-A +A

Erfenis, schenking en testament

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
art. 711 tot 1100 BW



uittreksel uit het burgerlijk wetboek. Stand wetgeving
03/06/05

 



erfenis en testament




schenking overzichtspagina

 

BOEK III. - OP WELKE WIJZE EIGENDOM VERKREGEN WORDT.
ALGEMENE BEPALINGEN.
Artikel 711. Eigendom van goederen wordt verkregen en gaat over door erfopvolging, door schenking onder de levenden of hij testament, en uit kracht van verbintenissen.
Art. 712. Eigendom wordt ook verkregen door natrekking of incorporatie en door verjaring.
Art. 713. Goederen die geen eigenaar hebben, behoren toe aan de Staat.
Art. 714. Er zijn zaken die aan niemand toebehoren en waarvan het gebruik aan allen gemeen is.
Politiewetten bepalen hoe het genot daarvan geregeld wordt.
Art. 715. Het recht om te jagen of te vissen wordt eveneens door bijzondere wetten geregeld.
Art. 716. De eigendom van een schat behoort aan wie hem in zijn eigen erf vindt; wordt de schat in eens anders erf gevonden, dan behoort hij voor de ene helft toe aan de vinder en voor de andere helft aan de eigenaar van het erf.
Een schat is iedere verborgen of bedolven zaak waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen en die door louter toeval ontdekt wordt.
Art. 717. De rechten op zaken die in zee zijn geworpen, op voorwerpen, van welke aard ook, die door de zee worden aangespoeld, en op planten en kruiden die groeien langs de oevers der zee, worden eveneens door bijzondere wetten geregeld.
Hetzelfde geldt voor verloren zaken waarvan de eigenaar zich niet aanmeldt.
TITEL I. - ERFENISSEN.
HOOFDSTUK I. - OPENVALLEN VAN ERFENISSEN EN BEZIT VAN DE ERFGENAMEN.
Art. 718. Erfenissen vallen open door de (...) dood. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 719. (Opgeheven) <15-12-1949, art. 29>
Art. 720. <W 19-09-1977, art. 2> Om erfgenaam of legataris te zijn moet men de erflater overleven.
Art. 721. <W 19-09-1977, art. 2> Wanneer de volgorde waarvan twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden.
Art. 722. <W 19-09-1977, art. 2> Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meer malen uitstel verlenen, zulks voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd.
Art. 723. <W 31-03-1987, art. 66> De wet bepaalt de orde van erfopvolging tussen de erfgenamen.
Bij gebreke van erfgenamen vervallen de goederen aan de Staat.
Art. 724. <W 31-03-1987, art. 67> De erfgenamen treden van rechtswege in het bezit van de goederen, rechten en rechtsvorderingen van de overledene, onder verplichting om alle lasten van de nalatenschap te voldoen.
De Staat moet zich in het bezit doen stellen door de rechter, in de vorm die hierna wordt bepaald.
HOOFDSTUK II. - HOEDANIGHEDEN VEREIST OM TE KUNNEN ERVEN.
Art. 725. Om te kunnen erven moet men bestaan op het ogenblik dat de erfenis openvalt.
Derhalve zijn onbekwaam om te erven :
1° Hij die nog niet verwekt is;
2° Het kind dat niet levensvatbaar is;
(...). <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 726. <W 15-12-1980, art. 85> Vreemdelingen hebben overal in het Rijk het recht om te erven, te beschikken en te verkrijgen op dezelfde wijze als de Belgen.
Art. 727. Onwaardig om te erven en, als zodanig van de erfenissen uitgesloten, zijn :
1° Hij die veroordeeld is om de overledene te hebben gedood of om te hebben gepoogd hem te doden;
2° (Hij die tegen de overledene een lasterlijk geoordeelde beschuldiging heeft ingebracht van een feit waarop levenslange opsluiting of levenslange hechtenis is gesteld;) <W 2003-01-23/42, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 13-03-2003>
3° De meerderjarige erfgenaam die, kennis dragende van de op de overledene gepleegde doodslag, daarvan bij het gerecht geen aangifte heeft gedaan.
Art. 728. Het nalaten van die aangifte kan niet worden ingeroepen tegen bloedverwanten van de opgaande of de nederdalende lijn van de moordenaar, noch tegen zijn aanverwanten in dezelfde graad, noch tegen zijn echtgenoot of zijn echtgenote, noch tegen zijn broeders of zusters, noch tegen zijn ooms en tantes, noch tegen zijn neven en nichten.
Art. 729. De wegens onwaardigheid van de erfenis uitgesloten erfgenaam is gehouden tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten waarvan hij sinds het openvallen van de erfenis het genot heeft gehad.
Art. 730. De kinderen van de onwaardige, die uit eigen hoofde en niet bij plaatsvervulling tot de erfenis komen, zijn niet uitgesloten wegens de schuld van hun vader; maar deze laatste kan in geen geval, ten aanzien van de goederen van die erfenis, aanspraak maken op het vruchtgebruik dat door de wet aan de ouders op de goederen van hun kinderen wordt toegekend.
HOOFDSTUK III. - ONDERSCHEIDEN ORDEN IN DE ERFOPVOLGING.
AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 731. <W 14-05-1981, art. 7> De erfenissen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de overledene, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn en aan zijn bloedverwanten in de zijlijn, in de orde en overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald.
Art. 732. De wet houdt bij het regelen van de erfopvolging geen rekening met de aard of met de oorsprong van de goederen.
Art. 733. Iedere erfenis die aan bloedverwanten in de opgaande lijn of aan bloedverwanten in de zijlijn te beurt valt, wordt verdeeld in twee gelijke delen : het ene voor de bloedverwanten van de vaderlijke lijn, het andere voor de bloedverwanten van de moederlijke lijn.
De bloedverwanten enkel van moederszijde of van vaderszijde worden niet uitgesloten door de volle bloedverwanten; doch zij erven slechts in hun lijn, behoudens hetgeen in artikel 752 wordt bepaald. De volle bloedverwanten erven in beide lijnen.
De erfenis gaat niet over van de ene lijn naar de andere, behalve wanneer in een van beide lijnen noch bloedverwant in de opgaande lijn, noch bloedverwant in de zijlijn bestaat.
Art. 734. Is deze eerste verdeling tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn gedaan, dan heeft geen verdere verdeling plaats tussen de verschillende takken; doch de aan elke lijn te beurt gevallen helft behoort aan de erfgenaam of aan de erfgenamen die de naaste in graad zijn, behoudens hetgeen hierna bepaald wordt omtrent het geval van plaatsvervulling.
Art. 735. De afstand in bloedverwantschap wordt bepaald door het getal van de generaties; elke generatie wordt een graad genoemd.
Art. 736. De opvolging van graden maakt de lijn : men noemt rechte lijn de opvolging van graden tussen personen die de ene van de andere afstammen; zijlijn, de opvolging van graden tussen personen die niet de ene van de andere, maar van een gemene stamvader afstammen.
In de rechte lijn onderscheidt men de rechte nederdalende lijn en de rechte opgaande lijn.
De eerste verbindt de stamvader met de personen die van hem afstammen; de laatste verbindt een persoon met degenen van wie hij afstand.
Art. 737. In de rechte lijn rekent men zoveel graden als er generatie zijn tussen de personen : zo staat de zoon, met betrekking tot de vader, in de eerste graad; de kleinzoon, in de tweede; en zulks geldt wederkerig voor de vader en de grootvader, met betrekking tot zonen en kleinzonen.
Art. 738. In de zijlijn worden de graden bepaald door het getal van de generaties, te rekenen van een van de bloedverwanten tot aan de gemene stamvader, zonder deze mee te tellen, en vervolgens van deze tot aan de andere bloedverwant.
Zo staan twee broeders in de tweede graad; oom en neef, in de derde graad; volle neven, in de vierde graad; en zoverder.
AFDELING II. - PLAATSVERVULLING.
Art. 739. Plaatsvervulling is een fictie van de wet, volgens welke de vertegenwoordigers in de plaats, de graad en de rechten van de vertegenwoordigde treden.
Art. 740. Plaatsvervulling heeft, in de rechte nederdalende lijn, tot in het oneindige plaats.
Zij is in alle gevallen toegelaten, hetzij de kinderen van de overledene opkomen samen met de afstammelingen van een vooroverleden kind, hetzij - alle kinderen van de overledene voor hem gestorven zijnde - de afstammelingen van de kinderen onder elkaar in gelijke of ongelijke graden staan.
Art. 741. Plaatsvervulling heeft niet plaats ten voordele van bloedverwanten in de opgaande lijn; de naaste in elke van beide lijnen sluit altijd de verdere uit.
Art. 742. <W 11-10-1919, art. 47> In deze zijlijn is plaatsvervulling toegelaten ten voordele van de kinderen en afstammelingen van broeders en zusters, ooms en tantes van de overledene, hetzij die tot de erfenis komen samen met ooms en tantes, hetzij de erfenis, na vooroverlijden van alle broeders en zusters, ooms en tantes van de overledene, vervalt aan hun afstammelingen in gelijke of in ongelijke graden.
Art. 743. In alle gevallen waarin plaatsvervulling toegelaten is, geschiedt de verdeling bij staken; indien een zelfde staak verscheidene takken heeft voortgebracht, geschiedt de onderverdeling in elke tak eveneens bij staken en delen de leden van dezelfde tak onder elkaar bij hoofden.
Art. 744. Men kan niet bij plaatsvervulling opkomen voor levende personen, doch alleen voor personen die (...) overleden zijn. <W 15-12-1949, art. 28>
Men kan bij plaatsvervulling opkomen voor hem wiens erfenis men verworpen heeft.
(Plaatsvervulling geschiedt bij gelijktijdig overlijden zoals bij vooroverlijden.) <W 19-09-1977, art. 3>
AFDELING III. - ERFOPVOLGING IN DE NEDERDALENDE LIJN.
Art. 745. De kinderen of hun afstammelingen erven van hun ouders, grootouders of verdere bloedverwanten in de opgaande lijn, zonder onderscheid van geslacht of van eerstgeboorte, (ook al hebben zij niet dezelfde ouders en ongeacht de wijze waarop hun afstamming is vastgesteld.) <W 31-03-1987, art. 68>
Zij erven voor gelijke delen en bij hoofden, wanneer zij allen in de eerste graad staan en uit eigen hoofde geroepen worden; zij erven bij staken, wanneer zij allen of een gedeelte van hen bij plaatsvervulling opkomen.
(AFDELING IV. - ERFOPVOLGING VAN DE LANGSTLEVENDE ECHTGENOOT.
Art. 745bis. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. (Wanneer de overledene afstammelingen, geadopteerde kinderen of afstammelingen van deze achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap.) <W 31-03-1987, art. 69>
Wanneer de overledene andere erfgerechtigden achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en het vruchtgebruik van diens eigen vermogen.
Wanneer de overledene geen erfgerechtigden achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van de gehele nalatenschap.
§ 2. De langstlevende echtgenoot heeft bovendien het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer waarin de artikelen 366, § 1, eerste en tweede lid. 747 en 766 voorzien, tenzij in de akte van schenking of in het testament anders is bepaald.
Art. 745ter. <W 14-05-1981, art. 8> Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat voor alle met vruchtgebruik belaste goederen een boedelbeschrijving van de roerende en een staat van de onroerende worden opgemaakt, dat de geldsommen worden belegd en dat de effecten aan toonder, naar keuze van de langstlevende echtgenoot, worden omgezet in inschrijvingen op naam of gedeponeerd op een gemeenschappelijke bankrekening.
Art. 745quater. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. (Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geindexeerde rente.
Het kind dat tijdens het huwelijk verwekt is door de overledene en een andere persoon dan de langstlevende echtgenoot, kan niet om de omzetting van het vruchtgebruik verzoeken. <W 31-03-1987, art. 70>
§ 2. Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in § 1, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting eisen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.
In hetzelfde geval kan hij te allen tijde eisen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in § 4 hem tegen geld wordt overgedragen.
De rechtbank kan de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden.
Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in § 1 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot.
§ 3. De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer kan, alleen worden gevorderd door degene die dat recht bezit.
§ 4. Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot.
Art. 745quinquies. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. Het recht om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4, te vorderen, geldt voor elk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, onverschillig of het verkregen is krachtens de wet of bij testament, dan wel ingevolge huwelijkscontract of contractuele erfstelling.
Dit recht is persoonlijk en niet vatbaar voor overdracht. Het kan niet worden uitgeoefend door de schuldeisers van de rechthebbende.
§ 2. Het recht om de omzetting te vorderen kan niet worden ontnomen aan de afstammelingen uit een vorig huwelijk van de vooroverleden echtgenoot.
Aan de langstlevende echtgenoot kan niet het recht worden ontnomen om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4, te vorderen.
§ 3. Ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met afstammelingen uit een vorig huwelijk en de omzetting wordt gevorderd door een van de partijen, wordt de langstlevende echtgenoot geacht ten minste twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling uit een vorig huwelijk.
Art. 745sexies. <W 14-05-1981, art. 8> § 1. Indien alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot meerderjarig en handelingsbekwaam zijn, kunnen zij in iedere stand van de zaak, in onderlinge overeenstemming en op de wijze die zij hebben vastgesteld, overgaan tot de omzetting of tot de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4.
Indien een van hen minderjarig of anderszins onbekwaam is, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Bij gebreke van overeenstemming wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt op verzoekschrift; alle rechtverkrijgenden worden in het geding geroepen bij gerechtsbrief.
Wanneer de rechtbank de eis geheel of ten dele toewijst, bepaalt zij de wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4. In voorkomend geval gelast zij de verkoop van de volle eigendom van het geheel of van een deel der goederen die met vruchtgebruik belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Het vruchtgebruik wordt berekend volgens de waarde op de dag van de omzetting. Bij die waardering wordt onder meer en naar gelang van de omstandigheden rekening gehouden met de waarde en de opbrengst van de goederen, de eraan verbonden schulden en lasten en de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker.
§ 4. De omzetting van het vruchtgebruik heeft geen terugwerkende kracht, evenmin als de toewijzing van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4.
Art. 745septies. <W 14-05-1981, art. 8> (§ 1. De langstlevende echtgenoot kan van zijn erfrecht geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten of daarvan vervallen worden verklaard indien hij geheel of gedeeltelijk is ontzet uit het ouderlijk gezag over de kinderen geboren uit zijn huwelijk met de overledene.
§ 2. De rechtsvordering wordt door de afstammelingen ingesteld binnen een jaar te rekenen hetzij van het openvallen van de nalatenschap, hetzij van de ontzetting uit het ouderlijk gezag.
Het vonnis heeft gevolg met ingang van de datum waarop de vordering is ingesteld.) <W 2001-04-29/39, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
§ 3. Bij omzetting van het vruchtgebruik in de volle eigendom van een goed of in een geldsom, of bij overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, § 4, levert de uitsluiting of de vervallenverklaring grond op tot vergoeding.
Die vergoeding wordt vastgesteld door de rechtbank en stemt overeen met de waarde van het vruchtgebruik, mede gelet op de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker bij het instellen van de rechtsvordering.
Is het vruchtgebruik omgezet in een lijfrente, dan werkt het vonnis terug tot hetzelfde tijdstip.
AFDELING (V.) - ERFOPVOLGING IN DE OPGAANDE LIJN.
Art. 746. Wanneer de overledene geen nakomelingen heeft achtergelaten en ook geen broeder of zuster, of afstammelingen van dezen, wordt de nalatenschap in twee helften verdeeld tussen de bloedverwanten in de vaderlijke opgaande lijn en de bloedverwanten in de moederlijke opgaande lijn.
De naaste in graad van de opgaande lijn bekomt, met uitsluiting van alle anderen, de aan zijn lijn toekomende helft.
Bloedverwanten van de opgaande lijn, in gelijke graad, erven bij hoofden.
Art. 747. De bloedverwanten in de opgaande lijn erven, met uitsluiting van alle anderen, de zaken door hen geschonken aan hun kinderen of afstammelingen die zonder nakomelingschap zijn gestorven, wanneer de geschonken zaken nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap.
Indien de zaken zijn vervreemd, bekomen de bloedverwanten in de opgaande lijn de prijs die daarvoor nog verschuldigd mocht zijn. Zij erven ook de rechtsvordering tot terugneming die de begiftigde mocht hebben.
Art. 748. Wanneer de ouders van een persoon die zonder nakomelingschap gestorven is, hem hebben overleefd, wordt, indien hij broeders, zusters of afstammelingen van dezen achtergelaten heeft, de nalatenschap in twee helften verdeeld, waarvan slechts ene toekomt aan de ouders, die deze onder elkaar gelijkelijk verdelen.
De andere helft behoort aan de broeders en zusters of aan hun afstammelingen, zoals in afdeling VI van dit hoofdstuk wordt bepaald.
Art. 749. Ingeval de persoon die zonder nakomelingschap gestorven is, broeders, zusters of afstammelingen van dezen achterlaat en de vader of de moeder vooroverleden is, wordt het gedeelte dat hem of haar, overeenkomstig het vorige artikel, zou zijn te beurt gevallen, gevoegd bij de helft die toekomt aan de broeders en zusters, of aan hen die hun plaats vervullen, zoals in afdeling VI van dit hoofdstuk wordt bepaald.
AFDELING (VI.) - ERFOPVOLGING IN DE ZIJLIJN.
Art. 750. Bij vooroverlijden van vader en moeder van een persoon die zonder nakomelingschap gestorven is, worden zijn broeders en zusters of hun afstammelingen tot de nalatenschap geroepen, met uitsluiting van de bloedverwanten in de opgaande lijn en van de overige bloedverwanten in de zijlijn.
Zij erven ofwel uit eigen hoofde, ofwel bij plaatsvervulling, overeenkomstig hetgeen in afdeling II van dit hoofdstuk is bepaald.
Art. 751. Indien vader en moeder van de persoon die zonder nakomelingschap gestorven is, hem hebben overleefd, worden zijn broeders en zusters of zij die hun plaats vervullen, slechts tot de helft van de nalatenschap geroepen. Zij worden tot drie vierden geroepen, indien alleen de vader of de moeder hem heeft overleefd.
Art. 752. De verdeling van de helft of van drie vierden, die volgens het vorige artikel aan de broeders of zusters te beurt vallen, geschiedt onder hen in gelijke delen, (indien zij allen dezelfde ouders hebben; indien zij niet dezelfde ouders hebben), wordt hetgeen zij erven in twee gelijke delen verdeeld tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn van de overledene; volle broeders en zusters erven in beide lijnen, halve broeders en zusters van moederszijde en die van vaderszijde, ieder slechts in hun lijn; zijn er enkel broeders of zusters van één zijde, dan erven dezen alles, met uitsluiting van alle andere bloedverwanten van de andere lijn. <W 31-03-1987, art. 71>
Art. 753. Bij gebreke van broeders of zusters of afstammelingen van dezen, en bij gebreke, in een van beide lijnen, van bloedverwanten van de opgaande lijn, komt de nalatenschap voor de ene helft toe aan de overlevende bloedverwanten van de opgaande lijn; en voor de andere helft aan de naaste bloedverwanten van de andere lijn.
(Indien bloedverwanten van de zijlijn, in gelijke graad, samen opkomen, delen zij bij hoofden, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden, zoals in afdeling II van dit hoofdstuk is bepaald.) <W 11-10-1919, art. 47>
Art. 754. In het geval van het vorige artikel heeft de overlevende vader of moeder het vruchtgebruik van het derde gedeelte van de goederen die hij of zij niet in eigendom erft.
Art. 755. (Bloedverwanten van verder dan de vierde graad erven niet, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden.) <W 11-10-1919, art. 47>
Zijn er in de ene lijn geen bloedverwanten in erfelijke graad, dan erven de bloedverwanten van de andere lijn de gehele nalatenschap.
HOOFDSTUK IV. - ONREGELMATIGE ERFOPVOLGING.
AFDELING I. - RECHTEN VAN NATUURLIJKE KINDEREN OP DE GOEDEREN VAN HUN VADER OF MOEDER, EN ERFOPVOLGING IN DE NALATENSCHAP VAN ZONDER NAKOMELINGEN OVERLEDEN NATUURLIJKE KINDEREN.
Art. 756. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 757. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 758. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 759. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 760. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 761. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 762. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 763. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 764. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 765. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
Art. 766. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 72>
AFDELING II. - RECHTEN VAN DE STAAT.
Art. 767. (Opgeheven) <W 14-05-1981, art. 13>
Art. 768. <W 15-05-1981, art. 15> Bij gebreke van erfgerechtigden vervalt de nalatenschap aan de Staat, onverminderd (de artikelen 100 en) 104 van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. <W 05-08-1992, art. 68>
Art. 769. <W 14-05-1981, art. 16> Wanneer de Staat aanspraak maakt op de nalatenschap, moet hij de zegels doen leggen en een boedelbeschrijving doen opmaken in de vorm die is voorgeschreven voor de aanvaarding van nalatenschappen onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Art. 770. (De Staat moet) de inbezitstelling vragen bij de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarbinnen de erfenis is opengevallen. De rechtbank kan over de eis geen uitspraak doen dan na drie bekendmakingen en aanplakkingen in de gebruikelijke vorm, en na de procureur des Konings te hebben gehoord. <W 14-05-1981, art. 17>
Art. 771. (Opgeheven) <W 14-05-1981, art. 18>
Art. 772. <W 14-05-1981, art. 19> Indien de Staat de voorgeschreven formaliteiten niet heeft vervuld, kan hij worden veroordeeld tot schadevergoeding aan de erfgenamen die zich zouden aanmelden.
Art. 773. (Opgeheven) <W 14-05-1981, art. 20>
HOOFDSTUK V. - AANVAARDING EN VERWERPING VAN NALATENSCHAPPEN.
AFDELING I. - AANVAARDING.
Art. 774. Een nalatenschap kan of zuiver, of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard worden.
Art. 775. Niemand is gehouden een hem opgekomen nalatenschap te aanvaarden.
Art. 776. <W 2001-04-29/39, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Nalatenschappen aan minderjarigen en aan onbekwaamverklaarden kunnen alleen overeenkomstig de bepalingen van artikel 410, § 1, rechtsgeldig worden aanvaard. (De fondsen en waarden die hen toebehoren, worden geplaatst op een rekening geopend op hun naam en worden onbeschikbaar gemaakt tot de meerderjarigheid of tot de opheffing van de onbekwaamverklaring zulks onverminderd het recht op wettelijk genot.) <W 2003-02-13/54, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
Art. 777. De aanvaarding werkt terug tot op de dag dat de erfenis is opengevallen.
Art. 778. De aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden : zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.
Art. 779. Daden die alleen dienen tot bewaring, toezicht of voorlopig beheer, zijn geen daden van aanvaarding van de nalatenschap, indien daarbij de titel of de hoedanigheid van erfgenaam niet is aangenomen.
Art. 780. De schenking, de verkoop of de overdracht van zijn erfrecht door een van de erfgenamen gedaan, hetzij aan een vreemde persoon, hetzij aan al zijn medeërfgenamen, hetzij aan enkelen onder dezen, heeft voor hem aanvaarding van de nalatenschap ten gevolge.
Hetzelfde geldt : 1° voor de verwerping, zelfs om niet, door een van de erfgenamen gedaan ten voordele van een of meer van zijn medeërfgenamen;
2° Voor de verwerping door hem gedaan, zelfs ten voordele van al zijn medeërfgenamen zonder onderscheid, wanneer hij voor de verwerping een prijs ontvangt.
Art. 781. Wanneer hij aan wie een nalatenschap is opgekomen, overleden is zonder die te hebben verworpen of zonder ze, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, te hebben aanvaard, kunnen zijn erfgenamen de nalatenschap uit zijnen hoofde aanvaarden of verwerpen.
Art. 782. Indien deze erfgenamen verschillen omtrent het aanvaarden of het verwerpen van de nalatenschap, moet deze worden aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Art. 783. Een meerderjarige kan tegen de door hem uitdrukkelijk of stilzwijgend gedane aanvaarding van een nalatenschap slechts opkomen ingeval die aanvaarding het gevolg mocht zijn geweest van een jegens hem gepleegd bedrog; hij kan er nooit tegen opkomen onder voorgeven van benadeling, dan alleen ingeval de nalatenschap mocht zijn teniet gedaan of met meer dan de helft verminderd, door de ontdekking van een testament dat op het ogenblik van de aanvaarding onbekend was.
AFDELING II. - VERWERPING VAN NALATENSCHAPPEN.
Art. 784. De verwerping van een nalatenschap wordt niet vermoed : zij kan voortaan alleen gedaan worden op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen, in een bijzonder daartoe gehouden register.
Art. 785. De erfgenaam die de nalatenschap verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam te zijn geweest.
Art. 786. Het aandeel van hem die de nalatenschap verwerpt, komt door aanwas ten goede aan zijn medeërfgenamen; indien hij alleen is in zijn graad, vervalt het aan de volgende graad.
Art. 787. Men komt nooit bij plaatsvervulling op voor een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft; indien hij die de nalatenschap verwerpt, de enige erfgenaam is in zijn graad, of indien al zijn medeërfgenamen de nalatenschap verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde en erven zij bij hoofden.
Art. 788. De schuldeisers van hem die met benadeling van hun rechten een nalatenschap verwerpt, kunnen zich door de rechter doen machtigen om de nalatenschap uit hoofde van hun schuldenaar in zijn plaats te aanvaarden.
In dit geval is de verwerping alleen ten voordele van de schuldeisers en slechts tot het bedrag van hun schuldvorderingen vernietigd; zij is het niet ten voordele van de erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft.
Art. 789. Het recht om een nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen verjaart door verloop van de tijd die voor de langste verjaring van onroerende rechten is vereist.
Art. 790. Zolang tegen erfgenamen die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, blijven zij bevoegd om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard; onverminderd evenwel de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn verkregen, hetzij door verjaring, hetzij door handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde nalatenschap.
Art. 791. Men kan, zelfs bij huwelijkscontract, de nalatenschap van een persoon die nog in leven is, niet verwerpen, noch de toekomstige rechten vervreemden die men op zodanige nalatenschap mocht hebben (, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald). <W 2003-04-22/46, art. 2, 010 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
Art. 792. De erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al verwerpen zij deze, toch blijven zij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken.
AFDELING III. - VOORRECHT VAN BOEDELBESCHRIJVING, ZIJN GEVOLGEN, EN VERPLICHTINGEN VAN DE ERFGENAAM DIE ONDER VOORRECHT AANVAARDT.
Art. 793. <W 10-10-1967, art. 95> De verklaring waarbij een erfgenaam te kennen geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, moet worden afgelegd op de griffie van de rechtbank van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen; zij moet worden ingeschreven in het register waarin de akten van verwerping worden opgenomen.
Bij vrijwillige aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving moet die verklaring binnen de volgende vijftien dagen door de zorg van de griffier en op kosten van de onder voorrecht aanvaardende erfgenaam worden bekendgemaakt (in het Belgisch Staatsblad), met verzoek aan de schuldeisers en de legatarissen, bij aangetekend bericht, hun rechten te doen kennen binnen drie maanden te rekenen van de datum van de opneming in het Belgisch Staatsblad. <W 03-01-1983, art. 1>
(Bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wegens onbekwaamheid van de erfgenaam, worden dezelfde vormen in acht genomen door de zorg van de vader en de moeder of door degene van hen die het ouderlijk gezag uitoefent, door de ontvoogde minderjarige of door de voogd. De vrederechter ziet toe op de inachtneming van deze vormen. In geval van belangentegenstelling tussen de onbekwame en zijn wettelijke vertegenwoordiger, wordt door de vrederechter, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc aangewezen. <W 2001-04-29/39, art. 30, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Behoudens later bewijs van de werkelijkheid van hun schuldvorderingen, maken de schuldeisers en legatarissen zich bekend bij gewone aangetekende brief, gericht aan de woonplaats die de erfgenaam gekozen heeft en die in de opgenomen verklaring is vermeld.
Art. 794. <W 10-10-1967, art. 95> De verklaring waarbij een erfgenaam aanvaardt onder voorrecht van boedelbeschrijving, heeft slechts kracht voor zover zij is voorafgegaan of gevolgd door een getrouwe en nauwkeurige inventaris van de goederen der nalatenschap, in de vorm door het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven en binnen de termijnen bepaald in de artikelen 795 en 798 van dit wetboek.
Art. 795. De erfgenaam heeft voor het opmaken van de boedelbeschrijving drie maanden, te rekenen van de dag waarop de erfenis is opengevallen.
Bovendien heeft hij, om zich omtrent de aanvaarding of de verwerping te beraden, een termijn van veertig dagen, te rekenen van de dag dat de voor het opmaken van de boedelbeschrijving verleende drie maanden verstreken zijn, of van de dag van het sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze voor het verstrijken van de drie maanden is beëindigd.
Art. 796. Indien echter in de nalatenschap zaken aanwezig zijn die kunnen bederven, of waarvan de bewaring grote kosten vergt, kan de erfgenaam, in zijn hoedanigheid van gerechtigde tot de erfenis en zonder dat men daaruit een aanvaarding van zijn zijde mag afleiden, zich door de rechter doen machtigen om die zaken te verkopen.
De verkoop geschiedt door een openbaar ambtenaar, na de aanplakkingen en bekendmakingen die door de wetten op de rechtspleging zijn voorgeschreven.
Art. 797. Gedurende de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, kan de erfgenaam niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen, en kan tegen hem geen veroordeling worden verkregen; indien hij de nalatenschap verwerpt, nadat de termijnen verstreken zijn of vroeger, komen de kosten, door hem tot dan toe wettig gemaakt, ten laste van de nalatenschap.
Art. 798. Na verloop van de hierboven bepaalde termijnen, kan de erfgenaam, indien tegen hem een vervolging wordt ingesteld, een nieuwe termijn aanvragen, die door de rechtbank waarvoor het geschil aanhangig is, naar gelang van de omstandigheden wordt toegestaan of geweigerd.
Art. 799. De kosten van de vervolging, in het geval van het vorige artikel, komen ten laste van de nalatenschap, indien de erfgenaam bewijst dat hij van het overlijden geen kennis heeft gedragen, of dat de termijnen onvoldoende zijn geweest, hetzij wegens de ligging der goederen, hetzij wegens de gerezen geschillen; indien hij daarvan het bewijs niet levert, blijven de kosten te zijnen laste.
(De kosten van opneming en andere waarschuwingen blijven ten laste van de nalatenschap als gerechtskosten.) <W 10-10-1967, art. 95>
Art. 800. Na verloop van de bij artikel 795 verleende, en zelfs van de door de rechter overeenkomstig artikel 798 toegestane termijnen, behoudt de erfgenaam niettemin het recht om de boedelbeschrijving alsnog te doen opmaken en te aanvaarden onder voorrecht, behalve wanneer hij reeds een daad van erfgenaam verricht heeft, of wanneer tegen hem een vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en hem als zuiver erfgenaam veroordeelt.
Art. 801. Het voorrecht van boedelbeschrijving vervalt voor de erfgenaam die goederen heeft verborgen gehouden, of die, wetens en willens en te kwader trouw, verzuimd heeft goederen van de nalatenschap in de boedelbeschrijving te doen opnemen.
Art. 802. <W 10-10-1967, art. 95> Ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving wordt de vermenging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldenaars en de legatarissen.
De erfgenaam behoudt tegen de nalatenschap de rechten die hij had tegen de overledene. Hij is tot de betaling van de schulden en lasten der nalatenschap slechts gehouden tot het bedrag van de waarde der goederen die hij verkrijgt. De schuldeisers van de nalatenschap en de legatarissen worden uit die goederen betaald bij voorkeur boven de persoonlijke schuldeisers van de erfgenaam.
Art. 803. <W 10-10-1967, art. 95> De erfgenaam die onder voorrecht heeft aanvaard, is belast met het beheer en de vereffening van de goederen der nalatenschap. Hij moet van zijn beheer rekening en verantwoording doen aan de schuldeisers en de legatarissen.
Hij kan geen dading treffen, geen compromis ingaan, noch de goederen met hypotheken of andere zakelijke lasten bezwaren, zonder machtiging van de rechter.
Hij kan in zijn persoonlijke goederen niet verder worden aangesproken dan tot het bedrag dat hij als overschot schuldig blijft.
Art. 803bis. <Ingevoegd bij W 10-10-1967, art. 95> De erfgenaam die onder voorrecht aanvaardt, kan zich ontheffen van de zorg om de nalatenschap te beheren en te vereffenen. Hij moet vooraf, onder indiening van een verzoekschrift, bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank, een beheerder doen benoemen, aan wie hij alle goederen van de nalatenschap overgeeft onder verplichting om ze met inachtneming van de hierna bepaalde regels te vereffenen.
Art. 804. <W 10-10-1967, art. 95> Ingeval de belangen van de schuldeisers der nalatenschap of van de legatarissen in het gedrang kunnen komen wegens nalatigheid van de onder voorrecht aanvaardende erfgenaam of wegens diens vermogentoestand, kan iedere belanghebbende vorderen dat deze wordt vervangen door een beheerder die de nalatenschap moet vereffenen.
Die beheerder wordt benoemd bij een beschikking in kortgeding, de erfgenaam gehoord of vooraf opgeroepen.
Art. 805. <W 10-10-1967, art. 95> De beschikking, gegeven overeenkomstig de artikelen 803bis en 804, wordt door de zorg van de beheerder binnen vijftien dagen bij uittreksel bekendgemaakt op de wijze zoals in artikel 793, tweede lid, voorgeschreven.
Art. 806. <W 10-10-1967, art. 95> De verkoop van de roerende of onroerende goederen geschiedt in de vorm, door het Gerechtelijk Wetboek bepaald.
Indien de onder voorrecht aanvaardende erfgenaam deze goederen in natura oplevert, is hij slechts verantwoordelijk voor de waardevermindering of de beschadiging door zijn nalatigheid veroorzaakt.
Art. 807. <W 10-10-1967, art. 95> Hij is verplicht, indien de schuldeisers of andere belanghebbenden het vorderen, een deugdelijke en gegoede borg te stellen voor de waarde van de in de boedelbeschrijving begrepen roerende goederen en voor het gedeelte van de prijs der onroerende goederen dat niet aan de hypothecaire schuldeisers is overgewezen, onverminderd de toepassing van artikel 804.
Indien hij in gebreke blijft een zodanige borg te stellen, worden de roerende goederen verkocht en wordt de prijs daarvan, evenals het niet overgewezen gedeelte van de prijs der onroerende goederen, in bewaring gesteld, om tot voldoening van de lasten der nalatenschap te dienen.
Art. 808. <W 10-10-1967, art. 95> Bij vrijwillige aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, mag de erfgenaam geen niet-bevoorrechte schuldeiser of legataris betalen voor het verstrijken van de termijn, gesteld in artikel 793, tweede lid.
Hij mag evenwel de schuldvorderingen, vermeld in artikel 19 van de wet van 16 december 1851, betalen volgens hun rang.
Na het verstrijken van die termijn kan de betaling, indien niet alle bekende schuldeisers het eens zijn om een minnelijke schikking te treffen, alleen geschieden in de volgorde en op de wijze, door de rechter bepaald.
Art. 809. <W 10-10-1967, art. 95> Schuldeisers die ten tijde van een eerste betaling niet bekend waren maar zich achteraf aanmelden, hebben verhaal op de betaalde legatarissen gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de dag dat de rekening is aangezuiverd en het overschot betaald. Zij hebben geen verhaal tegen de reeds betaalde schuldeisers, maar zijn gerechtigd van het nog niet verdeelde actief het uit te keren bedrag af te nemen dat bij de eerste verdelingen aan hun schuldvorderingen toekwam.
De beheerder, benoemd ingevolge de artikelen 803bis en 804, heeft dezelfde macht als die waarover de onder voorrecht aanvaardende erfgenaam zelf beschikte.
Hij heeft dezelfde verplichtingen als de erfgenaam; hij is ontslagen van borgstelling.
Art. 810. De kosten van de verzegeling, indien zegels zijn gelegd, van de boedelbeschrijving en van het opmaken der rekening, komen ten laste van de nalatenschap.
Art. 810bis. <Ingevoegd bij W 10-10-1967, art. 95> Aanvaarden sommige erfgenamen de nalatenschap zuiver en andere onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan gelden de regelen inzake voorrecht van boedelbeschrijving die op de vorm van vereffening of op het vervolgingsrecht van de schuldeisers betrekking hebben voor de gehele nalatenschap tot bij de verdeling.
In dat geval kan de rechtbank de vereffening van de gehele nalatenschap opdragen aan een erfgenaam naar haar keuze, onder verplichting, voor deze erfgenaam, die in bet vonnis bepaalde zekerheid te stellen.
Tijdens de vereffening kan geen erfgenaam in zijn persoonlijke goederen aangesproken worden. Na de verdeling blijven de gevolgen van de aanvaarding onder voorrecht alleen bestaan ten aanzien van de erfgenamen die in deze vorm hebben aanvaard.
AFDELING IV. - ONBEHEERDE NALATENSCHAPPEN.
Art. 811. Wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen, wordt deze als onbeheerd beschouwd.
Art. 812. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 20>
Art. 813. <W 10-10-1967, art. 96> De door de rechtbank van eerste aanleg aangewezen curator is gehouden de staat van nalatenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen.
Hij beheert de maatschappij. De bepalingen van de afdeling (III) van dit hoofdstuk betreffende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam, zijn van toepassing op deze afdeling. <W 15-07-1970, art. 49>
Art. 814. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 20>
HOOFDSTUK VI. - VERDELING EN INBRENG.
AFDELING I. - DE RECHTSVORDERING TOT VERDELING EN HAAR VORM.
Art. 815. <W 10-10-1967, art. 97> Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven; en de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst.
Men mag echter overeenkomen de verdeling voor een bepaalde tijd uit te stellen; zodanige overeenkomst kan voor niet langer dan vijf jaren verbindend zijn; maar zij kan vernieuwd worden.
Die overeenkomst kan aan derden worden tegengeworpen. Zij moet in de registers van de hypotheekbewaarder worden overgeschreven, indien zij op een of meer onroerende goederen slaat.
Art. 816. Verdeling kan gevorderd worden, zelfs wanneer een van de medeërfgenamen het afzonderlijk genot mocht hebben gehad van een gedeelte van de goederen der nalatenschap, tenzij er een akte van verdeling is geweest of een tot het verkrijgen van de verjaring voldoende bezit.
Art. 817. De vordering tot verdeling kan, wat minderjarige of onbekwaamverklaarde medeërfgenamen betreft, worden ingesteld door hun voogden, daartoe (door de vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen) bijzonder gemachtigd. <W 2001-04-29/39, art. 31, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Wat afwezige medeërfgenamen betreft, behoort de vordering aan de in het bezit gestelde bloedverwanten.
Art. 818. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 8>
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 1 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen :
De man kan, zonder medewerking van zijn vrouw, verdeling vorderen ten aanzien van de door haar verkregen roerende of onroerende goederen die in de gemeenschap vallen; ten aanzien van de goederen die niet in de gemeenschap vallen, kan de man zonder medewerking van zijn vrouw geen verdeling vorderen; hij kan, indien hij het recht van genot over haar goederen heeft, slechts een provisionele verdeling vragen.
De medeërfgenamen van de vrouw kunnen de definitieve verdeling niet vorderen zonder de man en de vrouw in de zaak te betrekken.>
Art. 819. Wanneer alle erfgenamen aanwezig zijn en meerderjarig, is geen verzegeling van de goederen der nalatenschap nodig, en kan de verdeling geschieden in zodanige vorm en bij zodanige akte als de belanghebbende partijen dienstig oordelen.
(Wanneer niet alle erfgenamen aanwezig zijn, er zich onder hen minderjarigen of onbekwaamverklaarden bevinden, moet binnen de kortst mogelijke tijd verzegeling plaatshebben, hetzij op vordering van de procureur des Konings, hetzij ambtshalve door de vrederechter binnen wiens kanton de erfenis is opengevallen, (onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek).) <W 10-05-1960, art. 2> <W 2001-04-29/39, art. 32, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Art. 820. Ook de schuldeisers kunnen verzegeling vorderen, krachtens een uitvoerbare titel of een verlof van de rechter.
Art. 821. <W 10-10-1967, art. 98> Wanneer verzegeling heeft plaatsgehad, kunnen alle schuldeisers tegen de ontzegeling verzet doen binnen de perken, gesteld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk I van het Gerechtelijk Wetboek.
De formaliteiten van de ontzegeling en van de boedelbeschrijving worden in het genoemde hoofdstuk geregeld.
Art. 822. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 21>
Art. 823. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 21>
Art. 824. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 21>
Art. 825. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 21>
Art. 826. (Onverminderd de rechten van de langstlevende echtgenoot bepaald in artikel 745quater, § 2, en het voorkeurrecht bepaald in artikel 4 van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen (en het recht van overname zoals bepaald in de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit), kan ieder van de medeërfgenamen zijn deel van de roerende en de onroerende goederen der nalatenschap in natura vorderen (, met uitzondering van de goederen bedoeld bij artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten).) <W 14-05-1981, art. 21> <W 29-08-1988, art. 14> <W 1998-12-22/36, art.78 , 004 Inwerkingtreding : 25-01-1999>
(Evenwel, indien het gereed geld, de bankrekeningen en de beleggingswaarden aan toonder, behorend tot de massa, niet voldoende lijken om het passief aan te zuiveren, kan iedere deelgenoot die tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap gehouden is, voor enige verdeling in natura, de verkoop van de onverdeelde, ter voldoening van de schulden en lasten noodzakelijke goederen vorderen, tenzij de medebelanghebbenden hem een voldoende zekerheid tegen enig verhaal verschaffen. Behoudens andersluidende beslissing van de rechtbank, worden de onverdeelde goederen besteed ter voldoening van het passief, in de onderstaande volgorde :
1° het geld en de bankrekeningen;
2° de openbare fondsen, genoteerd op een beurs van het Rijk;
3° de lichamelijke roerende goederen;
4° de effecten op naam, de schuldvorderingen en andere onlichamelijke roerende goederen;
5° de onroerende goederen.) <W 10-10-1967, art. 99>
Art. 827. <W 10-10-1967, art. 100> Indien de goederen niet gevoeglijk verdeeld kunnen woorden, kan iedere deelgenoot de openbare verkoping ervan vorderen.
Indien echter alle partijen meerderjarig zijn, kunnen zij overeenkomen dat de veiling gedaan wordt voor een notaris, die zij met onderling goedvinden aanwijzen.
Art. 828. <W 31-03-1987, art. 73> De erfgenamen wier van banden van verwantschap met de overledene niet zijn vastgesteld en die hun rechten niet hebben opgeëist binnen zes maanden na het openvallen van de nalatenschap, kunnen de geldigheid van de handelingen die later te goeder trouw zijn verricht door de andere erfgenamen of legatarissen, niet meer betwisten noch hun aandeel in natura opvorderen van de goederen die door deze laatsten na die termijn zijn vervreemd of verdeeld.
De erfgenaam die niet bij de verdeling werd betrokken, behoudt het recht om de tegenwaarde van zijn aandeel te vorderen.
Art. 829. Ieder medeërfgenaam doet, volgens de hierna te bepalen regels, in de massa inbreng van de giften die hem gedaan zijn en van de sommen die hij schuldig is.
Art. 830. Indien de inbreng niet in natura geschiedt, nemen de medeërfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een gelijk deel vooraf uit de massa van de nalatenschap.
De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid als de niet in natura ingebrachte goederen.
Art. 831. Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de massa overblijft, zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of deelhebbende staken zijn.
Art. 832. Bij het vormen en samenstellen van de kavels, moet men het verbrokkelen van erven en het splitsen van bedrijven zoveel mogelijk vermijden; en men dient, zo mogelijk, in elke kavel, een gelijke hoeveelheid roerende goederen, onroerende goederen, rechten of schuldvorderingen van gelijke aard en gelijke waarde op te nemen.
Art. 833. Het verschil van de kavels in natura wordt vergoed door een uitkering hetzij in rente, hetzij in geld.
Art. 834. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 21>
Art. 835. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 21>
Art. 836. De regels bepaald voor de verdeling van de te verkavelen massa's, gelden eveneens voor de onderverdeling binnen de deelhebbende staken.
Art. 837. <W 31-03-1987, art. 74> De echtgenoot en de afstammelingen uit zijn huwelijk met de overledene kunnen de kinderen die tijdens dat huwelijk met een andere persoon dan genoemde echtgenoot verwekt zijn, van de verdeling in natura uitsluiten, tenzij die kinderen in de gemeenschappelijke woning zijn opgevoed.
De aldus van de verdeling in natura uitgesloten kinderen ontvangen de tegenwaarde van hun deel die zo nodig door een deskundige geraamd zal worden. Wat die erfgenamen krachtens de artikelen 843 en 844 verplicht zijn in te brengen wordt van die tegenwaarde afgetrokken.
De mogelijkheid om hen van de verdeling in natura uit te sluiten bestaat evenwel niet voor afstammelingen die uit het huwelijk gesproten zijn indien dit laatste voor het openvallen van de nalatenschap is ontbonden.
Art. 838. <W 18-07-1991, art. 14> Wanneer niet alle medeërfgenamen aanwezig of door een lasthebber van hun keuze vertegenwoordigd zijn of wanneer zich onder hen onbekwaamverklaarden bevinden, personen aan wie krachtens de artikelen 488bis, a) tot k), een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, of minderjarigen, zelfs al zijn deze ontvoogd, of indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, moet de verdeling geschieden in de vorm bepaald in artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 839. Indien, in het geval van het vorige artikel, een veiling moet plaatshebben, kan deze niet anders geschieden dan gerechtelijk, met inachtneming van de vormen voorgeschreven ten aanzien van de vervreemding van goederen van minderjarigen. Vreemde personen worden altijd tot de veiling toegelaten.
Art. 840. Verdelingen, overeenkomstig de hierboven voorgeschreven regels gedaan, hetzij door voogden (met machtiging van de vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen), hetzij door ontvoogde minderjarigen met bijstand van hun curator, hetzij namens afwezigen of niet aanwezigen, zijn definitief; zij zijn slechts provisioneel, indien de voorgeschreven regels niet zijn nagekomen. <W 2001-04-29/39, art. 33, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Art. 841. Ieder die, ook al is hij bloedverwant van de overledene, niet zijn erfgerechtigde is, en aan wie een medeërfgenaam zijn recht op de nalatenschap heeft overgedragen, kan uit de verdeling worden geweerd, hetzij door alle medeërfgenamen, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht hem wordt terugbetaald.
Art. 842. Na de verdeling moeten aan iedere deelgenoot de titels worden ter hand gesteld, die bij de hem toebedeelde goederen behoren.
De titels van een verdeeld eigendom blijven in handen van hem die het grootste gedeelte heeft, onder verplichting om deze, desgevorderd, ten dienste te stellen van zijn deelgenoten die er belang bij hebben.
De titels die aan de gehele nalatenschap gemeen zijn, worden ter hand gesteld aan hem die door alle erfgenamen tot bewaarder ervan wordt aangewezen, onder verplichting om ze, op iedere vordering, ten dienste te stellen van zijn deelgenoten. Levert die keus moeilijkheden op, dan wordt zij door de rechter geregeld.
AFDELING II. - INBRENG.
Art. 843. Ieder erfgenaam die tot een erfenis komt, moet, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn medeërfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de overledene, bij schenking onder de levenden, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft; hij mag de giften niet behouden noch de legaten opeisen, die hem door de overledene zijn gedaan, tenzij de giften en legaten hem uitdrukkelijk zijn gedaan bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng.
Art. 844. Zelfs ingeval de giften en legaten gedaan zijn bij vooruitmaking of met vrijstelling van inbreng, mag de erfgenaam ze bij de verdeling slechts behouden ten belope van het beschikbaar gedeelte; het meerdere is aan inbreng onderworpen.
Art. 845. De erfgenaam die de nalatenschap verwerpt, mag nochtans de hem gedane gift onder de levenden behouden, of het hem gemaakte legaat opeisen, ten belope van het beschikbaar gedeelte.
Art. 846. De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam was, maar erfgerechtigd is op de dag dat de erfenis openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, tenzij de schenker hem daarvan heeft vrijgesteld.
Art. 847. Giften en legaten aan de zoon van hem die ten tijde van het openvallen van de erfenis erfgerechtigd is, worden steeds geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng.
De vader die tot de erfenis van de schenker komt, is niet gehouden die giften en legaten in te brengen.
Art. 848. Eveneens is de zoon die uit eigen hoofde tot de erfenis van de schenker komt, niet gehouden de aan zijn vader gedane gift in te brengen, zelfs wanneer hij diens nalatenschap mocht aanvaard hebben; komt echter de zoon slechts bij plaatsvervulling op, dan moet hij het aan zijn vader geschonkene inbrengen, zelfs ingeval hij diens nalatenschap mocht hebben verworpen.
Art. 849. Giften en legaten aan de echtgenoot van een erfgerechtigde worden geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng.
Zijn de giften en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, dan brengt deze laatste de helft daarvan in; zijn de giften gedaan aan de echtgenoot die erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in.
Art. 850. Inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap van de schenker.
Art. 851. Wat gediend heeft om aan een van de medeërfgenamen een stand te verschaffen of om zijn schulden te betalen, is aan inbreng onderworpen.
Art. 852. Kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het aanleren van een ambacht, gewone kosten van uitrusting, kosten van bruiloft en gebruikelijke geschenken zijn niet aan inbreng onderworpen.
Art. 853. Hetzelfde geldt omtrent de voordelen die een erfgenaam heeft kunnen behalen uit overeenkomsten met de overledene gesloten, indien deze overeenkomsten, toen zij werden aangegaan, geen onrechtstreekse bevoordeling opleverden.
Art. 854. (Opgeheven) <W 08-07-1983, art. 1>
Art. 855. Een onroerend goed dat door toeval en buiten de schuld van de begiftigde is teniet gegaan, is niet aan inbreng onderworpen.
Art. 856. De vruchten en de interesten van aan inbreng onderworpen zaken zijn eerst verschuldigd te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen.
Art. 857. Inbreng is slechts verschuldigd door de medeërfgenaam aan zijn medeërfgenaam; hij is niet verschuldigd aan de legatarissen of aan de schuldeisers van de nalatenschap.
Art. 858. Inbreng geschiedt in nature ofwel door mindere ontvangst.
Art. 858bis. <Ingevoegd bij W 14-05-1981, art. 22> De erfgerechtigde aan wie een gift is gedaan vatbaar is voor inbreng door mindere ontvangst, bevrijdt zich tegenover de langstlevende echtgenoot die een recht van vruchtgebruik bezit op de geschonken of de gelegateerde goederen, door hem een geïndexeerde rente te betalen op de waarde welke die goederen hebben op de dag van het overlijden, tegen een rentevoet te bepalen door de vrederechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt bij verzoekschrift, of door de rechtbank waarvoor de vereffening van de nalatenschap hangende is.
Een schenking met toestemming van de langstlevende echtgenoot gedaan, wordt te zijnen opzichte geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng, voor zover niet anders is bepaald.
De langstlevende echtgenoot die een gift heeft gekregen vatbaar voor inbreng door mindere ontvangst, en die een recht van vruchtgebruik bezit op de geschonken of gelegateerde goederen, behoudt het vruchtgebruik van de in te brengen goederen zonder borg te hoeven stellen en brengt de blote eigendom van die goederen in, naar keuze hetzij in natura, hetzij in tegenwaarde.
Deze rente kan worden gekapitaliseerd of dat vruchtgebruik omgezet overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 745quater tot 745sexies.
Art. 859. Inbreng kan, ten aanzien van onroerende goederen, in natura geëist worden, wanneer het geschonken onroerend goed door de begiftigde niet vervreemd is, en in de nalatenschap geen onroerende goederen aanwezig zijn van gelijke aard, gelijke waarde en gelijke deugdelijkheid, waaruit men voor de andere medeërfgenamen ongeveer gelijke kavels kan samenstellen.
Art. 860. De inbreng geschiedt alleen door mindere ontvangst, wanneer de begiftigde het onroerend goed voor het openvallen van de erfenis vervreemd heeft; als zodanig is verschuldigd de waarde van het onroerend goed op het ogenblik dat de erfenis is opengevallen.
Art. 861. In ieder geval moeten de uitgaven waardoor de zaak verbeterd is, aan de begiftigde vergoed worden, met inachtneming van de waardevermeerdering van de zaak ten tijde van de verdeling.
Art. 862. Aan de begiftigde moeten eveneens vergoed worden de noodzakelijke uitgaven die hij gedaan heeft tot behoud van de zaak, al is het erf daardoor niet verbeterd.
Art. 863. Van zijn kant moet de begiftigde instaan voor de beschadigingen die, door zijn toedoen of door zijn schuld en nalatigheid, de waarde van het onroerend goed verminderd hebben.
Art. 864. Ingeval het onroerend goed door de begiftigde vervreemd is, moeten de door de verkrijger aangebrachte verbeteringen of beschadigingen in rekening gebracht worden overeenkomstig de drie vorige artikelen.
Art. 865. Wanneer de inbreng in natura geschiedt, komen de goederen in de massa van de nalatenschap terug, zuiver en vrij van alle door de begiftigde daarop gelegde lasten; de hypothecaire schuldeisers kunnen evenwel bij de verdeling tussenkomen om te beletten dat de inbreng zou geschieden met bedrieglijke benadeling van hun rechten.
Art. 866. Wanneer de gift van een onroerend goed, aan een erfgerechtigde met vrijstelling van inbreng gedaan, het beschikbaar gedeelte te boven gaat, wordt het meerdere in natura ingebracht, indien de afscheiding van dit gedeelte gevoeglijk kan geschieden.
In het tegenovergestelde geval, indien het meerdere groter is dan de helft van de waarde van het onroerend goed, moet de begiftigde het onroerend goed in zijn geheel inbrengen, met dien verstande dat hij uit de massa de waarde van het beschikbaar gedeelte voorafneemt; indien het beschikbaar gedeelte de helft van de waarde van het onroerend goed te boven gaat, kan de begiftigde het onroerend goed in zijn geheel behouden, met dien verstande dat hij minder ontvangt, en dat hij zijn medeërfgenamen in geld of op andere wijze vergoedt.
Art. 867. De medeërfgenaam die een onroerend goed in natura inbrengt, kan het bezit daarvan terughouden totdat de bedragen die hem verschuldigd zijn wegens uitgaven of verbeteringen, werkelijk terugbetaald zijn.
Art. 868. De inbreng van roerende goederen geschiedt alleen door mindere ontvangst. Tot grondslag dient de waarde van de roerende goederen ten tijde van de schenking, volgens de staat van schatting die aan de akte gehecht is; en, bij gebreke van zodanige staat, volgens een schatting door deskundigen, op de juiste prijs en zonder toeslag.
Art. 869. De inbreng van geschonken geld geschiedt door mindere ontvangst uit het gereed geld van de nalatenschap.
Is daarvan geen voldoende hoeveelheid aanwezig, dan kan de begiftigde zich van de inbreng van gereed geld bevrijden door, tot het vereiste bedrag, roerende goederen en, bij gebreke daarvan, onroerende goederen van de nalatenschap af te staan.
AFDELING III. - BETALING VAN DE SCHULDEN.
Art. 870. De medeërfgenamen dragen onderling bij in de betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, ieder naar evenredigheid van wat hij daaruit ontvangt.
Art. 871. De legataris onder algemene titel draagt samen met de erfgenamen daarin bij, naar evenredigheid van hetgeen hij geniet; doch de bijzondere legataris is niet gehouden tot betaling van de schulden en lasten, onverminderd echter de hypothecaire vordering op het vermaakte onroerend goed.
Art. 872. Wanneer onroerende goederen van een nalatenschap bezwaard zijn met renten onder bijzonder hypothecair verband, kan ieder medeërfgenaam eisen dat, voor het samenstellen van de kavels, de renten terugbetaald en de onroerende goederen vrijgemaakt worden. Indien de medeërfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat waarin zij zich bevindt, moet het bezwaarde onroerend goed geschat worden op dezelfde voet als de overige onroerende goederen; het kapitaal van de rente wordt van de totale prijs afgetrokken; alleen de erfgenaam in wiens kavel dat onroerend goed valt, blijft belast met de uitkering van de rente, en hij moet zijn medeërfgenamen daarvoor vrijwaren.
Art. 873. De erfgenamen zijn, persoonlijk naar evenredigheid van hun aandeel per hoofd, en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, onverminderd hun verhaal, hetzij op hun medeërfgenamen, hetzij op de algemene legatarissen, voor het aandeel waarvoor dezen daarin moeten bijdragen.
Art. 874. De bijzondere legataris die de schuld heeft gekweten waarmee het vermaakte onroerend goed bezwaard was, treedt, tegenover de erfgenamen en opvolgers onder algemene titel, in de rechten van de schuldeiser.
Art. 875. De medeërfgenaam of opvolger onder algemene titel, die, ten gevolge van de hypotheek, meer dan zijn aandeel in de gemeenschappelijke schuld betaalde, heeft op de overige medeërfgenamen en opvolgers onder algemene titel geen verder verhaal dan voor het aandeel dat ieder van hen persoonlijk in de schuld moet dragen, zelfs wanneer de medeërfgenaam die de schuld betaalde, zich in de rechten van de schuldeisers heeft doen stellen, onverminderd nochtans de rechten van de medeërfgenaam die, ten gevolge van het voorrecht van boedelbeschrijving, het vermogen mocht hebben behouden om, gelijk ieder andere schuldeiser, betaling van zijn persoonlijke schuldvordering te eisen.
Art. 876. In geval van onvermogen van een der medeërfgenamen of opvolgers onder algemene titel, wordt zijn aandeel in de hypothecaire schuld over alle anderen naar evenredigheid omgeslagen.
Art. 877. De titels die tegen de overledene uitvoerbaar waren, zijn ook tegen de erfgenaam persoonlijk uitvoerbaar; en niettemin kunnen de schuldeisers de tenuitvoerlegging daarvan eerst vervolgen acht dagen na de betekening van die titels aan de persoon of aan de woonplaats van de erfgenaam.
Art. 878. Zij kunnen in elk geval en tegen elke schuldeiser vorderen dat de boedel van de overledene wordt afgescheiden van de boedel van de erfgenaam.
Art. 879. Dit recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, wanneer er schuldvernieuwing in de schuldvordering tegen de overledene heeft plaatsgehad door de erfgenaam als schuldenaar aan te nemen.
Art. 880. Dit recht verjaart ten aanzien van roerende goederen door verloop van drie jaren.
Ten aanzien van onroerende goederen kan de vordering ingesteld worden zolang deze goederen zich in handen van de erfgenaam bevinden.
Art. 881. Schuldeisers van de erfgenaam zijn niet bevoegd om tegen de schuldeisers van de nalatenschap de afscheiding van de boedels te vorderen.
Art. 882. Schuldeisers van een deelgenoot kunnen, om te beletten dat de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt; zij hebben het recht op eigen kosten in de verdeling tussen te komen; tegen een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet.
AFDELING IV. - GEVOLGEN VAN DE VERDELING EN VRIJWARING VAN DE KAVELS.
Art. 883. Ieder medeërfgenaam wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap hebben gehad.
Art. 884. De medeërfgenamen moeten elkaar alleen voor die stoornissen en uitwinningen vrijwaren, waarvan de oorzaak voor de verdeling bestond.
Vrijwaring vindt niet plaats, wanneer de ondergane uitwinning bepaaldelijk is uitgezonderd door een bijzonder en uitdrukkelijk beding van de akte van verdeling; zij houdt op wanneer de medeërfgenaam door eigen schuld uitwinning ondergaat.
Art. 885. Ieder medeërfgenaam is persoonlijk gehouden, naar evenredigheid van zijn erfdeel, zijn medeërfgenaam schadeloos te stellen voor het verlies dat de uitwinning hem heeft veroorzaakt.
Indien een van de medeërfgenamen onvermogend is, wordt het door hem verschuldigde aandeel gelijkelijk omgeslagen over de gevrijwaarde en alle erfgenamen die in staat zijn te betalen.
Art. 886. De vordering tot vrijwaring tegen het onvermogen van de schuldenaar van een rente kan slechts worden ingesteld binnen vijf jaren na de verdeling. Er bestaat geen grond tot vrijwaring wegens het onvermogen van de schuldenaar, wanneer dit pas na het voltrekken van de verdeling is ontstaan.
AFDELING V. - VERNIETIGING VAN DE VERDELING.
Art. 887. Verdelingen kunnen worden vernietigd wegens geweld of bedrog.
Eveneens bestaat grond tot vernietiging, wanneer een medeërfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde benadeeld is. Het enkel overslaan van een tot de nalatenschap behorend voorwerp geeft niet het recht om de vordering tot vernietiging in te stellen, doch alleen het recht om een aanvullende verdeling te vorderen.
Art. 888. De vordering tot vernietiging is toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder medeërfgenamen te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling koop, ruil en dading of anders genoemd zijn.
Na de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling wordt evenwel de vordering tot vernietiging niet meer toegelaten tegen een dading aangegaan over werkelijk bestaande zwarigheden, door de eerste handeling opgeleverd, zelfs wanneer daaromtrent geen rechtsgeding mocht zijn begonnen.
Art. 889. De vordering is niet toegelaten tegen een verkoop van erfrecht, zonder bedrog aan een medeërfgenaam, op diens risico gedaan door zijn overige medeërfgenamen of door een van hen.
Art. 890. Om te beoordelen of er benadeling geweest is, schat men de goederen op hun waarde ten tijde van de verdeling.
Art. 891. Hij tegen wie een vordering tot vernietiging is ingesteld, kan die tegenhouden en een herverdeling beletten, door aan de eiser, hetzij in geld, hetzij in natura, aan te bieden en te verschaffen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt.
Art. 892. De medeërfgenaam die zijn kavel geheel of ten dele vervreemd heeft, is niet meer ontvankelijk tot het instellen van de vordering tot vernietiging wegens bedrog of geweld, indien hij de vervreemding gedaan heeft na het ontdekken van het bedrog of het ophouden van het geweld.
TITEL II. - SCHENKINGEN ONDER DE LEVENDEN EN TESTAMENTEN.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 893. Men kan op geen andere wijze over zijn goederen om niet beschikken dan bij schenking onder de levenden of bij testament, met inachtneming van de hierna bepaalde vormen.
Art. 894. Een schenking onder de levenden is een akte waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanneemt.
Art. 895. Een testament is een akte waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen.
Art. 896. Erfstellingen over de hand zijn verboden.
Iedere beschikking waarbij de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris ermee belast wordt het geschonkene te bewaren en aan een derde uit te keren, is nietig, zelfs ten aanzien van de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris.
(Lid 3 Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 897. De eerste twee paragrafen van bet vorige artikel zijn niet van toepassing op de beschikkingen die bij hoofdstuk VI van deze titel aan ouders en aan broeders en zusters zijn geoorloofd.
Art. 898. De beschikking waarbij een derde tot een schenking, een nalatenschap of een legaat geroepen wordt, ingeval de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris deze niet zou verkrijgen, wordt niet beschouwd als een erfstelling over de hand, en is geldig.
Art. 899. Hetzelfde geldt voor beschikkingen onder de levenden of bij testament, waarbij het vruchtgebruik aan de ene en de blote eigendom aan de andere gegeven wordt.
Art. 900. In iedere beschikking onder de levenden of bij testament worden de voorwaarden die onmogelijk zijn, of die met de wetten of met de goede zeden strijden, voor niet geschreven gehouden.
HOOFDSTUK II. - BEKWAAMHEID OM TE BESCHIKKEN OF TE VERKRIJGEN BIJ SCHENKING ONDER DE LEVENDEN OF BIJ TESTAMENT.
Art. 901. Om een schenking onder de levenden te kunnen doen of een testament te kunnen maken, moet men gezond van geest zijn.
Art. 902. Alle personen kunnen beschikken en verkrijgen, hetzij bij schenking onder de levenden, hetzij bij testament, uitgezonderd degenen die de wet daartoe onbekwaam verklaart.
Art. 903. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren niet bereikt heeft, kan geenszins beschikken, behoudens hetgeen in hoofdstuk IX van deze titel bepaald is.
Art. 904. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren bereikt heeft, kan alleen bij testament beschikken, en slechts ten belope van de helft van de goederen waarover de wet de meerderjarige toelaat te beschikken.
Art. 905. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 8>
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47 § 1 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : Een gehuwde vrouw kan geen schenking onder de levenden doen zonder de bijstand of de van bijzondere toestemming van haar man, of zonder daartoe door de rechter te zijn gemachtigd (...). <W 30-04-1958, art. 7>
Zij behoeft noch toestemming van haar man, noch machtiging van de rechter, om bij testament te beschikken.
Art. 906. _ Om bij schenking onder de levenden te kunnen verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de schenking.
Om bij testament te kunnen verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de dood van de erflater.
Niettemin zal de schenking of het testament slechts gevolg hebben indien het kind levensvatbaar wordt geboren.
Art. 907. Een minderjarige, al heeft hij de leeftijd van zestien jaren bereikt, kan, zelfs bij testament, geen beschikking maken ten voordele van zijn voogd.
Een minderjarige kan, wanneer hij meerderjarig geworden is, noch bij schenking onder de levenden, noch bij testament, beschikken ten voordele van zijn gewezen voogd, zolang de slotrekening over de voogdij niet gedaan en aangezuiverd is.
Het voor de twee voorafgaande gevallen bepaalde is niet van toepassing op de bloedverwanten in de opgaande lijn van de minderjarige, die zijn voogd zijn of geweest zijn.
Art. 908. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 75>
Art. 909. (Doctors in de genees-, heel- en verloskunde,) officieren van gezondheid en apothekers, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament, die hij, in de loop van die ziekte, te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt. <W 2003-04-22/45, art. 2, 009 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
(Beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt.) <W 2003-04-22/45, art. 2, 009 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
Hiervan zijn uitgezonderd :
1° de beschikkingen tot vergelding van diensten, onder bijzondere titel gemaakt, met inachtneming van het vermogen van de beschikker en van de bewezen diensten;
2° De algemene beschikkingen ten voordele van bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort;
(3° de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met de wie de beschikker een feitelijk gezin vormt.) <W 2003-04-22/45, art. 2, 009 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
(Dezelfde regels worden in acht genomen ten aanzien van de bedienaren van de erediensten en andere geestelijken, alsmede ten aanzien van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad.) <W 2003-04-22/45, art. 2, 009 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
Art. 910. Beschikkingen onder de levenden of bij testament ten voordele (...) van de armen van een gemeente, of van instellingen van openbaar nut, hebben slechts gevolg voor zover daartoe machtiging wordt verleend (overeenkomstig artikel (231) van de gemeentewet en overeenkomstig de wet van 12 juli 1931.) <W 15-12-1949, art. 21> <W 05-08-1992, art. 69>
(Beschikkingen onder de levenden of bij testament ten voordele van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hebben slechts gevolg voor zover zij door de raad voor maatschappelijk welzijn van dat centrum worden aanvaard). <W 05-08-1992, art. 69>
Art. 911. Iedere beschikking ten voordele van een onbekwame is nietig, hetzij men ze vermomt onder de vorm van een overeenkomst onder bezwarende titel, hetzij men ze maakt op naam van tussenpersonen.
Als tussenpersonen worden beschouwd de ouders, de kinderen en afstammelingen en de echtgenoot van de onbekwame (of de persoon met wie deze wettelijk samenwoont). <W 1998-11-23/35, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 912. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 6°, 011; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
HOOFDSTUK III. - BESCHIKBAAR GEDEELTE DER GOEDEREN EN INKORTING.
AFDELING I. - BESCHIKBAAR GEDEELTE DER GOEDEREN.
Art. 913. De giften, hetzij bij akten onder de levenden, hetzij bij testament, mogen de helft van de goederen van de beschikker niet overschrijden, indien hij bij zijn overlijden slechts één (...) kind achterlaat; een derde, indien hij twee kinderen achterlaat; een vierde, indien hij er drie of meer achterlaat. <W 31-03-1987, art. 76>
Art. 914. In het vorige artikel worden onder de naam kinderen begrepen de afstammelingen in welke graad zij ook zijn; zij worden evenwel slechts gerekend voor het kind waarvan zij in de nalatenschap van de beschikker de plaats vervullen.
Art. 915. De giften bij akten onder de levenden of bij testament mogen de helft van de goederen niet overschrijden, indien de overledene, bij gebreke van kinderen, in de vaderlijke en in de moederlijke lijn een of meer bloedverwanten van de opgaande lijn achterlaat; en drie vierden, indien hij slechts in één lijn bloedverwanten van de opgaande lijn achterlaat.
(De giften aan de langstlevende echtgenoot mogen evenwel de gehele nalatenschap omvatten.) <W 14-05-1981, art. 23>
De bloedverwanten van de opgaande lijn verkrijgen de aldus te hunnen voordele voorbehouden goederen, volgens de orde waarin de wet hen tot de erfenis roept; zij alleen hebben recht op dit voorbehouden erfdeel, in alle gevallen waarin een verdeling met bloedverwanten van de zijlijn hun het gedeelte der goederen dat het voorbehouden erfdeel uitmaakt, niet zou verschaffen.
Art. 915bis. <Ingevoegd bij W 14-05-1981, art. 24> § 1. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de goederen van de nalatenschap.
§ 2. Giften bij akte onder de levenden of bij testament mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad.
In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik voldoet aan de eis van billijkheid.
Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge § 1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn.
§ 3. De rechten bedoeld in §§ 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater, voor zijn overlijden, bij een gerechtelijke akte als eiser of als verweerder een afzonderlijk verblijf had gevorderd en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.
Deze bepaling is niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in (artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek) tot stand hebben gebracht. <W 1997-05-20/47, art. 27, 002; ED : 07-07-1997>
§ 4. Wanneer de langstlevende echtgenoot opkomt samen met erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel tekent, wordt zijn voorbehouden erfdeel naar evenredigheid toegerekend op dat van de medeërfgenamen en op het beschikbaar gedeelte.
(§ 5. Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 1388, tweede lid.) <W 2003-04-22/46, art. 3, 010 ; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
Art. 916. <W 14-05-1981, art. 25> Bij gebreke van een langstlevende echtgenoot, van bloedverwanten in de opgaande en in de nederdalende lijn mogen de giften, bij akten onder de levenden of bij testament, de gehele nalatenschap omvatten.
Art. 917. <W 14-05-1981, art. 26> Bestaat de beschikking, bij akte onder de levenden of bij testament, in een vruchtgebruik of in een lijfrente waarvan de waarde het beschikbaar gedeelte overschrijdt, dan hebben de erfgenamen aan wie de wet een voorbehoudend erfdeel toekent op grond van artikel 913 of 915, de keus, ofwel de beschikking ten uitvoer te brengen, ofwel de eigendom van het beschikbaar gedeelte af te staan.
Art. 918. De waarde in volle eigendom van de goederen die aan een van de erfgerechtigden in de rechte lijn vervreemd zijn, hetzij met last van een lijfrente, hetzij met afstand van het kapitaal, of met voorbehoud van het vruchtgebruik, wordt toegerekend op het beschikbaar gedeelte; en het overschot, indien er een is, wordt in de massa ingebracht.
(Deze toerekening en deze inbreng kunnen niet worden gevorderd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in deze vervreemdingen hebben toegestemd, noch in enig geval door de erfgerechtigden in de zijlijn.) <W 14-05-1981, art. 27>
Art. 919. Het beschikbaar gedeelte kan, hetzij bij akte onder levenden, hetzij bij testament, geheel of ten dele gegeven worden aan de kinderen of aan andere erfgerechtigden van de schenker, zonder dat het moet worden ingebracht door de begiftigde of de legataris die tot de erfenis komt, op voorwaarde dat de beschikking uitdrukkelijk bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt.
De verklaring, dat de gift of het legaat bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt, kan geschieden, hetzij bij de akte die de beschikking bevat, hetzij naderhand in de vorm van een beschikking onder de levenden of van een beschikking bij testament.
AFDELING II. - INKORTING VAN SCHENKINGEN EN LEGATEN.
Art. 920. Beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij ter zake des doods, die het beschikbaar gedeelte overschrijden, kunnen na het openvallen van de erfenis tot dat gedeelte ingekort worden.
Art. 921. Inkorting van beschikkingen onder de levenden kan alleen gevorderd worden door degenen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, en door hun erfgenamen of rechtverkrijgenden; de begiftigden, de legatarissen en de schuldeisers van de overledene kunnen deze inkorting niet vorderen, noch er voordeel van genieten.
Art. 922. Om de inkorting te bepalen, vormt men een massa uit alle goederen die bij het overlijden van de schenker of erflater aanwezig waren. De goederen waarover hij bij schenking onder de levenden heeft beschikt, worden fictief daarbij gevoegd volgens hun staat ten tijde van de schenkingen en hun waarde ten tijde van het overlijden van de schenker. Over al die goederen berekent men, na aftrek van de schulden, het gedeelte waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen.
(In afwijking van het vorige lid wordt de waarde ten tijde van de schenking in aanmerking genomen wanneer het goederen betreft die werden geschonken met toepassing van artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.) <W 1998-12-22/36, art.79 , 004 Inwerkingtreding : 25-01-1999>
Art. 923. Schenkingen onder de levenden worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikkingen bij testament begrepen zijn, is uitgeput; en wanneer deze inkorting plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen met de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere.
Art. 924. Indien de in te korten schenking onder de levenden aan een erfgerechtigde gedaan is, kan deze uit de geschonken goederen de waarde behouden van het aandeel dat hem als erfgenaam in de niet beschikbare goederen toekomt, indien zij van dezelfde aard zijn.
Art. 925. Wanneer de waarde van de schenkingen onder de levenden het beschikbaar gedeelte overschrijdt of daarmee gelijk is, vervallen alle beschikkingen bij testament.
Art. 926. Overschrijden de beschikkingen bij testament hetzij het beschikbaar gedeelte, hetzij het deel van dit gedeelte, dat overblijft na aftrek van de waarde van de schenkingen onder de levenden, dan geschiedt de inkorting naar evenredigheid, zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen de algemene legaten en de bijzondere legaten.
Art. 927. Wanneer echter de erflater uitdrukkelijk verklaard heeft dat een bepaald legaat moet worden voldaan bij voorkeur boven de andere, wordt deze voorkeur in acht genomen; en het bedoelde legaat wordt slechts ingekort voor zover de waarde van de andere legaten ontoereikend is om het wettelijk voorbehouden erfdeel op te leveren.
Art. 928. De begiftigde moet de vruchten van hetgeen het beschikbaar gedeelte overschrijdt, teruggeven, te rekenen van de dag van het overlijden van de schenker, indien de vordering tot inkorting binnen het jaar is ingesteld; anders, te rekenen van de dag van de vordering.
Art. 929. De onroerende goederen die ten gevolge van de inkorting moeten terugkeren, worden daardoor vrij van de schulden of hypotheken waarmee zij door de begiftigde zijn bezwaard.
Art. 930. De erfgenamen kunnen tegen derden, houders van onroerende goederen die van de schenkingen deel uitmaakten en door de begiftigden zijn vervreemd, de inkorting of teruggave vorderen op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde als tegen de begiftigden zelf, en na uitwinning van de goederen van deze laatsten. Deze vordering moet geschieden volgens de orde van de dagtekeningen der vervreemdingen, te beginnen met de laatste.
HOOFDSTUK IV. - SCHENKINGEN ONDER DE LEVENDEN.
AFDELING I. - VORM VAN DE SCHENKINGEN ONDER DE LEVENDEN.
Art. 931. Alle akten houdende schenking onder de levenden worden verleden voor notaris, in de gewone contractvorm : en daarvan wordt, op straffe van nietigheid, een minuut gehouden.
Art. 932. De schenking onder de levenden bindt de schenker niet en heeft generlei gevolg, dan van de dag waarop zij in uitdrukkelijke bewoordingen is aangenomen.
De aanneming kan geschieden tijdens het leven van de schenker door een latere, authentieke akte, waarvan een minuut gehouden wordt; maar alsdan zal de schenking ten opzichte van de schenker eerst gevolg hebben van de dag waarop de akte van aanneming hem zal zijn betekend.
Art. 933. Indien de begiftigde meerderjarig is, moet de aanneming gedaan worden door hemzelf of, in zijn naam, door een persoon die houder is van een volmacht waarbij hem de bevoegdheid is verleend om de gedane schenking aan te nemen of een algemene bevoegdheid om de schenkingen aan te nemen welke zijn gedaan of nog zullen worden gedaan.
Deze volmacht moet voor notaris worden verleden; en een uitgifte daarvan moet worden gehecht aan de minuut van de schenking, of aan de minuut van de aanneming, wanneer deze bij afzonderlijke akte geschiedt.
Art. 934. (Opgeheven) <W 30-04-1958, art. 7>
Art. 935. Een schenking aan een niet ontvoogde minderjarige of aan een onbekwaamverklaarde gedaan, moet worden aangenomen door zijn voogd, (overeenkomstig artikel 410, § 1). <W 2001-04-29/39, art. 34, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Een ontvoogde minderjarige kan met de bistand van zijn curator aannemen.
Nochtans kunnen de vader en de moeder van de ontvoogde of niet ontvoogde minderjarige, of, zelfs gedurende het leven van de vader en de moeder, de andere bloedverwanten in de opgaande lijn, ook al zijn zij noch voogd noch curator over de minderjarige, de schenking voor hem aannemen.
Art. 936. <W 2001-04-29/39, art. 35, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Een doofstomme die kan schrijven, kan zelf of door een gemachtigde aannemen.
Indien hij niet kan schrijven, moet de aanneming worden gedaan door een curator die te dien einde wordt benoemd, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangezocht bij eenzijdig verzoekschrift dat door elke belanghebbende kan worden ingediend.
Art. 937. Schenkingen gedaan ten voordele (...), van de armen van een gemeente, of van instellingen van openbaar nut, worden aangenomen door de bestuurders van die gemeenten of instellingen, nadat zij daartoe behoorlijk zijn gemachtigd. <W 15-12-1949, art. 22>
(Schenkingen gedaan ten voordele van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden aangenomen door de raad voor maatschappelijk welzijn van dat centrum.) <W 05-08-1992, art. 70>
Art. 938. De behoorlijk aangenomen schenking is voltrokken door de enkele toestemming van de partijen; en de eigendom van de geschonken goederen gaat over op de begiftigde, zonder dat enige andere overgave vereist is.
Art. 939. In geval van schenking van goederen die met hypotheek kunnen worden bezwaard, moeten de akten die de schenking en de aanneming inhouden, alsook de betekening van de aanneming, indien deze bij afzonderlijke akte gedaan is, overgeschreven worden op het kantoor van bewaring der hypotheken van het arrondissement waar de goederen gelegen zijn.
Art. 940. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 8>
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 1 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst (zijnde het eerste lid van de vroegere tekst van artikel 940 B.W.) van kracht in de voorziene gevallen.
Die overschrijvingen geschieden op verzoek van de man, wanneer de goederen aan zijn vrouw geschonken zijn; en indien de man deze formaliteit niet vervult kan de vrouw ze zonder machtiging doen verrichten.>
Art. 941. Het ontbreken van de overschrijving kan worden ingeroepen door alle belanghebbenden, met uitzondering echter van hen die belast zijn met het doen verrichten van de overschrijving, of hun rechtverkrijgenden en van de schenker.
Art. 942. <W 14-07-1976, art. IV, 9> Minderjarigen en onbekwaamverklaarden worden niet in hun recht hersteld tegen het ontbreken van de aanneming of van de overschrijving van schenkingen, behoudens hun verhaal op hun voogd, indien daartoe grond bestaat, maar zonder herstel, zelfs ingeval de voogd onvermogend mocht zijn.
<NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 2 W. 14 juli 1976) blijft de navolgende tekst van kracht in de voorziene gevallen.
Minderjarigen, onbekwaamverklaarden en gehuwde vrouwen worden niet in hun recht hersteld tegen het ontbreken van de aanneming of van de overschrijving van schenkingen; behoudens hun verhaal op hun voogden of echtgenoten, indien daartoe grond bestaat, en zonder dat herstel kan plaats hebben, zelfs ingeval die voogden en echtgenoten onvermogend mochten zijn.
Art. 943. Een schenking onder de levenden mag alleen de tegenwoordige goederen van de schenker bevatten; indien zij toekomstige goederen bevat, is zij te dien opzichte nietig.
Art. 944. Een schenking onder de levenden die gedaan is onder voorwaarden waarvan de uitvoering van de enkele wil van de schenker afhangt, is nietig.
Art. 945. Zij is eveneens nietig, indien zij gedaan is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die welke ten tijde van de schenking bestonden, of welke uitgedrukt mochten zijn, hetzij in de akte van schenking, hetzij in de staat die eraan moet zijn gehecht.
Art. 946. Ingeval de schenker zich de vrijheid heeft voorbehouden te beschikken over een zaak die in de schenking begrepen is, of over een bepaalde geldsom uit de geschonken goederen, en hij overlijdt zonder daarover te hebben beschikt, behoort die zaak of die geldsom toe aan de erfgenamen van de schenker, niettegenstaande alle daarmee strijdige bedingen en bepalingen.
Art. 947. De vier vorige artikelen zijn niet van toepassing op de schenkingen waarvan sprake in de hoofdstukken VIII en IX van deze titel.
Art. 948. Een akte van schenking van roerende goederen is alleen geldig voor de goederen waarvan een staat van schatting, getekend door de schenker en door de begiftigde of degenen die voor deze laatste aannemen, aan de minuut van de schenking gehecht is.
Art. 949. Het is de schenker geoorloofd zich het genot of het vruchtgebruik van de geschonken roerende of onroerende goederen voor te behouden, of daarover ten voordele van een ander te beschikken.
Art. 950. Wanneer roerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik geschonken zijn, moet de begiftigde, bij het eindigen van het vruchtgebruik, de geschonken goederen die in natura aanwezig zijn, nemen in de staat waarin zij zich bevinden; en hij heeft een vordering tegen de schenker of zijn erfgenamen uit hoofde van de niet aanwezige goederen ten belope van de waarde die daaraan in de staat van schatting is toegekend.
Art. 951. De schenker kan ten aanzien van de geschonken goederen het recht van terugkeer bedingen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde alleen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde en zijn afstammelingen. Dit recht kan alleen ten voordele van de schenker worden bedongen.
Art. 952. Het recht van terugkeer heeft ten gevolge dat alle vervreemdingen van de geschonken goederen worden vernietigd en dat deze goederen tot de schenker terugkeren zuiver en vrij van alle lasten en hypotheken, behoudens echter de hypotheek tot vrijwaring van het huwelijksgoed en de huwelijksvoorwaarden, indien de overige goederen van de begiftigde echtgenoot niet toereikend zijn, en alleen ingeval de schenking hem gedaan is bij hetzelfde huwelijkscontract waaruit die rechten en hypotheken voortvloeien.
AFDELING II. - UITZONDERINGEN OP DE REGEL VAN DE ONHERROEPELIJKHEID DER SCHENKINGEN ONDER DE LEVENDEN.
Art. 953. Een schenking onder de levenden kan niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is, wegens ondankbaarheid en wegens geboorte van kinderen.
Art. 954. In geval van herroeping wegens niet-vervulling van de voorwaarden, keren de goederen in handen van de schenker terug, vrij van alle lasten en hypotheken waarmee zij door de begiftigde mochten zijn bezwaard; en de schenker heeft tegen derden, houders van de geschonken onroerende goederen, alle rechten die hij tegen de begiftigde zelf zou hebben.
Art. 955. Een schenking onder de levenden kan alleen in de volgende gevallen wegens ondankbaarheid herroepen worden :
1° Indien de begiftigde een aanslag op het leven van de schenker heeft gepleegd;
2° Indien hij zich tegenover hem heeft schuldig gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen;
3° Indien hij weigert hem levensonderhoud te verschaffen.
Art. 956. Herroeping wegens niet-vervulling van de voorwaarden of wegens ondankbaarheid heeft nooit van rechtswege plaats.
Art. 957. De eis tot herroeping wegens ondankbaarheid moet ingesteld worden binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf waarvan de schenker de begiftigde beschuldigt, of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn.
Die herroeping kan niet gevorderd worden door de schenker tegen de erfgenamen van de begiftigde, noch door de erfgenamen van de schenker tegen de begiftigde, tenzij, in dit laatste geval, de eis reeds door de schenker was ingesteld, of deze overleden is binnen het jaar van het misdrijf.
Art. 958. Herroeping wegens ondankbaarheid doet geen afbreuk aan de door de begiftigde gedane vervreemdingen, noch aan de hypotheken en andere zakelijke lasten waarmee het geschonken goed door hem mocht zijn bezwaard, mits een en ander geschied is vooraleer het uittreksel uit de eis tot herroeping is ingeschreven op de kant van de bij artikel 939 bevolen overschrijving.
In geval van herroeping wordt de begiftigde veroordeeld tot teruggave van de waarde der vervreemde goederen, gelet op het tijdstip van de eis, en tot teruggave van de vruchten, te rekenen van de dag van deze eis.
Art. 959. Schenkingen ten voordele van het huwelijk kunnen niet wegens ondankbaarheid worden herroepen.
Art. 960. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
Art. 961. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
Art. 962. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
Art. 963. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
Art. 964. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
Art. 965. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
Art. 966. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 77>
HOOFDSTUK V. - BESCHIKKINGEN BIJ TESTAMENT.
AFDELING I. - ALGEMENE REGELS BETREFFENDE DE VORM DER TESTAMENTEN.
Art. 967. Een ieder kan bij testament beschikken, hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, hetzij onder elke andere benaming die geschikt is om zijn wil te kennen te geven.
Art. 968. Geen testament kan in een zelfde akte door twee of meer personen worden gemaakt, hetzij ten voordele van een derde, hetzij als wederkerige en onderlinge beschikking.
Art. 969. <W 02-02-1983, art. 19> Een testament kan eigenhandig, of bij openbare akte of in de vorm van het internationaal testament, gemaakt worden.
Art. 970. Het eigenhandig testament is niet geldig, indien het niet geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend is; het is aan geen andere formaliteiten onderworpen.
Art. 971. <W 16-12-1922, art. 1> Een testament bij openbare akte is het testament dat voor een notaris in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee notarissen verleden wordt.
Art. 972. Indien het testament voor twee notarissen wordt verleden. wordt het hun door de erflater gedicteerd, en moet het door een van die notarissen worden geschreven zoals het gedicteerd is.
Indien er slechts één notaris is, moet het eveneens door de erflater gedicteerd en door die notaris geschreven worden.
(In beide gevallen moet het aan de erflater worden voorgelezen. Indien er slechts één notaris is, geschiedt de voorlezing in tegenwoordigheid van de getuigen.) <W 16-12-1922, art. 1>
Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt.
Art. 973. Dit testament moet door de erflater getekend worden; indien hij verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt in de akte uitdrukkelijke melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.
Art. 974. (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 975. (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 976. <W 02-02-1983, art. 20> Wanneer een erfenis is opengevallen waarvoor een eigenhandig testament of een testament in de internationale vorm werd gemaakt, moeten de volgende formaliteiten worden verricht :
1° Ieder eigenhandig testament wordt, voordat het wordt ten uitvoer gelegd, aangeboden aan een notaris.
Dit testament wordt door laatstgenoemde geopend indien het verzegeld is. De notaris maakt een proces-verbaal op van de opening en van de staat waarin het testament zich bevindt.
Dit testament zal samen met gezegd proces-verbaal onder de minuten van de notaris worden gerangschikt.
Binnen de maand volgend op de datum van het proces-verbaal, zal de notaris een gelijkvormig afschrift ervan samen met een gewaarmerkte fotocopie van het testament deponeren ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen.
Wanneer de erfenis in het buitenland is opengevallen gebeurt de deponering ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de notaris zijn standplaats heeft.
In een daartoe gehouden register maakt de griffier melding van de deponering en overhandigt aan de notaris een ontvangstbewijs.
2° In het geval van het internationaal testament zal de notaris, bij wie het testament in bewaring werd gegeven, een proces-verbaal van de opening en van de staat van het testament opmaken.
Het internationaal testament zal samen met genoemd proces-verbaal onder de minuten van de notaris worden gerangschikt.
Binnen de maand volgend op de datum van het proces-verbaal zal de notaris een gelijkvormig afschrift ervan, samen met een gewaarmerkte fotocopie van het testament en van de verklaring, deponeren ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen.
Wanneer de erfenis in het buitenland is opengevallen gebeurt de deponering ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de notaris zijn standplaats heeft.
In een daartoe gehouden register maakt de griffier melding van de deponering en overhandigt aan de notaris een ontvangstbewijs.
3° De voornoemde beschikkingen zijn ook toepasselijk ten opzichte van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren met notariële bevoegdheid, onder de voorwaarden die door de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie worden bepaald.
Art. 977. (Opgeheven) <W 16-12-1922, art. 1>
Art. 978. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>
Art. 979. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>
Art. 980. (Opgeheven) <W 03-07-1974, art. 1>
AFDELING II. - BIJZONDERE REGELS BETREFFENDE DE VORM VAN BEPAALDE TESTAMENTEN.
Art. 981. Testamenten van militairen en van personen in dienst bij het leger kunnen, in welk land ook, verleden worden voor een bataljons- of eskadronscommandant of voor iedere andere officier van een hogere graad, in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee oorlogscommissarissen, of voor één van die commissarissen in tegenwoordigheid van twee getuigen.
Art. 982. Zij kunnen, indien de erflater ziek is of gewond, ook verleden worden voor de officier van gezondheid, hoofd van de geneeskundige dienst, bijgestaan door de militaire bevelhebber die met de politie van (het hospitaal) belast is. <W 15-12-1949, art. 23>
Art. 983. De bepalingen van de vorige artikelen zijn alleen van toepassing op hen die zich te velde, in kwartier, in garnizoen buiten het Belgisch grondgebied of in krijgsgevangenschap bij de vijand bevinden; zij zijn niet van toepassing op hen die binnenslands in kwartier of in garnizoen zijn, behalve wanneer dezen zich in een belegerde plaats bevinden, of in een vesting of een andere plaats waarvan de poorten gesloten zijn en waarmee het verkeer ten gevolge van de oorlog verbroken is.
Art. 984. Het in de hierboven bepaalde vorm gemaakte testament wordt waardeloos, zes maanden nadat de erflater is teruggekeerd in een plaats waar het hem mogelijk is de gewone vormen in acht te nemen.
Art. 985. Testamenten gemaakt in een plaats waarmee alle verkeer verbroken is ten gevolge van de pest of een andere besmettelijke ziekte, kunnen worden gemaakt voor de vrederechter, of voor een van de municipale ambtenaren der gemeente, in tegenwoordigheid van twee getuigen.
Art. 986. Deze bepaling geldt zowel ten opzichte van hen die door die ziekten zijn aangetast, als ten opzichte van hen die zich in de besmette plaats bevinden, ook al zijn zij op dat ogenblik niet aangetast.
Art. 987. De in de twee vorige artikelen vermelde testamenten worden waardeloos, zes maanden nadat het verkeer hersteld is met de plaats waar de erflater zich bevindt, of zes maanden nadat hij in een plaats gekomen is, waarmee het verkeer niet verbroken is.
Art. 988. Testamenten gemaakt op zee, gedurende de loop van een reis, kunnen worden verleden :
Aan boord van oorlogsbodems en andere schepen van de Staat, voor de officier die het bevel voert over het schip, of, bij gebreke van deze officier, voor degene die hem volgens de dienstregeling vervangt, de ene of de andere samen met de officier van administratie of met degene die diens ambt vervult;
En, aan boord van koopvaardijschepen, voor de scheepsschrijver of voor degene die diens ambt vervult, de ene of de andere samen met de kapitein, de gezagvoerder of de schipper of, bij gebreke van dezen, voor degenen die hen vervangen.
In ieder geval moeten die testamenten verleden worden in tegenwoordigheid van twee getuigen.
Art. 989. Het testament van de kapitein of van de officier van administratie, op schepen van de Staat, en dat van de kapitein, de gezagvoerder of schipper, of van de schrijver, op koopvaardijschepen, kunnen worden verleden voor degenen die volgens de dienstregeling na hen komen, met inachtneming, voor het overige, van de bepalingen van het vorige artikel.
Art. 990. In ieder geval wordt het origineel van de in de twee vorige artikelen bedoelde testamenten in tweevoud opgemaakt.
Art. 991. Wanneer het schip een vreemde haven aandoet, waar zich een consul van België bevindt, moeten degenen voor wie het testament verleden is, een van beide originelen, gesloten of verzegeld, bij die consul in bewaring stellen; deze zal het doen toekomen aan de minister (van Verkeerswezen), die het zal doen neerleggen op de griffie van het vredegerecht van de woonplaats van de erflater. <W 15-12-1949, art. 7>
Art. 992. Bij de terugkeer van het schip in België, hetzij in de haven waar het is uitgerust, hetzij in een andere haven dan die waar het is uitgerust, moeten beide originelen van het testament, eveneens gesloten en verzegeld, of het origineel dat overblijft, indien het andere, overeenkomstig het vorige artikel, gedurende de reis in bewaring is gegeven, op het kantoor van de (waterschout) afgegeven worden; (deze laatste) zal de originelen zonder verwijl doen toekomen aan de minister (van Verkeerswezen), die de neerlegging daarvan zal bevelen, zoals in hetzelfde artikel bepaald is. <W 15-12-1949, art. 5, 7 en 24>
Art. 993. Op de scheepsrol wordt, nevens de naam van de erflater, op de kant vermeld dat de originelen van het testament zijn afgegeven hetzij in handen van een consul, hetzij op het kantoor van de (waterschout). <W 15-12-1949, art. 5>
Art. 994. Een testament wordt niet beschouwd als gemaakt op zee, hoewel het in de loop van de reis gemaakt is, indien het schip, ten tijde dat het testament verleden is, een vreemd land of een onder Belgische heerschappij staande land had aangedaan, waar zich een Belgisch openbaar ambtenaar bevond; in dat geval is het slechts geldig voor zover het is opgemaakt overeenkomstig de vormen die in België voorgeschreven zijn of overeenkomstig de vormen die gebruikelijk zijn in het land waar het gemaakt is.
Art. 995. De voorafgaande bepalingen zijn ook van toepassing op testamenten gemaakt door gewone passagiers die niet tot de bemanning behoren.
Art. 996. Een testament gemaakt op zee, in de vorm bij artikel 988 voorgeschreven, is slechts geldig voor zover de erflater sterft hetzij op zee, hetzij binnen drie maanden nadat hij aan land is gegaan, en in een plaats waar hij het testament in de gewone vorm opnieuw heeft kunnen maken.
Art. 997. Een testament gemaakt op zee mag geen beschikking bevatten ten voordele van de officieren van het schip, indien zij geen bloedverwanten van de erflater zijn.
Art. 998. De testamenten in de vorige artikelen van deze afdeling vermeld, worden ondertekend door de erflaters en door hen voor wie zij verleden worden.
Indien de erflater verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.
In de gevallen waarin de tegenwoordigheid van twee getuigen vereist is, wordt het testament ten minste door een van beiden ondertekend, en wordt melding gemaakt van de oorzaak waarom de andere niet getekend heeft.
Art. 999. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 6°, 011; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
Art. 1000. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>
Art. 1001. De formaliteiten waaraan de onderscheiden testamenten, krachtens de bepalingen van deze en van de vorige afdeling, zijn onderworpen, moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid.
AFDELING III. - ERFSTELLINGEN EN LEGATEN IN HET ALGEMEEN.
Art. 1002. Uiterste wilsbeschikkingen zijn of algemeen, of onder algemene titel, of onder bijzondere titel.
De gevolgen van ieder van deze beschikkingen, gemaakt hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, worden bepaald overeenkomstig de regels hierna vastgesteld voor de algemene legaten, voor de legaten onder algemene titel en voor de bijzondere legaten.
AFDELING IV. - ALGEMEEN LEGAAT.
Art. 1003. Een algemeen legaat is de uiterste wilsbeschikking waarbij de erflater aan een of meer personen de algemeenheid van de goederen geeft die hij bij zijn overlijden zal nalaten.
Art. 1004. Wanneer, bij het overlijden van de erflater, erfgenamen bestaan aan wie de wet een voorbehouden erfdeel op zijn goederen toekent, treden deze erfgenamen, door zijn dood, van rechtswege in het bezit van alle goederen van de nalatenschap; en de algemene legataris moet hun de afgifte van de in het testament begrepen goederen vragen.
Art. 1005. Evenwel heeft de algemene legataris in die gevallen het genot van de in het testament begrepen goederen, te rekenen van de dag van het overlijden, indien de vordering tot afgifte is ingesteld binnen het jaar na dit tijdstip; bij gebreke daarvan, vangt het genot eerst aan op de dag waarop de rechtsvordering is ingesteld of waarop de afgifte vrijwillig is toegestaan.
Art. 1006. Wanneer, bij het overlijden van de erflater, geen erfgenamen bestaan aan wie de wet een voorbehouden erfdeel op diens goederen toekent, treedt de algemene legataris, door de dood van de erflater, van rechtswege in het bezit, zonder de afgifte te moeten vragen.
Art. 1007. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>
Art. 1008. <W 02-02-1983, art. 21> In het geval van artikel 1006 moet de algemene legataris, indien het een eigenhandig of een internationaal testament betreft, zich in het bezit doen stellen door een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen, geschreven onderaan op een verzoekschrift, waarin melding wordt gemaakt van de deponering bedoeld in artikel 976.
Art. 1009. De algemene legataris die tot de erfenis komt samen met een erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, is, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater; en hij is verplicht alle legaten uit te keren, behoudens het geval van inkorting, zoals in de artikelen 926 en 927 is bepaald.
AFDELING V. - LEGAAT ONDER ALGEMENE TITEL.
Art. 1010. Een legaat onder algemene titel is dat waarbij de erflater een gedeelte vermaakt van de goederen waarover hij volgens de wet mag beschikken, zoals de helft, een derde, of al zijn onroerende goederen, of al zijn roerende goederen, of een bepaald gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen.
Ieder ander legaat is slechts een beschikking onder bijzondere titel.
Art. 1011. De legatarissen onder algemene titel moeten de afgifte vragen aan de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent; bij gebreke van zodanige erfgenamen, aan de algemene legatarissen; en bij gebreke van dezen, aan de erfgenamen die tot de nalatenschap geroepen zijn in de volgorde bepaald in de titel Erfenissen.
Art. 1012. De legataris onder algemene titel is, evenals de algemene legataris, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater.
Art. 1013. Wanneer de erflater slechts over een gedeelte van het beschikbaar gedeelte heeft beschikt, en zulks onder algemene titel, is de legataris met de natuurlijke erfgenamen gehouden tot het uitkeren van de bijzondere legaten, naar evenredigheid van zijn aandeel.
AFDELING VI. - BIJZONDERE LEGATEN.
Art. 1014. Ieder zuiver en onvoorwaardelijk legaat verleent aan de legataris, van de dag van het overlijden van de erflater, een recht op de vermaakte zaak, welk recht op zijn erfgenaam of rechtverkrijgenden overgaat.
Nochtans kan de bijzondere legataris geen bezit nemen van de vermaakte zaak, noch aanspraak maken op de vruchten of interesten daarvan, dan van de dag waarop hij de vordering tot afgifte heeft gedaan, overeenkomstig de in artikel 1011 bepaalde volgorde, of van de dag waarop de afgifte hem vrijwillig is toegestaan.
Art. 1015. De interesten of vruchten van de vermaakte zaak lopen ten voordele van de legataris, te rekenen van de dag van het overlijden, en zonder dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld :
1° Wanneer de erflater zijn wil daartoe in het testament uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven;
2° Wanneer een lijfrente of een pensioen is vermaakt als levensonderhoud.
Art. 1016. De kosten van de vordering tot afgifte komen ten laste van de nalatenschap, doch zonder dat daaruit een vermindering van het wettelijk voorbehouden erfdeel kan volgen.
De registratierechten zijn door de legataris verschuldigd.
Een en ander, indien het testament daaromtrent niet anders heeft beschikt.
(Lid 4 opgeheven) <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 1017. De erfgenamen van de erflater of andere schuldenaars van een legaat, zijn persoonlijk gehouden tot het uitkeren daarvan, ieder naar evenredigheid van het aandeel dat hij uit de nalatenschap geniet.
Zij zijn hypothecair voor het geheel gehouden, ten belope van de waarde der onroerende goederen van de nalatenschap waarvan zij houder zijn.
Art. 1018. De vermaakte zaak wordt geleverd met het noodzakelijk toebehoren, en in de staat waarin zij zich op de dag van het overlijden van de schenker bevindt.
Art. 1019. Wanneer hij die de eigendom van een onroerend goed vermaakt heeft, dit goed naderhand door enige verkrijging vergroot, wordt het verkregene, ook al paalt het aan het goed, niet geacht, zonder een nieuwe beschikking, van het legaat deel uit te maken.
Het voorafgaande vindt geen toepassing op verfraaiingen, of op nieuwe bouwwerken die op het vermaakte erf worden aangebracht, of op een omheind erf waarvan de erflater de omheining vergroot.
Art. 1020. Indien, voor het testament of daarna, op het vermaakte goed een hypotheek is gevestigd voor een schuld van de nalatenschap, of zelfs voor de schuld van een derde, of indien het goed met een vruchtgebruik is bezwaard, is hij die het legaat moet uitkeren, niet verplicht het goed vrij te maken, tenzij hij door een uitdrukkelijke beschikking van de erflater hiermee belast is.
Art. 1021. Wanneer de erflater eens anders zaak vermaakt heeft, is het legaat nietig, onverschillig of de erflater al dan niet geweten heeft dat de zaak hem niet toebehoorde.
Art. 1022. Wanneer het legaat in een niet bepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven, doch hij mag evenmin de slechtste aanbieden.
Art. 1023. Een legaat aan een schuldeiser wordt niet geacht gemaakt te zijn tot voldoening van zijn schuldvordering, noch een legaat aan een dienstbode tot betaling van zijn loon.
Art. 1024. De legataris onder bijzondere titel is niet gehouden tot betaling van de schulden der nalatenschap, behoudens de inkorting van het legaat, zoals hiervoren bepaald is, en behoudens de vordering van de hypothecaire schuldeisers.
AFDELING VII. - UITVOERDERS VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN.
Art. 1025. De erflater kan één of meer uitvoerders van zijn uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.
Art. 1026. Hij kan hun het bezit verlenen van al zijn roerende goederen of slechts van een gedeelte daarvan; dit bezit kan echter niet langer duren dan jaar en dag te rekenen van zijn overlijden.
Indien hij hun dit bezit niet verleend heeft, kunnen zij het niet eisen.
Art. 1027. De erfgenaam kan het bezit doen ophouden, mits hij aanbiedt aan de uitvoerders der uiterste wilsbeschikkingen een som ter hand te stellen die voldoende is om de roerende legaten uit te keren, of mits hij doet blijken dat deze legaten reeds zijn uitgekeerd.
Art. 1028. Hij die geen verbintenis kan aangaan, mag geen uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.
Art. 1029. (Opgeheven) <W 30-04-1958, art. 7>
Art. 1030. Een minderjarige mag, zelfs met machtiging van zijn voogd of curator, geen uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.
Art. 1031. De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen doen de nalatenschap verzegelen, indien onder de erfgenamen minderjarigen, onbekwaamverklaarden of afwezigen zijn.
Zij doen, in tegenwoordigheid van de vermoedelijke erfgenaam, of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, een boedelbeschrijving van de goederen der nalatenschap opmaken.
Zij doen de roerende goederen verkopen, indien het vereiste geld om de legaten uit te keren niet voorhanden is.
Zij dragen zorg dat het testament wordt uitgevoerd; en zij kunnen, in geval van geschil omtrent de uitvoering van het testament, tussenkomen om de geldigheid ervan staande te houden.
Zij moeten, na verloop van een jaar sinds het overlijden van de erflater, rekening en verantwoording afleggen van hun beheer.
Art. 1032. De bevoegdheden van de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen gaan niet over op zijn erfgenamen.
Art. 1033. Indien verscheidene personen de uitvoering van uiterste wilsbeschikkingen op zich hebben genomen, kan een van hen, bij gebreke van de anderen, alleen handelen; en zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de roerende goederen die hun zijn toevertrouwd, tenzij de erflater hun werkzaamheden heeft verdeeld en ieder van hen zich tot de hem opgedragen taak heeft beperkt.
Art. 1034. De kosten door de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen gemaakt voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, alsook de verdere uitgaven in verband met zijn werkzaamheden, komen ten laste van de nalatenschap.
AFDELING VIII. - HERROEPING EN VERVAL VAN TESTAMENTEN.
Art. 1035. Testamenten kunnen noch in hun geheel noch ten dele herroepen worden dan door een later testament of door een akte voor notaris verleden, waarin de verandering van de wil wordt te kennen gegeven.
Art. 1036. Latere testamenten die de vroegere niet uitdrukkelijk herroepen, vernietigen in deze testamenten alleen de beschikkingen die met de nieuwe onverenigbaar of strijdig zijn.
Art. 1037. De in een later testament gedane herroeping behoudt al haar kracht, al blijft die nieuwe akte onuitgevoerd wegens de onbekwaamheid van de benoemde erfgenaam of van de legataris, of wegens hun weigering om te aanvaarden.
Art. 1038. Wanneer de erflater de vermaakte zaak geheel of ten dele vervreemdt, zelfs door verkoop met beding van wederinkoop, of door ruil, heeft zulks altijd herroeping van het legaat ten gevolge, ten aanzien van alles wat vervreemd is, zelfs indien de latere vervreemding nietig is en de zaak in handen van de erflater is teruggekeerd.
Art. 1039. Iedere uiterste wilsbeschikking vervalt, indien degene ten voordele van wie zij gemaakt is, de erflater niet overleeft.
Art. 1040. Iedere uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder een voorwaarde die van een onzekere gebeurtenis afhangt, en van zodanige aard dat, volgens de bedoeling van de erflater, de beschikking slechts moet worden uitgevoerd indien de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft, vervalt, indien de benoemde erfgenaam of de legataris voor de vervulling van de voorwaarde overlijdt.
Art. 1041. De voorwaarde die, volgens de bedoeling van de erflater, alleen de uitvoering van de beschikking opschort, belet niet dat de benoemde erfgenaam of de legataris een verkregen recht bezit, dat op zijn erfgenaam overgaat.
Art. 1042. Het legaat vervalt, indien de vermaakte zaak bij het leven van de erflater geheel teniet gaat.
Hetzelfde heeft plaats, indien de vermaakte zaak teniet gaat na de dood van de erflater, buiten toedoen en schuld van de erfgenaam, hoewel de erfgenaam in gebreke was gesteld om de zaak te leveren, ingeval deze zou zijn teniet gegaan ook in handen van de legataris.
Art. 1043. De uiterste wilsbeschikking vervalt, wanneer de benoemde erfgenaam of de legataris de beschikking verwerpt of onbekwaam is om deze te verkrijgen.
Art. 1044. Aanwas heeft plaats ten voordele van de legatarissen, ingeval een legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is.
Een legaat wordt geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij een en dezelfde beschikking, en de erflater het aandeel van ieder der medelegatarissen in de vermaakte zaak niet heeft bepaald.
Art. 1045. Een legaat wordt eveneens geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer een zaak die niet verdeeld kan worden zonder schade te lijden, bij dezelfde akte aan verscheidene personen, zelfs afzonderlijk, gegeven is.
Art. 1046. De gronden waarop, volgens artikel 954 en de eerste twee bepalingen van artikel 955, herroeping van een schenking onder de levenden kan worden gevorderd, gelden ook voor de eis tot herroeping van uiterste wilsbeschikkingen.
Art. 1047. Indien deze eis steunt op een grove belediging de nagedachtenis van de erflater aangedaan, moet hij worden ingesteld binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf.
HOOFDSTUK VI. - GEOORLOOFDE BESCHIKKINGEN TEN VOORDELE VAN DE KLEINKINDEREN VAN DE SCHENKER OF ERFLATER, OF TEN VOORDELE VAN DE KINDEREN VAN ZIJN BROEDERS EN ZUSTERS.
Art. 1048. Ouders kunnen de goederen waarover zij het recht van beschikking hebben, geheel of ten dele, bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, aan een of meer van hun kinderen geven, met last om deze goederen uit te keren aan de van deze begiftigden afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.
Art. 1049. Indien de overledene geen kinderen achterlaat, is de beschikking geldig die de overledene bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil ten voordele van een of meer van zijn broeders of zusters gemaakt heeft voor het geheel of een gedeelte van de goederen van de nalatenschap die door de wet niet zijn voorbehouden, met last om die goederen uit te keren aan de van deze begiftigde broeders of zusters afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.
Art. 1050. De bij de twee vorige artikelen geoorloofde beschikkingen zullen slechts gelden voor zover de last van uitkering bedongen is ten voordele van alle kinderen van de bezwaarde, die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, zonder uitzondering en zonder voorrang van leeftijd of geslacht.
Art. 1051. Indien, in de hierboven vermelde gevallen, hij die met de last van uitkering ten voordele van zijn kinderen bezwaard is, overlijdt met achterlating van kinderen in de eerste graad en van afstammelingen van een vooroverleden kind, verkrijgen deze laatsten, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind.
Art. 1052. Indien het kind, de broeder of de zuster aan wie, bij akte onder de levenden, goederen zonder de last van uitkering geschonken zijn, een nieuwe, bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil gedane gift aanneemt, die gemaakt is onder voorwaarde dat de vroeger geschonken goederen zullen bezwaard zijn met die last, dan is het hun niet meer geoorloofd de twee te hunnen voordele gemaakte beschikkingen van elkaar te scheiden en de tweede te verwerpen om zich aan de eerste te houden, ook al bieden zij aan, de in de tweede beschikking begrepen goederen terug te geven.
Art. 1053. De rechten van de verwachters nemen aanvang op het tijdstip waarop het genot van het kind, van de broeder of van de zuster die met de uitkering bezwaard zijn, uit welke oorzaak ook ophoudt; de vervroegde afstand van het genot ten voordele van de verwachters kan geen nadeel toebrengen aan de schuldeisers van de bezwaarde, wier schuldvorderingen dagtekenen van voor de afstand.
Art. 1054. De vrouwen van de bezwaarden kunnen, ingeval de vrije goederen ontoereikend zijn, zich niet subsidiair verhalen op de uit te keren goederen, behalve voor de hoofdsom van het als huwelijksgoed aangebrachte geld, en alleen ingeval de erflater zulks uitdrukkelijk mocht hebben bevolen.
Art. 1055. <W 2001-04-29/39, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Hij die beschikkingen maakt welke volgens de vorige artikelen zijn geoorloofd, mag bij dezelfde akte of bij een latere authentieke akte een voogd benoemen die met de uitvoering van die beschikkingen wordt belast.
Art. 1056. <W 2001-04-29/39, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer geen voogd is benoemd overeenkomstig artikel 1055 of wanneer deze zijn opdracht niet aanvaardt, wordt op verzoek van de bezwaarde of indien deze onbekwaam is, op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, een voogd benoemd binnen een maand te rekenen van de dag van overlijden van de schenker of van de erflater of van de dag waarop, na dit overlijden, de akte die de beschikking inhoudt, bekend is geworden. Deze benoeming geschiedt door de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de bezwaarde, overeenkomstig artikel 393 en volgens de procedure vastgesteld in boek IV, hoofdstuk IX, van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 1057. De bezwaarde die aan de voorschriften van het vorige artikel niet heeft voldaan, verliest het voordeel van de beschikking; en in dit geval kan het recht verklaard worden open te staan ten voordele van de verwachters en zulks op verzoek, hetzij van die verwachters, indien zij meerderjarig zijn, (hetzij van hun curator of wettelijke vertegenwoordiger), indien zij minderjarig of onbekwaam verklaard zijn, hetzij van iedere bloedverwant van de meerderjarige, minderjarige of onbekwaamverklaarde verwachters, of zelfs ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen. <W 2001-04-29/39, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Art. 1058. Na het overlijden van hem die een beschikking met last van uitkering gemaakt heeft, wordt in de gewone vorm een boedelbeschrijving opgemaakt van alle goederen die de nalatenschap uitmaken, tenzij het slechts een bijzonder legaat betreft. Die boedelbeschrijving bevat een juiste schatting van de waarde van de roerende goederen.
Art. 1059. De boedelbeschrijving wordt opgemaakt op verzoek van de bezwaarde en binnen de in de titel Erfenissen gestelde termijn, in tegenwoordigheid van de voor de uitvoering benoemde voogd. De kosten komen ten laste van de in de beschikking begrepen goederen.
Art. 1060. Indien binnen de hierboven vermelde termijn geen boedelbeschrijving is opgemaakt op verzoek van de bezwaarde, wordt zij in de loop van de volgende maand opgemaakt, op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd en in tegenwoordigheid van de bezwaarde of van zijn voogd.
Art. 1061. Indien aan de voorschriften van de twee vorige artikelen niet voldaan is, wordt de boedelbeschrijving opgemaakt op verzoek van de in artikel 1057 genoemde personen; de bezwaarde of zijn voogd, en de voor de uitvoering benoemde voogd worden daartoe opgeroepen.
Art. 1062. De bezwaarde is verplicht alle in de beschikking begrepen roerende goederen na aanplakking en bij opbod te doen verkopen, met uitzondering nochtans van die welke in de twee volgende artikelen vermeld zijn.
Art. 1063. Het huisraad en de andere roerende goederen die in de beschikking begrepen mochten zijn onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij in natura bewaard blijven, zullen worden teruggegeven in de staat waarin zij zich ten tijde van de uitkering bevinden.
Art. 1064. Het vee en het gereedschap, dienende tot het bebouwen van de landerijen, worden geacht begrepen te zijn in de schenkingen onder de levenden of bij uiterste wil van die landerijen; en de bezwaarde is alleen verplicht die te doen schatten en waarderen om daarvan, ten tijde van de uitkering, voor een gelijke waarde terug te geven.
Art. 1065. Binnen zes maanden te rekenen van de dag waarop de boedelbeschrijving is gesloten, moet de bezwaarde het gereed geld beleggen, alsook het geld komende van de prijs van de roerende goederen die verkocht zijn, en hetgeen op de schuldvorderingen ontvangen is.
Deze termijn kan worden verlengd, indien daartoe redenen zijn.
Art. 1066. De bezwaarde is eveneens verplicht het geld te beleggen, dat door inning van schuldvorderingen en door aflossing van renten wordt verkregen, en zulks binnen drie maanden nadat hij het geld ontvangen heeft.
Art. 1067. De belegging geschiedt overeenkomstig hetgeen door de beschikker bevolen is, indien hij de aard heeft bepaald van de goederen waarin de belegging moet worden gedaan; bij gebreke daarvan, kan slechts belegd worden in onroerende goederen of met voorrecht op onroerende goederen.
Art. 1068. De bij de vorige artikelen voorgeschreven belegging geschiedt in tegenwoordigheid en op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd.
Art. 1069. De beschikkingen met last van uitkering, gemaakt bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, worden openbaar gemaakt op verzoek hetzij van de bezwaarde, hetzij van de voor de uitvoering benoemde voogd; te weten, wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving van de akten in de registers van het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn, en, wat de geldsommen met voorrecht op onroerende goederen betreft, door inschrijving op de voor het voorrecht verbonden goederen.
Art. 1070. Het ontbreken van de overschrijving van de akte die de beschikking bevat, kan door de schuldeisers en de derden-verkrijgers worden ingeroepen, zelfs tegen minderjarigen of onbekwaamverklaarden; behoudens het verhaal op de bezwaarde, en op de voor de uitvoering benoemde voogd, en zonder dat de minderjarigen of onbekwaamverklaarden tegen het ontbreken van de overschrijving in hun recht kunnen worden hersteld, zelfs wanneer de bezwaarde en de voogd onvermogend mochten zijn.
Art. 1071. Het ontbreken van de overschrijving kan niet worden goedgemaakt of als gedekt worden beschouwd doordat de schuldeisers of de derden-verkrijgers, op andere wijze dan door de overschrijving, van de beschikking hebben kennis gekregen.
Art. 1072. De begiftigden, de legatarissen en zelfs de wettige erfgenamen van hem die de beschikking gemaakt heeft, kunnen in geen geval, evenmin als hun begiftigden, legatarissen of erfgenamen, het ontbreken van de overschrijving of van de inschrijving aan de verwachters tegenwerpen.
Art. 1073. De voor de uitvoering benoemde voogd is persoonlijk aansprakelijk, indien hij zich niet in ieder opzicht gedragen heeft naar de regels die hierboven bepaald zijn voor het beschrijven van de goederen, de verkoop van de roerende goederen, het beleggen van het geld, de overschrijving en de inschrijving, en, in het algemeen, indien hij niet al het nodige heeft gedaan opdat de last van uitkering goed en getrouw wordt uitgevoerd.
Art. 1074. Indien de bezwaarde minderjarige is, kan hij niet in zijn recht hersteld worden tegen de niet-nakoming van de regels die bij de artikelen van dit hoofdstuk aan de voogd zijn voorgeschreven, zelfs niet in geval van onvermogen (van zijn wettelijke vertegenwoordiger). <W 2001-04-29/39, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
HOOFDSTUK VII. - VERDELINGEN DOOR DE VADER, DE MOEDER OF ANDERE BLOEDVERWANTEN IN DE OPGAANDE LIJN, TUSSEN HUN AFSTAMMELINGEN GEMAAKT.
Art. 1075. De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande lijn kunnen hun goederen tussen hun kinderen en afstammelingen verkavelen en verdelen.
Art. 1076. Zodanige verdelingen kunnen worden gemaakt bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, met inachtneming van de vormen, voorwaarden en regels die voorgeschreven zijn met betrekking tot de schenkingen onder de levenden en de testamenten.
Verdelingen bij akte onder de levenden mogen enkel de tegenwoordige goederen tot voorwerp hebben.
Art. 1077. Indien in de verdeling niet alle goederen begrepen zijn die de bloedverwant in de opgaande lijn op de dag van zijn overlijden nalaat, worden de daarin niet begrepen goederen verdeeld overeenkomstig de wet.
Art. 1078. Indien de verdeling niet gemaakt is tussen alle kinderen die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afstammelingen van de vooroverleden kinderen, is de ganse verdeling nietig. Een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm kan worden gevorderd door de kinderen of afstammelingen die daarbij niets gekregen hebben, of zelfs door degenen tussen wie de verdeling gemaakt is.
Art. 1079. De verdeling, door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van benadeling voor meer dan een vierde; zij kan eveneens worden betwist, wanneer een van de deelgenoten, ten gevolge van de verdeling en de beschikkingen bij vooruitmaking, een groter voordeel zou genieten dan de wet toelaat.
Art. 1080. Het kind dat, op een van de gronden in het vorige artikel vermeld, de door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakte verdeling betwist, moet de kosten van de schatting voorschieten; en deze blijven te zijnen laste, evenals de kosten van het geschil, indien de vordering ongegrond is.
HOOFDSTUK VIII. - SCHENKINGEN BIJ HUWELIJKSCONTRACT AAN DE ECHTGENOTEN EN AAN DE KINDEREN DIE UIT HET HUWELIJK ZULLEN WORDEN GEBOREN.
Art. 1081. Iedere schenking onder de levenden van tegenwoordige goederen, hoewel bij huwelijkscontract gedaan aan de echtgenoten of aan een van hen, is onderworpen aan de algemene regels die met betrekking tot zodanige schenkingen zijn voorgeschreven.
Zij kan niet gedaan worden ten voordele van de kinderen die zullen worden geboren, behalve in de gevallen vermeld in hoofdstuk VI van deze titel.
Art. 1082. De vader en de moeder van de echtgenoten, hun verdere bloedverwanten in de opgaande lijn, hun bloedverwanten in de zijlijn en zelfs vreemden mogen bij huwelijkscontract beschikken over het geheel of een gedeelte van de goederen die zij op de dag van hun overleden zullen nalaten, zowel ten voordele van de echtgenoten, als ten voordele van de kinderen die uit hun huwelijk zullen worden geboren, voor het geval dat de schenker de begiftigde echtgenoot overleeft.
Zodanige schenking, hoewel alleen ten voordele van de echtgenoten of van een van beiden gedaan, wordt steeds in het hierboven genoemde geval van overleving van de schenker, vermoed gedaan te zijn ten voordele van de kinderen en afstammelingen die uit het huwelijk zullen worden geboren.
Art. 1083. De schenking die gedaan wordt in de bij het vorige artikel bepaalde vorm, is onherroepelijk, doch slechts in die zin dat de schenker niet meer om niet mag beschikken over de in de schenking begrepen goederen, behalve over geringe bedragen, tot beloning of anderszins.
Art. 1084. De schenking bij huwelijkscontract mag de tegenwoordige en toekomstige goederen samen, geheel of ten dele, omvatten, mits aan de akte een staat gehecht wordt van de schulden en lasten van de schenker, zoals die op de dag van de schenking bestaan; in dit geval staat het de begiftigde vrij, bij het overlijden van de schenker, zich tot de tegenwoordige goederen te bepalen, en van de overige goederen van de schenker af te zien.
Art. 1085. _ Indien de in het vorige artikel bedoelde staat niet gehecht is aan de akte die de schenking van de tegenwoordige en toekomstige goederen bevat, is de begiftigde verplicht deze schenking in haar geheel aan te nemen of te verwerpen. In geval van aanneming kan hij slechts de goederen opeisen die op de dag van het overeen van de schenker nog aanwezig zijn en is hij gehouden alle schulden en lasten van de nalatenschap te voldoen.
Art. 1086. De schenking bij huwelijkscontract ten voordele van de echtgenoten en van de kinderen die uit hun huwelijk zullen worden geboren, onverschillig door wie de schenking gedaan wordt, kan ook geschieden onder voorwaarde om alle schulden en lasten van de nalatenschap van de schenker, zonder onderscheid, te voldoen, of nog onder andere voorwaarden waarvan de uitvoering afhangt van de wil van de schenker; de begiftigde is gehouden die voorwaarden te vervullen, tenzij hij verkiest van de schenking af te zien; en ingeval de schenker zich bij huwelijkscontract de vrijheid heeft voorbehouden te beschikken over een zaak die in de schenking van zijn tegenwoordige goederen begrepen is, of over een uit die goederen te nemen bepaalde geldsom, dan wordt die zaak of die geldsom, indien hij overlijdt zonder daarover beschikt te hebben, geacht in de schenking te zijn begrepen en behoort zij toe aan de begiftigde of aan diens erfgenamen.
Art. 1087. Schenkingen bij huwelijkscontract kunnen niet betwist of nietig verklaard worden, onder voorgeven dat aanneming ontbreekt.
Art. 1088. Iedere schenking ten voordele van het huwelijk gedaan, vervalt indien het huwelijk daarop niet volgt.
Art. 1089. Schenkingen, aan een van de echtgenoten gedaan overeenkomstig de bepalingen van de voorafgaande artikelen 1082, 1084 en 1086, vervallen, indien de schenker de begiftigde echtgenoot en diens nakomelingen overleeft.
Art. 1090. Alle schenkingen, aan de echtgenoten bij hun huwelijkscontract gedaan, kunnen, bij het openvallen van de erfenis van de schenker, worden ingekort tot het gedeelte waarover hij volgens de wet mocht beschikken.
HOOFDSTUK IX. - BESCHIKKINGEN TUSSEN ECHTGENOTEN, HETZIJ BIJ HUWELIJKSCONTRACT, HETZIJ TIJDENS HET HUWELIJK.
Art. 1091. Echtgenoten mogen bij huwelijkscontract aan elkaar, of een van beiden aan de andere, zodanige schenking doen als zij goedvinden, met inachtneming van de hieronder gestelde beperkingen.
Art. 1092. De schenking onder de levenden van tegenwoordige goederen, tussen echtgenoten bij huwelijkscontract gedaan, wordt niet geacht te zijn gedaan onder voorwaarde dat de begiftigde overleeft, indien deze voorwaarde niet uitdrukkelijk bedongen is; en zij is onderworpen aan alle regels en vormen die hierboven met betrekking tot zodanige schenkingen zijn voorgeschreven.
Art. 1093. De schenking van toekomstige goederen of van tegenwoordige en toekomstige goederen, tussen echtgenoten bij huwelijkscontract gedaan, hetzij door een van beiden, hetzij wederkerig, is onderworpen aan de regels in het vorige hoofdstuk bepaald met betrekking tot zodanige schenkingen die hun door derden gedaan worden; behalve dat deze schenking niet overgaat op de kinderen uit het huwelijk geboren, ingeval de begiftigde echtgenoot overlijdt voor de echtgenoot die de schenking gedaan heeft.
Art. 1094. <W 14-05-1981, art. 28> Indien de langstlevende echtgenoot samen met afstammelingen opkomt en bij schenking of bij testament de volle eigendom van het beschikbaar gedeelte heeft verkregen, heeft deze gift niet tot gevolg dat hij het recht van vruchtgebruik op het overige deel van de nalatenschap verliest, tenzij de schenker of erflater anders heeft bepaald.
Ingeval de langstlevende echtgenoot samen met andere erfgerechtigden of met legatarissen opkomt en giften in volle eigendom heeft ontvangen, behoudt hij op hetgeen van de nalatenschap en van het gedeelte van de vooroverledene in het gemeenschappelijk vermogen overblijft, de rechten die hem zijn toegekend door artikel 745bis, tenzij de schenker of erflater anders heeft bepaald.
Indien de schenker of erflater uitdrukkelijk de wil te kennen heeft gegeven om de rechten van de langstlevende echtgenoot te beperken tot de geschonken of de gelegateerde goederen, kan de langstlevende in alle gevallen opeisen hetgeen noodzakelijk is om zijn voorbehouden erfdeel aan te vullen, in voorkomend geval volgens de waarde van dit erfdeel in kapitaal.
Art. 1095. <W 19-01-1990, art. 34> Een minderjarige mag bij huwelijkscontract aan de andere echtgenoot, hetzij bij eenzijdige, hetzij bij wederkerige schenking niet geven dan met de bijstand van zijn ouders, van een van hen of, bij ontstentenis daarvan, met de toestemming van de jeugdrechtbank. Met die bijstand of die toestemming mag hij alles schenken wat de wet de meerderjarige echtgenoot toestaat aan de andere echtgenoot te schenken.
Art. 1096. (Alle schenkingen, tussen echtgenoten tijdens het huwelijk anders dan bij huwelijkscontract gedaan, zijn steeds herroepelijk, hoewel zij schenkingen onder de levenden worden genoemd.) <W 14-05-1981, art. 29>
(Lid 2 opgeheven) <W 30-04-1958, art. 7>
Deze schenkingen worden niet herroepen door de geboorte van kinderen.
Art. 1097. Echtgenoten mogen elkaar tijdens het huwelijk, noch bij akte onder de levenden (anders dan bij huwelijkscontract), noch bij testament, enige onderlinge en wederkerige schenking doen bij een en dezelfde akte. <W 14-05-1981, art. 30>
Art. 1098. (Opgeheven) <W 14-05-1981, art. 31>
Art. 1099. Echtgenoten mogen elkaar onrechtstreeks niet meer schenken dan hun door de vorige bepalingen is toegestaan.
Elke vermomde of aan tussenpersonen gedane schenking is nietig.
Art. 1100. Als schenkingen aan tussenpersonen worden beschouwd de schenkingen door een van de echtgenoten gedaan aan de kinderen of aan een van de kinderen van de andere echtgenoot die uit een ander huwelijk zijn geboren, alsook de schenkingen door de schenker gedaan aan bloedverwanten van wie de andere echtgenoot op de dag van de schenking vermoedelijk erfgenaam was, ook al heeft de laatstgenoemde zijn begiftigde bloedverwant niet overleefd.


δ disclaimer


www.elfri.be
elfri@elfri.be
 

Advocatenkantoor Elfri De Neve
Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde

voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03

Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier

 


 

     

     

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.