelfde
bevoegdheden als bij (artikel 221) van het Burgerlijk Wetboek aan de
vrederechter zijn toegekend. In dat geval is het bepaalde in het
(zesde lid van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek) van
toepassing. <W 1997-05-20/47, art. 25, 004; Inwerkingtreding :
07-07-1997>
Art. 302. <W 1995-04-13/37, art. 3, 003; Inwerkingtreding :
03-06-1995> Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding
worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn
goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door
degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst
tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd zoals bepaald is in
artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een
beschikking van de voorzitter rechtsprekend in kort geding
overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek,
onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek.
Art. 303. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 4, 003;
Inwerkingtreding : 03-06-1995>
Art. 304. De ontbinding van het huwelijk door een in rechte
toegestane echtscheiding ontneemt aan de kinderen uit dat huwelijk
geen enkel voordeel dat hun door de wetten of door de
huwelijksvoorwaarden van hun ouders was verzekerd; maar de rechten
zullen aan de kinderen slechts op dezelfde wijze en in dezelfde
omstandigheden toekomen als wanneer er geen echtscheiding geweest
was.
Art. 305. (Opgeheven) <W 01-07-1972, art. 12>
Art. 306. <W 01-07-1974, art. 4> Voor de toepassing van de artikelen
299, 300 en 301, wordt de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt
op grond van artikel 232, eerste lid, geacht de echtgenoot te zijn
tegen wie de echtscheiding is uitgesproken; de rechtbank kan er
anders over beslissen indien de eisende echtgenoot het bewijs levert
dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en
tekortkomingen van de andere echtgenoot.
Art. 307. <W 01-07-1974, art. 5> (Wanneer de echtscheiding wordt
toegestaan op grond van artikel 232, tweede lid, behoudt elke
echtgenoot de voordelen van de contractuele erfstellingen te zijnen
behoeve gedaan door de andere echtgenoot.) De rechtbank kan aan een
van de echtgenoten ten laste van de ander, een uitkering tot
levensonderhoud verlenen die onderworpen is aan de regels bepaald in
het volgende artikel. <W 14-07-1975, art. IV, 4>
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregelen (zie art. IV, 47, § 1 W.
14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst (zijnde de eerste
volzin van de vroegere tekst van art. 307 B.W.) van kracht in de
voorziene gevallen. Wanneer de echtscheiding wordt toegestaan op
grond van art. 232, tweede lid, behoudt iedere echtgenoot de
voordelen hem door de andere echtgenoot verleend.>
Art. 307bis. <Ingevoegd bij W 01-07-1974, art. 6> De uitkering tot
levensonderhoud krachtens de artikelen 306 en 307 mag een derde
gedeelte van de inkomsten van de schuldenaar te boven gaan en worden
aangepast of afgeschaft al naar de wijzigingen in de behoeften en de
bestaansmiddelen van partijen. De nalatenschap van de schuldenaar,
vooroverleden zonder kinderen uit zijn huwelijk met de overlevende
achter te laten, is aan de laatstgenoemde levensonderhoud
verschuldigd volgens de regels van artikel 205.
HOOFDSTUK V. - SCHEIDING VAN TAFEL EN BED.
Art. 308. <W-27-01-1960, art. 1> Na uitspraak van de scheiding van
tafel en bed blijft de plicht van hulp alleen bestaan ten voordele
van de echtgenoot die de scheiding heeft verkregen.
Art. 309. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>
Art. 310. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>
Art. 310bis. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>
Opgeheven bij art. 18 in Tit. III, Hfst. II, Afdeling I, van de
opheffingsbepalingen uit art. 2 W. 10 oktober 1967, houdende het
Gerechtelijk Wetboek (ingevolge K.B. 15 mei 1970, art. 2).
Art. 311. Scheiding van tafel en bed heeft altijd scheiding van
goederen ten gevolge.
Art. 311bis. <W 08-04-1965, art. 17> De artikelen 299, 300 en 302
zijn mede van toepassing op de scheiding van tafel en bed op grond
van bepaalde feiten.
(Artikel 304 is van toepassing) op de scheiding van tafel en bed op
grond van bepaalde feiten zowel als op die door onderlinge
toestemming. <W 1997-05-20/47, art. 26, 004; Inwerkingtreding :
07-07-1997>
Art. 311ter. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 25>
Art. 311quater. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 25>hier
Advocatenkantoor Elfri De Neve
Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde
voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03
Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier