fraus omnia corrumpit
bedrog vernietigt alles Sinds het cassatiearrest van 6 november 2002 vindt het rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit ook toepassing inzake delictuele aansprakelijkheid. zie ook eigen fout van het slachtoffer Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit verbiedt dat de auteur van een opzettelijk misdrijf een vermindering kan bekomen van de schadevergoeding omdat het slachtoffer zelf nalatig is geweest.
|
![]() |
Op grond van het beginsel «fraus omnia corrumpit» kan men zich nooit op zijn bedrog beroepen, noch in contractuele noch in buitencontractuele verhoudingen, om de toepassing van een rechtsregel in zijn voordeel te rechtvaardigen. (A. VAN OEVELEN, «Algemene rechtsbeginselen in het verbintenissen- en contractenrecht» in M. VAN HOECKE (red.), Algemene Rechtsbeginselen, Antwerpen, Kluwer, 1991, 137; B. WEYTS, «Fraus omnia corrumpit in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht: geen aansprakelijkheidsverdeling in geval van opzet», RW 2002-03, p. 1631, nr. 7.)
Dit beginsel heeft een algemene gelding in het verbintenissenrecht en vindt niet alleen toepassing bij de totstandkoming van de verbintenis, maar ook bij de uitvoering of de uitdoving ervan. (W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, 82.)
Op die wijze vormt bedrog een uitzondering op alle rechtsregels. (H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, I, Brussel, Bruylant, 1962, p. 72, nr. 55; TERLINDEN, conclusie voor Cass. 10 juni 1909, Pas. 1909, I, 306.)
De rechtsgevolgen die een rechtssubject met zijn handelingen nastreeft, indien hij aan een ander opzettelijk schade wil berokkenen, worden door het bedrog ongedaan gemaakt. (L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, p. 299, nr. 244.)
Toepassingsvoorwaarden (cumulatief)
1. Obectief criterium: Degene tegen wie het beginsel wordt ingeroepen door een foutieve gedraging (handeling of onthouding) een afbreuk hebben gedaan aan de rechten van andere partijen of van derden (objectief criterium). (L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, 300; P. VAN OMMESLAGHE, «Un principe général du droit: fraus omnia corrumpit» in Liber amicorum Paul Martens, Brussel, Larcier, 2007, 608.) Een loutere schending van de rechten van een ander is hierbij onvoldoende. De gedraging moet dus foutief zijn en kan bestaan uit een schending van een wettelijke bepaling of een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm. (X. DIEUX, «Développements de la maxime «Fraus omnia corrumpit» dans la jurisprudence de la cour de cassation de Belgique» in P.A. FORIERS (red.), Actualité du droit des obligations, Brussel, Bruylant, 2005, 143-144.)
2. Subjectief criterium: Deze gedraging dient als bedrieglijk te kunnen worden aangemerkt ( P. VAN OMMESLAGHE, «Un principe général du droit: fraus omnia corrumpit» in Liber amicorum Paul Martens, 608). Dit impliceert dat de schadeveroorzaker met opzet schade moet willen toebrengen aan een ander, zonder dat het vereist is dat deze schade zich ook daadwerkelijk heeft voorgedaan en waarbij aldus de bedoeling om te schaden bewezen is. (L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, p. 300-301, nr. 245.)
In een arrest van 3 oktober 1997 heeft het Hof van Cassatie het vereiste van bedrog algemeen gedefinieerd: «overwegende dat de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel «fraus omnia corrumpit» het bestaan van bedrog veronderstelt; dat bedrog kwaadwilligheid, opzettelijke misleiding en oneerlijkheid met de bedoeling te schaden of winst te behalen, inhoudt». (Cass. 3 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 918, Pas. 1997, I, 962. Zie ook: A. BOSSUYT, «Hoofdstuk IV – Algemene rechtsbeginselen» in Jaarverslag van het Hof van Cassatie van België 2003, 126. Zie reeds: J. VELU, conclusie voor Cass. 13 juni 1985, Pas. 1985, I, 1300; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, I, p. 72, nr. 55.).
Het Hof van Cassatie lijkt bij arrest van 6 november 2002 de toepassing van het beginsel «fraus omnia corrumpit» in buitencontractuele aangelegenheden uit te breiden tot alle opzettelijke fouten. (Cass. 6 november 2002, Arr.Cass. 2002, 2383, Pas. 2002, I, 2103, JLMB 2003, 808, JT 2003, 310, met conclusie van advocaat- generaal SPREUTELS, RCJB 2004, 267, noot F. GLANSDORFF, RGAR 2003, 13.719, RW 2002-03, 1629, noot B. WEYTS, T. Verz. 2003, 815, noot P. GRAULUS. Zie hierover: X. DIEUX, «Développements de la maxime «fraus omnia corrumpit» dans la jurisprudence de la Cour de Cassation de Belgique» in P.A. FORIERS (red.), Actualité du droit des obligations, Brussel, Bruylant, 2005, 151; P. VAN OMMESLAGHE, «Un principe général du droit: fraus omnia corrumpit» in Liber amicorum Paul Martens, 611.) Aldus wordt het principe toegepast op elke vrijwillige tekortkoming aan een verbintenis, waarbij het rechtssubject zich bewust was of diende te zijn van de schade die hieruit zou ontstaan en desondanks zijn foutief gedrag heeft voortgezet. Weze opgemerkt dat deze uitbreiding betwist wordt in de rechtsleer. (L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, p. 300, nr. 245; J. KIRKPATRICK, «La maxime fraus omnia corrumpit et la réparation du dommage causé par un délit intentionnel en concours avec une faute involontaire de la victime», JT 2003, p. 576, nr. 10).
De toepassing van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit veronderstelt het bestaan van bedrog, dat kwaadwilligheid, opzettelijke misleiding en oneerlijkheid met de bedoeling te schaden of winst te behalen, inhoudt. (Cass. 9 oktober 2007)
Cass. 6 november 2002, P.01.1108.F met conclusie van advocaat-generaal Spreutels; 3 oktober 1997, A.C. 1997, nr. 386
Wanneer bedrog een invloed heeft gehad op de wilsovereenstemming kan de partij die bedrog heeft gepleegd de onvoorzichtigheid of nalatigheid van zijn medecontractant niet tegenwerpen. De partij die het bedrog heeft gepleegd moet niettegenstaande bedoelde onvoorzichtigheid of nalatigheid, alle schadelijke gevolgen van de bedrogene vergoeden.
Cass. 16 juni 1987, A.C. 1986-87, nr.
627; 29 mei 1980, A.C. 1979-80, nr. 612
Wanneer blijkens de onaantastbare vaststellingen van de rechter, het bedrog tot de toestemming heeft geleid, kan de
onvoorzichtigheid of zelfs grove en onverschoonbare nalatigheid van het slachtoffer van het bedrog door de medecontractant niet worden ingeroepen. Deze onvoorzichtigheid of nalatigheid heeft niet tot gevolg dat het bedrog op zijn beurt verschoond zou worden en geen aanleiding zou kunnen geven tot vernietiging van de overeenkomst of tot schadevergoeding
Zie ook Cass. 23 september 1977, A.C. 1978, 107 met conclusie van advocaat-generaal Krings (); Claeys Boúúaert, P., o.c., 991; Kirkpatrick, J., Larticle 1080 du Code Judiciaire et les moyens de cassation pris de la violation dun
principe général de droit, 629.
Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit staat eraan in de weg dat bedrog of oneerlijkheid de dader voordeel verschaft. Het sluit uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf aanspraak kan maken op een verdeling van de aansprakelijkheid omwille van een fout van het slachtoffer.
De toepassing van deze uitzonderingsregel, waarbij omwille van voormeld algemeen rechtsbeginsel van de principiële causaliteitsregel wordt afgeweken, kan onmogelijk een tegenstrijdigheid in de toepassing van deze causaliteitsregel tot gevolg hebben.
Toepassing Cass. 19 maart 2004: Een bedrieglijke akte kan ingevolge het algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit" aan derden noch aan de partijen worden tegengeworpen; laatstgenoemden kunnen weigeren aan een dergelijke akte uitwerking te verlenen en de schuldenaar beletten het door hem beoogde, verboden resultaat te bereiken, daartoe hoeft zelfs geen pauliaanse rechtsvordering op grond van art. 1167 B.W. te worden ingesteld (1). (1) Zie cass., 3 okt. 1997, AR C.96.0318.F, nr 386; 6 nov. 2002, AR P.01.1108.F, nr ... en concl. adv.-gen. Spreutels.
uittreksel uit het voormelde arrest: "Overwegende dat een bedrieglijke akte krachtens het algemeen rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit" aan derden noch aan de partijen kan worden tegengeworpen ; dat laatstgenoemden, ook zonder dat een pauliaanse rechtsvordering op grond van artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek is ingesteld, kunnen weigeren aan een dergelijke akte uitwerking te verlenen en de schuldenaar kunnen beletten het door hem beoogde, verboden resultaat te bereiken ;
Overwegende dat het arrest oordeelt dat dokter R. eiseres alleen heeft opgericht om de door hem verschuldigde belasting te ontduiken en te ontkomen aan de gevolgen van het derdenbeslag dat verweerder in handen van verweerster heeft gelegd ;
Dat het aldus zijn beslissing naar recht verantwoordt volgens welke verweerster schuldenaar bleef van dokter R. en zij het bedrag van het honorarium dat tussen dokter R. en de administratie van de belastingen was overeengekomen, geldig aan verweerder heeft betaald, ter uitvoering van het derdenbeslag dat hij had gelegd ;
Overwegende dat de grief van schending van artikel 215 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 volledig is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van de andere in het middel aangewezen wetsbepalingen ;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;" Voor toelichting bij dit arrest klik hier
| Rechtsleer: Weyts B..- Fraus omnia corrumpit in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht: geen aansprakelijkheidsverdeling in geval van opzet.- In: Rechtskundig weekblad, (2002/2003), p. 1629-1632.- Noot onder Cass. 6 november 2002 |
![]() |
Cassatie 6 november 2007, RW 2007-2008, 1716 met noot.
Het algemeen rechtsbeginsel «Fraus omnia corrumpit» verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen. Dit beginsel sluit uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf, dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang brengt, aanspraak kan maken op een vermindering van de aan de getroffene van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen, wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die deze zou hebben begaan.
Daartoe is vereist dat de handeling werd gesteld met de bedoeling schade te berokkenen.
zie NOOT onder Hof van Cassatie, 2e Kamer 6 november 2007, RW 2007-2008, 1716 De toepassing van Fraus omnia corrumpit bij een samenloop van aansprakelijkheden volgens het Hof van Cassatie: de bedoeling tot het berokkenen van schade is vereist ook
Toepassing van het principe fraus omnia corrumpit en de verjaring zie Sophie Stijns, Rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring, RW 2010-2011, 1538: voor samenvatting zie deze link
Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit verbiedt elk bedrog of oneerlijkheid met het oogmerk om te schaden of winst te behalen. Het sluit niet in alle gevallen uit dat degene die een opzettelijke fout begaat onrechtstreeks voordeel kan halen uit die fout op grond van de wet of van de clausules in de overeenkomst.
Zie Cassatie 3 maart 201, RW 2012-2013, 1097 met A.Lenaerrts, Lessen uit het verzekeringsrecht voor de rechtsgevolgen van Fraus omnia corrumpit: kan de dader een onrechtstreeks voordeel halen uit zijn bedrieglijke fout? met talrijke verdere verwijzingen:
Tekst arrest:
AR nr. C.07.0312.F
NV S.L.B. t/ M.A. e.a.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 november 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.
...
III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
De vier onderdelen samen
Het arrest stelt met overneming van de redenen van de eerste rechter vast dat wijlen de echtgenoot van de eerste verweerster, C.D., “in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer op 14 november 1986 en 17 november 1986 twee levensverzekeringspolissen [heeft] afgesloten [...] bij [de rechtsvoorganger van de eiseres]”, “dat [de polissen] een kapitaal verzekeren bij overlijden en bij leven van D.”, “dat art. 9 van de algemene polisvoorwaarden met name bepaalt dat “behoudens andersluidend beding, de door de overeenkomst verzekerde sommen zullen toekomen: ... in geval van overlijden van de verzekerde: aan diens echtgenoot””, “dat op de dag van het verlijden van de akte van hypothecaire lening, namelijk op 24 november 1986, twee bijvoegsels bij voormelde polissen zullen worden opgemaakt die beide onder meer de volgende vermeldingen bevatten: “de ondergetekende verklaart de dekking [van de verzekeringsovereenkomst] [...] af te staan en [...] over te dragen aan de [rechtsvoorganger van de eiseres] die aanvaardt tot beloop van de bedragen die hij hem verschuldigd mocht zijn op de dag waarop het verzekerde kapitaal opeisbaar wordt. Het eventuele overschot komt toe aan de begunstigden die in de overeenkomst zijn aangewezen””. Op eigen gronden stelt het vast dat “de correctionele rechtbank bij vonnis van 24 juni 1999 de telastlegging van opzettelijk doden van D. met het oogmerk om te doden bewezen verklaart ten laste van [de eerste verweerster]”.
Het stelt vast, enerzijds, dat C.D. tegelijkertijd verzekeringnemer en verzekerde was, terwijl de eiseres en de eerste verweerster alleen begunstigden waren van het verzekerde kapitaal en, anderzijds, dat het overlijden van de verzekerde is veroorzaakt door de opzettelijke daad van één van die begunstigden.
Het arrest dat art. 3, vierde lid van de algemene voorwaarden van de levensverzekeringspolis uitlegt in de zin dat alleen de bij de opzettelijke daad betrokken begunstigde de dekking van de verzekering verliest en dat beslist dat genoemd vervalbeding geldig is, houdt geen schending in van art. 16 van de wet van 11 juni 1874 op de verzekeringen volgens welk geen verlies of schade veroorzaakt door de daad of door de zware fout van de verzekerde ten laste van de verzekeraar valt, en zulks ongeacht het tijdstip dat het arrest in aanmerking genomen heeft om het begrip openbare orde te beoordelen.
Geen van de onderdelen kan worden aangenomen.
Tweede middel
Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit verbiedt elk bedrog of oneerlijkheid met het oogmerk om te schaden of winst te behalen. Het sluit niet in alle gevallen uit dat degene die een opzettelijke fout begaat onrechtstreeks voordeel kan halen uit die fout op grond van de wet of van de clausules in de overeenkomst.
Het arrest stelt vast dat de eerste verweerster bij de eiseres een lening heeft aangegaan, dat zij bij diezelfde maatschappij een levensverzekeringsovereenkomst heeft gesloten teneinde de terugbetaling ervan te verzekeren bij het overlijden van C.D., en dat zij is veroordeeld wegens opzettelijke doodslag op de persoon van laatstgenoemde.
Het beslist dat de eerste verweerster niet langer recht heeft op de dekking van de levensverzekering maar dat de eiseres die wel blijft genieten.
Het oordeelt dat “niet bedrog of oneerlijkheid met de bedoeling schade te berokkenen aan [de eiseres] de reden was waarom de schuld van de [de eerste verweerster] is tenietgegaan, maar de wettelijke toepassing van de regels inzake schuldvergelijking na de uitvoering van contractuele bepalingen waarvan hierboven is gepreciseerd dat zij niet in strijd waren met de openbare orde”.
Het verantwoordt aldus naar recht de beslissing dat de eerste verweerster ontslagen is van haar verplichting tot terugbetaling van het aan de eiseres ontleende kapitaal.
Het middel kan niet worden aangenomen.
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Link rubrieken:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
- Topics:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.


