-A +A

Fiscale anti-misbruikbepaling: uiterst vaag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Fiscale anti-misbruikbepaling: uiterst vaag…
 
In zijn strijd tegen vruchtgebruikconstructies, tussengeschoven vennootschappen en andere vermeende misbruiken, kreeg de fiscus begin 2012 een nieuw, machtig wapen in handen: een volledig herschreven algemene antimisbruikbepaling (artikel 344, §1 WIB 1992). Door de vele strenge rechtspraak van de laatste jaren was zelfs de fiscus al beginnen te twijfelen aan de bruikbaarheid van de oude versie van dat artikel. Een grondige facelift zou die bepaling nu wél algemeen inzetbaar moeten maken. Hoever de impact precies reikt, is echter nog onduidelijk, zelfs na lezing van de wettekst, de Memorie van Toelichting, en zelfs de Omzendbrief van 5 mei 2012.
 
1/ WETTEKST (programmawet van 29 maart 2012, B.S. 6 april 2012)
 
Art. 167. Artikel 344, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
« § 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.
Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. ».
Art. 168. In artikel 18 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994 en 24 december 2002, wordt § 2 vervangen als volgt :
« § 2. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 185 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingschuldige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1. een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
2. een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingschuldige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van registratierechten.
Indien de belastingschuldige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. ».
Art. 169. Artikel 167 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die zijn gesteld tijdens een belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en is verbonden aan het aanslagjaar 2012. Elke wijziging die vanaf 28 november 2011 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de bepaling in artikel 167.
Artikel 168 is van toepassing op de rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die éénzelfde verrichting tot stand brengt, die zijn gesteld vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
 
 
2/ MEMORIE VAN TOELICHTING
5DOC 53 2081/001, Parl. Werkzaamheden 2011-2012, p. 109-115)
 
Algemeen
Er bestaat vandaag een zekere consensus over het feit dat het huidig artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) door de administratie niet op een efficiënte manier kan worden toegepast. Om artikel 344, § 1, WIB 92 te kunnen toepassen, moet de administratie bewijzen dat de belastingplichtige met de door hem gehanteerde juridische kwalificatie de bedoeling had om belastingen te ontwijken. Uit het tegenbewijs dat de belastingplichtige moet leveren en dat bestaat in het aantonen van rechtmatige financiële of economische behoeften, volgt dat er ook andere niet-fiscale motieven moeten bestaan voor de juridische kwalificatie. Indien de belastingplichtige niet in staat is dit tegenbewijs te leveren, kan de administratie overgaan tot herkwalificatie, maar volgens het Hof van Cassatie moet deze nieuwe kwalificatie gelijksoortige rechtsgevolgen hebben als de oorspronkelijke rechtshandeling(en) (Cass. 4 november 2005, FJF, N°2006/21; Cass. 22 november 2007, FJF, N° 2008/140; Cass. 11 december 2008, TRV 2009, 311). Hiermeeworden de niet-fiscale rechtsgevolgen bedoeld. Het is bovendien slechts de kwalifi catie van de rechtshandeling die de administratie niet kan worden tegengeworpen en dus niet de rechtshandeling zelf. Uit de huidige tekst volgt dat de herkwalificatie niet de essentiële elementen van de rechtshandeling (zoals de partijen, het voorwerp, het tijdstip en de prijs) kan betreffen, maar slechts de bijkomstige en niet relevante rechtsgevolgen van de door de partijen gestelde rechtshandelingen. Tot op heden wordt daarom ook algemeen aangenomen dat het praktisch onmogelijk is om bij een herkwalificatie tot gelijksoortige rechtsgevolgen te komen indien de verrichting tot stand is gekomen middels één akte. Aan één akte kan immers zelden meer dan één kwalificatie worden gegeven. Het huidig artikel 344, § 1, WIB 92 is dus niet van toepassing indien de rechtsgevolgen van de door de administratie in de plaats gestelde rechtshandeling verschillend zijn van de rechtshandeling die de belastingplichtige heeft gesteld, met andere woorden wellicht alle enkelvoudige en veel opeenvolgende rechtshandelingen. Indien deze bepaling vandaag al toepassing kan vinden, dan is het om een geheel van afzonderlijke of opeenvolgende akten die kunstmatig zijn opgesplitst te herdefiniëren in één verrichting die de partijen in werkelijkheid tot stand hebben gebracht.
 
Tijdens haar werkzaamheden heeft de parlementaire onderzoekscommissie die werd opgericht om
de grote fiscale fraudedossiers te onderzoeken, uit getuigenissen vernomen dat de huidige formulering van artikel 344, WIB 92 ineffectief is. Daarom heeft de parlementaire onderzoekscommissie in haar op 14 mei 2009 aangenomen eindverslag (DOC 52 0034/004,
p. 241-242) vastgesteld dat “De wetgeving […] thans een aantal specifieke en deelmaatregelen tegen misbruiken [omvat] waarvan de toepassing niet altijd vlot verloopt. Om te verhinderen dat gevallen van kennelijk misbruik als een keuze voor de minst belastbare weg worden beschouwd, moeten de anti-misbruikregels worden aangescherpt en moet een algemene maatregel worden ingevoerd van misbruik van recht in fiscale aangelegenheden. In dat opzicht zou artikel 344 van het WIB 92 moeten worden herwerkt.”. Bijgevolg heeftde commissie in deze aangelegenheid de aanbevelinggeformuleerd dat in het licht van de Europese wetgevingmoet worden uitgemaakt of de nood bestaat onze antimisbruikregelste verstrengen, en in de wetgeving eenalgemene anti-misbruikmaatregel op te nemen die hetmisbruik van recht in fiscale aangelegenheden erkent,zonder dat die maatregel voor rechtsonzekerheid zorgt.
 
Europeesrechtelijke ontwikkelingen
Het is niet opportuun de in België vigerende antimisbruikregel, zoals thans geïnterpreteerd en toegepast,te wijzigen zonder daarbij oog te hebben voor de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in deze aangelegenheid. Het is een algemeen Europeesrechtelijk beginsel dat rechtsmisbruik verbodenis. De toepassing van de regels van het Unierecht kan niet zo ver gaan dat misbruiken worden gedekt, met andere woorden transacties die niet zijn verricht in het kader van normale handelsverrichtingen, maar met het doel om de door het Unierecht toegekende voordelen
op onrechtmatige wijze te verkrijgen (zie in die zin: HvJ,C-212/97, 9 maart 1999, Centros; HvJ, C-255/02, 21 februari 2006, Halifax e.a. en HvJ, C-126/10, 10 november 2011, Foggia).
In het licht van deze Europese rechtspraak en verwijzend naar de incorporatie van het Europeesrechtelijke misbruikdoctrine in artikel 1, § 10 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt in de rechtsleer een lans gebroken voor het herschrijven van de Belgische anti-misbruikregel (cfr. L. De Broe in Fraudebestrijding en charter van de belastingplichtige: noodzakelijk een paradox?”, TFR 379-380, 2010, p. 344).
Voorliggende bepaling is in grote mate gebaseerd op het tekstvoorstel van voormelde auteur.
 
Bespreking van de artikelen
De wetgever heeft zich geschikt naar het advies van de Raad van State nr. 50 883/1.
De nieuwe redactie van artikel 344, § 1, WIB 92 heeft tot doel de bovenvermelde toepassingsproblemen van de huidige tekst op te lossen. De voorliggende tekst moet de administratie in staat stellen rechtsmisbruik op een efficiënte manier aan te pakken zonder de rechtszekerheid en het principe van de vrije keuze van de minst belaste weg, fundamenteel aan te tasten. Het hoofddoel
van de voorgestelde tekst is om twee courante vormen van belastingontwijking via juridische vormgeving uit te schakelen:
— de keuze van een juridische vorm om zich te plaatsen in een toestand die niet aan de wettelijke
voorwaarden voldoet om belastbaar te zijn, maar die zeer dicht in de buurt komt van de belastbaar gestelde situatie terwijl er voor die keuze geen andere wezenlijke verklaring is dan belastingbesparing. De bedoeling van de wetgever zou geschonden worden als de fiscale wet niet wordt toegepast op de gestelde rechtshandeling;
— het afdwingen van een voordelige wet: de juridische vormkeuze om zich onder een norm te brengen die een fiscaal voordeel oplevert terwijl er voor die keuze geen andere wezenlijke verklaring is dan belastingbesparing.
De aanspraak op dit voordeel druist in tegen de bedoeling van de wet.
 
De voorliggende tekst volgt de logica van het bestaande artikel 344, § 1, WIB 92. De bepaling blijft een bewijsmiddel van de administratie waarvan de toepassing tot de niet-tegenstelbaarheid aan de administratie leidt.
Overigens gaat het nog steeds om een systeem van bewijs en tegenbewijs. Bepaalde elementen worden echter aangepast zodanig dat de maatregel effectief van toepassing kan zijn. Het gaat met name om een aanpassing van:
— het voorwerp van de niet-tegenstelbaarheid;
— de invoering van een definitie van “fiscaal misbruik”;
— de verduidelijking van de verdeling van de bewijslast tussen de administratie en de belastingplichtige.
 
Het is vanzelfsprekend dat het behoud van de huidige procedure van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (ruling) de belastingplichtige, indien nodig, rechtszekerheid garandeert, met dien verstande dat het koninklijk besluit van 17 januari 2003 tot uitvoering van artikel 22, tweede lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (Belgisch Staatsblad, 3° Ed., van 31 januari 2003), in zijn artikel 1, 3°, bepaalt dat het niet toegestaan is een
voorafgaande beslissing te geven betreffende: “3° de aangifte, het onderzoek en de controle, het gebruik van de bewijsmiddelen, de aanslagprocedure, de rechtsmiddelen, de rechten en voorrechten van de Schatkist, de minimum maatstaf van heffing, de termijnen, de verjaring, het beroepsgeheim, de inwerkingtreding en de aansprakelijkheid en plichten van sommige openbare ambtenaren, andere personen of bepaalde instellingen”.
Op zich zal de dienst voor voorafgaande beslissingen in fiscale zaken zich dus niet kunnen uitspreken over het feit of de administratie al dan niet de anti-misbruikbepaling zal toepassen. Wel zal die dienst een beslissing kunnen nemen over de keuze voor een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen die haar door de belastingplichtige wordt voorgelegd. De dienst zal zich dus kunnen uitspreken over het feit of de keuze voor de voorgenomen rechtshandeling(en) of het geheel van rechtshandelingen die een zelfde verrichting tot stand brengen, door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van de belastingen. Het akkoord van deze dienst met de keuze van de belastingplichtige voor een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen impliceert dat deze niet meer in vraag kan worden gesteld in het kader van de voorliggende bepaling, voor zover alle verrichtingen werden uitgevoerd zoals ze in het voorafgaand akkoord zijn vervat.
 
Men moet ook aandacht hebben voor het feit dat het gebruik van artikel 344, § 1, WIB 92 door de administratie een ultiem wapen betreft en enkel toegepast moet worden als de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het Wetboek, de speciale anti-ontwijkingsbepalingen en de simulatieleer geen hulp bieden.
Zowel de verrichtingen die gesteld worden in het kader van het beheer van het privévermogen als de
verrichtingen die gesteld worden in de economische sfeer, worden beoogd.
 
Hoewel een aantal essentiële elementen van de huidige anti-misbruikmaatregel werden gewijzigd, kan
er op gewezen worden dat de algemene economie van het systeem van de huidige maatregel, met name het stelsel van bewijs en tegenbewijs, behouden blijft.
 
Het eerste lid van het nieuwe artikel 344, § 1, WIB 92 beschrijft het voorwerp van de niet- tegenstelbaarheid. Voortaan heeft de niet-tegenstelbaarheid betrekking op een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen die eenzelfde verrichting tot stand brengt.
De niet-tegenstelbaarheid betreft dus in essentie niet de juridische kwalificatie van de akte zoals thans het geval is. De bewijsmiddelen waarover de administratie beschikt, worden in artikel 340, WIB 92 opgesomd. Het gaat om bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed. Het bewijsmiddel bij uitstek zal naar alle waarschijnlijkheid het beroep op de vermoedens zijn. Dit veronderstelt dat de administratie vanuit feiten die zij als voldoende rechtsgeldig vaststelt, het onbekende feit zal vaststellen dat ze moet bewijzen, te weten de totstandkoming van een verrichting tot vernietiging van de belasting.
Het begrip “geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt” beoogt eveneens de kunstmatige opsplitsing van een verrichting in opeenvolgende akten die op een langere periode dan een aanslagjaar betrekking heeft en dus niet alleen indien zij binnen hetzelfde aanslagjaar vallen. Als de akten aldus over vele jaren worden gespreid, zal de administratie toch artikel 344, § 1, WIB 92 mogen toepassen, als ze de eenheid van bedoeling tussen de akten aantoont.
Daartoe moeten de opeenvolgende handelingen een reeks handelingen zijn die van meet af aan zijn opgevat als behorend tot een ondeelbare keten. In deze zin heeft het nieuw gehanteerde begrip dezelfde draagwijdte als het begrip “afzonderlijke akten die eenzelfde verrichting tot stand brengen”.
 
De niet-tegenstelbaarheid kan door de administratie worden ingeroepen indien er sprake is van fiscaal misbruik. Het tweede lid van voorliggende bepaling geeft een definitie van “fiscaal misbruik”. “Fiscaal misbruik” bestaat uit een objectief en een subjectief element. Het objectieve element houdt in dat de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen kiest die hem toestaan zich in een toestand te plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving. Dergelijk handelen kan zich onder twee vormen voordoen: door zijn vormkeuze stelt de belastingplichtige zich buiten de letter van een belasting vermeerderende bepaling of brengt hij zich binnen het toepassingsgebied van een belasting verminderende bepaling. Het subjectieve element houdt in dat de belastingplichtige deze rechtshandeling of dit geheel van rechtshandelingen kiest met als wezenlijk doel het verkrijgen van het belastingvoordeel.
De strijdigheid met de doelstellingen van de fiscale wetgeving moet begrepen worden in het licht van het begrip “volstrekt kunstmatige constructie”. Er is sprake van een “volstrekt kunstmatige constructie” wanneer de verrichting niet de economische doelstellingen onderliggend aan de fiscale wetgeving nastreeft of geen verband houdt met de economische werkelijkheid, of niet aan commerciële of financiële marktvoorwaarden plaatsvindt. Het gaat met andere woorden om rechtshandelingen die alleen worden uitgevoerd om belastingen te ontwijken. Dit “subjectieve element” moet echter niet
door de fiscale administratie worden vastgesteld teneinde het bestaan van een fiscaal misbruik te bewijzen.
Op dat vlak volgt de voorgestelde tekst dezelfde logica als die van het huidige artikel 344, § 1, WIB 92. In de parlementaire stukken van de wet van 22 juli 1993 werd dit ook bevestigd (Parl. St. Kamer, 1992-93, 1072/8,100): “(…) Tijdens de besprekingen in de Senaat werden amendementen ingediend om op de Administratie het bewijs te verhalen van het unieke karakter van de bedoeling van de belastingplichtige, dit wil zeggen het louter zoeken door de belastingplichtige van een fiscale doelstelling (zie verslag van de heer Didden, Stuk Senaat nr. 762/2, blz. 41, 44 en volgende). Daar kon niet worden op ingegaan omdat in de opbouw van de tekst van artikel 344, § 1, met bewijs en tegenbewijs, het aan de Administratie zou toekomen een subjectief element vast te stellen dat alleen de belastingplichtige kan kennen”.
Van de administratie wordt dus niet gevraagd dat hij aantoont dat de vormkeuze uitsluitend door fiscale motieven bepaald is geworden. Dit zou neerkomen op een onmogelijke bewijslast voor de administratie.
 
Het derde lid organiseert het stelsel van het tegenbewijs in hoofde van de belastingplichtige. Door de
toepassing van het eerste lid moet de administratie in de eerste plaats het bewijs leveren dat de keuze van de juridische vormgeving aan de definitie van fiscaal misbruik beantwoordt. De belastingplichtige moet dan in staat zijn om het bewijs aan te brengen dat zijn rechtshandelingen door andere motieven verantwoord zijn dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. Het toepassingsgebied van artikel 344, § 1, WIB 92 strekt zich bijgevolg uit tot toestanden waar de “niet-fiscale” motieven zodanig verwaarloosbaar zijn dat de verrichting onmogelijk lijkt als er geen rekening wordt gehouden met de fiscale motieven. Men viseert concreet de volgende toestanden:
(i) rechtshandelingen waarbij de belastingplichtige naar een zuiver fiscaal voordeel nastreeft;
(ii) rechtshandelingen waarbij de niet-fiscale motieven in niets specifiek zijn voor de betrokken verrichting, maar integendeel zo algemeen zijn dat ze noodzakelijkerwijs aanwezig zijn bij elke verrichting van hetzelfde type; en
(iii) rechtshandelingen waar de niet-fiscale motieven weliswaar specifiek zijn voor de betrokken verrichting, maar een dermate beperkt belang hebben dat een redelijk persoon de verrichting niet zou realiseren omwille van dit “niet-fiscale” motief: in dat geval kan men ervan uitgaan dat het zich beroepen op het (niet-fiscale) motief niét het werkelijk motief is voor de verrichting.
 
De enige bedoeling is te vermijden dat dit bewijsmiddel van de administratie compleet inefficiënt wordt
vanaf het moment dat de belastingplichtige met eender welke onwaarschijnlijke niet-fiscale motieven zijn rechtshandeling verantwoordt. Dit past ook in de Europese jurisprudentiële evolutie van de anti-misbruikregel.
Inzake de belasting over de toegevoegde waarde kan er ook sprake zijn van een misbruik van recht indien handelingen worden gesteld met als wezenlijk doel een onrechtmatig belastingvoordeel te verkrijgen, ongeacht de aanwezigheid van eventuele andere economische doelen (HvJ, C-425/06, 21 februari 2008, Part Service, punten 40 tot 45). In het kader van de fusierichtlijn oordeelde het Hof van Justitie dat indien stelselmatig zou worden erkend dat de uit de vermindering van de administratieve en beheerskosten voortvloeiende besparing van structurele kosten een zakelijke overweging vormt, zonder rekening te houden met de andere doelstellingen van de voorgenomen transactie en meer
in het bijzonder met de fiscale voordelen ervan, de in de richtlijn neergelegde anti-misbruikregel zijn doel zou verliezen (HvJ., C-126/10, 10 november 2011, Foggia, punt 49).
 
Het vierde lid legt vast dat, wanneer de belastingplichtige geen geldig tegenbewijs heeft aangebracht, de administratie de fiscale toestand van de belastingplichtige kan herzien en in overeenstemming brengt met doel en strekking van de wetsbepaling die de belastingplichtige door zijn vormgeving omzeild c.q. miskend heeft. In zijn advies nr. 50 883/1, verwijst de Raad van State naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie waaruit valt af te leiden dat het legaliteitsbeginsel van artikel 170 van de Grondwet vereist dat de wet duidelijk aangeeft aan welke objectieve criteria de herkwalificatie dient te beantwoorden of op welke wijze de belastbare handeling in geval van vastgestelde belastingontwijking door de administratie moet worden gedefinieerd en dat de wetgever met andere woorden de grenzen van de herkwalificatie voldoende afbakent.
Hieruit volgt dat de in het voorgelegde ontwerp gegeven verduidelijking aangaande de mogelijkheid tot
herkwalificatie door de administratie een niet voldoende aan de vereisten van artikel 170 van de Grondwet beantwoordende begrenzing van de mogelijkheid
tot herkwalificatie uitmaakt. Om hieraan tegemoet te komen verwijst de Raad naar zijn advies van 4 mei 2006, nr. 40 372/1/2/3/4 dat werd uitgebracht over de bepalingen betreffende de anti-misbruikmaatregel inzake belasting over de toegevoegde waarde. De aanbeveling van de Raad werd gevolgd door in de wet uitdrukkelijk te
bepalen dat de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld worden dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
 
Dezelfde wijziging wordt ook doorgevoerd in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
(artikel 18, § 2). Er dient hierbij opgemerkt te worden dat de wijziging bijgevolg ook van toepassing wordt op de successierechten: artikel 106, tweede lid van het Wetboek der successierechten stelt dat paragraaf 2 van artikel 18 van het Wetboek der registratie-, hypotheeken griffierechten mutatis mutandis van toepassing is.
 
Art. 160
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de artikelen 158 en 159. Het advies van de Raad van State werd gevolgd door aan deze artikelen geen terugwerkende kracht te verlenen.
 
3/ OMZENDBRIEF VAN 5 MEI 2012
 
 
Op vrijdag 5 mei 2012 publiceerde de Federale Overheidsdienst Financiën de omzendbrief met richtlijnen voor de ambtenaren omtrent de toepassing van de nieuwe anti-misbruikbepaling.
De omzendbrief  van Federale Overheidsdienst Financiën geeft een verdere uitleg over de toepassing van deze maatregel die in de programmawet van 29 maart 2012 is opgenomen. Deze maatregel moet constructies tegengaan die zijn opgezet om belastingen te ontwijken en bestrijdt dus het fiscaal misbruik. De omzendbrief omschrijft wat er dient te worden verstaan onder fiscaal misbruik. Er wordt ook uitgelegd dat de administratie eerst moet aantonen dat er fiscaal misbruik is, en dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om een tegenbewijs te leveren. Er wordt ook uitgelegd wat de gevolgen zijn indien dat tegenbewijs niet wordt geleverd.
Minister van Financiën Steven Vanackere had tijdens de bespreking in het Parlement reeds aangegeven dat de omzendbrief geen concrete voorbeelden zou bevatten van fiscaal misbruik. Het is immers een algemene regel. De rechtsleer en de rechtspraak zal zich daaromtrent nog moeten ontwikkelen. Zo wordt evenmin ingegaan op het feit of bijvoorbeeld managementvennootschappen al dan niet een fiscaal misbruik vormen. Op zich zijn die vennootschappen niet verboden, maar het is niet uitgesloten dat de administratie op grond van feitelijke omstandigheden het bewijs levert dat er fiscaal misbruik is. Uiteraard kan de belastingplichtige steeds het tegenbewijs leveren wanneer dit niet het geval is. 
 
De rechtszekerheid van de belastingplichtige wordt niet in het gedrang gebracht. In deze circulaire wordt er ook duidelijk gesteld welke rol de Dienst voor Voorafgaande beslissingen heeft in deze materie. De belastingplichtige kan nog altijd  een rechtshandeling aan het oordeel van deze dienst voorleggen. Een voorafgaand akkoord van die dienst bindt immers de administratie, op voorwaarde dat alle elementen van het akkoord ook zijn nagekomen.
 
Voor de tekst van de omzendbrief, doorklikken hier.

Met bijzondere dank aan Erenotaris Bruno Indekeu voor de samenstelling van deze bijdrage
 
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 13/05/2012 - 14:25
Laatst aangepast op: zo, 13/05/2012 - 14:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.