-A +A

Echtscheiding in het Burgerlijk wetboek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

art. 229
tot 311 quater Burgerlijk wetboek

stand van de wetgeving per 03/06/05

naar het overzicht wetboeken


TITEL VI. - ECHTSCHEIDING.
HOOFDSTUK I. - GRONDEN TOT ECHTSCHEIDING.
Art. 229. <W 28-10-1974, art. 3> Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd.
Art. 230. (Opgeheven) <W 28-10-1974, art. 4>
Art. 231. Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd.
Art. 232. <W 01-07-1974, art. 1> Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van feitelijke scheiding van meer dan (twee) jaar, indien daaruit de duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht. <W 2000 -04-16/32, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 2000-05-29>
Echtscheiding kan tevens door een der echtgenoten gevorderd worden, indien de feitelijke scheiding van meer dan (twee) jaar het gevolg is van de toestand van krankzinnigheid of van diepe geestesgestoordheid waarin de andere echtgenoot zich bevindt en uit deze toestand een duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt, en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht. Die echtgenoot wordt vertegenwoordigd door zijn voogd, zijn algemene of bijzondere voorlopige bewindvoerder of, bij gebreke daarvan, door een beheerder ad hoc vooraf door de voorzitter van de rechtbank aangewezen op verzoek van de eisende partij. <W 02-12-1982, art. 1>
Art. 233. De onderlinge en volgehouden toestemming van de echtgenoten, uitgedrukt op de wijze die de wet voorschrijft, onder de voorwaarden en na de proeftijden die zij bepaalt, bewijst voldoende dat het samenleven voor hen ondraaglijk is en dat er, te hunnen opzichte, een afdoende grond tot echtscheiding bestaat.
HOOFDSTUK II. - ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
AFDELING I. - VORM VAN DE ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
Art. 234. tot 266 bis : opgeheven
AFDELING II. - VOORLOPIGE MAATREGELEN WAARTOE DE EIS TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN AANLEIDING KAN GEVEN.
Art. 267. tot Art. 271. (Opgeheven)
AFDELING III. - GRONDEN VAN NIET-ONTVANKELIJKHEID TEGEN DE VORDERING TOT ECHTSCHEIDING OP GROND VAN BEPAALDE FEITEN.
Art. 272.  tot Art. 274. (Opgeheven)
HOOFDSTUK III. - ECHTSCHEIDING DOOR ONDERLINGE TOESTEMMING.
Art. 275. <W 20-11-1969, art. 1> Onderlinge toestemming van de echtgenoten wordt niet toegestaan, indien één van beiden (op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek) minder dan (twintig jaar) oud is. <W 1997-05-20/47, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 07-07-1997> <W 19-01-1990, art. 26>
Art. 276. <W 1997-05-20/47, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 07-07-1997> Onderlinge toestemming wordt enkel toegestaan indien het huwelijk aangegaan werd ten minste twee jaar vóór het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 277. tot Art. 294bis. (Opgeheven)
HOOFDSTUK IV. - GEVOLGEN VAN ECHTSCHEIDING.
Art. 295. <W 31-03-1987, art. 36> Indien de gescheiden echtgenoten zich opnieuw verenigen door hun huwelijk andermaal te doen voltrekken, is artikel 1465 alleen van toepassing wanneer er kinderen zijn uit een huwelijk aangegaan tussen de twee echtverbintenissen.
Art. 296. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 37>
Art. 297. (Opgeheven) <W 30-06-1956, art. 4>
Art. 298. (Opgeheven) <W 15-05-1972, art. 1>
Art. 299. Behalve in geval van onderlinge toestemming verliest de echtgenoot tegen wie de echtscheiding, op welke grond ook, is toegestaan, alle voordelen die de andere echtgenoot hem, hetzij bij hun huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk, verleend heeft.
Art. 300. <W 14-07-1976, art. IV, 4> De echtgenoot die de echtscheiding verkregen heeft, behoudt de voordelen hem door de andere echtgenoot verleend, al waren die wederkerig bedongen en al heeft geen wederkerigheid plaats.
Art. 301. <W 09-07-1975, art. 1> § 1. De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven.
§ 2. De rechtbank die de uitkering toekent stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat de echtscheiding (uitspreekt), kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand. <W 1997-05-20/47, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer.
De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen.
§ 3. Indien de uitkering, ingevolge omstandigheden onafhankelijk van de wil van de uitkeringsgerechtigde, in ruime mate ontoereikend is geworden om de in § 1 bedoelde toestand te waarborgen, kan de rechtbank de uitkering verhogen.
Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of opheffen.
Dit geldt eveneens bij ingrijpende wijziging van de toestand van de uitkeringsplichtige ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.
§ 4. Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot.
§ 5. De uitkering kan te allen tijde door een kapitaal worden vervangen op grond van een overeenkomst tussen de partijen gehomologeerd door de rechtbank. De rechtbank kan ook de kapitalisatie te allen tijde toekennen op aanvraag van de tot uitkering gehouden echtgenoot.
§ 6. De uitkering is niet meer verschuldigd bij het overlijden van de tot uitkering gehouden echtgenoot, maar de echtgenoot aan wie de uitkering toekwam mag levensonderhoud vorderen ten bezware van de nalatenschap, dit volgens de voorwaarden voorzien in artikel (205bis), §§ 2, 3, 4 en 5 van het Burgerlijk Wetboek. <W 31-03-1987>
Art. 301bis. <Ingevoegd bij W 09-07-1975, art. 2> Voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij deze uitkering is vastgesteld, kan de rechtbank gebruik maken van dezelfde bevoegdheden als bij (artikel 221) van het Burgerlijk Wetboek aan de vrederechter zijn toegekend. In dat geval is het bepaalde in het (zesde lid van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek) van toepassing. <W 1997-05-20/47, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Art. 302. <W 1995-04-13/37, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd zoals bepaald is in artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een beschikking van de voorzitter rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek.
Art. 303. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>
Art. 304. De ontbinding van het huwelijk door een in rechte toegestane echtscheiding ontneemt aan de kinderen uit dat huwelijk geen enkel voordeel dat hun door de wetten of door de huwelijksvoorwaarden van hun ouders was verzekerd; maar de rechten zullen aan de kinderen slechts op dezelfde wijze en in dezelfde omstandigheden toekomen als wanneer er geen echtscheiding geweest was.
Art. 305. (Opgeheven) <W 01-07-1972, art. 12>
Art. 306. <W 01-07-1974, art. 4> Voor de toepassing van de artikelen 299, 300 en 301, wordt de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt op grond van artikel 232, eerste lid, geacht de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding is uitgesproken; de rechtbank kan er anders over beslissen indien de eisende echtgenoot het bewijs levert dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot.
Art. 307. <W 01-07-1974, art. 5> (Wanneer de echtscheiding wordt toegestaan op grond van artikel 232, tweede lid, behoudt elke echtgenoot de voordelen van de contractuele erfstellingen te zijnen behoeve gedaan door de andere echtgenoot.) De rechtbank kan aan een van de echtgenoten ten laste van de ander, een uitkering tot levensonderhoud verlenen die onderworpen is aan de regels bepaald in het volgende artikel. <W 14-07-1975, art. IV, 4>
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregelen (zie art. IV, 47, § 1 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst (zijnde de eerste volzin van de vroegere tekst van art. 307 B.W.) van kracht in de voorziene gevallen. Wanneer de echtscheiding wordt toegestaan op grond van art. 232, tweede lid, behoudt iedere echtgenoot de voordelen hem door de andere echtgenoot verleend.>
Art. 307bis. <Ingevoegd bij W 01-07-1974, art. 6> De uitkering tot levensonderhoud krachtens de artikelen 306 en 307 mag een derde gedeelte van de inkomsten van de schuldenaar te boven gaan en worden aangepast of afgeschaft al naar de wijzigingen in de behoeften en de bestaansmiddelen van partijen. De nalatenschap van de schuldenaar, vooroverleden zonder kinderen uit zijn huwelijk met de overlevende achter te laten, is aan de laatstgenoemde levensonderhoud verschuldigd volgens de regels van artikel 205.
HOOFDSTUK V. - SCHEIDING VAN TAFEL EN BED.
Art. 308. <W-27-01-1960, art. 1> Na uitspraak van de scheiding van tafel en bed blijft de plicht van hulp alleen bestaan ten voordele van de echtgenoot die de scheiding heeft verkregen.
Art. 309. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>
Art. 310. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>
Art. 310bis. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 18>
Opgeheven bij art. 18 in Tit. III, Hfst. II, Afdeling I, van de opheffingsbepalingen uit art. 2 W. 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek (ingevolge K.B. 15 mei 1970, art. 2).
Art. 311. Scheiding van tafel en bed heeft altijd scheiding van goederen ten gevolge.
Art. 311bis. <W 08-04-1965, art. 17> De artikelen 299, 300 en 302 zijn mede van toepassing op de scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten.
(Artikel 304 is van toepassing) op de scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten zowel als op die door onderlinge toestemming. <W 1997-05-20/47, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
Art. 311ter. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 25>
Art. 311quater. (Opgeheven) <W 20-07-1962, art. 25>hier
 


δ disclaimer


www.elfri.be
elfri@elfri.be
 

Advocatenkantoor Elfri De Neve
Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde

voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03

Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier

 


 

     

     

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 19:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.