-A +A

Herroeping verwerping nalatenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De herroeping van de verwerping van een nalatenschap is inderdaad mogelijk.

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Artikel 790:

"Zolang tegen erfgenamen die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, blijven zij bevoegd om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard; onverminderd evenwel de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn verkregen, hetzij door verjaring, hetzij door handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde nalatenschap."

Erfgenamen hebben ingevolge art. 789 B.W. het recht en de mogelijkheid om gedurende een periode van dertig jaar de nalatenschap te verwerpen. De vaststelling dat erfgerechtigden pas tot verwerping zijn overgegaan na in rechte te zijn gedagvaard, is dan ook van geen belang, in die zin dat dit de verwerping niet ongeldig maakt.

Ook na de termijn van inventaris en beraad hebben de erfgenamen nog een optierecht op voorwaarde dat zij nog geen daad van aanvaarding als erfgenaam hebben gesteld en er tegen hen geen vonnis in kracht van gewijsde bestaat dat hen in de hoedanigheid van zuiver erfgenaam veroordeelt.

Wanneer de ouders van en minderjarige in hun hoedanigheid van ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen over en de goederen beheren van hun minderjarige kinderen, zelfs na te zijn gedagvaard, in gebreke blijven het optierecht namens hun minderjarige kinderen daadwerkelijk uit te oefenen, dienen de minderjarige erfgerechtigden als erfgenaam te worden beschouwd en zijn zij gehouden tot de schulden van de nalatenschap.


rechtspraak

• Burgerlijke Rechtbank te Kortrijk, 4e Kamer – 8 november 2007, RW 2008, 2009,  NOOT – Het niet uitoefenen van het optierecht namens minderjarige erfgerechtigden: quid met de rechten van schuldeisers van de nalatenschap? lees deze noot met het paswoord van RW
 ...

2. Eiser M.S. zet uiteen dat hij aan G.D. op 15 juni 1988 een bedrag uitleende van 250.000 fr. onder de voorwaarde dat het bedrag op eerste verzoek zou worden terugbetaald en dat er geen interest werd bedongen.

Op 1 maart 1989 werd tussen M.S. en G.D. een overeenkomst ondertekend waarbij G.D. erkende dat hij een bedrag van 177.807 fr. schuldig was.

Er werd, aldus eiser, ook een bedrag van 350.000 fr. ter beschikking gesteld van G.D.

Aangezien er, aldus eiser, in totaal 777.807 fr. werd uitgeleend aan G.D., waarbij werd overeengekomen dat er op 427.807 fr. interest zou worden betaald vanaf 1 maart 1989, in acht genomen dat op het bedrag van 250.000 fr. er voor één jaar interesten verrekend werden in de overeenkomst van 1 maart 1989.

35.000 fr. werd afbetaald. Verweerders zijn, aldus eiser, de erfgenamen van wijlen G.D., zodat zij gehouden zijn de desbetreffende schuld te vereffenen.

3. Verweerster M.-R.C. is de weduwe van G.D. Zij trad in het huwelijk op 8 mei 1998.

Zij voert aan dat zij niet op de hoogte was van het feit dat G.D. eigen schulden zou hebben gehad – schulden van vóór het huwelijk. Partijen waren gehuwd onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract.

M.-R.C. houdt staande dat zij niet kan worden aangesproken in betaling van de beweerde schulden om reden dat zij tot verwerping van diens nalatenschap is overgegaan en alsdan geacht wordt nooit erfgenaam te zijn geweest krachtens art. 785 B.W.

Pas ingevolge de dagvaarding van 26 april 2005, bijna één jaar na het overlijden van G.D., kreeg zij kennis van de beweerde schulden.

K.D. en N.D. zijn de wettige kinderen van G.D. Zij beweren dat zij niet op de hoogte waren van het overlijden van hun vader tot zij in april 2005 een dagvaarding ontvingen op verzoek van M.S., die beweert een vordering te hebben ten laste van de nalatenschap van wijlen G.D. Zij voeren aan op 14 november 2005 de nalatenschap van wijlen G.D. zuiver en eenvoudig verworpen te hebben.

A.T. is de moeder van G.D. Zij is erfgenaam als er geen erfgerechtigden meer zijn in eerste orde. Zij heeft de erfenis verworpen.

In casu zijn er erfgenamen van de eerste orde, aldus A.T., en kan zij niet worden aangesproken voor de schulden van de erfboedel van wijlen haar zoon. Er bestaat geen twijfel, aldus deze verweerster, dat zij niet uitdrukkelijk heeft aanvaard. Immers er is geen authentieke of onderhandse akte waarin zij de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt.

4. De rechter vermag, zonder dat er schriftonderzoek is bevolen, te beslissen over de echtheid van het geschrift dat is ontkend door diegene tegen wie het is ingeroepen op grond dat hij daartoe voldoende zekerheid heeft door de overgelegde feitelijke gegevens en hun bewijswaarde (Cass. 7 maart 2002, R.W. 2004-05, 508). Na inzage van de stukken dient te worden aangenomen dat deze authentiek zijn.

5. De erfgenamen hebben de mogelijkheid om gedurende een periode van dertig jaar de nalatenschap te verwerpen op grond van art. 789 B.W. dat bepaalt: «Het recht om een nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen verjaart door verloop van de tijd die voor de langste verjaring van onroerende goederen vereist is».

Het feit dat verweerders tot verwerping zijn overgegaan na in rechte te zijn gedagvaard is dan ook van geen belang. Zolang er geen vonnis is dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan de verwerping gebeuren.

Erfgenamen behouden onder meer ook na verloop van de termijnen van boedelbeschrijving en beraad hun optierecht zo zij nog geen daad van aanvaarding als erfgenaam hebben gesteld en tegen hen geen vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en dat hen als zuiver erfgenaam veroordeelt. «Erfgerechtigden die met toepassing van art. 751 Ger. W. veroordeeld werden tot betaling van een schadeloosstelling op grond van een door hun rechtsvoorganger gepleegde onrechtmatige daad, kunnen achteraf nog rechtsgeldig diens nalatenschap verwerpen» (Antwerpen 11 mei 1977, R.W. 1976-77, 2484). Wanneer de erfgenamen van een overleden huurder gedagvaard worden tot betaling van achterstallige huishuur en tot intrekking van de wettelijke huurverlenging, verstek laten gaan en na betekening van het verstekvonnis de nalatenschap verwerpen, moeten zij geen schuld meer uit hoofde van deze nalatenschap betalen (Vred. Elsene 21 januari 1977).

M.-R.C., A.T., K.D. en N.D. hebben tijdig de nalatenschap verworpen, hetzij nadat zij door dagvaarding in kennis werden gesteld van het overlijden.

M.-R.C. is gewoon in de gezinswoning blijven wonen. Hoogstens kan worden gezegd dat misschien een deel van de inboedel aan wijlen G.D. toebehoorde, wat nog niet is bewezen. Zij is niet op de hoogte geweest van het overlijden en zelfs dan nog, daden van bewaring ten aanzien van de gezinswoning zijn geen daden van aanvaarding.

«Overwegende dat het arrest zegt dat de eisers, na het overlijden van hun echtgenoot, respectievelijk vader, alle meubels hebben behouden die in het huis stonden dat eiseres, de weduwe van de overledene, samen met hem betrok op het ogenblik van diens overlijden. Dat het Hof van Beroep uit die vaststelling niet wettig kan afleiden dat de eisers een daad van stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap hebben verricht» (Cass. 23 januari 1988, Arr. Cass. 1998, 48).

De vordering van eiser ten aanzien van M.-R.C., K.D., N.D. en A.T. is niet gegrond.

6. K.D., D.D. en N.D., die optreden in hun hoedanigheid van ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen over en de goederen beheren van hun minderjarige kinderen, laten verstek gaan.

Nu de rechtbank aanneemt dat zij in eigen naam niet gehouden zijn tot de schulden van de nalatenschap, zijn hun kinderen wel erfgenaam bij plaatsvervulling. De kleinkinderen zijn evenwel slechts gehouden in de mate van art. 870 B.W., d.w.z. elk voor 4.820,33 euro.

• Vred. Gent 18 augustus 2010, RW 2010-2011, 1494

A.C. en B.R.

Overwegende dat verzoekers de nalatenschap van wijlen C.T., ongehuwd, (...), wensen te verwerpen in naam van voornoemde minderjarigen.

Verzoekers laten gelden dat de nalatenschap van C.T. toekomt aan:

– C.J., vader, voor een vierde in volle eigendom;

– D.M., moeder, voor een vierde in volle eigendom;

– C.A., zuster, voor een zesde in volle eigendom;

– C.A., broer, voor een zesde in volle eigendom;

– C.A., broer, voor een zesde in volle eigendom.

Verzoekers laten voorts gelden dat, gelet op het vroegtijdig overlijden van C.T., er in het raam van een familiale afspraak werd overeengekomen dat beide broers en de zuster de nalatenschap van hun broer zullen verwerpen.

Dat het de bedoeling is de gehele nalatenschap te laten toekomen aan de ouders van de overledene.

Dat hierdoor het beheer mogelijk is van het familiale landbouwbedrijf dat tot hiertoe geleid werd door de overledene en zijn broer A.C., in afwachting van een oplossing waardoor de aandelen van de landbouwgroepering van de gemeenschappelijke exploitatie die in handen waren van de overledene op middellange termijn kunnen worden overgenomen door een nieuwe exploitant.

Dat de ouders van de overledene bovendien over de technische en financiële middelen beschikken om het hoofd te bieden aan de tussenperiode waarin de leningen die werden aangegaan door de overledene en niet ten laste genomen worden door een verzekering- overlijden, moeten worden terugbetaald.

Verzoekers laten gelden dat, rekening houdend met de Franse erfrechtelijke fiscaliteit die op de dag van het overlijden van T.C. van kracht is, door deze verwerping alle erfrechten vermeden kunnen worden, rekening houdend met de beschikbare vrijstellingen voor ieder van de ouders, die veel groter is dan die waarover de bevoorrechte bloedverwanten in zijlijn kunnen beschikken.

Gelet op de bepalingen van art. 378 en 410, § 1, 5o, BW.

Overwegende dat art. 410, § 1, 5o, BW de voogd verplicht de machtiging van de vrederechter te vragen om een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel te verwerpen.

Overwegende dat uit de verstrekte uitleg blijkt dat de nalatenschap van C.T. in principe naar zijn ouders gaat en naar zijn broers en zuster.

Overwegende dat de minderjarige kinderen K., E. en M. slechts tot de nalatenschap komen indien hun moeder A.C. de nalatenschap wat haarzelf betreft, verwerpt.

Overwegende dat, indien de thans gevraagde machtiging wordt toegestaan, de minderjarige kinderen niets ontvangen, terwijl indien deze machtiging wordt geweigerd, zij ook niets zullen ontvangen, want dan ligt het voor de hand dat hun moeder de voorgenomen verwerping wat haarzelf betreft niet zal doen.

Overwegende dat in dat laatste geval een zesde van de nalatenschap naar de moeder van de minderjarigen zal gaan die er naar goeddunken over zal kunnen beschikken maar wel vooraf zeer hoge successierechten zal moeten betalen als erfgename in de zijlijn.

Overwegende dat uit de verstrekte uitleg blijkt dat indien A.C. in eigen naam de nalatenschap verwerpt en indien de beide verzoekers dit ook doen in naam van de minderjarigen, de nalatenschap zo goed als onbelast zal overgaan aan de grootouders van de minderjarige kinderen en later als erfenis in de rechte lijn ook wellicht nauwelijks belast onder meer naar eerste verzoekster zal gaan en na verwerping zo niet na haar eigen overlijden aan de thans nog minderjarige kinderen zal toekomen.

Overwegende dat de minderjarige kinderen er aldus belang bij hebben dat de nalatenschap van hun vooroverleden oom onbelast in de familie zal blijven (vgl. T. Wuyts, Vermogensbeheer door ouder(s), voogd en voorlopig bewindvoerder, p. 105, nr. 192).

• Cass. 28/10/2016, RW 2017-2018, 822

Samenvatting

Artikel 790 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat zolang tegen erfgenamen die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, zij bevoegd blijven om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, in-dien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard, onverminderd evenwel de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn ver-kregen, hetzij door verjaring, hetzij door handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde nalatenschap.
2. De Staat is geen erfgenaam in de zin van voormelde bepaling, maar verkrijgt de heerloze nalatenschap op grond van zijn recht van soevereiniteit.

Tekst arrest

AR nr. C.15.0488.N

Belgische Staat t/ K. TH.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 30 juni 2015....

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Art. 790 BW bepaalt dat zolang tegen erfgenamen die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, zij bevoegd blijven om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard, onverminderd evenwel de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn verkregen, hetzij door verjaring, hetzij door handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde nalatenschap.

2. De Staat is geen erfgenaam in de zin van voormelde bepaling, maar verkrijgt de heerloze nalatenschap op grond van zijn recht van soevereiniteit.

3. De appelrechters die oordelen dat de eiser geen erfgenaam is, verantwoorden hun beslissing dat de verweerder de eerdere verwerping van de nalatenschap van zijn broer nog kon herroepen, naar recht.

4. De appelrechters oordelen niet alleen dat het verzoek tot inbezitstelling geen aanvaarding impliceert, maar ook dat de eiser geen erfgenaam is in de zin van ar-tikel 790 Burgerlijk Wetboek.

5. Die zelfstandige, in het eerste onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden, draagt de beslissing van de appelrechters dat de herroeping door de verweerder van de eerdere verwerping van de nalatenschap van zijn broer rechtsgeldig is gebeurd en tegenstelbaar is aan de eiser.
Het onderdeel is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

C.15.0488.N
Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Verweerder had de nalatenschap van zijn overleden broer verworpen, maar kwam daarop terug (aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving) nadat eiser reeds de definitieve inbezitstelling had gevorderd.

2. Het bestreden arrest oordeelt dat eiser als dusdanig evenwel niet erft, maar op grond van zijn soevereiniteit onbeërfde nalatenschappen toegewezen krijgt, zodat - nu hij geen erfgenaam is - er voor de verweerder geen wettelijk beletsel bestond om zijn eerdere verwerping van de nalatenschap te herroepen.

3. Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan, dat op twee onderdelen berust.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. In deze zaak rijst de vraag of de erfgenaam die de nalatenschap heeft verworpen, deze nog kan herroepen nadat de Belgische Staat reeds de definitieve inbezitstelling heeft gevraagd.

2. Bij gebreke van erfgerechtigden vervalt de nalatenschap aan de Staat (Art. 768 BW).

3. De rechten van de Staat zijn in het Burgerlijk Wetboek gerangschikt onder de "onregelmatige erfopvolging". Nadat de langstlevende echtgenoot en het natuurlijk kind (respectievelijk door de wetten van 14 mei 1981 en 31 maart 1987) tot gewone erfgenamen werden geherkwalificeerd, is de Staat thans de enige "onregelmatige erfopvolger" geworden.

4. In zoverre de erfgenamen (als regelmatige erfopvolger) het bezit van de erfgoederen hebben, moet de Staat (in die onregelmatige hoedanigheid) de inbezitstelling vragen (Art. 770 BW).

5. De reden waarom de Staat de inbezitstelling moet vragen wordt verantwoord doordat de rechtbanken kunnen onderzoeken of de Staat wel degelijk recht heeft op die onbeheerde en onbeërfde goederen, dan wel of er toch geen erfgenamen zijn die recht hebben op die nalatenschap en hun rechten willen doen gelden. Wat particulieren niet wensen te verkrijgen in het raam van hun erfopvolging gaat - rechtshistorisch - naar de gemeenschap, de Staat, terug. In die context is de Staat een algemene rechtsopvolger wiens verplichting de schulden te betalen een last uitmaakt van de juridische universaliteit die hij verwerft; anders dan de erfgenamen is de Staat m.b.t. de schuldeisers van de overledene bovendien slechts gehouden intra vires successionis/hereditatis, zonder dat hij de nalatenschap moet aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving.

6. De kwalificatie van het recht van de Staat is evenwel een traditioneel twistpunt. De rechtsleer is immers verdeeld over de vraag of de Staat de nalatenschap verkrijgt als erfgenaam dan wel als openbare instantie, op grond van zijn soevereiniteit, conform de artikelen 539 en 713 BW.

7. Alle goederen die onbeheerd zijn en die geen eigenaar hebben, alsook de goederen van personen die zonder erfgenamen overlijden of wier erfenis is verlaten, behoren volgens de artikelen 539 en 713 BW toe aan de Staat en tot het openbaar domein. In deze beide gevallen heeft de wetgever de goederen aan de Staat willen toekennen om te vermijden dat er daardoor (ingevolge loutere inbezitneming door de eerste de beste) wanorde zou ontstaan (maar in feite berust ook het instituut van de erfopvolging op een gelijkaardige bekommernis).

8. De wet bepaalt de orde van erfopvolging tussen de erfgenamen; bij gebreke van erfgenamen vervallen de goederen, conform artikel 723 BW, aan de Staat. Bij gebreke van erfgerechtigden vervalt de nalatenschap aan de Staat (Art. 768 BW). Als dusdanig bepalen deze artikelen aldus niet dat de Staat erft, maar bepalen ze daarentegen dat bij gebreke van erfgenamen/erfgerechtigden de goederen of de nalatenschap vervallen aan de Staat. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dus niet uitdrukkelijk dat de Staat erfgenaam is of hij erft. Een bevestiging daarvan kan ook worden gelezen in artikel 731 BW dat de erfenis toewijst aan de daarin opgesomde orden van erfgenamen, zonder hieronder de Staat evenwel te rangschikken.

9. In zoverre het erfrecht gebaseerd is op de vermoede genegenheid tussen de erflater en de erfgenaam, geldt dit in de regel niet t.a.v. de Staat(1).

10. Artikel 790 BW bepaalt dat zolang tegen erfgenamen die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, zij bevoegd blijven om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard, onverminderd evenwel de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn verkregen, (...). Deze bepaling houdt derhalve in dat de erfgenaam die een nalatenschap verworpen heeft zijn verwerping nog kan herroepen, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard.

11. Het Franse Hof van Cassatie heeft zich in zijn arrest van 6 april 1994 reeds uitgesproken over een gelijkaardige zaak(2). De enige erfgenaam had de nalatenschap verworpen, maar wenste zijn verwerping te herroepen, nadat de Staat reeds in het definitieve bezit van de nalatenschap was gesteld. Het Franse Hof heeft geoordeeld dat artikel 539 van de Code civil geen onderscheid maakt tussen de goederen die onbeheerd zijn en geen eigenaar hebben en de goederen van personen die zonder erfgenamen overlijden of wier erfenis is verlaten, beide categorieën van goederen behoren tot het openbaar domein. Het Hof oordeelt verder dat het op grond van zijn soevereiniteit is dat de Staat de goederen ontvangt van een nalatenschap zonder erfgenamen. De inbezitstelling die hij gehouden is te vragen heeft enkel tot gevolg hem de saisine te verlenen, maar niet de hoedanigheid van erfgenaam. Daaruit volgt dat deze inbezitstelling geen beletsel vormt voor de herroeping van een verwerping van de nalatenschap die eerder door een erfgenaam werd gedaan. Dat het middel niet gegrond is.

12. In zoverre deze oplossing, op basis van de hierboven ontwikkelde traditionele meerderheidsopvatting in de Belgische rechtsleer(3), spoort met de argumentatie dat de Staat geen erfgenaam is(4) , maar optreedt op grond van zijn soevereiniteit, kan de erfgenaam volgens een letterlijke lezing van artikel 790 BW zijn verwerping dan ook nog herroepen nadat de Staat om de inbezitstelling heeft gevraagd.

13. Wanneer de Staat overeenkomstig artikel 770 BW bij de rechtbank de inbezitstelling vraagt van een nalatenschap die op grond van artikel 768 BW bij gebreke van erfgerechtigden aan hem vervalt, moet die nalatenschap worden beschouwd als door hem aanvaard in de zin van artikel 790 BW(5). Door de inbezitstelling te vragen geeft hij immers onmiskenbaar te kennen aanspraak te maken op de nalatenschap en deze, minstens stilzwijgend, te aanvaarden (cf. art. 778 BW). Waar het verzoek tot inbezitstelling aldus een daad van aanvaarding uitmaakt, werkt die aanvaarding overeenkomstig artikel 777 BW in beginsel terug tot op de dag dat de erfenis is opgevallen.

14. Deze oplossing spoort met de wettelijke regeling in Nederland en Frankrijk. In Nederland is een eenmaal gedane keuze onherroepelijk en werkt zij terug tot op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap(6). In Frankrijk heeft men artikel 790 (huidig art. 807) van de Franse Code civil - dat oorspronkelijk overeenstemde met artikel 790 van ons Burgerlijk Wetboek - aangepast en daar aan toegevoegd: " ... ou si l'État n'a pas déjà été envoyé en possession". In de voorbereidende werken leest men desbetreffend dat de inbezitstelling tot gevolg heeft dat de Staat eigenaar wordt van de goederen van de onbeheerde nalatenschap door de verwerping door de erfgenamen; dat het wetsvoorstel ingaat tegen de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie, en dat die bepaling zal zorgen dat de praktijk waarbij erfgenamen de nalatenschap eerst verwerpen om zo de administratie te laten belasten met de vereffening van de nalatenschap en vervolgens hun verwerpen herroepen wanneer blijkt dat de nalatenschap beneficiair is, niet meer kan worden toegepast(7).

15. Deze wetswijziging bevestigt m.i. evenwel ook dat de Staat als dusdanig niet aanzien wordt als een erfgenaam in de zin van artikel 790 (huidig art. 807) van de Franse Code civil, omdat dergelijke toevoegingen in de wet anders niet nodig zou zijn geweest.

16. Mijn ambt sluit zich dan ook aan de meerderheidsopvatting in de doctrine dat eiser optreedt op grond van zijn soevereiniteit en dat het begrip erfgenaam in de zin van artikel 790 BW strikt (en dus niet ruim) moet worden uitgelegd, zodat de Staat - naar de letter van de wet - daaronder niet valt.

17. In zoverre de appelrechters aldus hun beslissing naar recht verantwoorden, komt het mij dan ook voor dat het eerste onderdeel van het enig middel niet kan worden aangenomen, en dat het tweede onderdeel (over de vraag wanneer er sprake is van een aanvaarding in de zin van art. 790 BW), bij gebrek aan belang (de zelfstandige, in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde reden dat eiser geen erfgenaam is in de zin van art. 790 BW, draagt de beslissing van de appelrechters dat de herroeping rechtsgeldig is gebeurd en aan eiser tegenstelbaar is), niet ontvankelijk is.

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
__________________
(1) DE PAGE en DEKKERS, IX, p. 224, nr. 408; R. DILLEMANS, Erfrecht, deel 1, Toewijzing van de nalatenschap in Beginselen van Belg. Privaatrecht, Story - Scientia, 1984, 223 e.v, nr. 97.
(2) Cass.fr. 6 april 1994 (92-13462), www.legifrance.gouv.fr.
(3) Pand.b. tw. Déshérence, nr. 29; C. DEMOLOMBE, Cours de code Napoléon, XIV, Parijs, Durand, 1857, 261, nr. 178; F. LAURENT, Cours élémentaires de droit civil, IX, Brussel, Bruylant, 1873, nr. 158; G. BAUDRY - LACANTINERIE, Traité théorique et pratique de droit civil français, VII.I, Parijs, Larose, 1905, nr. 658; C. AUBRY en C. RAU, Cours de droit civil français, IX, 1917, 444-445, §606ter; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, IX, Brussel, Bruylant, 1974, nr. 408; A. VASTERAVENDTS, Praktisch handboek van erfrecht, Brussel, Larcier, 1975, 133; R. BOURSEAU, Les droits successoraux du conjoint survivant, Brussel, Larcier, 1982, 66; W. PINTENS, B. VAN DER MEERSCH, K. VANWINCKELEN, Inleiding tot het familiaal vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers, 2002, 641, nr. 1358; R. DEKKERS en H. CASMAN, Handboek burgerlijk recht, IV, Antwerpen, Intersentia, 2010, 317, nr. 454; W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 833, nr. 1583; P. DELNOY, Les libéralités et les successions, Brussel, Larcier, 2013, 345, nr. 227; I. VANSTRAELEN, "Commentaar bij art. 768 BW" in Comm.Erf. 2002, losbl.
(4)J. VAN BIERVLIET, Cours de droit civil, I en II, A. Uytspruyst-Dieudonné, 1921, 129, nr. 145; A. KLUYSKENS, Beginselen van het burgerlijk recht, II, Antwerpen, Standaard, 1954, 111, nr. 80; L. BARRETTE, "Le droit de l'Etat sur les successions en déshérence", RGEN 1956-57, 10, nr. 6; A. GOEGEBUER; "Successiebelasting en heerloze nalatenschappen: ontspringt de staat de dans?", Not.Fisc.M. 2002, (141), 143; E. WALLEMACQ, "Des successions en déshérence et de l'évidence trompeuse du droit de souveraineté de l'Etat en matière de succession en déshérence", RGEN 2014, (166), 181.
(5) Pand.b tw Déshérence, nr. 16; RPDB tw. Successions, 163, nr. 292; C. DEMOLOMBE, Cours de code Napoléon, XIV, Parijs, Durand, 1857, 61, nr. 60; F. LAURENT, Cours élémentaires de droit civil, IX, Brussel, Bruylant,1873, 522, nr. 454; L. BARETTE, "Le droit de l'État sur les successions en déshérence" RGEN 1956-57, 15, nr. 9; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 390, nr. 390. Contra: G. BAUDRY-LACANTINERIE, Traité théorique et pratique de droit civil français, VII.II, Parijs, Larose, 1905, 20, nr. 980.
(6) Art. 190.4 van boek 4 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek.
(7) Verslag, Parl.St.Senaat 2006-06, nr. 343.

Noot:
• Zie ook Cassatie 01/12/2011 AR C/11.0010.N

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Artikel 794 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verklaring waarbij een erfgenaam aanvaardt onder voorrecht van boedelbeschrijving slechts kracht heeft voor zover zij is voorafgegaan of gevolgd door een getrouwe en nauwkeurige inventaris van de goederen der nalatenschap, in de vorm door het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven en binnen de termijnen bepaald in de artikelen 795 en 798 van dit wetboek.

Artikel 795 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de erfgenaam voor het opmaken van de boedelbeschrijving drie maanden heeft, te rekenen van de dag waarop de erfenis is opengevallen.

Bovendien heeft hij, om zich omtrent de aanvaarding of de verwerping te beraden, een termijn van veertig dagen, te rekenen van de dag dat de voor het opmaken van de boedelbeschrijving verleende drie maanden verstreken zijn, of van de dag van het sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze voor het verstrijken van de drie maanden is beëindigd.

Artikel 800 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat na verloop van de bij artikel 795 verleende, en zelfs van de door de rechter overeenkomstig artikel 798 toegestane termijnen, de erfgenaam niettemin het recht behoudt om de boedelbeschrijving alsnog te doen opmaken en te aanvaarden onder voorrecht, behalve wanneer hij reeds een daad van erfgenaam verricht heeft, of wanneer tegen hem een vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en hem als zuiver erfgenaam veroordeelt.

Artikel 802 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving de vermenging van de boedels wordt verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldenaars en de legatarissen.

De erfgenaam behoudt tegen de nalatenschap de rechten die hij had tegen de overledene. Hij is tot de betaling van de schulden en lasten der nalatenschap slechts gehouden tot het bedrag van de waarde der goederen die hij verkrijgt.

De schuldeisers van de nalatenschap en de legatarissen worden uit die goederen betaald bij voorkeur boven de persoonlijke schuldeisers van de erfgenaam.

2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de erfgenaam die een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt en deze boedelbeschrijving slechts laat opmaken na de wettelijke termijn, maar kan veroordeeld worden als zuiver aanvaardende erfgenaam wanneer hij reeds een daad van erfgenaam heeft verricht of wanneer tegen hem een vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en hem als zuiver erfgenaam veroordeelt.

3. De appelrechters stellen vast:
- de eisers en de tot bindendverklaring opgeroepen partij hebben de nalatenschap van G. d. S. aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving op 18 januari en op 5 april 2002;
- de boedelbeschrijving werd opgemaakt door notaris V. op 7 januari 2003.

4. De appelrechters stellen niet vast dat de eisers een daad van erfgenaam hebben verricht of dat tegen hen een vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan, en hen als zuiver erfgenaam veroordeelt. Ze konden aldus de eisers niet op hun eigen vermogen veroordelen tot betaling van de schuld van de nalatenschap van G. D. S.

Het onderdeel is gegrond.


Commentaar: 

Hof van Beroep te Brussel, 4 januari 2011, RW 2012-2013, 1543

II. Relevante feitelijke gegevens

Huidig geschil betreft een vordering tot inkorting van de schenkingen, kort vóór zijn dood gedaan door wijlen G.T., overleden op 31 juli 1971.

G.T., broer van Y.T. en van L.T. (moeder van V.S.), was in 1944 gehuwd met mevrouw F.R. In hun huwelijksakte hebben zij M.T. (voorheen M.R., geboren op 8 maart 1943) gewettigd.

De echtgenoten T.-R. zijn in 1948 uit de echt gescheiden. Na de scheiding verbleef M.T. met haar moeder en had zij geen of nauwelijks contact met haar vader.

G.T. hield nog nauwe contacten met zijn zussen en deed, kort vóór zijn dood, schenkingen aan de beide appellanten, namelijk 269.908 fr. aan deposito’s en 150.000 fr. aan kasbons, of een totaal van 419.908 fr. (10.419,25 euro) aan Y.T. en een som van 291.973 fr. (7.237,82 euro) aan L.T.

De bank (agentschap H.) bevestigde bij brief van 12 juni 1973 dat G.T. op 16 juli 1971 zijn depositoboekje volledig leeghaalde. Op die dag werden afhalingen verricht van 5.216 fr., 224.692 fr. en tweemaal 20.000 fr., zijnde een totaal van 369.908 fr. Dezelfde dag heeft de bank 150.000 fr. kasbons G.B. ter beschikking gesteld.

M.T. legde op 2 maart 1973 klacht neer en stelde bij exploot van 3 december 1975 een vordering in tot inkorting van de gedane schenkingen in de mate dat ze haar reserve, in haar hoedanigheid van enige reservataire erfgenaam van G.T., aantastten.

De eerste rechter verklaarde deze vordering gegrond en veroordeelde beide huidige appellanten tot betaling van 334.876 fr., vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 19 december 1975, de gerechtelijke interest en alle gerechtskosten.

III. Bespreking

...

2o De rechtsverwerking en het rechtsmisbruik

9. Appellanten voeren aan dat geïntimeerde met toepassing van de leer van de rechtsverwerking geen rechten meer kan uitoefenen. Zij beklemtonen dat M.T. sedert 1948 geen enkel contact meer had met haar vader, dat zij pas vier jaar en half na diens overlijden een vordering tot inkorting heeft ingesteld en dat zij het normale verloop van de procedure, zowel in eerste aanleg als voor het hof, bijzonder lang heeft laten aanslepen.

10. Rechtsverwerking, die geen algemeen rechtsbeginsel is, onderstelt concrete gedragingen van een partij, die het oordeel rechtvaardigen dat door die partij niet kan worden teruggekomen op het ingenomen standpunt.

Het wordt niet ernstig tegengesproken dat geïntimeerde, na de echtscheiding van haar ouders, geen contacten met haar vader meer had. Zij was echter in deze periode heel jong (nauwelijks vijf jaar oud). Zij blijkt weliswaar geen relatie met hem te hebben aangeknoopt, nadat zij meerderjarig was geworden, tot aan het overlijden, in 1971, van haar vader. De reden hiervoor is echter niet te achterhalen en niets bewijst dat deze toestand aan haar te wijten was.

De verwerping van de nalatenschap is een plechtige rechtshandeling. Zij kan slechts gebeuren met naleving van de wettelijk voorgeschreven vormen. Verwerping kan nooit stilzwijgend gebeuren; zij kan niet vermoed worden (art. 784 BW en art. 1185 Ger.W.).

De aanvaarding van de nalatenschap kan daarentegen uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden; zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten (art. 778 BW). Welnu, aangezien de reservataire erfgename haar reserve opeiste en de inkorting vorderde van de schenkingen gedaan door haar vader in december 1975, wordt zij geacht aanvaardend erfgenaam te zijn vanaf dat ogenblik en kon zij op deze zuivere aanvaarding trouwens niet meer terugkomen.

11. Het verloop van de procedure tussen december 1975 (inleiding voor de eerste rechter) en de pleitzitting voor het hof op 22 november 2010 getuigt duidelijk van een verregaande nalatigheid, maar het aanslepen van de zaak, zowel voor de eerste rechter als voor het hof, is te wijten aan alle partijen, inclusief appellanten. Appellanten, die zelf ook de mogelijkheid hadden om de zaak te activeren, hebben hiertoe niet het minste initiatief genomen en kunnen vandaag niet ernstig beweren dat de houding van geïntimeerde de enige reden is voor de vertraging in de behandeling van het geding.

De nalatigheid van geïntimeerde om de zaak binnen een redelijke termijn in staat te stellen impliceert in geen geval dat zij afstand deed van haar aanspraken of dat zij deze schijn bij appellanten opwekte. Er wordt geen rechtsmisbruik van geïntimeerde bewezen. Deze nalatigheid kan daarentegen gevolgen hebben wat de toekenning van verwijlinterest betreft, zoals hierna zal blijken.

3o De schenkingen

12. Uit de bijzonder slecht leesbare kopie van het strafdossier in de stukken van partij M.T. meent het hof te kunnen afleiden dat op 16 juli 1971 al het geld van G.T. (269.908 fr.) en diens effecten (150.000 kasbons G.B.) op het bankagentschap te H. werden afgehaald en overgedragen op de rekening van zijn zuster Y.T. Deze laatste verklaarde op 25 april 1973 dat G.T. op 16 juli 1971 in het Sint-Janshospitaal te Brussel was opgenomen en dat hij verschillende malen had aangedrongen om haar deze tegoeden te schenken.

13. Y.T. verklaarde toen ook dat haar broer G. een spaarboekje bezat bij de ASLK en dat hij het bedrag dat op dat boekje stond (291.973 fr. of 7.237,82 euro), aan zijn (toen minderjarige) petekind V.S. (geboren op 25 juli 1955) heeft geschonken. Uit de inlichtingen door de rijkswacht ingewonnen bij de ASLK blijkt dat het geld op 19 juli 1971 overgeschreven werd naar een termijnrekening op naam van de minderjarige. Het overschrijvingsformulier werd in het ziekenhuis in aanwezigheid van twee getuigen opgesteld, en een bediende van de ASLK was toen aanwezig om de handtekeningen “te legaliseren”. Een kopie van het document werd aan de rijkswacht bezorgd en werd aan het strafdossier gevoegd.

14. Het betreft duidelijk schenkingen ten gunste van de beide appellanten en geen vergoedingen voor geleverde diensten aan de de cujus, zoals thans wordt beweerd. Niet alleen worden geen bewijzen naar voor gebracht van de beweerde diensten noch van de verschuldigde vergoeding ervoor, maar Y.T. heeft zelf uitdrukkelijk in haar verklaring gewag gemaakt van schenkingen aan haar en aan V.S.

15. Het staat vast dat geïntimeerde M.T. het enige kind en de einge reservataire erfgenaam is van G.T. Zij is principieel gerechtigd om, na het openvallen van de erfenis van haar vader, de inkorting te vorderen van de beschikkingen die het beschikbaar gedeelte overschrijden, en dit krachtens art. 920, 921 en 922 BW.

Het beschikbaar gedeelte is te dezen gelijk aan de helft van de fictieve massa van de goederen van G.T. in de zin van art. 922 BW (art. 913 BW).

16. De inkorting dient te geschieden overeenkomstig de principes vervat in art. 928 tot 930 BW.

Geïntimeerde berekent de massa van de nalatenschap op grond van de gegevens uit de aangifte van nalatenschap opgesteld door notaris V. te H. (activa 9.208 fr. – passiva 9.986 fr.) en voegt fictief aan deze massa de geschonken goederen aan Y.T. (269.908 fr. + 150.000 fr.) en aan V.S. (291.973 fr.), zodat de totale massa 711.881 fr. bedraagt. Het exacte resultaat is 711.103 fr. (= 9.208 fr. plus 269.908 fr. plus 150.000 fr. plus 291.973 fr. minus 9.986 fr.).

De eerste rechter heeft bij het passief de kosten toegevoegd die Y.T. voor de begrafenis en de laatste medische kosten van haar broer heeft gemaakt. In tegenstelling tot wat geïntimeerde beweert, zijn die kosten wel degelijk gestaafd (begrafenisondernemer, grafsteen, kronen, vaas blauwe steen en kliniek Sint-Jan). Deze kosten, voor de totale som van 45.513 fr., inhoudende voornamelijk zeer redelijke begrafeniskosten, maken een onderdeel uit van het passief van de nalatenschap. De massa dient bijgevolg berekend te worden op 662.590 fr. (711.103 fr. – 45.513 fr.).

Het beschikkend gedeelte bedraagt de helft van 662.590 fr. of 331.295 fr.

17. Y.T. stelt terecht dat de inkorting volgens een bepaalde volgorde dient te gebeuren, en niet proportioneel in de persoon van de beide begunstigden. Wanneer de inkorting van schenkingen onder de levenden plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen vanaf de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere (art. 923 BW). Die volgorde volgt uit het onherroepelijk karakter van de schenkingen en beschermt de begiftigde die ervan kan afzien.

Appellante V.S. betwist ten onrechte de toepassing van deze regel, stellende dat de bancaire verrichtingen bij de twee betrokken banken gelijktijdig werden aangevraagd door de de cujus. Uit bovenstaande uiteenzetting en de voorgelegde documenten van de banken moet immers worden afgeleid dat de schenking aan Y.T. op 16 juli 1971 heeft plaatsgehad, terwijl die aan V.S. op 19 juli 1971 werd uitgevoerd. De voorgelegde stukken sluiten een gelijktijdige schenking aan beide begunstigden uit.

Dit betekent dat de inkorting eerst op de schenking aan V.S. moet geschieden en vervolgens, op de schenking aan Y.T.

18. Berekening van de inkorting.

De situatie ziet eruit als volgt:

– fictieve massa van de goederen in de zin van art. 922 BW: 662.590 fr.

– eerste schenking aan Y.T.: 419.908 fr.

– tweede schenking aan V.S.: 291.973 fr.

De schenkingen overschrijden het beschikbaar gedeelte (331.295 fr.) met 380.586 fr. (zijnde 711.881 – 331.295 = 380.586 fr.).

V.S. dient het volledige bedrag van de aan haar gedane schenking terug te brengen en is 291.973 fr. (7.237,82 euro) aan geïntimeerde verschuldigd.

De inkorting ten laste van Y.T. bedraagt dan 88.613 fr. (380.586 – 291.973 fr.). Y.T. heeft echter zelf 45.513 fr. (begrafenis en laatste zorgen) betaald en blijft bijgevolg 43.100 fr. (88.613 – 45.513) of 1.068,42 euro verschuldigd aan geïntimeerde, reservataire erfgenaam.

Er bestaat geen hoofdelijkheid tussen appellanten, noch enige reden om een veroordeling in solidum uit te spreken.

19. Interest. Overeenkomstig art. 928 BW is interest pas verschuldigd vanaf de dag van de vordering (4 december 1975).

Appellanten betwisten de toekenning van verwijlinterest, gelet op de nalatigheid van geïntimeerde in het in gereedheid brengen van de zaak.

20. Hierboven (randnr. 11) werd al geoordeeld dat alle partijen, inclusief geïntimeerde, bijzonder nalatig en passief zijn geweest in de loop van de procedure die meer dan 35 jaar in beslag heeft genomen.

In de mate dat de vertraging in de betaling van de aan de geïntimeerde verschuldigde bedragen deels aan deze partij zelf te wijten is, kan haar inderdaad geen recht op de volledige verwijlinterest worden toegekend. De volledige afwijzing van verwijlinterest zou echter overdreven zijn, omdat appellanten zelf ook aan de oorsprong liggen van het aanslepen van de zaak. Om die reden zullen de aan geïntimeerde tot aan huidig arrest toekomende interesten, berekend aan de wettelijke rentevoet, beperkt worden tot de helft ervan.

...
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/02/2017 - 15:12
Laatst aangepast op: za, 13/01/2018 - 19:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.