-A +A

eigen schulden in het wettelijk huwelijksvermogenstelsel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend


eigen de schulden van voor het huwelijk

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 1406. <W 14-07-1976, art. 2> De schulden van de echtgenoten die dagtekenen van voor het huwelijk en de schulden ten laste van erfenissen en giften die hun toevallen tijdens het huwelijk, blijven eigen schulden.

commentaar:een schuld dagtekent van voor het huwelijk van zodra de oorzaak, de rechtsgrond ervan zich situeert voor het huwelijk, zelfs al is zij pas opeisbaar of een geschikt de betaling tijdens het huwelijk, zich op van beroep Antwerpen 9 juni 1986, rechtskundig weekblad, 1986-87, 123.

Voorbeelden:

- kredietschulden aangegaan voor het huwelijk;
- commerciële schulden die dateren van vóór het huwelijk;
- onderhoudsuitkering te betalen aan een echtgenoot uit een vorig huwelijk;
- de huurschulden vervallen voor het huwelijk;
- lijfrenten te betalen door een van de echtgenoten ingevolge een vestigingsakte of een schenking afgesloten of bekomen voor het huwelijk
- kapitaalschulden aangegaan voor de aanschaf van een eigen woning, ook al dient deze woning als gezinswoning. De interesten zijn in dit geval gemeenschapsschulden;
- successierechten en ingevolge erfenissen of legaten toekomend aan een der  echtgenoten

overige eigen schulden in het wettelijk stelsel

Art. 1407. <W 14-07-1976, art. 2> Eigen zijn :
- de schulden door een der echtgenoten aangegaan in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen;
- de schulden ontstaan uit een persoonlijke of zakelijke zekerheid door een der echtgenoten gesteld in een ander belang dan dat van het gemeenschappelijk vermogen;
- de schulden behorende tot een door een der echtgenoten uitgeoefend beroep dat hem verboden is krachtens artikel 216, of ontstaan uit handelingen die een der echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging;
- de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad begaan door een der echtgenoten.

commentaar:

Er bestaat betwisting of verbeteringswerken aan een eigen onroerend goed steeds resulteren in eigen schulden, dit zal onder meer het geval zijn dan wanneer het eigen onroerend goed verhuurt wordt en de huwgemeenschap het genot heeft van de huurinkomsten. voor weergave tegenstrijdige rechtsleer en rechtspraak zie ter zake Natalie Vandebeek, het onroerend goed en het huwelijksvermogen, Kluwer 2008 pagina 133.

Maar verbouwingswerken gedaan eraan een eigen goed ten voordele van het gezin (aanleg van een tuin voor de kinderen, bijbouwen van een speelkamer of slaapkamer voor een kind, bijbouwen of verbouwen met oog op de uitoefening van een handelszaak door de andere echtgenoot), resulteren in gemeenschappelijke schulden.

Een leningschuld aangegaan door een echtgenoot zonder toestemming van een andere echtgenoot is steeds een eigen schuld: zie hof van beroep Antwerpen 22 september 1998, rechtskundig weekblad 2001-2002,348 en met noot Mosselmans; zie rechtbank Charleroi, 14 oktober 1999, JLMB 2001,563; zie rechtbank Gent, 1 maart 1988, TBBR, 1989,408; zie hof van beroep Luik, vijf januari 1990, TBBR 1993,323

Nog dit: 

Krachtens art. 1409 BW is een eigen schuld in de regel slechts verhaalbaar op het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar en op diens inkomsten.

verhaalbaarheid eigen schulden oip het gemeenschappelijk vermogen

Wegens het in art. 1405, 4°, BW bedoelde vermoeden (dat de goederen van echtgenoten met een gemeenschapsstelsel, bij gebrek aan tegenbewijs, tot de huwelijksgemeenschap behoren), draagt de schuldeiser de bewijslast van het eigen/persoonlijk karakter van de goederen waarop hij beslag legt (E. Dirix, «Executierechten en huwelijksvermogensrecht» in W. Pintens en B. Van der Meersch (red.). De wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels – De Wet van 14 juli 1976, een evaluatie, Antwerpen, Maklu, 1997, p. 226, nr. 311).

Dit betekent dat het de schuldeiser van een eigen schuld van toekomt om het bewijs te leveren van het eigen/persoonlijk karakter van de gebeurlijk in uitvoering van de schuld in beslag genomen goederen.

Ook wanneer de schuldeiser zich voorts baseert op art. 1410 BW, dat haar verhaalsrecht (voor eigen schulden in de zin van art. 1406 BW) uitbreidt naar het gemeenschappelijke vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen van de echtgenoot- schuldenaar, draagt zij de bewijslast.

Slaagt de schuldeiser erin dit bewijs te leveren, dan heeft zij een verhaal op alle gemeenschappelijke goederen, en niet enkel op de opgenomen/vermengde goederen, en dit ten belope van de waarde van de opgenomen/vermengde goederen op het ogenblik van het verhaal; er is geen verplichting om vooraf het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar uit te winnen (E. Dirix, l.c., p. 227, nr. 313).

Het spreekt vanzelf dat deze bewijslast voor een derde-schuldeiser . weinig evident is, zij het dat die bewijslast een redelijke invulling moet krijgen, waarbij alle middelen rechtens kunnen dienen. Het past hoe dan ook dat de echtgenoten in dit soort geschillen hierbij hun medewerking verlenen.

Hoewel zij in hun hoedanigheid van titularis-bestuurder van de huwelijksgemeenschap de schuldeiser op een ontvankelijke wijze verzet kunnen aantekenen tegen het beslag houdende revindicatie (voor ontvankelijkheid hiervan zie E. Dirix, l.c., p. 223, nr. 306), kunnen zij zich niet botweg verschuilen achter het voormelde, in art. 1405, 4°, BW bedoelde vermoeden (W. Pintens, K. Van Winckelen en J. Du Mongh, Schets van het familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 85, nrs. 230-231).

De schuldeiser kan zich dan steunen op art. 1410 BW.

De rechter kan zich dan verder steunen op gewichtige en met elkaar overeenstemmende gegevens leren en elemeneten die in het licht van het interactieve debat aan bod komen om te concluderen dat de huwelijksgemeenschap wel degelijk is verrijkt door opneming van eigen goederen van de schuldenaar in casu één van de huwelijkspartners.

De verrijking kan ook afgeleid worden aan een ruime voorafgaande periode van vóórhuwelijkse boedelvermenging.

Voor een concrete toepassing zie Burg. Rb. Gent 13 oktober 2009, RW 2010-2011, 1267

De M. en D. t/ vzw A.Z. M.M.

...

II. Litigieuze daad van tenuitvoerlegging

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10 september 2008 laat M.M.

– in uitvoering van een (bij verstek gewezen) vonnis van 11 oktober 2004 van de vrederechter van het tweede kanton te Gent, waarbij de vrederechter de toenmalige echtgenoten De M.-B. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan M.M. van een openstaande ziekenhuisrekening ten bedrage van 255,03 euro, vermeerderd met de interesten en de gedingkosten,

– na de (tweevoudige) betekening van de uitgifte van dit vonnis op 10/12 november 2004 en na de (tweevoudige) betekening van een bevel tot betaling op 18 maart 2005,

ten laste van De M. uitvoerend beslag op roerend goed leggen in zijn actuele woonplaats/verblijfplaats te (...).

Het exploot van beslag bevat de kennisgeving dat de uitvoering (uitwinning) zal worden vervolgd door middel van een gerechtelijke verkoop op 24 oktober 2008.

III. Vordering

1. Bij dagvaarding van 22 oktober 2008 verzetten de echtgenoten De M.-D., in hun hoedanigheid van titularis-bestuurder van de huwelijksgemeenschap De M.-D., zich tegen het voormelde beslag, omdat dit in globo zou slaan op roerende goederen (zich bevindende in de actuele echtelijke woonplaats/verblijfplaats te (...), die deel uitmaken van de actuele huwelijksgemeenschap De M.-D., terwijl de tenuitvoerlegging gebaseerd is op een vóórhuwelijkse en derhalve eigen schuld van De M. (in het raam van zijn eerder huwelijk met B.). Volgens de echtgenoten De M.-D. kan M.M. die eigen schuld bezwaarlijk verhalen op goederen (inzonderheid huisraad) die deel uitmaken van de actuele huwelijksgemeenschap De M.-D.

Om die reden vorderen de echtgenoten De M.-D. de opheffing van het voormelde beslag.

2. M.M. neemt conclusie tot afwijzing van het bedoelde verzet.

IV. Beoordeling

1. De M.-D. zijn echtgenoten met een huwelijksvermogensrechtelijk gemeenschapsstelsel (art. 1398 e.v. BW). Zij hebben hun actuele echtelijke woonplaats/ verblijfplaats te (...), waar de in beslag genomen goederen (huisraad/inboedel) zich bevinden.

2. Het staat buiten kijf dat de door M.M. gevorderde uitvoering van het voormelde vonnis van 11 oktober 2004 betrekking heeft op een vóórhuwelijkse en derhalve eigen schuld van De M. (in het raam van zijn eerder huwelijk met B.) (art. 1406 BW).

Krachtens art. 1409 BW is een eigen schuld in de regel slechts verhaalbaar op het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar en op diens inkomsten.

Wegens het in art. 1405, 4o, BW bedoelde vermoeden (dat de goederen van echtgenoten met een gemeenschapsstelsel, bij gebrek aan tegenbewijs, tot de huwelijksgemeenschap behoren), draagt de schuldeiser de bewijslast van het eigen/persoonlijk karakter van de goederen waarop hij beslag legt (E. Dirix, «Executierechten en huwelijksvermogensrecht» in W. Pintens en B. Van der Meersch (red.). De wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels – De Wet van 14 juli 1976, een evaluatie, Antwerpen, Maklu, 1997, p. 226, nr. 311).

Dit betekent dat het in casu aan M.M., als schuldeiser van een eigen schuld van De M., toekomt om het bewijs te leveren van het eigen/persoonlijk karakter van de op 10 september 2008 in beslag genomen goederen.

Ook wanneer M.M. zich voorts baseert op art. 1410 BW, dat haar verhaalsrecht (voor eigen schulden in de zin van art. 1406 BW) uitbreidt naar het gemeenschappelijke vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen van de echtgenoot- schuldenaar/De M., draagt zij de bewijslast. Slaagt M.M. erin dit bewijs te leveren, dan heeft zij een verhaal op alle gemeenschappelijke goederen, en niet enkel op de opgenomen/vermengde goederen, en dit ten belope van de waarde van de opgenomen/vermengde goederen op het ogenblik van het verhaal; er is geen verplichting om vooraf het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar/De M. uit te winnen (E. Dirix, l.c., p. 227, nr. 313).

3. Het spreekt vanzelf dat deze bewijslast voor een derde-schuldeiser als M.M. weinig evident is, zij het dat die bewijslast een redelijke invulling moet krijgen, waarbij alle middelen rechtens kunnen dienen. Het past hoe dan ook dat de echtgenoten De M.-D. hierbij hun medewerking verlenen. Hoewel zij (anders dan M.M. beweert) in hun hoedanigheid van titularis-bestuurder van de huwelijksgemeenschap De M.-D. op ontvankelijke wijze verzet aantekenen (met het uitzicht van een revindicatie: E. Dirix, l.c., p. 223, nr. 306), kunnen zij zich niet botweg verschuilen achter het voormelde, in art. 1405, 4o, BW bedoelde vermoeden (W. Pintens, K. Van Winckelen en J. Du Mongh, Schets van het familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 85, nrs. 230-231). Om die reden heeft de beslagrechter bij tussenvonnis van 31 maart 2009 het debat heropend.

4. M.M. baseert zich terecht op art. 1410 BW.

De thans voorliggende (gewichtige en met elkaar overeenstemmende) gegevens leren, in het licht van het interactieve debat ter terechtzitting van 23 juni 2009 (gelet op een eerder vonnis van de beslagrechter van 24 februari 2009, waarbij de echtgenoten De M.-D. als eisers fungeren), dat de huwelijksgemeenschap De M.- D. wel degelijk is verrijkt door opneming van eigen goederen van schuldenaar De M.

De verrijking vloeit mede voort uit een ruim drie jaar durende vóórhuwelijkse boedelvermenging. Vóór hun huwelijk op 20 juli 2007 woonden de echtgenoten De M.-D. (blijkens het rijksregister minstens sinds 5 mei 2004 en zodoende) ruim drie jaar samen op hun actuele woonplaats. In die periode heeft De M. arbeidsinkomsten verworven die hij aan de alsdan lopende collectieve schuldenregeling heeft onttrokken. Mede hierom werd de lopende collectieve schuldenregeling herroepen op 8 mei 2007. De bedoelde arbeidsinkomsten en de ermee verworven goederen zijn in de (latere) huwelijksgemeenschap De M.-D. gevallen.

Dat de verrijking van de huwelijksgemeenschap De M.-D. kleiner zou zijn dan de bescheiden schuldvordering van M.M., valt niet aan te nemen.

5. Het verzet kan geenszins slagen.

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: do, 24/03/2011 - 21:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.