gerechtelijke termijnen
termijnen worden berekend:
1° van dag tot dag ;
2° dies a quo non computatur in termino dag die de termijn doet ingaan telt niet mee ;
3° dies ad quem computatur in termino : laatste dag van de termijn wordt wel meegerekend.
Uitzondering : zo de termijn eindigt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag : automatisch verlenging tot de eerst nuttige werkdag. Opm voor bepaalde termijnen geldt deze uitzondering niet.
De wijze van berekening wordt toegelicht in art. 54 Ger. W.
De termijn wordt berekend men een maand of jaar?
Van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste van de volgende maand of jaar, steeds volgens de Gregoriaanse kalender.
Let wel:
bij de termijnen dient men ook rekening te houden met de openingsuren van de griffie die van griffie tot griffie verschillen en met de tijdstippen waarop tot betekening kan worden overgegaan:niet vóór 06.00u s morgens en niet na 21u.., niet op zaterdag, zondag of wettelijke feestdag.
Bij hoogdringende zaken kan een voorzitter in kort geding en soms een andere rechter zelfs in zijn woning (dus zelfs thuis) gevat worden. Alsdan zal in de beschikking van de magistraat die ten huize verleend wordt toelating moeten gevraagd worden om de gerechtsdeurwaarder te laten optreden op zaterdag, zondag en na de gewone uren.
Verlenging van de termijnen:voor betekeningen in het buitenland :
Aangrenzend land in Europa : + 15 dagen
Niet-aangrenzend land in Europa : + 30 dagen
Landen buiten Europa : + 80 dagen
Termijnen en de datering-overhandiging-ontvangst van brieven
Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend :
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.
uittreksel uit het gerechtelijk wetboek
Rechtspraak:
Termijnen om een rechtsmiddel in te stellen - vonnis betekend in het buitenland De termijn om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis dat op verschillende wijzen in het buitenland wordt betekend, neemt aanvang vanaf de eerst geldige betekening.
Zie Hof van Beroep te Gent, 7e Kamer 12 mei 2007, RW 2008-2009, 72
...
Beoordeling
7. Uit de stukken blijkt dat geïntimeerde het bestreden vonnis aan appellante heeft laten betekenen
overeenkomstig art. 14 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken,
en
overeenkomstig art. 4 tot 11 van diezelfde Verordening.
De betekening overeenkomstig voormeld art. 14 werd per aangetekende brief met kennisgeving van ontvangst door de optredende gerechtsdeurwaarder verricht op het postkantoor te Kortrijk op 31 maart 2006.
Uit de stukken blijkt dat appellante voormelde aangetekende brief, die zij zoals in de beroepsakte uitdrukkelijk bevestigd zelf als een betekening van het bestreden vonnis bestempelt, op 4 april 2006 in ontvangst heeft genomen.
De door geïntimeerde voorgelegde roze antwoordkaart en het door appellante voorgelegde stuk dat zij zelfs omschrijft als het «Bewijs van de Spaanse post in verband met de ontvangst van het vonnis door appellante op 4 april 2006» laten hieromtrent niet de minste twijfel bestaan.
De betekening overeenkomstig art. 4 tot 11 van de voormelde Verordening vond plaats op 8 juni 2006, zoals blijkt uit het door de bevoegde Spaanse overheid afgeleverde certificaat van betekening of kennisgeving (art. 10 Verordening (EG) nr. 1348/2000).
8. Appellante, die de rechtsgeldigheid van beide voormelde wijzen van betekening niet betwist, houdt primair staande dat haar beroep tijdig is ingesteld, omdat de betekening overeenkomstig art. 4 tot 11 van de voormelde Verordening op 8 juni 2006 plaatsvond.
Het is het Hof niet duidelijk waarom appellante aanvoert dat deze betekening zou hebben plaatsgevonden met toepassing van art. 57.4 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in handelszaken.
Uit de stukken blijkt immers ontegensprekelijk dat voor deze betekening enkel toepassing werd gemaakt van voormelde Verordening nr. 1348/2000 van 29 mei 2000.
Subsidiair, ook wanneer de betekening per aangetekende brief met kennisgeving van ontvangst in aanmerking zou worden genomen, is appellante van oordeel dat haar beroep tijdig werd ingesteld, uitgaande van de datum waarop zij deze betekening per aangetekende brief heeft ontvangen, zijnde 4 april 2006.
9. Appellante kan in deze argumentatie niet worden gevolgd. In het geval waarin het bestreden vonnis op verschillende wijzen in het buitenland wordt betekend, neemt de termijn om hoger beroep in te stellen een aanvang vanaf de eerst geldige betekening (Antwerpen 9 januari 2001, P.&B. 2002, 329; Antwerpen 7 juni 1999, A.J.T. 2000-01, 301; Brussel 8 november 1994, P.&B. 1995, 89).
Daar appellante, zoals voormeld, de rechtsgeldigheid van de beide betekeningswijzen niet betwist, doet de eerste en overeenkomstig art. 14 van de Verordening nr. 1348/2000 verrichte betekening de beroepstermijn lopen en is dan ook enkel deze betekening relevant voor de beoordeling van de vraag of appellante op 6 juni 2006 al dan niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
De betwisting of deze betekening heeft plaatsgevonden op 31 maart 2006 datum van afgifte aan de postdiensten dan wel op 4 april 2006 datum van ontvangst komt niet relevant voor, zodat daarop niet verder dient te worden ingegaan.
Zelfs wanneer 4 april 2006 als datum van betekening in aanmerking wordt genomen, is het door appellante op 6 juni 2006 ingestelde hoger beroep te laat ingesteld.
Overeenkomstig art. 1051 Ger. W. is de termijn om hoger beroep aan te tekenen bepaald op één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, welke termijn overeenkomstig art. 55 Ger. W. voor appellante met dertig dagen wordt verlengd.
Voorts bepaalt art. 52 Ger. W. dat een termijn wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte welke hem doet ingaan en schrijft art. 54 Ger. W. voor dat een in maanden of jaren bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.
In casu, uitgaande van de voor appellante meest gunstige hypothese, nam de door art. 1051 Ger. W. bepaalde beroepstermijn van één maand dan ook een aanvang op 5 april 2006 en was 4 mei 2006 de laatst nuttige dag om hoger beroep in te stellen.
Ingevolge de voormelde verlenging met dertig dagen was 3 juni 2006 de laatst nuttige datum om hoger beroep in te stellen.
Omdat 3 juni 2006 evenwel een zaterdag was, diende deze vervaldag overeenkomstig art. 53 Ger. W. te worden verplaatst naar de eerstvolgende werkdag, zijnde maandag 5 juni 2006.
Het door appellante pas op 6 juni 2006 ingestelde hoger beroep is dan ook te laat ingesteld en is bijgevolg niet toelaatbaar.
- Doelgroep:
- Elfricon trefzinnen:
- Rechtstakken:
- Kernwoorden:
- Soort link:
- Status homepage:
- Toepassingsgebied:
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.
