-A +A

exceptio non adimpleti contractus en samenhang tussen verbintenissen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het louter bestaan van een feitelijke band tussen verschillende  overeenkomsten is op zichzelf onvoldoende om deze overeenkomsten als één onlosmakelijk geheel met onderling afhankelijke verbintenissen te beschouwen waartussen de niet-uitvoeringsexceptie kan worden ingeroepen.

Rechtspraak:

Hof van Beroep te Antwerpen, 5e Kamer – 29 juni 2007, RW 2009-2010, 105

1. De antecedenten

Bij exploot betekend op 4 maart 2004 hebben de heer B. en mevrouw P. de heer R. en mevrouw B. gedagvaard teneinde:

– de verklaring van eenzijdige ontbinding van een verkoopovereenkomst betreffende de aandelen W. opgenomen in de brief van 27 januari 2004 van nul en generlei waarde te verklaren;

– te zeggen voor recht dat deze overeenkomst nooit ontbonden is geweest en verder bestaat;

– gedaagden te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst en levering van de aandelen tegen de overeengekomen prijs uiterlijk tegen 31 december 2004;

– gedaagden te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding herleid naar 1 euro.

Bij tegeneis vorderden gedaagden dat voor recht wordt gezegd dat de overeenkomst conform de contractuele bepalingen ontbonden is per 27 januari 2004.

Bij vonnis van 18 februari 2005 heeft de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen de vordering van eisers ongegrond en de tegenvordering gegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd op 15 april 2005 hebben de echtgenoten B.-P. hoger beroep ingesteld.

Zij handhaven hun oorspronkelijke vordering, zij het dat thans een schadevergoeding van 10.000 euro ten provisionele titel wordt gevraagd.

Voor zover besloten zou worden tot een rechtsgeldige eenzijdige ontbinding van de overeenkomst, vorderen zij de veroordeling van geïntimeerden tot terugbetaling van alle reeds overgenomen aandelen van NV W., te vermeerderen met interesten.

In conclusies roepen appellanten in dat het bestreden vonnis «onwettig» is, omdat de rechtbank van koophandel ratione materiae niet bevoegd was kennis te nemen van dit geschil.

Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

...

2. Beoordeling

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden in het bestreden vonnis uiteengezet en het hof verwijst hiernaar.

...

De relevante feiten kunnen als volgt worden samengevat.

– NV W., een vastgoedvennootschap, is eigenaar van een onroerend goed gelegen aan de (...)steenweg te Antwerpen.

– in dit onroerend goed werd een juwelierszaak «A.» uitgebaat. De BVBA A. is eigenaar van de handelszaak. – Geïntimeerden waren de enige aandeelhouders en bestuurders van beide vennootschappen.

– bij overeenkomst van 24 september 1999 verkopen geïntimeerden de totaliteit van de aandelen (350) van NV W. aan appellanten voor 619.500 euro (1.770 euro per aandeel), betaalbaar over een periode van zes jaar tegen jaarlijkse aanbetaling van 88.500 euro (waarde van 50 aandelen), waarbij het saldo uiterlijk tegen december 2004 moet betaald zijn.

Art. 4 van de overeenkomst bevat een uitdrukkelijk ontbindend beding ingeval de betalingen niet stipt worden uitgevoerd, bedingt een interest van 1% per maand op achterstallige bedragen en een aanvullende schadevergoeding van 15% op de uitstaande gelden in geval van wanprestatie. De aandelen werden in verhouding tot de betalingen overgedragen.

– in augustus 2001 hebben appellanten de VOF A. die in het onroerend goed van NV W. hun handelszaak ging uitbaten, opgericht.

– BVBA A. heeft haar activa verkocht en werd in december 2001 in vereffening gesteld.

– er werden nog andere overeenkomsten gesloten, namelijk:

(1) tussen BVBA A. en VOF A.: koop-verkoop van roerende goederen 25.000 euro op 2 januari 2002;

(2) tussen geïntimeerden en appellanten/VOF A.: koop-verkoop van roerende goederen op 7 maart 2002;

(3) deze stofferende goederen waren verbonden aan de juwelierszaak;

(4) tussen NV W. en VOF A.: handelshuurovereenkomst voor een deel van het pand aan de (...)steenweg op 7 maart 2002, en op dezelfde datum een woninghuurovereenkomst inhoudende dat appellanten een deel van het pand als woning betrekken; een ander gedeelte bleef ingevolge overeenkomst bewoond door geïntimeerden.

De aflevering van de roerende goederen en de terbeschikkingstelling van de gehuurde ruimten hebben voor wrijvingen gezorgd tussen partijen.

– tegen einde december 2003 waren 155 aandelen overgenomen en betaald;

– op 9 januari 2004 worden appellanten aangemaand tot betaling van 208.240,50 euro, zijnde de prijs voor 95 af te nemen aandelen, vermeerderd met de interesten en schadevergoeding;

– mevrouw P. antwoordt op 12 januari 2004 de terugkeer van haar echtgenoot af te wachten om te repliceren, maar wijst er reeds op dat mondeling was afgestapt van het afbetalingsschema, de betaling van de resterende aandelen werd opgeschort, gelet op de problemen inzake de huurovereenkomsten en afgifte van de roerende goederen, en verzekert geïntimeerden dat alles zal betaald zijn einde 2004;

– bij brief van 27 januari 2004 geven geïntimeerden, die andersluidende afspraken betwisten, te kennen gebruik te maken van het ontbindend beding;

– het voorstel van appellanten de resterende 195 aandelen tegen 30 juni 2004 over te nemen tegen betaling van 345.150 euro wordt door geïntimeerden afgewezen. Hangende het geding (18 april 2005) werd voor dit bedrag aanbod van gerede betaling gedaan.

Ter discussie staat de vraag naar de rechtsgeldige uitwerking van het uitdrukkelijk ontbindend beding opgenomen in de overeenkomst van aandelenoverdracht. Dit beding bestraft de niet-stipte naleving van de betalingsverbintenis a rato van de prijs voor 50 aandelen per jaar.

Het standpunt van appellanten is samengevat dat de ontbindingsgraad ten tijde van de eenzijdige ontbindingsbeslissing niet meer van kracht was, subsidiair dat de niet-uitvoeringsexceptie geput uit de overeenkomsten betreffende de aflevering van de roerende goederen en ontruiming van de gehuurde delen van het onroerend pand, de opschorting van de betalingsverbintenis van de aandelen verantwoordt en dat de ontbindingsbevoegdheid op onredelijke wijze werd uitgeoefend.

Partijen zijn het grondig oneens omtrent hun gemeenschappelijke bedoelingen – al dan niet overname van de hele handelszaak van de BVBA A., samen met de overdracht van de aandelen van NV W. – en omtrent de onderlinge afhankelijkheid van de diverse overeenkomsten.

Dat er een feitelijke band bestaat tussen de diverse overeenkomsten kan niet worden ontkend, maar zulks is niet voldoende om de overeenkomsten als één onlosmakelijk geheel met onderling afhankelijke verbintenissen te beschouwen.

Appellanten hebben uitvoerig geconcludeerd omtrent de onderhandelingen die partijen startten in 1998.

Hoewel het juist is dat er destijds in juni 1999 een ontwerp van overeenkomst houdende overdracht van de aandelen van de BVBA A. (te betalen prijs 4.000.000 fr.) werd opgesteld, blijft het evenwel een feit dat een dergelijke aandelenoverdracht geen plaats heeft gevonden en dat enkel een deel van de activa van de BVBA A. door middel van de hierboven vermelde, toch beduidend later gesloten koopovereenkomsten werden aangekocht door appellanten.

Dat het de wens van appellanten was het handelsfonds, eigendom van BVBA A., te verwerven is mogelijk, maar werd niet geconcretiseerd en de beweerde overname van het hele handelsfonds kan bezwaarlijk worden afgeleid uit het niet ondertekenen van de ontwerpovereenkomst. Appellanten geven in hun conclusies overigens zelf toe dat de overname van A. niet volgens oorspronkelijk opzet verliep.

Het is juist dat appellanten in april 1999 een bedrag van 30.000 Nederlandse gulden hebben betaald aan geïntimeerden. Geïntimeerden houden zich wat de ontvangen som betreft op de vlakte door aan te geven dat deze betaling niets te maken heeft met het geschil, terwijl appellanten beweren dat deze gelden werden betaald om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van geïntimeerde R. het historisch patrimonium van de juwelierszaak bijeen te houden.

Deze betaling komt evenwel in de latere overeenkomsten nergens meer ter sprake en wordt evenmin op een of andere wijze verrekend, ook thans niet, zodat de bedoeling van deze betaling niet geduid kan worden, omdat de partijen om redenen die hun eigen zijn, hieromtrent geen verdere uitleg (wensen te) verschaffen. De handelszaak van appellanten en de huurovereenkomsten kunnen overigens worden uitgevoerd los van de overeenkomst van overdracht van de aandelen van NV W.

De rechtsgeldigheid van het uitdrukkelijk ontbindend beding moet derhalve worden beoordeeld in het raam van de aandelenoverdracht van 24 september 1999, en appellanten kunnen hier geen exceptie van niet-uitvoering geput uit de andere overeenkomsten tegenwerpen. Dit beding bestraft de niet-stipte naleving van de betalingsverbintenis a rato van de prijs voor vijftig aandelen per jaar.

Het staat vast dat de betalingsverbintenis niet werd uitgevoerd zoals contractueel overeengekomen.

Volgens het door appellanten opgegeven betalingsschema werden in 1995 25, in 2000 10, in 2001 geen en in 2002 115 aandelen overgenomen en betaald.

Geïntimeerden weerleggen noch bevestigen deze wijze van uitvoering, maar het staat vast dat volgens de termen van de overeenkomst een pakket van 250 aandelen per december 2003 betaald moest zijn, terwijl er toen slechts 155 aandelen waren betaald.

Tot januari 2004 heeft deze wijze van uitvoering van overeenkomst geen aanleiding gegeven tot protesten of aanmaningen.

Dat geïntimeerden een dergelijk afwijkend betalingsritme hebben toegestaan, betekent echter niet dat zij afstand hebben gedaan van hun recht de naleving van de overeenkomst te vorderen of van hun recht om het uitdrukkelijk ontbindend beding in te roepen. De afstand van een contractueel recht vereist een wilsuiting of het stellen van daden door de houder ervan die ondubbelzinnig wijzen op het prijsgeven van een recht, het is geen sanctie van het gedrag van de schuldeiser.

Buiten een louter gedogen van een vertraagd betalingsritme dat geen afstand impliceert, tonen appellanten niet aan uit welke feiten of handelingen van geïntimeerden zij een afstand van het uitdrukkelijk ontbindend beding kunnen afleiden.

Het bestaan van een rechtsgeldig uitdrukkelijk ontbindend beding belet evenwel niet een rechterlijke controle a posteriori omtrent de wijze van uitoefening van de eenzijdige ontbindingsbeslissing, die niet mag gebeuren in strijd met de vereisten van goede trouw. De redelijkheid van de ontbindingsbeslissing kan derhalve wel getoetst worden aan de omstandigheden waarin zij werd uitgeoefend; of zulks al dan niet te goeder trouw gebeurde, moet worden beoordeeld op grond van de omringende omstandigheden, waarbij de tijdens de duur van de overeenkomst aangenomen houding wel een rol kan spelen.

In casu blijkt dat tussen partijen, ondanks de wellicht gespannen sfeer, voornamelijk te wijten aan de weinig comfortabele situatie dat beiden het pand als woning deelden, voldoende vertrouwen aanwezig was in de normale uitvoering van de overeenkomst.

Een definitieve breuk gestoeld op het niet strikt naleven van het opgelegd betalingsregime dat nochtans van in den beginne niet stipt werd uitgevoerd, was in de concrete context niet te voorzien, omdat anders dan door geïntimeerden wordt beweerd, niet één ingebrekestelling omtrent het niet naleven van de betalingen in het verleden voorligt. De aanmaning van 9 januari 2004 maakt overigens, anders dan geïntimeerden in conclusies beweren, geen gewag van eerdere mondelinge ingebrekestellingen, maar enkel van een eerdere vraag te laten weten wanneer appellanten aan hun verplichting tot betaling wensten te voldoen, wat blijk geeft van een souplesse van de zijde van geïntimeerden.

In deze omstandigheden moest de ingebrekestelling van 9 januari 2004 en de teneur zeker als een verrassing overkomen bij appellanten die, gelet op de vooropgestelde datum voor betaling – niet weerlegd is dat de brief ontvangen werd op 12 januari 2001 – de facto over amper zes dagen beschikten om een betaling van 208.240,50 te verrichten, welke termijn, gelet op het gevorderde bedrag, iedere redelijkheid mist. Dit bedrag omvatte immers ook een interestberekening en een schadebeding dat gebeurlijk voor betwisting vatbaar was en alleszins nader onderzoek vergde. Deze abnormaal korte termijn om aan de betalingsverbintenis te voldoen is ook moeilijk verzoenbaar met de vroeger getolereerde afwijkende betalingswijze van de aandelen.

Even onredelijk was de houding van geïntimeerde in deze concrete omstandigheden niet te willen wachten op het resultaat van een reeds op 21 januari 2004 gepland gesprek waarop in de antwoordbrief van 12 januari 2004 werd gewezen, maar nagenoeg onmiddellijk het uitdrukkelijk ontbindend beding in werking te stellen. Het mag dan al zijn dat deze samenkomst voornamelijk betrekking had op de perikelen in verband met het ontruimen van de gehuurde ruimten in het pand, feit is dat partijen met betrekking tot alle overeenkomsten, ook die gesloten tussen de onderscheiden vennootschappen, de facto elkanders gesprekspartners waren.

Hoewel de voorwaarden om het uitdrukkelijk ontbindend beding in te roepen weliswaar voorhanden waren, hebben appellanten, gelet op de concrete omstandigheden, hun ontbindingsbevoegdheid in strijd met de beginselen van goede trouw (art. 1134, derde lid, B.W.) uitgeoefend. Uitwerking wordt derhalve ontzegd aan het uitdrukkelijk ontbindend beding, dat niet te goeder trouw door geïntimeerden werd ingeroepen.

De overeenkomst blijft derhalve van kracht tussen partijen, die elk hetzij (gedwongen) uitvoering hetzij gerechtelijke ontbinding kunnen vorderen. Geïntimeerden hebben geen gerechtelijke ontbinding gevraagd. Zij hebben ook hangende de procedure hardnekkig geweigerd in te gaan op de betalingsvoorstellen door appellanten gedaan. Appellanten geven aan uitvoering van de overeenkomst na te streven, en hun conclusie moet zo begrepen worden dat zij gedwongen uitvoering van de overeenkomst vragen, gelet op de weigering van geïntimeerden. Deze uitvoering moet geschieden overeenkomstig de contractuele bepalingen, die ook voorzien in een interest en in een schadevergoeding wegens te late betaling en niet enkel in betaling van het louter saldo (345.250 euro) op de verkoopprijs van 619.500 euro.

Het komt partijen toe standpunt in te nemen omtrent de in uitvoering van de overeenkomst te betalen bedragen. Het debat wordt te dien einde heropend.

Rechtsleer:

NOOT onder voormeld arrest in het rechtskundig weekblad 2009-2010, 105, Julie De Coninck– De voor de toepassing van de exceptio non adimpleti contractus vereiste samenhang tussen verbintenissen en de toetsing van een op een uitdrukkelijk ontbindend beding gegronde ontbindingsbeslissing aan de goede trouw. lees deze noot met het paswoord van RW


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.