Goederen en eigendom
|
Standwetgeving per 03/06/05 |
onderscheid van de goederen onbeheerde goederen openbaar domein eigendom natrekking medeëigendom vruchtgebruik erfdienstbaarheden |
BOEK II. - GOEDEREN EN VERSCHILLENDE
BEPERKINGEN VAN DE EIGENDOM.
TITEL I. - ONDERSCHEIDING VAN DE GOEDEREN.
Artikel. 516. Alle goederen zijn roerend of onroerend.
HOOFDSTUK I. - ONROERENDE GOEDEREN.
Art. 517. Goederen zijn onroerend, of uit hun aard, of door hun
bestemming, of door het voorwerp waarop zij betrekking hebben.
Art. 518. Onroerend uit hun aard zijn gronderven en gebouwen.
Art. 519. Onroerend uit hun aard zijn ook windmolens of watermolens
die op palen staan en van het gebouw deel uitmaken.
Art. 520. Wortelvaste veldvruchten en onafgeplukte boomvruchten zijn
eveneens onroerend.
Zodra het graan is afgemaaid en de vruchten zijn afgescheiden, zijn
zij roerend, ook al zijn zij nog niet weggehaald.
Indien slechts een gedeelte van de oogst is afgemaaid, is alleen dit
gedeelte roerend.
Art. 521. De gewone hak van schaarbossen of van hoogstammig hout dat
aan geregelde kappingen is onderworpen, wordt maar roerend naarmate
de bomen geveld worden.
Art. 522. Dieren die de eigenaar van het erf aan de pachter of aan
de deelpachter voor de landbouw aflevert, al dan niet geschat,
worden voor onroerend gehouden zolang zij uit kracht van de
overeenkomst aan het erf verbonden blijven.
Dieren die hij in veepacht geeft aan anderen dan de pachter of de
deelpachter, zijn roerend.
Art. 523. Buizen, dienende voor de waterleiding in een huis of op
een ander erf, zijn onroerend en maken deel uit van het erf waaraan
zij verbonden zijn.
Art. 524. Voorwerpen die de eigenaar van een erf voor de dienst en
de exploitatie van dat erf daarop geplaatst heeft, zijn onroerend
door bestemming.
Zo zijn de navolgende voorwerpen onroerend door bestemming, wanneer
de eigenaar deze geplaatst heeft voor de dienst en de exploitatie
van het erf :
De aan het landbouwbedrijf verbonden dieren;
Het landbouwgereedschap;
De aan de pachters of deelpachters gegeven zaden;
De duiven van de duiventillen;
De konijnen van de konijnenwaranden;
De bijenkorven;
De vissen van de vijvers;
De persen, ketels, distilleerkolven, kuipen en tonnen;
Het gereedschap dat nodig is voor de exploitatie van smederijen,
papierfabrieken en andere fabrieken;
Stro en mest.
Onroerend door bestemming zijn ook alle roerende voorwerpen die de
eigenaar blijvend aan het erf verbonden heeft.
Art. 525. De eigenaar wordt geacht roerende voorwerpen blijvend aan
zijn erf verbonden te hebben, wanneer zij daaraan met gips, kalk of
cement zijn bevestigd, of wanneer men deze voorwerpen niet kan
losmaken zonder die zelf of het gedeelte van het erf waaraan zij
verbonden zijn, te breken of te beschadigen.
Spiegels van een vertrek worden geacht blijvend geplaatst te zijn,
wanneer het houtwerk waaraan zij verbonden zijn, van het beschot
deel uitmaakt.
Hetzelfde geldt voor schilderijen en andere sieraden.
Beelden zijn onroerend wanneer zij geplaatst zijn in een opzettelijk
daarvoor gemaakte nis, al kunnen zij weggenomen worden zonder breken
of beschadigen.
Art. 526. Onroerend door het voorwerp waarop zij betrekking hebben,
zijn :
Het vruchtgebruik van onroerende goederen;
Erfdienstbaarheden of grondlasten;
Rechtsvorderingen die strekken tot het opeisen van een onroerend
goed.
HOOFDSTUK II. - ROERENDE GOEDEREN.
Art. 527. Goederen zijn roerend uit hun aard of door wetsbepaling.
Art. 528. Roerend uit hun aard zijn verplaatsbare zaken, zowel die
welke zich zelf bewegen, zoals dieren, als die welke slechts van
plaats kunnen veranderen door de werking van een vreemde kracht,
zoals levenloze dingen.
Art. 529. Roerend door wetsbepaling zijn verbintenissen en
vorderingen die opeisbare geldsommen of roerende goederen betreffen,
aandelen of belangen in maatschappijen van geldhandel, koophandel of
nijverheid, ook wanneer onroerende goederen, tot die ondernemingen
betrekking hebbende, aan de maatschappijen toebehoren. Die aandelen
of behangen worden slechts ten opzichte van ieder der deelgenoten
geacht roerend te zijn, zolang de maatschappij duurt.
Ook roerend door wetsbepaling zijn altijddurende renten of
lijfrenten, hetzij ten laste van de Staat, hetzij ten laste van
bijzondere personen.
Art. 530. Elke altijddurende rente, gevestigd als koopprijs van een
onroerend goed of als voorwaarde voor de overdracht van een
onroerend goed onder bezwarende titel of om niet, is essentieel
aflosbaar.
Het staat echter de schuldeiser vrij de bedingen en voorwaarden van
de aflossing te bepalen.
Het is hem ook geoorloofd te bepalen dat de rente hem niet zal
kunnen worden terugbetaald dan na een zekere termijn, die nooit
dertig jaren mag overschrijden; elk hiermee strijdig beding is
nietig.
Art. 531. Vaartuigen, ponten, schepen, molens en badinrichtingen op
vaartuigen, en in het algemeen alle nijverheidsinrichtingen die niet
door palen bevestigd zijn en van het huis geen deel uitmaken, zijn
roerend; beslag op sommige van die voorwerpen kan nochtans, uit
hoofde van hun belangrijkheid, onderworpen worden aan bijzondere
vormen, zoals in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader
bepaald zal worden.
Art. 532. De bouwstoffen die van de afbraak van een gebouw
voortkomen of die zijn bijeengebracht om een nieuw gebouw op te
trekken, zijn roerend totdat zij door arbeiders in een gebouw zijn
verwerkt.
Art. 533. Onder het woord inboedel, in een wetsbepaling of een
beschikking van de mens, alleen en zonder enige toevoeging of
aanwijzing gebruikt, zijn niet begrepen gereed geld, edelgesteenten,
inschulden, boeken, gedenkpenningen, werktuigen voor wetenschappen,
kunsten en ambachten, lijflinnen, paarden, rijtuigen, wapens,
granen, wijnen, hooi en andere waren; het bevat ook niet wat het
voorwerp van een handel uitmaakt.
Art. 534. Onder het woord huisraad zijn alleen begrepen de meubelen,
die dienen tot gebruik en versiering van de vertrekken zoals
behangsels, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porselein
en andere voorwerpen van dien aard.
Eveneens zijn daaronder begrepen de schilderijen en de beelden die
van de inboedel van een vertrek deel uitmaken, doch niet de
verzamelingen van schilderijen die in bijzondere galerijen of
vertrekken mochten zijn geplaatst.
Hetzelfde geldt voor porselein : alleen het porselein dat van de
versiering van een vertrek deel uitmaakt, is onder de benaming
huisraad begrepen.
Art. 535. Onder de uitdrukking roerende goederen en onder de
uitdrukking roerende voorwerpen of roerende zaken wordt in het
algemeen begrepen alles wat voor roerend wordt gehouden volgens de
hierboven vastgestelde regels.
De verkoop of de schenking van een gemeubileerd huis omvat alleen
het huisraad.
Art. 536. De verkoop of de schenking van een huis, met alles wat
zich daarin bevindt, omvat niet het gereed geld, noch de inschulden
of andere rechten waarvan de titels in het huis mochten zijn
neergelegd; alle andere roerende zaken zijn daarin begrepen.
HOOFDSTUK III. - GOEDEREN MET BETREKKING TOT HUN BEZITTERS.
Art. 537. Bijzondere personen beschikken vrij over de hun
toebehorende goederen, behoudens de door de wetten gestelde
beperkingen.
Goederen die niet aan bijzondere personen toebehoren, worden beheerd
en kunnen alleen worden vervreemd met inachtneming van de vormen en
overeenkomstig de regels die daarvoor in het bijzonder bepaald zijn.
Art. 538. De wegen, banen en straten die ten laste zijn van de
Staat, de bevaarbare of vlotbare stromen en rivieren, de stranden,
aanwassen en gorzingen van de zee, de havens, ook getijhavens, de
reden en, in het algemeen, alle gedeelten van het Belgisch
grondgebied die niet vatbaar zijn voor bijzondere eigendom, worden
beschouwd als behorend tot het openbaar domein.
Art. 539. Alle goederen die onbeheerd
zijn en geen eigenaar hebben, alsook de goederen van personen
die zonder erfgenamen overlijden of wier erfenis is verlaten,
behoren tot het openbaar domein.
Art. 540. Poorten, muren, grachten, wallen van versterkte plaatsen
en van vestigingen maken ook deel uit van het openbaar domein.
Art. 541. Hetzelfde geldt voor de gronden, vestingwerken en wallen
van plaatsen die geen versterkte plaatsen meer zijn : zij behoren
toe aan de Staat, behalve indien zij op geldige wijze vervreemd zijn
of de eigendom ervan tegen de Staat verjaard is.
Art. 542. Gemeentegoederen zijn die waarop de inwoners van een of
meer gemeenten een verkregen recht van eigendom of van genot hebben.
Art. 543. _ Men kan op de goederen, of een recht van eigendom, of
enkel een recht van genot, of enkel een recht van erfdienstbaarheid
hebben.
TITEL II. - EIGENDOM.
Art. 544. Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van
een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er
geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de
verordeningen.
Art. 545. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>
Art. 546. De eigendom van een roerende of een onroerende zaak geeft
recht op al wat zij voortbrengt en op hetgeen, hetzij natuurlijk,
hetzij kunstmatig, als bijzaak ermee verenigd wordt.
Dit recht wordt recht van natrekking genoemd.
HOOFDSTUK I. - RECHT VAN NATREKKING OP
HETGEEN DOOR EEN ZAAK WORDT VOORTGEBRACHT.
Art. 547. De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid van
de grond,
De burgerlijke vruchten,
De jongen van de dieren,
behoren de eigenaar toe door recht van natrekking.
Art. 548. De door een zaak voortgebrachte vruchten behoren de
eigenaar slechts toe onder verplichting om de door derden gemaakte
kosten van het beploegen, bewerken en bezaaien te vergoeden.
Art. 549. Hij die enkel het bezit heeft van een zaak, behoudt de
vruchten slechts voor zich, ingeval hij te goeder trouw bezit; in
het tegenovergestelde geval is hij gehouden de voortbrengsels, samen
met de zaak, terug te geven aan de eigenaar die de zaak opeist.
Art. 550. De bezitter is te goeder trouw, wanneer hij bezit als
eigenaar, krachtens een titel van eigendomsoverdracht waarvan hij de
gebreken niet kent.
Hij houdt op te goeder trouw te zijn, zodra die gebreken hem bekend
zijn.
HOOFDSTUK II. - RECHT VAN NATREKKING OP HETGEEN MET DE ZAAK VERENIGD
WORDT EN EEN LICHAAM ERMEE UITMAAKT.
Art. 551. Alles wat met de zaak verenigd wordt en één lichaam ermee
uitmaakt, behoort de eigenaar toe, volgens de hierna gestelde
regels.
AFDELING I. - RECHT VAN NATREKKING BETREFFENDE ONROERENDE ZAKEN.
Art. 552. De eigendom van de grond bevat in zich de eigendom van
hetgeen op en onder de grond is.
De eigenaar mag op de grond naar goeddunken planten en bouwen,
behoudens de in de titel Erfdienstbaarheden of grondlasten gestelde
uitzonderingen.
Onder de grond mag hij naar goeddunken bouwen en graven en uit die
gravingen alle voortbrengsels halen die zij kunnen opleveren,
behoudens de beperkingen voortvloeiende uit de wetten en
verordeningen betreffende de mijnen en uit de wetten en
verordeningen van politie.
Art. 553. Alle gebouwen, beplantingen en werken op of onder de grond
van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten, te
zijn tot stand gebracht en hem toe te behoren, tenzij het
tegenovergestelde bewezen is; onverminderd de eigendom die een derde
door verjaring mocht verkrijgen of hebben verkregen, hetzij van een
ondergrondse ruimte onder eens anders gebouw, hetzij van enig ander
gedeelte van het gebouw.
Art. 554. De eigenaar van de grond, die gebouwen, beplantingen en
werken met hem niet toebehorende materialen heeft tot stand
gebracht, moet de waarde van deze materialen betalen; hij kan ook
tot schadevergoeding worden veroordeeld indien daartoe reden is;
maar de eigenaar van de materialen heeft niet het recht ze weg te
nemen.
Art. 555. Indien de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand
gebracht door een derde met zijn eigen materialen, heeft de eigenaar
van het erf het recht die voor zich te behouden, ofwel de derde te
verplichten ze weg te nemen.
Indien de eigenaar van het erf de wegruiming vordert van de
beplantingen en gebouwen, geschiedt deze op kosten van degene door
wie zij zijn tot stand gebracht, zonder enige vergoeding voor hem;
hij kan zelfs, indien daartoe reden is, veroordeeld worden tot
schadevergoeding wegens het nadeel dat de eigenaar van het erf mocht
hebben geleden.
Indien de eigenaar verkiest die beplantingen en gebouwen te
behouden, moet hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon
vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der
waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt. Indien
echter de beplantingen, gebouwen en werken zijn tot stand gebracht
door een derde, onder wie het goed is uitgewonnen en die niet tot
teruggave van de vruchten is veroordeeld, daar hij te goeder trouw
was, dan kan de eigenaar de wegruiming van die werken, beplantingen
en gebouwen niet vorderen; maar hij heeft de keus om, ofwel de
waarde van de materialen en het arbeidsloon te vergoeden, ofwel een
bedrag te betalen dat gelijk is aan de door het erf verkregen
meerwaarde.
Art. 556. Aanslijkingen en aanwassen die langzamerhand en ongemerkt
ontstaan aan bij een stroom of rivier gelegen gronden, worden
aanspoelingen genoemd.
De aanspoeling komt ten goede aan de eigenaar van de oever,
onverschillig of het een stroom of een al dan niet bevaarbare of
vlotbare rivier betreft; in het eerste geval echter moet het voetpad
of jaagpad worden vrijgelaten, overeenkomstig de verordeningen.
Art. 557. Het voorafgaande is ook van toepassing op de droge
plaatsen die ontstaan wanneer het lopend water zich ongemerkt van
een van zijn oevers terugtrekt en zich naar de andere verplaatst; de
eigenaar van de drooggelopen oever heeft het voordeel van de
aanspoeling, zonder dat de eigenaar van de andere oever de grond die
hij verloren heeft, kan opeisen.
Zodanig recht bestaat niet ten aanzien van door de zee verlaten
gronden.
Art. 558. Aanspoeling bestaat niet ten aanzien van meren en vijvers
en de eigenaar daarvan behoudt steeds de grond die door het water
bedekt wordt, wanneer het tot zodanige hoogte is gekomen dat de
vijver zich daarvan ontlast, ofschoon ook de hoeveelheid van het
water naderhand weer afneemt.
Omgekeerd verkrijgt de eigenaar van de vijver geen recht op de aan
de oever gelegen gronden die door zijn water, bij buitengewone was,
overdekt worden.
Art. 559. Wanneer een stroom of een al dan niet bevaarbare rivier
door een plotseling geweld een aanzienlijk en herkenbaar stuk van
een aan de oever gelegen land afscheurt en aan een lager gelegen
land of aan de tegenoverliggende oever aanwerpt, kan de eigenaar van
het afgescheurde stuk zijn eigendom opeisen : hij is echter gehouden
zijn eis in te stellen binnen een jaar; na die termijn is hij
daartoe niet meer ontvankelijk, tenzij de eigenaar van het land
waarmee het afgescheurde stuk verenigd is, van dit stuk nog geen
bezit genomen heeft.
Art. 560. Eilanden, eilandjes en aanslijkingen die in de bedding van
stromen of van bevaarbare of vlotbare rivieren ontstaan, behoren toe
aan de Staat, tenzij er een daarmee strijdige titel of verjaring is.
Art. 561. Eilanden en aanslijkingen die in niet bevaarbare en niet
vlotbare rivieren ontstaan, behoren de eigenaars van de oevers toe,
aan de zijde waar het eiland zich gevormd heeft; indien het eiland
niet aan een enkele zijde is ontstaan, behoort het de eigenaars van
beide oevers toe, te rekenen van een lijn die verondersteld wordt in
het midden van de rivier te zijn getrokken.
Art. 562. Indien een rivier of een stroom, bij de vorming van een
nieuwe arm, het aan de oever gelegen land van een eigenaar afsnijdt
en omvat, en tot een eiland maakt, behoudt die eigenaar de eigendom
van zijn land, zelfs indien het eiland zich gevormd heeft in een
stroom of in een bevaarbare of vlotbare rivier.
Art. 563. Wanneer een stroom of een al dan niet bevaarbare of
vlotbare rivier een nieuwe loop aanneemt en zijn oude bedding
verlaat, verkrijgen de eigenaars van de overstroomde erven, als
vergoeding, de oude verlaten bedding, ieder naar evenredigheid van
de hoeveelheid grond die hij verloren heeft.
Art. 564. Duiven, konijnen, vissen, die naar een andere til, warande
of vijver overgaan, behoren de eigenaar van deze zaken toe, mits de
dieren niet door bedrog en list werden binnengelokt.
AFDELING II. - RECHT VAN NATREKKING BETREFFENDE ROERENDE ZAKEN.
Art. 565. Wanneer het recht van natrekking twee roerende zaken
betreft, die aan twee verschillende eigenaars toebehoren, is dat
recht geheel onderworpen aan de beginselen van de natuurlijke
billijkheid.
De volgende regels dienen de rechter tot voorbeeld, om hem in staat
te stellen in de niet voorziene gevallen volgens de bijzondere
omstandigheden te beslissen.
Art. 566. Wanneer twee aan verschillende eigenaars toebehorende
zaken, derwijze verenigd dat zij een geheel uitmaken, toch
gescheiden kunnen worden, zodat de ene zonder de andere kan bestaan,
behoort het geheel toe aan de eigenaar van de zaak die het
voornaamste gedeelte uitmaakt, onder verplichting om aan de andere
eigenaar de waarde van de zaak die met de eerste verenigd is, te
betalen.
Art. 567. Als het voornaamste gedeelte wordt beschouwd dat gedeelte
waarmee het andere enkel tot gebruik, versiering of aanvulling
verenigd is.
Art. 568. Wanneer echter de verenigde zaak veel kostbaarder is dan
de hoofdzaak en wanneer zij buiten weten van de eigenaar is
gebruikt, kan deze vorderen dat de verenigde zaak wordt afgescheiden
om hem teruggegeven te worden, zelfs indien enige beschadiging van
de zaak waarmee zij verenigd is, daarvan het gevolg zou kunnen zijn.
Art. 569. Indien van twee zaken die verenigd zijn om een geheel te
vormen, de ene niet voor de bijzaak van de andere kan worden
gehouden, wordt die welke in waarde, of, indien beider waarde
ongeveer gelijk is, in omvang de voornaamste is, als de hoofdzaak
beschouwd.
Art. 570. Indien een ambachtsman of enig ander persoon, om een zaak
van een nieuwe soort te vervaardigen, een hem niet toebehorende stof
heeft gebruikt, hetzij deze haar eerste vorm kan herkrijgen of niet,
heeft hij die eigenaar was van de stof, het recht de daaruit
vervaardigde zaak op te eisen, mits hij de waarde van het
arbeidsloon vergoedt.
Art. 571. Indien echter de arbeid van zoveel belang was dat hij de
waarde van de gebruikte stof ver overtreft, wordt de arbeid als de
hoofdzaak beschouwd, en heeft de arbeider het recht de bewerkte zaak
voor zich te behouden, mits hij de prijs van de stof aan de eigenaar
vergoedt.
Art. 572. Wanneer iemand, om een zaak van een nieuwe soort te
vervaardigen, gedeeltelijk een hem toebehorende stof en gedeeltelijk
een hem niet toebehorende stof heeft gebruikt, zonder dat een van
beide stoffen geheel vernietigd is, doch derwijze dat zij niet
zonder bezwaar kunnen worden gescheiden, is de zaak aan beide
eigenaars gemeen : voor de ene, naar evenredigheid van de stof die
hem toebehoorde, en voor de andere, naar evenredigheid zowel van de
stof die hem toebehoorde als van de waarde van zijn arbeid.
Art. 573. Wanneer een zaak vervaardigd is door vermenging van
verscheidene aan verschillende eigenaars toebehorende stoffen,
waarvan echter geen enkele als de hoofdstof kan worden beschouwd,
kan hij buiten wiens weten de stoffen vermengd werden, daarvan de
verdeling vorderen, indien zij gescheiden kunnen worden.
Indien de stoffen niet meer zonder bezwaar gescheiden kunnen worden,
verkrijgen de eigenaars gemeenschappelijk de eigendom van de zaak,
naar evenredigheid van de hoeveelheid, de hoedanigheid en de waarde
van de stoffen die aan ieder van hen toebehoorden.
Art. 574. Indien de aan een van de eigenaars toebehorende stof die
van de andere in hoeveelheid en prijs ver overtreft, kan de eigenaar
van de kostbaarder stof de uit de vermenging ontstane zaak opeisen,
mits hij aan de andere de waarde van zijn stof vergoedt.
Art. 575. Wanneer de zaak gemeen blijft aan de eigenaars van de
stoffen waaruit zij vervaardigd is, moet zij tot hun gemeen voordeel
geveild worden.
Art. 576. In alle gevallen waarin de eigenaar wiens stof, buiten
zijn weten, tot het vervaardigen van een zaak van een andere soort
is gebruikt, de eigendom kan opeisen van die zaak, heeft hij de keus
om, ofwel de teruggave van zijn stof, dezelfde in aard, hoeveelheid,
gewicht, maat en hoedanigheid, ofwel de waarde daarvan, te vorderen.
Art. 577. Hij die stoffen heeft gebruikt die aan anderen toebehoren
en buiten hun weten, kan ook, indien daartoe reden is, tot
schadevergoeding veroordeeld worden, onverminderd de
strafvervolging, indien het geval daartoe aanleiding geeft.
HOOFDSTUK III. - MEDEEIGENDOM.
AFDELING I. - (GEWONE MEDEEIGENDOM EN GEDWONGEN MEDEEIGENDOM IN HET
ALGEMEEN.) <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 1; Inwerkingtreding
: 01-08-1995>
Art. 577-2. <Ingevoegd bij W 08-07-1924, art. 1> (Voormalig artikel
577bis) § 1. Bij ontstentenis van overeenkomsten en van bijzondere
bepalingen, wordt de eigendom van een zaak die onverdeeld aan
verscheidene personen toebehoort, geregeld als volgt :
§ 2. De onverdeelde aandelen worden vermoed gelijk te zijn.
§ 3. De medeëigenaar heeft deel in de rechten en draagt bij in de
lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.
§ 4. De medeëigenaar kan over zijn aandeel beschikken en het met
zakelijke rechten bezwaren.
§ 5. De medeëigenaar heeft recht op het gebruik en het genot van de
gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zover
zulks met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is.
Daden tot behoud van het goed en daden van voorlopig beheer kan hij
wettig verrichten.
§ 6. Andere daden van beheer alsmede daden van beschikking moeten,
om geldig te zijn, met medewerking van alle medeëigenaars
geschieden. Evenwel kan een der medeëigenaars de overige noodzaken
deel te nemen aan daden van beheer waarvan de rechter de
noodzakelijkheid erkent.
§ 7. Ieder medeëigenaar draagt bij in de nuttige uitgaven tot behoud
en tot onderhoud, alsook in de kosten van beheer, de belastingen en
andere lasten betreffende de gemeenschappelijke zaak.
§ 8. De verdeling van de gemeenschappelijke zaak is onderworpen aan
regels, die bepaald zijn in de titel Erfenissen.
§ 9. (Onverdeelde onroerende goederen die bestemd zijn tot het
gemeenschappelijk gebruik van twee of meer onderscheiden en aan
verschillende eigenaars toebehorende erven, zijn echter niet vatbaar
voor verdeling.
Het aandeel in de onverdeelde onroerende goederen kan niet
overgedragen, met zakelijke rechten bezwaard of in beslag genomen
worden dan samen met het erf waarvan het onafscheidbaar is.
De aan deze medeëigendom verbonden lasten, met name de kosten van
onderhoud, herstelling en vernieuwing, moeten worden omgeslagen naar
evenredigheid van de respectieve waarde van elk privatief deel,
tenzij wanneer de partijen beslissen die kosten om te slaan naar
evenredigheid van het nut dat de gemeenschappelijke delen en
diensten die deze kosten teweegbrengen, voor elk van de privatieve
delen hebben. De partijen kunnen de waarde en het nut als criteria
ook combineren.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van dwingend recht.) <W
1994-06-30/34, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-08-1995>
§ 10. In het geval van § 9 staat het elke medeëigenaar vrij op zijn
kosten aan de gemeenschappelijke zaak veranderingen aan te brengen,
mits hij de bestemming daarvan niet wijzigt en aan de rechten van
zijn deelgenoten geen afbreuk doet.
§ 11. (...) <W 1994-06-30/34, art. 1, 002; Inwerkingtreding :
01-08-1995>
AFDELING II. - (GEDWONGEN MEDEEIGENDOM VAN GEBOUWEN OF GROEPEN VAN
GEBOUWEN.) <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995>
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 577-3. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> De beginselen met betrekking tot de gedwongen
medeëigendom, neergelegd in artikel 577-2, § 9, en de bepalingen van
deze afdeling zijn van toepassing op ieder gebouw of groep van
gebouwen waarvan het eigendomsrecht tussen verschillende personen
verdeeld is volgens kavels die elk een gebouwd privatief gedeelte en
een aandeel in gemeenschappelijke onroerende bestanddelen bevatten.
Voornoemde beginselen en bepalingen zijn niet van toepassing indien
de aard van de goederen zulks niet rechtvaardigt en alle
medeëigenaars instemmen met die afwijking.
Ieder gebouw of groep van gebouwen waarop die beginselen van
toepassing zijn, moet worden beheerst door een basisakte en een
reglement van medeëigendom.
Bij ontstentenis van of tegenstrijdigheid tussen titels, worden de
gedeelten van gebouwen of gronden die tot het gebruik van alle
medeëigenaars of van enkelen onder hen bestemd zijn, geacht
gemeenschappelijk te zijn.
Art. 577-4. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> § 1. De basisakte en het reglement van medeëigendom,
die de statuten van het gebouw of van de groep van gebouwen vormen,
alsook iedere wijziging die daarin wordt aangebracht, moeten het
voorwerp zijn van een authentieke akte.
De basisakte moet de beschrijving bevatten van het onroerend geheel,
van de privatieve en de gemeenschappelijke gedeelten en de bepaling
van het aandeel van de gemeenschappelijke gedeelten dat aan ieder
privatief deel is verbonden, daarbij rekening houdend met de
respectieve waarde ervan.
Het reglement van medeëigendom moet bevatten :
1° de beschrijving van de rechten en plichten van iedere
medeëigenaar betreffende de privatieve en de gemeenschappelijke
gedeelten;
2° de criteria en de berekeningswijze van de verdeling van de
lasten;
3° de regels betreffende de wijze van bijeenroeping, de werkwijze en
de bevoegdheid van de algemene vergadering;
4° de wijze van benoeming van een syndicus, de omvang van diens
bevoegdheid en de duur van zijn mandaat.
§ 2. Indien beslist werd een reglement van orde op te stellen, dan
kan dat reglement bij onderhandse akte worden opgemaakt.
§ 3. Ieder beding van de statuten dat het recht beperkt van de
medeëigenaar om het beheer van zijn kavel toe te vertrouwen aan een
persoon van zijn keuze, wordt voor niet geschreven gehouden.
Onderafdeling II. - Rechtspersoonlijkheid van de vereniging van
medeëigenaars.
Art. 577-5. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> § 1. De vereniging van medeëigenaars verkrijgt
rechtspersoonlijkheid wanneer de volgende twee voorwaarden vervuld
zijn :
1° het ontstaan van de onverdeeldheid door de overdracht of de
toekenning van ten minste een kavel;
2° de overschrijving van de basisakte en van het reglement van
medeëigendom op het hypotheekkantoor. De plannen van het gebouw
kunnen daarbij in de vorm van een door de notaris voor eensluidend
verklaard afschrift als bijlage worden gevoegd.
Zij draagt de benaming : " vereniging van medeëigenaars ", gevolgd
door de vermeldingen betreffende de ligging van het gebouw of de
groep van gebouwen.
Zij heeft haar zetel in het gebouw. Indien het over een groep van
gebouwen gaat, moet de basisakte bepalen in welk gebouw de zetel van
de vereniging gevestigd is.
§ 2. Indien de statuten niet of niet tijdig werden overgeschreven,
kan de vereniging van medeëigenaars zich ten aanzien van derden niet
op haar rechtspersoonlijkheid beroepen; deze zijn echter wel
gerechtigd ze in te roepen tegen de vereniging.
§ 3. De vereniging van medeëigenaars kan geen ander vermogen hebben
dan de roerende goederen nodig voor de verwezenlijking van haar
doel, dat uitsluitend bestaat in het behoud en het beheer van het
gebouw of de groep van gebouwen.
§ 4. Onverminderd artikel 577-9, § 5, kan de tenuitvoerlegging van
beslissingen waarbij de vereniging van medeëigenaars wordt
veroordeeld, worden gedaan op het vermogen van iedere medeëigenaar
naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschappelijke
gedeelten.
Onderafdeling III. - Beheer van het gebouw of van de groep van
gebouwen.
Art. 577-6. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> § 1. Iedere eigenaar van een kavel is lid van de
algemene vergadering en neemt deel aan de beraadslagingen.
In geval van verdeling van het eigendomsrecht van een kavel, of
wanneer dit het voorwerp is van een gewone onverdeeldheid, wordt het
recht om aan de beraadslagingen van de algemene vergadering deel te
nemen geschorst totdat de belanghebbenden de persoon aanwijzen die
dat recht zal uitoefenen.
§ 2. Onverminderd artikel 577-8, § 4, 1°, kan de algemene
vergadering bijeengeroepen worden op verzoek van één of meer
medeëigenaars die ten minste één vijfde van de aandelen in de
gemeenschappelijke gedeelten bezitten.
§ 3. Behoudens strengere bepalingen in het reglement van
medeëigendom, beraadslaagt de algemene vergadering alleen dan
rechtsgeldig wanneer meer dan de helft van de medeëigenaars aanwezig
of vertegenwoordigd is en voor zover zij ten minste de helft van de
aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten bezitten.
Indien dat quorum niet werd bereikt, zal een tweede algemene
vergadering na het verstrijken van een termijn van ten minste
vijftien dagen bijeenkomen die zal beraadslagen, ongeacht het aantal
aanwezige of vertegenwoordigde leden en de aandelen van medeëigendom
waarvan ze houder zijn.
§ 4. Iedere medeëigenaar beschikt over een aantal stemmen dat
overeenstemt met zijn aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten.
§ 5. Iedere medeëigenaar kan zich laten vertegenwoordigen door een
lasthebber, al dan niet lid van de algemene vergadering.
Niemand kan aan de stemming deelnemen, zelfs niet als lasthebber,
voor een groter aantal stemmen dan het totaal van de stemmen
waarover de andere aanwezige of vertegenwoordigde medeëigenaars
beschikken.
De syndicus kan niet als lasthebber van een medeëigenaar tussenkomen
op een algemene vergadering, niettegenstaande zijn recht, wanneer
hij medeëigenaar is, om in die hoedanigheid deel te nemen aan de
beraadslagingen van de vergadering.
§ 6. De beslissingen van de algemene vergadering worden bij
volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige of de
vertegenwoordigde medeeigenaars genomen, tenzij wanneer de wet of de
statuten een gekwalificeerde meerderheid of de éénparigheid
vereisen.
§ 7. Een persoon die door de vereniging van medeëigenaars als
lasthebber is aangesteld of die door haar is tewerkgesteld, kan noch
persoonlijk, noch bij volmacht, deelnemen aan de beraadslagingen en
de stemmingen die betrekking hebben op de hem toevertrouwde taak.
Art. 577-7. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> § 1. Behoudens strengere bepalingen in het reglement
van medeëigendom, beslist de algemene vergadering :
1° bij meerderheid van drie vierden van de stemmen :
a) over iedere wijziging van de statuten voor zover zij slechts het
genot, het gebruik of het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten
betreft;
b) over alle werken betreffende de gemeenschappelijke gedeelten, met
uitzondering van die waarover de syndicus kan beslissen;
c) over de oprichting en de samenstelling van een raad van beheer
die tot taak heeft de syndicus bij te staan en toezicht te houden op
zijn beheer;
2° bij meerderheid van vier vijfden van de stemmen :
a) over iedere andere wijziging van de statuten, daarin begrepen de
wijziging van de verdeling van de lasten van de medeëigendom;
b) over de wijziging van de bestemming van het onroerend goed of van
een deel daarvan;
c) over de heropbouw van het onroerend goed of de herstelling van
het beschadigd gedeelte in geval van gedeeltelijke vernietiging;
d) over iedere verkrijging van nieuwe onroerende goederen bestemd om
gemeenschappelijk te worden;
e) over alle daden van beschikking van gemeenschappelijke onroerende
goederen.
§ 2. In geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging, worden de
vergoedingen die in de plaats komen van het vernietigde onroerend
goed bij voorrang aangewend voor de heropbouw ervan, indien daartoe
beslist wordt.
Onverminderd de vorderingen ingesteld tegen de medeëigenaar, de
bewoner of de derde, die aansprakelijk is voor het schadegeval, zijn
de medeëigenaars verplicht in geval van heropbouw of herstel bij te
dragen in de kosten, naar evenredigheid van hun aandeel in de
medeëigendom.
§ 3. Er wordt met eenparigheid van stemmen van alle medeëigenaars
beslist over elke wijziging van verdeling van de aandelen van de
medeëigendom, alsmede over elke beslissing van de algemene
vergadering betreffende de volledige heropbouw van het onroerend
goed.
Art. 577-8. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> § 1. Wanneer de syndicus niet in het reglement van
medeëigendom aangesteld werd, wordt hij benoemd door de eerste
algemene vergadering of, bij ontstentenis daarvan, bij beslissing
van de rechter, op verzoek van iedere medeëigenaar.
Indien hij is aangesteld in het reglement van medeëigendom, neemt
zijn mandaat van rechtswege een einde bij de eerste algemene
vergadering.
Het mandaat van de syndicus kan in geen geval vijf jaar te boven
gaan, maar kan worden verlengd.
Onder voorbehoud van een uitrdukkelijke beslissing van de algemene
vergadering, kan hij geen verbintenissen aangaanvoor een termijn die
de duur van zijn mandaat te boven gaat.
§ 2. Een uittreksel uit de akte betreffende de aanstelling of
benoeming van de syndicus wordt binnen acht dagen na die aanstelling
of benoeming, op onveranderlijke wijze en zodanig dat het op ieder
tijdstip zichtbaar is, aangeplakt aan de ingang van het gebouw waar
de zetel van de vereniging van medeëigenaars gevestigd is.
Behalve de datum van de aanstelling of de benoeming, bevat het
uittreksel de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de
syndicus, of indien het gaat om een vennootschap, haar rechtsvorm,
haar naam en firma, alsmede haar maatschappelijke zetel. Het
uittreksel moet worden aangevuld met alle andere aanwijzingen die
het iedere belanghebbende mogelijk maken onverwijld met de syndicus
in contact te treden, met name de plaats waar, op de zetel van de
vereniging van medeëigenaars, het reglement van orde en het register
met de beslissingen van de algemene vergadering kunnen worden
geraadpleegd.
De aanplakking van het uittreksel moet geschieden door toedoen van
de syndicus.
§ 3. Indien de betekening niet kan worden gedaan overeenkomstig
artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt zij
overeenkomstig artikel 38 van dit Wetboek.
De aangetekende brief bedoeld in artikel 38, § 1, derde lid, moet
dan aan de woonplaats van de syndicus worden gericht.
§ 4. Ongeacht de bevoegdheid die hem door het reglement van
medeëigendom wordt toegekend, heeft de syndicus tot opdracht :
1° de algemene vergadering bijeen te roepen op de door het reglement
van medeëigendom vastgestelde dagen of telkens als er dringend in
het belang van de medeëigendom een beslissing moet worden genomen;
2° de beslissingen van de algemene vergadering te notuleren in het
register bedoeld in artikel 577-10, § 3;
3° deze beslissingen uit te voeren en te laten uitvoeren;
4° alle bewarende maatregelen te treffen en alle daden van voorlopig
beheer te stellen;
5° het vermogen van de vereniging van medeëigenaars te beheren;
6° de vereniging van medeëigenaars, zowel in rechte als voor het
beheer van de gemeenschappelijke zaken, te vertegenwoordigen;
7° de lijst van de schulden bedoeld in artikel 577-11, § 1, over te
leggen binnen vijftien dagen te rekenen van het verzoek van de
notaris;
8° aan elke persoon, die het gebouw bewoont krachtens een
persoonlijk of zakelijk recht, maar die in de algemene vergadering
geen stemrecht heeft, de datum van de vergaderingen mede te delen om
hem in staat te stellen schriftelijk zijn vragen of opmerkingen met
betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten te formuleren. Deze
zullen als zodanig aan de vergadering worden medegedeeld.
§ 5. De syndicus is als enige aansprakelijk voor zijn beheer; hij
kan zijn bevoegdheid niet overdragen dan met de toestemming van de
algemene vergadering en slechts voor een beperkte duur of voor
welomschreven doeleinden.
§ 6. De algemene vergadering kan steeds de syndicus ontslaan. Zij
kan hem eveneens, indien zij dit wenselijk acht, een voorlopig
syndicus toevoegen voor een welbepaalde duur of voor welbepaalde
doeleinden.
§ 7. Bij verhindering of in gebreke blijven van de syndicus kan de
rechter, voor de duur die hij bepaalt, op verzoek van iedere
medeëigenaar een voorlopig syndicus aanwijzen.
De syndicus moet door de verzoeker in het geding worden geroepen.
Onderafdeling IV. - Rechtsvorderingen. - Openbaarheid. -
Tegenstelbaarheid en overdracht.
Art. 577-9. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2; Inwerkingtreding
: 01-08-1995> § 1. De vereniging van medeëigenaars is bevoegd om in
rechte op te treden, als eiser en als verweerder.
Iedere medeëigenaar kan echter alle rechtsvorderingen alleen
instellen betreffende zijn kavel, na de syndicus daarover te hebben
ingelicht die op zijn beurt de andere medeëigenaars inlicht.
§ 2. Iedere medeëigenaar kan aan de rechter vragen een
onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de
algemene vergadering te vernietigen of te wijzigen.
Deze vordering moet worden ingesteld binnen drie maanden te rekenen
van het tijdstip waarop de belanghebbende kennis van de beslissing
heeft genomen. De medeëigenaar die op regelmatige wijze is
opgeroepen, wordt geacht kennis van de beslissing te hebben genomen
op het tijdstip waarop ze door de algemene vergadering is
goedgekeurd.
§ 3. Iedere medeëigenaar kan eveneens aan de rechter vragen, binnen
een termijn die deze laatste vaststelt, de bijeenroeping van een
algemene vergadering te gelasten ten einde over een door voornoemd
medeëigenaar bepaald voorstel te beraadslagen, wanneer de syndicus
verzuimt of onrechtmatig weigert zulks te doen.
§ 4. Wanneer in de algemene vergadering de vereiste meerderheid niet
wordt gehaald, kan iedere medeëigenaar aan de rechter de toestemming
vragen om zelfstandig op kosten van de vereniging, dringende en
noodzakelijke werken uit te voeren aan de gemeenschappelijke
gedeelten.
Hij kan eveneens de toestemming vragen om op eigen kosten de werken
uit te voeren die hij nuttig acht, zelfs aan de gemeenschappelijke
gedeelten, wanneer de algemene vergadering zich zonder gegronde
reden daartegen verzet.
§ 5. Vanaf het instellen van een van de vorderingen bedoeld in de §§
3 en 4, en voor zover zijn eis niet afgewezen wordt, is de eiser van
iedere aansprakelijkheid bevrijd voor alle schade die zou kunnen
voortvloeien uit het ontbreken van een beslissing.
§ 6. Iedere medeëigenaar kan aan de rechter vragen :
1° de verdeling van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten
te wijzigen, indien die verdeling onjuist is berekend of indien zij
onjuist is geworden ingevolge aan het gebouw aangebrachte
wijzigingen;
2° de wijze van verdeling van de lasten te wijzigen, indien deze een
persoonlijk nadeel veroorzaakt, evenals de berekning ervan te
wijzigen, indien deze onjuist is of onjuist is geworden ingevolge
aan het gebouw aangebrachte wijzigingen.
§ 7. Wanneer een minderheid van de medeëigenaars de algemene
vergadering op onrechtmatige wijze belet een beslissing te nemen met
de door de wet of de statuten vereiste meerderheid, kan iedere
benadeelde medeëigenaar zich eveneens tot de rechter wenden, zodat
deze zich in de plaats van de algemene vergadering stelt en in haar
plaats de vereiste beslissing neemt.
Art. 577-10. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2;
Inwerkingtreding : 01-08-1995> § 1. De bepalingen van de statuten
kunnen rechtstreeks worden tegengesteld door degenen aan wie ze
kunnen worden tegengesteld en die houder zijn van een zakelijk of
persoonlijk recht op het gebouw in medeëigendom.
§ 2. Het reglement van orde wordt, binnen een maand na de opstelling
ervan, op de zetel van de vereniging van medeëigenaars neergelegd,
op initiatief van de syndicus of, wanneer deze nog niet benoemd is,
op initiatief van de opsteller ervan.
De syndicus werkt zonder verwijl het reglement van orde bij, telkens
wanneer de algemene vergadering tot een wijziging besluit.
Het reglement van orde kan ter plaatse en zonder kosten door iedere
belanghebbende geraadpleegd worden.
§ 3. De beslissingen van de algemene vergadering worden in een
register opgetekend, dat zich bevindt op de zetel van de vereniging
van medeëigenaars.
Dit register kan ter plaatse en zonder kosten door iedere
belanghebbende geraadpleegd worden.
§ 4. Iedere bepaling van het reglement van orde en iedere beslissing
van de algemene vergadering kan rechtstreeks worden tegengesteld
door degenen waaraan zij tegenstelbaar zijn.
Zij zijn tevens tegenstelbaar aan een ieder die houder is van een
zakelijk of een persoonlijk recht op het onroerend goed in
medeëigendom en aan een ieder die houder is van een toelating tot
bewoning, zulks onder volgende voorwaarden :
1° met betrekking tot de bepalingen en de beslissingen aangenomen
voor het verlenen van het zakelijk of persoonlijk recht, door de
kennisgeving die hem verplicht door de verlener wordt gedaan op het
tijdstip van de verlening van het recht, van het bestaan van het
reglement van orde en van het register bedoeld in § 3, of bij
gebreke daaraan, door de kennisgeving die hem wordt gedaan op
initiatief van de syndicus bij ter post aangetekende brief; de
verlener is aansprakelijk ten aanzien van de vereniging van
medeëigenaars en de houder van het zakelijk of persoonlijk recht,
voor de schade die ontstaat door een vertraging of door afwezigheid
van de kennisgeving;
2° met betrekking tot de bepalingen en de beslissingen aangenomen,
na het verlenen van het persoonlijk recht of na het ontslaan van het
zakelijk recht, door de kennisgeving die hem wordt gedaan op
initiatief van de syndicus bij ter post aangetekende brief.
Die kennisgeving hoeft niet te worden gedaan aan degenen die in de
algemene vergadering stemrecht hebben.
Ieder die het gebouw bewoont krachtens een persoonlijk of zakelijk
recht, maar die in de algemene vergadering geen stemrecht heeft, kan
de rechter echter om de vernietiging of wijziging verzoeken van elke
bepaling van het reglement van orde of van elke beslissing van de
algemene vergadering aangenomen na het verlenen van het recht,
indien deze hem een persoonlijk nadeel berokkent.
De vordering moet binnen drie maanden na de kennisgeving van de
beslissing worden ingesteld.
Alvorens recht te doen, kan de rechter op verzoek van de aanvrager
de schorsing van de betwiste bepaling of beslissing bevelen.
Art. 577-11. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2;
Inwerkingtreding : 01-08-1995> § 1. In geval van eigendomsoverdracht
van een kavel, is de optredende notaris gehouden, bij ter post
aangetekende brief, aan de syndicus van de vereniging van
medeëigenaars een staat te vragen van :
1° de kosten van de uitgaven voor behoud, onderhoud, herstelling en
vernieuwing waartoe de algemene vergadering voor de datum van de
overdracht heeft besloten, maar waarvan de betaling pas nadien
opeisbaar wordt;
2° de kosten verbonden aan het verkrijgen van gemeenschappelijke
gedeelten, waartoe de algemene vergadering voor de datum van de
overdracht heeft besloten, maar waarvan de betaling pas nadien
opeisbaar wordt;
3° de door de vereniging van medeëigenaars vaststaande verschuldigde
bedragen, ten gevolge van geschillen ontstaan voor de datum van de
overdracht, maar waarvan de betaling pas nadien opeisbaar wordt.
De notaris stelt de partijen daarvan in kennis.
Indien de syndicus niet antwoordt binnen vijftien dagen na het
verzoek, stelt de notaris de partijen in kennis van diens verzuim.
Onverminderd andersluidende overeenkomst tussen partijen betreffende
de bijdrage in de schuld, draagt de nieuwe eigenaar het bedrag van
die schulden en van de gewone lasten vanaf de datum van de
overdracht.
§ 2. In geval van eigendomsoverdracht van een kavel :
1° is de uittredende medeëigenaar schuldeiser van de vereniging van
medeëigenaars voor het gedeelte van zijn aandeel in het werkkapitaal
dat overeenstemt met de periode tijdens welke hij niet effectief
gebruik heeft gemaakt van de gemeenschappelijke gedeelten; de
afrekening wordt door de syndicus opgesteld;
2° blijft zijn aandeel in het reservekapitaal eigendom van de
vereniging.
Onder " werkkapitaal " wordt verstaan de som van de voorschotten
betaald door de medeëigenaars als voorziening voor het betalen van
de periodieke uitgaven, zoals de verwarmings- en verlichtingskosten
van de gemeenschappelijke gedeelten, de beheerskosten en de uitgaven
voor de huisbewaarder.
Onder " reservekapitaal " wordt verstaan de som van de periodieke
inbrengen van gelden bestemd voor het dekken van niet-periodieke
uitgaven, zoals de uitgaven voor de vernieuwing van het
verwarmingssysteem, de reparatie of de vernieuwing van een lift of
het leggen van een nieuwe dakbedekking.
Onderafdeling V. - Ontbinding en vereffening.
Art. 577-12. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2;
Inwerkingtreding : 01-08-1995> De vereniging van medeëigenaars is
ontbonden vanaf het ogenblik dat, om welke reden ook, de
onverdeeldheid ophoudt te bestaan.
De enkele vernietiging, zelfs volledig, van het gebouw of van de
groep van gebouwen heeft niet de ontbinding van de vereniging tot
gevolg.
De algemene vergadering van medeëigenaars kan de vereniging alleen
ontbinden bij eenparigheid van stemmen van alle medeëigenaars. Deze
beslissing wordt bij authentieke akte vastgesteld.
De rechter spreekt de ontbinding van de vereniging van medeëigenaars
uit, op verzoek van iedere belanghebbende die een gegronde reden kan
aanvoeren.
Art. 577-13. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2;
Inwerkingtreding : 01-08-1995> § 1. De vereniging van medeëigenaars
wordt, na haar ontbinding, geacht voort te bestaan voor haar
vereffening.
Alle stukken uitgaande van een ontbonden vereniging van
medeëigenaars vermelden dat zij in vereffening is.
§ 2. Voor zover niet anders is bepaald in de statuten of in een
overeenkomst, bepaalt de algemene vergadering van medeëigenaars de
wijze van vereffening en wijst zij één of meer vereffenaars aan.
Indien de algemene vergadering nalaat die prsonen aan te wijzen,
wordt de syndicus belast met de vereffening van de vereniging.
§ 3. De artikelen 181 tot 188 en 195 van de gecoördineerde wetten op
de handelsvennootschappen zijn van toepassing op de vereffening van
de vereniging van medeëigenaars.
§ 4. De afsluiting van de vereffening wordt bij een notariële akte
vastgelegd, die overgeschreven wordt op het hypotheekkantoor.
De akte bevat :
1° de plaats, door de algemene vergadering aangewezen, waar de
boeken en bescheiden van de vereniging van medeëigenaars gedurende
ten minste vijf jaar moeten worden bewaard;
2° de maatregelen, genomen voor de consignatie van de gelden en
waarden die aan schuldeisers of aan medeëigenaars toekomen en die
hen niet konden worden overhandigd.
§ 5. Alle rechtsvorderingen tegen de medeëigenaars, de verenigingen
van medeëigenaars, de syndicus en de vereffenaars verjaren door
verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de overschrijving
voorgeschreven in § 4.
Onderafdeling VI. - Dwingend karakter.
Art. 577-14. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/34, art. 2;
Inwerkingtreding : 01-08-1995> De bepalingen van deze afdeling zijn
van dwingend recht.
TITEL III. - VRUCHTGEBRUIK, GEBRUIK EN BEWONING.
HOOFDSTUK I. - VRUCHTGEBRUIK.
Art. 578. Vruchtgebruik is het recht om van een zaak waarvan een
ander de eigendom heeft, het genot te hebben, zoals de eigenaar
zelf, maar onder verplichting om de zaak zelf in stand te houden.
Art. 579. Vruchtgebruik wordt gevestigd door de wet of door de wil
van de mens.
Art. 580. Vruchtgebruik kan worden gevestigd, of zuiver en
eenvoudig, of voor een bepaalde tijd, of onder een voorwaarde.
Art. 581. Het kan worden gevestigd op alle soorten van roerende of
onroerende goederen.
AFDELING I. - RECHTEN VAN DE VRUCHTGEBRUIKER.
Art. 582. De vruchtgebruiker heeft recht op het genot van alle
soorten van vruchten, hetzij natuurlijke vruchten, hetzij vruchten
van nijverheid, hetzij burgerlijke vruchten, die door de zaak
waarvan hij het vruchtgebruik heeft, kunnen worden voortgebracht.
Art. 583. Natuurlijke vruchten zijn die welke de aarde uit zichzelf
voortbrengt. Eveneens zijn natuurlijke vruchten de voortbrengsels
van dieren en hun jongen.
Vruchten van nijverheid van een erf zijn die welke men door
bebouwing verkrijgt.
Art. 584. Burgerlijke vruchten zijn huishuren, interesten van
opeisbare geldsommen, rentetermijnen.
Pachten van landerijen worden eveneens bij de burgerlijke vruchten
ingedeeld.
Art. 585. Natuurlijke vruchten en vruchten van nijverheid die bij de
aanvang van het vruchtgebruik nog tak- of wortelvast zijn, behoren
de vruchtgebruiker toe.
Die welke zich bij het eindigen van het vruchtgebruik in dezelfde
toestand bevinden, behoren de eigenaar toe, zonder dat, van de ene
of van de andere zijde, vergoeding verschuldigd is voor de bewerking
en het zaad, maar ook onverminderd het gedeelte van de vruchten dat
de deelpachter mocht toekomen, indien er bij het begin of bij het
einde van het vruchtgebruik een deelpachter was.
Art. 586. Burgerlijke vruchten worden geacht van dag tot dag te
worden verkregen en behoren de vruchtgebruiker toe, naar
evenredigheid van de duur van zijn vruchtgebruik. Deze regel geldt
zowel voor pachten van landerijen als voor huishuren en andere
burgerlijke vruchten.
Art. 587. Indien aan het vruchtgebruik zaken zijn onderworpen die
men niet kan gebruiken zonder ze te verbruiken, zoals geld, graan of
drank, dan heeft de vruchtgebruiker het recht ze te gebruiken, onder
verplichting echter om bij het einde van het vruchtgebruik een
gelijke hoeveelheid zaken van dezelfde hoedanigheid en waarde, of de
geschatte waarde, terug te geven.
Art. 588. Het vruchtgebruik van een lijfrente geeft eveneens aan de
vruchtgebruiker, tijdens de duur van zijn vruchtgebruik, het recht
op de rentetermijnen te ontvangen, zonder dat hij tot enige
teruggave is gehouden.
Art. 589. Indien aan het vruchtgebruik zaken zijn onderworpen die,
zonder dadelijk verbruikt te worden, allengs door het gebruik
verslijten, zoals linnen of huisraad, dan heeft de vruchtgebruiker
het recht zich van die zaken te bedienen voor het gebruik waarvoor
zij bestemd zijn, en is hij slechts gehouden ze bij het einde van
het vruchtgebruik terug te geven in de staat waarin zij zich
bevinden, voor zover zij niet door zijn kwade trouw of zijn schuld
schade hebben geleden.
Art. 590. Indien aan het vruchtgebruik schaarbossen zijn
onderworpen, moet de vruchtgebruiker de orde en de hoeveelheid van
de kappingen in acht nemen, overeenkomstig de bedrijfsregeling of
het vaste gebruik van de eigenaars, zonder vergoeding echter voor de
vruchtgebruiker of voor zijn erfgenamen wegens de gewone kappingen
van schaarhout, van uitgespaard hout of van stamhout, die hij
gedurende zijn vruchtgebruik niet zou hebben gedaan.
Bomen die men uit een kwekerij kan trekken zonder deze te
beschadigen, behoren ook tot het vruchtgebruik, maar alleen onder
verplichting voor de vruchtgebruiker om zich, wat betreft de
vervanging, naar de plaatselijke gebruiken te gedragen.
Art. 591. Verder heeft de vruchtgebruiker, steeds met inachtneming
van de tijdstippen en het gebruik van de vorige eigenaars, het genot
van de partijen bos van hoogstammig hout die waren onderworpen aan
geregelde kappingen, hetzij deze op gezette tijden gedaan worden
over een zekere uitgestrektheid grond, ofwel bestaan uit een zekere
hoeveelheid bomen, zonder onderscheid over de gehele uitgestrektheid
van het eigendom genomen.
Art. 592. In alle andere gevallen moet de vruchtgebruiker de
hoogstammige bomen onaangeroerd laten; hij mag alleen de bij ongeval
uitgerukte of afgebroken bomen gebruiken om de herstellingen te doen
waartoe hij gehouden is; te dien einde mag hij zelfs bomen laten
omhakken, indien het nodig is, doch onder verplichting om samen met
de eigenaar de noodzakelijkheid daarvan te doen vaststellen.
Art. 593. Hij mag uit de bossen staken nemen voor de wijngaarden;
hij mag ook van de bomen nemen hetgeen zij jaarlijks of op gezette
tijden voortbrengen; een en ander met inachtneming van het gebruik
van het gewest of de gewoonte van de eigenaars.
Art. 594. Dode fruitbomen, alsook fruitbomen die bij ongeval zijn
uitgerukt of afgebroken, behoren de vruchtgebruiker toe, onder
verplichting om ze door andere te vervangen.
Art. 595. <W 14-07-1976, art. IV, 7> De vruchtgebruiker kan
persoonlijk de vruchten genieten, hij kan verpachten, of zelfs zijn
recht verkopen of afstaan om niet.
Verhuring door de vruchtgebruiker alleen voor langer dan negen jaren
is, ingeval het vruchtgebruik ophoudt, ten aanzien van de blote
eigenaar slechts verbindend voor de tijd die nog overblijft hetzij
van de eerste periode van negen jaren, indien partijen zich nog
daarin bevinden, hetzij van de tweede periode, en zo verder, op
zulke wijze dat de huurder enkel recht heeft op het genot gedurende
de gehele periode van negen jaren, waarin hij zich bevindt.
Verhuring voor negen jaren of minder, door de vruchtgebruiker
toegestaan of vernieuwd, meer dan drie jaren voor het eindigen van
de lopende huur wanneer het landeigendommen betreft, en meer dan
twee jaar voor hetzelfde tijdstip wanneer het huizen betreft, heeft
geen gevolg, tenzij de uitvoering voor het einde van het
vruchtgebruik begonnen is.
Art. 596. De vruchtgebruiker heeft het genot van de vermeerdering
die het goed waarvan hij het vruchtgebruik heeft, door aanspoeling
verkrijgt.
Art. 597. Hij geniet de rechten van erfdienstbaarheid, van overgang
en, in het algemeen, alle rechten waarvan de eigenaar het genot kan
hebben, en hij heeft dit genot zoals de eigenaar zelf.
Art. 598. Hij heeft ook, op dezelfde wijze als de eigenaar, het
genot van de mijnen en groeven die reeds bij de aanvang van het
vruchtgebruik in ontginning zijn; indien het echter een ontginning
betreft die niet kan geschieden zonder een concessie, kan de
vruchtgebruiker daarvan het genot niet hebben dan nadat de Koning
hem daartoe verlof heeft verleend.
Hij heeft geen recht op nog niet geopende mijnen en groeven, noch op
veenderijen waarvan de ontginning nog niet is begonnen, noch op een
schat die gedurende het vruchtgebruik mocht worden gevonden.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 598. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
Hij heeft ook, op dezelfde wijze als de eigenaar, het genot van de
mijnen en groeven die reeds bij de aanvang van het vruchtgebruik in
ontginning zijn; indien het echter een ontginning betreft die niet
kan geschieden zonder een concessie, kan de vruchtgebruiker daarvan
het genot niet hebben dan nadat de Koning hem daartoe verlof heeft
verleend.
Hij heeft geen recht op nog niet geopende mijnen en groeven, noch op
veenderijen waarvan de ontginning nog niet is begonnen, noch op een
schat die gedurende het vruchtgebruik mocht worden gevonden.
(In ontginningsgebieden kan het vruchtgebruik slechts worden
gevestigd voor een bepaalde tijd die eindigt bij het verlenen van
een ontginningsmachtiging, zoals bedoeld in het decreet van 4 april
2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen.) <DVR 2003-04-04/13,
art. 32, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2004>
++++++++++
Art. 599. De eigenaar mag noch door zijn daad, noch op enige andere
wijze aan de rechten van de vruchtgebruiker afbreuk doen.
Zijnerzijds kan de vruchtgebruiker, bij het eindigen van het
vruchtgebruik, geen vergoeding vorderen voor verbeteringen die hij
zou beweren te hebben aangebracht, al mocht de waarde van de zaak
hierdoor zijn vermeerderd.
Evenwel mag hij of mogen zijn erfgenamen de spiegels, schilderijen
en andere versieringen die hij heeft doen aanbrengen, wegnemen,
onder verplichting om de plaatsen in hun vorige staat te herstellen.
AFDELING II. - VERPLICHTINGEN VAN DE VRUCHTGEBRUIKER.
Art. 600. De vruchtgebruiker neemt de zaken in de staat waarin zij
zich bevinden; hij kan echter in het genot daarvan niet treden dan
nadat hij, in tegenwoordigheid van de eigenaar of deze behoorlijk
opgeroepen zijnde, een boedelbeschrijving van de roerende goederen
en een staat van de onroerende goederen die aan het vruchtgebruik
onderworpen zijn, heeft doen opmaken.
Art. 601. Hij stelt borg om als een goed huisvader te genieten,
tenzij hij van borgstelling is ontslagen door de akte waarbij het
vruchtgebruik is gevestigd; ouders die het wettelijk vruchtgebruik
hebben van het goed van hun kinderen, en zij die onder voorbehoud
van vruchtgebruik hebben verkocht of geschonken, zijn evenwel niet
tot borgstelling gehouden.
Art. 602. Indien de vruchtgebruiker geen borg vindt, worden de
onroerende goederen verpacht of onder sekwester gesteld;
De onder het vruchtgebruik begrepen geldsommen worden belegd;
De eetwaren worden verkocht en de prijs die zij opbrengen, wordt
eveneens belegd;
De interesten van die geldsommen en de pachten behoren in dit geval
de vruchtgebruiker toe.
Art. 603. Bij gebreke van borgstelling door de vruchtgebruiker, kan
de eigenaar eisen dat de roerende goederen die door het gebruik
vergaan, verkocht worden om de prijs daarvan, evenals die van de
eetwaren, te beleggen; alsdan heeft de vruchtgebruiker gedurende
zijn vruchtgebruik, het genot van de interest; nochtans kan de
vruchtgebruiker vorderen en kunnen de rechters naar gelang van de
omstandigheden bevelen, dat hem een gedeelte van de roerende
goederen die tot zijn gebruik noodzakelijk zijn, zal worden gelaten,
onder een door hem onder eed gedane belofte en onder verplichting om
deze goederen bij het tenietgaan van het vruchtgebruik weer op te
leveren.
Art. 604. Door de vertraging in het stellen van een borg worden de
vruchtgebruiker de vruchten waarop hij kan recht hebben, niet
ontnomen; deze zijn hem verschuldigd vanaf het ogenblik waarop het
vruchtgebruik begonnen is.
Art. 605. De vruchtgebruiker is slechts verplicht de herstellingen
tot onderhoud te doen.
De grove herstellingen blijven ten laste van de eigenaar, behalve
indien zij veroorzaakt zijn door het verzuimen van herstellingen tot
onderhoud sinds de aanvang van het vruchtgebruik; in welk geval de
vruchtgebruiker ook daartoe verplicht is.
Art. 606. Grove herstellingen zijn die van zware muren en van
gewelven, de vernieuwing van balken en van gehele daken;
Eveneens de vernieuwing van dijken en van steun- en afsluitingsmuren
in hun geheel.
Alle andere herstellingen zijn herstellingen tot onderhoud.
Art. 607. Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker is gehouden
hetgeen door ouderdom ingestort of door toeval vernield is, opnieuw
te doen opbouwen.
Art. 608. De vruchtgebruiker is, gedurende zijn genot, gehouden alle
jaarlijkse lasten van het erf te dragen, zoals belastingen en andere
die volgens het gebruik als lasten van de vruchten worden beschouwd.
Art. 609. Wat de lasten betreft waarmee het eigendom gedurende het
vruchtgebruik kan worden bezwaard, dragen vruchtgebruiker en
eigenaar daartoe bij als volgt :
De eigenaar is verplicht deze te betalen en de vruchtgebruiker wordt
hem de interest daarvan schuldig.
Indien de vruchtgebruiker de lasten voorgeschoten heeft, kan hij,
bij het eindigen van het vruchtgebruik, het kapitaal terugvorderen.
Art. 610. Het door een erflater gemaakte legaat van een lijfrente of
van een uitkering tot onderhoud moet door de algemene legataris van
het vruchtgebruik voldaan worden voor het geheel, en door de
legataris onder algemene titel van het vruchtgebruik, naar
evenredigheid van zijn genot, zonder dat zij op enige terugvordering
aanspraak kunnen maken.
Art. 611. De vruchtgebruiker onder bijzondere titel is niet gehouden
tot betaling van de schulden waarvoor het erf met hypotheek is
bezwaard; indien hij wordt genoodzaakt deze te betalen, heeft hij
zijn verhaal op de eigenaar, behoudens hetgeen bepaald is bij
artikel 1020, in de titel Schenkingen onder de levenden en
testamenten.
Art. 612. De algemene vruchtgebruiker of de vruchtgebruiker onder
algemene titel moet met de eigenaar in de betaling van de schulden
bijdragen als volgt :
Men schat de waarde van het erf dat aan het vruchtgebruik is
onderworpen; men bepaalt vervolgens, naar evenredigheid van deze
waarde, de bijdrage in de schulden.
Indien de vruchtgebruiker de som waarvoor het erf moet bijdragen,
wil voorschieten, wordt hem, bij het eindigen van het vruchtgebruik,
het kapitaal zonder enig interest teruggegeven.
Indien de vruchtgebruiker dit voorschot niet wil doen, heeft de
eigenaar de keus om, ofwel deze som te betalen, in welk geval de
vruchtgebruiker hem de interest daarvan gedurende het vruchtgebruik
schuldig wordt, ofwel een gedeelte van de aan het vruchtgebruik
onderworpen goederen tot het verschuldigde bedrag te doen verkopen.
Art. 613. De vruchtgebruiker is alleen gehouden tot de kosten van
rechtsgedingen die het genot betreffen, en tot het voldoen aan de
overige veroordelingen waartoe die gedingen aanleiding kunnen geven.
Art. 614. Wanneer een derde persoon zich gedurende het vruchtgebruik
schuldig maakt aan enige bezitsaanmatiging op het erf, of de rechten
van de eigenaar op andere wijze krenkt, is de vruchtgebruiker
gehouden hem daarvan kennis te geven; bij gebreke hiervan, is hij
aansprakelijk voor iedere schade die daaruit voor de eigenaar kan
ontstaan, op dezelfde wijze als hij het zou zijn voor beschadigingen
door hem zelf veroorzaakt.
Art. 615. Wanneer het vruchtgebruik slechts op één dier is gevestigd
en dit buiten de schuld van de vruchtgebruiker komt te sterven, is
deze niet verplicht een ander in de plaats te geven, noch de
geschatte waarde ervan te betalen.
Art. 616. Wanneer een kudde waarop vruchtgebruik is gevestigd, door
ongeval of ziekte en buiten de schuld van de vruchtgebruiker geheel
teniet gaat, moet deze aan de eigenaar alleen de huiden of de waarde
ervan verantwoorden.
Wanneer de kudde niet geheel teniet gaat, is de vruchtgebruiker
gehouden het getal der gestorven dieren uit de jongen te vervangen.
AFDELING III. - HOE VRUCHTGEBRUIK EINDIGT.
Art. 617. Vruchtgebruik eindigt :
Door de (...) dood van de vruchtgebruiker;
Door het verstrijken van de tijd waarvoor het is verleend; <W
15-12-1949, art. 28>
Door vermenging of vereniging van de beide hoedanigheden van
vruchtgebruiker en van eigenaar in dezelfde persoon;
Door het niet uitoefenen van het recht gedurende dertig jaren;
Door het geheel tenietgaan van de zaak waarop het vruchtgebruik is
gevestigd.
Art. 618. Vruchtgebruik kan ook eindigen door het misbruik dat de
vruchtgebruiker maakt van zijn genot, hetzij door het erf te
beschadigen, hetzij door het bij gebrek aan onderhoud te laten
vervallen.
De schuldeisers van de vruchtgebruiker kunnen in de geschillen
tussenkomen, tot behoud van hun rechten; zij kunnen herstel van de
gepleegde beschadigingen en waarborgen voor de toekomst aanbieden.
De rechters kunnen, al naar de ernst van de omstandigheden, hetzij
het gehele verval van het recht van vruchtgebruik uitspreken, hetzij
bevelen dat de eigenaar niet opnieuw in het genot zal treden van de
zaak waarop het vruchtgebruik gevestigd is, dan onder verplichting
om aan de vruchtgebruiker of aan zijn rechthebbenden jaarlijks een
bepaalde som te betalen, tot op het ogenblik waarop het
vruchtgebruik had moeten eindigen.
Art. 619. Vruchtgebruik dat aan andere dan aan bijzondere personen
wordt verleend, duurt slechts dertig jaren.
Art. 620. Vruchtgebruik verleend totdat een derde persoon een
bepaalde leeftijd zal hebben bereikt, blijft tot dan voortduren, al
is de derde persoon voor de gestelde leeftijd overleden.
Art. 621. De verkoop van de aan vruchtgebruik onderworpen zaak
wijzigt geenszins het recht van de vruchtgebruiker; hij behoudt het
genot van zijn vruchtgebruik, indien hij daarvan niet uitdrukkelijk
afstand heeft gedaan.
Art. 622. De schuldeisers van de vruchtgebruiker kunnen de afstand
doen vernietigen, die deze tot hun nadeel mocht hebben gedaan.
Art. 623. Wanneer slechts een gedeelte van de aan vruchtgebruik
onderworpen zaak teniet gaat, blijft het vruchtgebruik bestaan op
hetgeen over is.
Art. 624. Wanneer het vruchtgebruik slechts op een gebouw is
gevestigd en dit gebouw door brand of door een ander ongeval
vernield wordt of door ouderdom instort, heeft de vruchtgebruiker
geen recht van genot op de grond of op de materialen.
Wanneer het vruchtgebruik was gevestigd op een erf waarvan het
gebouw deel uitmaakte, heeft de vruchtgebruiker het genot van de
grond en van de materialen.
HOOFDSTUK II. - GEBRUIK EN BEWONING.
Art. 625. Het recht van gebruik en het recht van bewoning worden
gevestigd en gaan teniet op dezelfde wijze als vruchtgebruik.
Art. 626. Evenals bij vruchtgebruik kan men daarvan het genot niet
hebben, zonder vooraf borg te stellen en zonder staten en
boedelbeschrijvingen op te maken.
Art. 627. De gebruiker en hij die een recht van bewoning heeft,
moeten als een goed huisvader genieten.
Art. 628. Het recht van gebruik en het recht van bewoning worden
geregeld door de titel waarbij zij werden gevestigd en zijn,
overeenkomstig de bepalingen daarvan, meer of minder uitgebreid.
Art. 629. Wanneer de titel geen aanwijzingen omtrent de omvang van
die rechten bevat, worden zij als volgt geregeld.
Art. 630. Hij die het gebruik heeft van de vruchten van een erf, kan
slechts zoveel daarvan vorderen als hij voor zijn behoeften en die
van zijn gezin nodig heeft.
Hij kan daarvan vorderen zelfs voor de behoeften van de kinderen die
hem geboren worden nadat het gebruik hem is verleend.
Art. 631. De gebruiker kan zijn recht niet aan anderen afstaan of
verhuren.
Art. 632. Hij die het recht van bewoning in een huis heeft, mag daar
met zijn gezin wonen, zelfs al was hij niet gehuwd toen dit recht
hem werd verleend.
Art. 633. Het recht van bewoning is beperkt tot hetgeen als woning
noodzakelijk is voor hem aan wie dat recht is verleend, en voor zijn
gezin.
Art. 634. Het recht van bewoning kan noch afgestaan noch verhuurd
worden.
Art. 635. Wanneer de gebruiker alle vruchten van het erf geniet of
wanneer hij het gehele huis bewoont, is hij evenals de
vruchtgebruiker verplicht de kosten van bebouwing, de herstellingen
tot onderhoud en de belastingen te dragen.
Wanneer hij maar een gedeelte van de vruchten geniet of wanneer hij
maar een gedeelte van het huis bewoont, draagt hij daartoe bij naar
evenredigheid van hetgeen hij geniet.
Art. 636. Het gebruik van bossen en wouden wordt door bijzondere
wetten geregeld.
TITEL IV. - ERFDIENSTBAARHEDEN OF
GRONDLASTEN.
Art. 637. Een erfdienstbaarheid is een last op een erf gelegd tot
gebruik en tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar
toebehoort.
Art. 638. De erfdienstbaarheid plaatst het ene erf ten opzichte van
het andere niet in een hogere rang.
Art. 639. Zij ontstaat of uit de natuurlijke ligging van de plaatsen
of uit verplichtingen door de wet opgelegd of uit overeenkomsten
tussen de eigenaars gesloten.
HOOFDSTUK I. - ERFDIENSTBAARHEDEN DIE ONTSTAAN UIT DE LIGGING VAN DE
PLAATSEN.
Art. 640. Lager gelegen erven zijn jegens de hoger liggende gehouden
het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen
natuurlijk afloopt.
De eigenaar van het lager gelegen erf mag geen dijk opwerpen
waardoor de afloop verhinderd wordt.
De eigenaar van het hoger gelegen erf mag niets doen waardoor de
erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf verzwaard wordt.
Art. 641. Hij die in zijn erf een waterbron heeft, mag daarvan naar
goeddunken gebruik maken, behoudens het recht dat de eigenaar van
het lager gelegen erf door een titel of door verjaring mocht hebben
verkregen.
Art. 642. De verjaring kan in dit geval niet verkregen worden dan
door een onafgebroken genot van dertig jaren, te rekenen van het
ogenblik waarop de eigenaar van het lager gelegen erf zichtbare
werken heeft gemaakt en voltooid, die bestemd zijn om de val en de
loop van het water op zijn eigendom te bevorderen.
Art. 643. De eigenaar van de waterbron mag de loop ervan niet
veranderen, wanneer deze aan de bewoners van een gemeente, dorp of
gehucht het voor hen nodige water verschaft; indien echter de
bewoners het gebruik daarvan niet hebben verworven, noch door
verjaring verkregen, kan de eigenaar een vergoeding vorderen, die
door deskundigen wordt vastgesteld.
Art. 644. Hij wiens eigendom paalt aan een lopend water dat volgens
artikel 538, in de titel Onderscheiding van de goederen, niet
behoort tot het openbaar domein, mag zich, waar het voorbijloopt,
daarvan bedienen tot bevloeiing van zijn eigendommen.
Hij wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag daarvan zelfs
gebruik maken in de tussenruimte die het water er doorloopt, echter
onder verplichting om het op de plaats waar het zijn erf verlaat,
zijn gewone loop terug te geven.
Art. 645. Wanneer een geschil ontstaat tussen de eigenaars voor wie
die waters nut kunnen opleveren, moet de rechtbank, bij haar
uitspraak, het belang van de landbouw overeenbrengen met de
eerbiediging van het eigendomsrecht; en in alle gevallen moeten de
bijzondere en plaatselijke verordeningen betreffende de loop en het
gebruik van de waters in acht worden genomen.
Art. 646. Ieder eigenaar kan zijn nabuur verplichten tot het afpalen
van hun aan elkaar grenzende eigendommen. De afpaling geschiedt op
gemene kosten.
Art. 647. Ieder eigenaar mag zijn erf afsluiten, behoudens de in
artikel 682 gestelde uitzondering.
Art. 648. (Opgeheven) <W 04-12-1961, art. 1, b>
HOOFDSTUK II. - ERFDIENSTBAARHEDEN DIE DOOR DE WET GEVESTIGD ZIJN.
Art. 649. De erfdienstbaarheden die door de wet gevestigd zijn,
beogen het algemeen of het gemeentelijk nut, of het nut van
bijzondere personen.
Art. 650. Die welke gevestigd zijn tot algemeen of tot gemeentelijk
nut, betreffen de voetpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren,
het aanleggen of herstellen van de wegen en andere openbare of
gemeentelijke werken.
Alles wat deze soort van erfdienstbaarheid betreft, wordt door
bijzondere wetten of verordeningen geregeld.
Art. 651. De wet legt de eigenaars verscheidene verplichtingen
jegens elkaar op, onafhankelijk van iedere overeenkomst.
Art. 652. Enkele van deze verplichtingen worden geregeld door de
wetten op de veldpolitie;
De overige betreffen de gemene muur en de gemene gracht, het geval
dat een tegenmuur nodig is, de uitzichten op het eigendom van de
nabuur, de dakdrop, het recht van uitweg.
AFDELING I. - GEMENE MUUR EN GEMENE GRACHT.
Art. 653. In de steden en op het platteland wordt iedere muur
vermoed gemeen te zijn, wanneer hij tot scheiding dient tussen
gebouwen, en dan tot aan het minst verheven dak, of nog wanneer hij
tot scheiding dient tussen binnenplaatsen en tuinen, en zelfs tussen
omheinde erven in de velden; een en ander indien er titel noch teken
is van het tegendeel.
Art. 654. Een teken dat een scheidsmuur niet gemeen is, is aanwezig
wanneer het bovenste van de muur aan de ene kant opstaande is en
loodrecht op het voetstuk, en aan de andere kant schuin afloopt;
Eveneens, wanneer er zich slechts aan één zijde, hetzij een kap,
hetzij stenen lijsten en karbelen bevinden, die daar bij het bouwen
van de muur zijn geplaatst.
In die gevallen wordt de muur geacht uitsluitend toe te behoren aan
de eigenaar aan wiens zijde de drop is of de stenen karbelen en
lijsten zich bevinden.
Art. 655. Het herstellen en het wederopbouwen van de gemene muur
komen ten laste van allen die op de muur recht hebben, en zulks naar
evenredigheid van ieders recht.
Art. 656. Echter kan ieder medeëigenaar van een gemene muur zich
bevrijden van de verplichting om bij te dragen tot het herstellen en
het wederopbouwen, door zijn recht van medeëigendom te laten varen,
mits de gemene muur geen gebouw steunt dat hem toebehoort.
Art. 657. Ieder medeëigenaar mag tegen een gemene muur aanbouwen en
daarin balken of ribben doen plaatsen door de gehele dikte van de
muur, op vierenvijftig millimeter (...) na, onverminderd het recht
van de nabuur om de balk met een steekbeitel tot de helft van de
muur te doen inkorten, ingeval hij zelf op die plaats balken zou
willen steken of daar tegenaan een schoorsteen zou willen maken. <W
15-12-1949, art. 28>
Art. 658. Ieder medeëigenaar mag de gemene muur hoger doen
optrekken; doch hij alleen moet de kosten van de verhoging betalen,
alsook de herstellingen tot onderhoud van hetgeen zich boven de
hoogte van de gemene afsluiting bevindt, en bovendien een vergoeding
voor de last naar evenredigheid van de verhoging en volgens de
waarde.
Art. 659. Indien de gemene muur niet in staat is de verhoging te
dragen, moet hij die de muur wil optrekken, hem op zijn kosten
geheel opnieuw doen opbouwen en de meerdere dikte moet van de grond
aan zijn kant afgenomen worden.
Art. 660. De nabuur die tot de verhoging niet heeft bijgedragen, kan
deze gemeen maken door de helft te betalen van de voor de verhoging
gemaakte kosten, alsook de waarde van de helft van de grond waarvan
voor de verbreding mocht zijn gebruik gemaakt.
Art. 661. _ Iedere eigenaar van een erf dat paalt aan een muur,
heeft ook het recht om die muur geheel of gedeeltelijk gemeen te
maken, mits hij aan de eigenaar van de muur de helft vergoedt van
zijn waarde ofwel de helft van de waarde van het gedeelte dat hij
gemeen wil maken, en de helft van de waarde van de grond waarop de
muur gebouwd is.
Art. 662. Geen nabuur mag in de gemene muur een holte maken of
daartegen een werk aanbrengen of doen steunen, zonder toestemming
van de andere nabuur of, indien deze weigert, zonder door
deskundigen de middelen te hebben doen bepalen die nodig zijn om te
voorkomen dat door het nieuwe werk aan de rechten van de andere
nabuur afbreuk wordt gedaan.
Art. 663. Eenieder kan, in de steden en voorsteden, zijn nabuur
verplichten om bij te dragen tot het bouwen en herstellen van de
afsluiting die dient tot scheiding van hun in die steden en
voorsteden gelegen huizen, binnenplaatsen en tuinen; de hoogte van
de afsluiting wordt vastgesteld volgens de bijzondere verordeningen
of de vaste en erkende gebruiken; en, bij gebreke van gebruik of
verordening, moet elke tussen naburen tot scheiding dienende muur
die voortaan gebouwd of wederopgebouwd zal worden, een hoogte hebben
van ten minste tweeëndertig decimeter (...), de kap daarin begrepen,
in de steden van vijftigduizend en meer zielen, en van zesentwintig
decimeter (...) in de andere steden. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 664. (Opgeheven) <W 08-07-1924, art. 2>
Art. 665. Wanneer men een gemene muur of een huis weder opbouwt,
blijven de heersende en lijdende erfdienstbaarheden voortbestaan ten
opzichte van de nieuwe muur of van het nieuwe huis, zonder dat zij
echter verzwaard kunnen worden, en mits de wederopbouw geschiedt
vooraleer de verjaring is verkregen.
Art. 666. Alle grachten tussen twee erven worden vermoed gemeen te
zijn, indien er titel noch teken is van het tegendeel.
Art. 667. Een teken dat een gracht niet gemeen is, is aanwezig
wanneer de dijk of de opgeworpen aarde zich slechts aan één zijde
van de gracht bevindt.
Art. 668. De gracht wordt geacht uitsluitend aan degene toe te
behoren aan wiens kant zich de opgeworpen aarde bevindt.
Art. 669. (Opgeheven) <W 07-10-1886, art. 98>
Art. 670. (Opgeheven) <W 07-10-1886, art. 98>
Art. 671. (Opgeheven) <W 07-10-1886, art. 98>
Art. 672. (Opgeheven) <W 07-10-1886, art. 98>
Art. 673. (Opgeheven) <W 07-10-1886, art. 98>
AFDELING II. - AFSTAND EN TUSSENWERKEN VEREIST BIJ BEPAALDE
BOUWWERKEN.
Art. 674. Hij die nabij een al dan niet gemene muur, een put of een
gemakput laat graven.
Hij die daartegen een schoorsteen of stookplaats, een smidse, oven
of fornuis wil oprichten,
Daartegen een stal wil aanbouwen,
Of tegen die muur een bewaarplaats van zout of een opslag van
bijtende stoffen wil aanleggen,
is verplicht de afstand te laten die is voorgeschreven door de
bijzondere verordeningen en gebruiken op dat stuk, of zodanige
werken aan te leggen als deze verordeningen en gebruiken
voorschrijven ten einde schade voor de nabuur te voorkomen.
AFDELING III. - UITZICHTEN OP HET EIGENDOM VAN DE NABUUR.
Art. 675. Geen van de naburen mag, zonder toestemming van de andere,
in een gemene muur een venster of opening maken, hoe dan ook, zelf
niet met vaststaand glasraam.
Art. 676. De eigenaar van een niet gemene muur die onmiddellijk
paalt aan het erf van een ander, mag in die muur lichtopeningen of
vensters maken met ijzeren traliewerk en vaststaand glasraam.
Deze vensters moeten voorzien zijn van een ijzeren traliewerk
waarvan de maliën ten hoogste een decimeter (...) groot zijn, en van
een vaststaand glasraam. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 677. Deze vensters of lichtopeningen mogen niet lager gemaakt
worden dan zesentwintig decimeter (...) boven de vloer of grond van
de kamer die men wil verlichten, indien deze met de straat
gelijkvloers is, en niet lager dan negentien decimeter (...) boven
de vloer, voor de hogere verdiepingen. <W 15-12-1949, art. 28>.
Art. 678. Men mag op het besloten of niet besloten erf van zijn
nabuur geen rechtstreekse uitzichten of uitzicht gevende vensters,
noch balkons of andere soortgelijke vooruitspringende werken hebben,
tenzij er een afstand van negentien decimeter (...) is tussen de
muur waar men die maakt, en het erf. <W 15-12-1949, art. 28>
Art. 679. Men mag op datzelfde erf geen zijdelingse of schuine
uitzichten hebben, tenzij er een afstand is van zes decimeter (...).
<W 15-12-1949, art. 28>
Art. 680. De afstand waarvan sprake in de twee vorige artikelen,
wordt gerekend van het buitenvlak van de muur waarin de opening
gemaakt wordt, en, indien er balkons of andere soortgelijke
vooruitspringende werken zijn, van hun buitenrand tot aan de
scheidslijn van beide eigendommen.
Art. 680bis. <ingevoegd bij W 2004-07-09/30, art. 52;
Inwerkingtreding : 25-07-2004> De wettelijke beperkingen die de
huidige afdeling aan naburen oplegt zijn niet van toepassing op
aangelanden van openbare wegen en spoorwegen die tot het openbaar
domein behoren.
AFDELING IV. - DAKDROP.
Art. 681. Ieder eigenaar moet zijn daken zodanigaanleggen dat het
regenwater op zijn grond of op de openbare weg afloopt; hij mag het
niet doen neerkomen op het erf van zijn nabuur.
AFDELING V. - RECHT VAN UITWEG.
Art. 682. <W 01-03-1978, art. 1> § 1. De eigenaar wiens erf
ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de
openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven
onkosten of ongemakken, kan, voor het normale gebruik van zijn
eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg vorderen over de erven
van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding
tot de schade die hij mocht veroorzaken.
§ 2. De vordering tot toewijzing van een uitweg is onverjaarbaar.
§ 3. Bij stilzitten van de eigenaar kan de gebruiker van het erf dat
zich bevindt in de toestand beschreven in § 1, onder dezelfde
voorwaarden een uitweg vorderen, mits hij de eigenaar in de zaak
roept.
Art. 683. <W 01-03-1978, art. 1> De ligging van de uitweg wordt door
de rechter bepaald op zulk een wijze dat hij het minst schadelijk
is.
Indien de ingeslotenheid evenwel het gevolg is van de splitsing van
een erf na verkoop, ruiling, verdeling of enige andere
omstandigheid, kan de uitweg slechts verleend worden over de
percelen die voor de splitsing tot dat erf behoorden, tenzij de
openbare weg op die wijze niet voldoende bereikbaar is. De rechter
oordeelt naar billijkheid.
Art. 684. <W 01-03-1978, art. 1> De verleende uitweg houdt op,
wanneer hij niet meer noodzakelijk is naar het voorschrift van
artikel 682, § 1, of wanneer hij kan genomen worden op een andere
plaats, die minder schadelijk is geworden dan de aangewezen ligging.
Men kan zich op geen verjaring beroepen, hoelang de uitweg ook moge
bestaan.
De vordering tot afschaffing of tot verplaatsing van de uitweg kan
worden ingesteld door de eigenaar of bij stilzitten van deze door de
gebruiker van het heersend of het lijdend erf. De gebruiker dient de
eigenaar in de zaak te roepen.
Wanneer de uitweg wordt afgeschaft kan de rechter, in acht genomen
de duur van het recht en de geleden schade, de volledige of
gedeeltelijke terugbetaling van de ontvangen vergoeding bevelen.
Art. 685. <W 01-03-1978, art. 1> De vordering tot vergoeding, in het
geval van artikel 682, is vatbaar voor verjaring en de uitweg moet
blijven bestaan, hoewel de vordering tot vergoeding niet meer
ontvankelijk is.
HOOFDSTUK III. - ERFDIENSTBAARHEDEN DIE DOOR 'S MENSEN TOEDOEN
GEVESTIGD WORDEN.
AFDELING I. - ONDERSCHEIDEN SOORTEN VAN ERFDIENSTBAARHEDEN DIE OP
GOEDEREN KUNNEN WORDEN GEVESTIGD.
Art. 686. Eigenaars mogen op hun eigendommen of ten voordele van hun
eigendommen zodanige erfdienstbaarheden vestigen als zij goedvinden,
mits echter de gevestigde dienstbaarheden noch aan een persoon, noch
ten voordele van een persoon, maar slechts aan een erf en ten
behoeve van een erf worden opgelegd, en mits deze dienstbaarheden
overigens niet met de openbare orde strijdig zijn.
Gebruik en omvang van de aldus gevestigde erfdienstbaarheden worden
geregeld door de titel die deze vestigt; bij gebreke van een titel,
door de hierna volgende bepalingen.
Art. 687. Erfdienstbaarheden worden gevestigd ofwel voor het gebruik
van gebouwen, ofwel voor het gebruik van gronderven.
Die van de eerste soort worden stedelijke erfdienstbaarheden
genoemd, onverschillig of de gebouwen waaraan zij verschuldigd zijn,
in de stad dan wel op het platteland gelegen zijn;
Die van de tweede soort worden landelijke erfdienstbaarheden
genoemd.
Art. 688. Erfdienstbaarheden zijn of voortdurend of niet
voortdurend.
Voortdurende erfdienstbaarheden zijn die waarvan het gebruik
voortdurend is of zijn kan zonder dat daartoe telkens een daad van
de mens vereist is : zodanige zijn waterlopen, goten, uitzichten en
andere van dien aard.
Niet voortdurende erfdienstbaarheden zijn die welke, om te worden
uitgeoefend, telkens een daad van de mens vereisen : zodanige zijn
het recht van overgang, het recht om water te putten, het weiderecht
en andere soortgelijke rechten.
Art. 689. Erfdienstbaarheden zijn zichtbaar of niet zichtbaar.
Zichtbare erfdienstbaarheden zijn die waarvan blijkt door uitwendige
werken, zoals een deur, een venster, een waterleiding.
Niet zichtbare erfdienstbaarheden zijn die welke geen uitwendig
teken van hun bestaan vertonen, zoals, bij voorbeeld, het verbod om
op een erf te bouwen, of om niet dan tot een bepaalde hoogte te
bouwen.
AFDELING II. - HOE ERFDIENSTBAARHEDEN GEVESTIGD WORDEN.
Art. 690. Voortdurende zichtbare erfdienstbaarheden worden verkregen
door een titel of door dertigjarig bezit.
Art. 691. Voortdurende niet zichtbare erfdienstbaarheden, en niet
voortdurende al dan niet zichtbare erfdienstbaarheden kunnen slechts
door een titel worden gevestigd.
Bezit, zelfs sinds onheuglijke tijden, is niet voldoende om deze
erfdienstbaarheden te vestigen; echter kan men de reeds door bezit
verkregen erfdienstbaarheden van dien aard ten huidigen dage niet
betwisten, in de gewesten waar zij op die wijze konden worden
verkregen.
Art. 692. Bestemming door de huisvader geldt als titel ten aanzien
van voortdurende zichtbare erfdienstbaarheden.
Art. 693. Bestemming door de huisvader is slechts aanwezig wanneer
bewezen is dat twee thans van elkaar gescheiden erven aan dezelfde
eigenaar hebben toebehoord en dat deze de zaken gesteld heeft in de
toestand waaruit de erfdienstbaarheid voortvloeit.
Art. 694. Wanneer de eigenaar van twee erven waartussen een
zichtbaar teken van erfdienstbaarheid bestaat, over een van deze
erven beschikt zonder dat het contract enig beding omtrent de
erfdienstbaarheid bevat, blijft deze heersend of lijdend
voortbestaan ten voordele van het vervreemde erf of op het
vervreemde erf.
Art. 695. Ten aanzien van erfdienstbaarheden die niet door verjaring
kunnen worden verkregen, kan de titel van vestiging van de
erfdienstbaarheid slechts worden vervangen door een titel van
erkenning van de erfdienstbaarheid, uitgaande van de eigenaar van
het dienstbare erf.
Art. 696. Wanneer men een erfdienstbaarheid vestigt, wordt men
geacht alles toe te staan wat voor het gebruik daarvan nodig is.
Zo omvat de erfdienstbaarheid om water te putten uit de bron van een
ander, noodzakelijk een recht van overgang.
AFDELING III. - RECHTEN VAN DE EIGENAAR VAN HET ERF WAARAAN DE
ERFDIENSTBAARHEID VERSCHULDIGD IS.
Art. 697. Hij aan wie erfdienstbaarheid verschuldigd is, heeft het
recht alle werken uit te voeren die nodig zijn voor het gebruik en
het behoud van die erfdienstbaarheid.
Art. 698. Deze werken komen te zijnen koste, en niet ten koste van
de eigenaar van het dienstbare erf, tenzij de titel van vestiging
van de erfdienstbaarheid het tegendeel bepaalt.
Art. 699. Zelfs ingeval de eigenaar van het dienstbare erf bij de
titel belast is om op zijn kosten de voor het gebruik en het behoud
van de erfdienstbaarheid nodige werken uit te voeren, kan hij zich
te allen tijde van die last bevrijden, door het dienstbare erf af te
staan aan de eigenaar van het erf waaraan de erfdienstbaarheid
verschuldigd is.
Art. 700. Indien het erf, ten behoeve waarvan de erfdienstbaarheid
is gevestigd, verdeeld wordt, blijft de erfdienstbaarheid voor ieder
gedeelte verschuldigd, maar zonder dat de toestand van het
dienstbare erf mag worden verzwaard.
Zo, bij voorbeeld, indien het een recht van overgang betreft, zijn
alle medeëigenaars verplicht dit over dezelfde plaats uit te
oefenen.
Art. 701. De eigenaar van het dienstbare erf mag niets doen dat zou
strekken om het gebruik van de erfdienstbaarheid te verminderen of
ongemakkelijker te maken.
Zo mag hij de gesteldheid van de plaats niet veranderen, noch de
uitoefening van de erfdienstbaarheid verleggen naar een andere
plaats dan die welke voor de erfdienstbaarheid oorspronkelijk was
aangewezen.
Indien evenwel die oorspronkelijke aanwijzing voor de eigenaar van
het dienstbare erf meer bezwarend mocht zijn geworden of indien zij
hem verhindert voordelige herstellingen daaraan te verrichten, kan
hij de eigenaar van het andere erf een plaats aanbieden die voor de
uitoefening van zijn rechten even gemakkelijk is, en deze mag zulks
niet afwijzen.
Art. 702. Anderzijds mag hij die een recht van erfdienstbaarheid
heeft, daarvan slechts gebruik maken overeenkomstig zijn titel,
zonder aan het dienstbare erf of aan het heersende erf een
verandering te mogen aanbrengen waardoor de toestand van het
eerstgenoemde zou worden verzwaard.
AFDELING IV. - HOE ERFDIENSTBAARHEDEN TENIET GAAN.
Art. 703. Erfdienstbaarheden gaan teniet wanneer de zaken zich in
zodanige staat bevinden dat men daarvan geen gebruik meer kan maken.
Art. 704. Zij herleven wanneer de zaken in zodanige staat hersteld
worden dat men daarvan gebruik kan maken, tenzij reeds voldoende
tijd verlopen is om te laten vermoeden dat de erfdienstbaarheid is
teniet gegaan, gelijk in artikel 707 is bepaald.
Art. 705. Alle erfdienstbaarheden gaan teniet wanneer het heersende
erf en het dienstbare erf in dezelfde hand verenigd worden.
Art. 706. Een erfdienstbaarheid gaat teniet door het niet uitoefenen
daarvan gedurende dertig jaren.
Art. 707. Naar gelang van de onderscheiden soorten van
erfdienstbaarheden beginnen de dertig jaren te lopen ofwel, wanneer
het niet voortdurende erfdienstbaarheden betreft, van de dag dat men
heeft opgehouden daarvan gebruik te maken, ofwel, wanneer het
voortdurende erfdienstbaarheden betreft, van de dag dat een met de
erfdienstbaarheid strijdige daad is verricht.
Art. 708. De wijze van gebruik van een erfdienstbaarheid verjaart
evenals de erfdienstbaarheid zelf en op gelijke manier.
Art. 709. Wanneer het erf ten voordele waarvan een erfdienstbaarheid
gevestigd is, aan verscheidene eigenaars onverdeeld toebehoort,
belet het genot van een van hen de verjaring ten opzichte van allen.
Art. 710. Indien zich onder de medeëigenaars iemand bevindt, tegen
wie de verjaring niet kan lopen, zoals een minderjarige, bewaart
deze het recht van alle overigen.
Art. 710bis. <Ingevoegd bij W 22-02-1983, art. 1> Op verzoek van de
eigenaar van het lijdend erf kan de rechter de afschaffing van een
erfdienstbaarheid bevelen wanneer deze ieder nut voor het heersend
erf heeft verloren.
Advocatenkantoor Elfri De Neve
Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde
voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03
Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier