Het nieuwe afstammingsrecht
|
Rechtsleer: Zie |
zie ook NJW 157, 164 zie ook: Gerd |
Betwisting van moederschap
De vordering tot betwisting van moederschap kan enkel worden ingesteld door (art. 312, §2 B.W. zoals gewijzigd middels art. 367,1° van de wet van 27 december 2006):
- Door de vader,
- Door het kind,
- Door de vrouw ten opzichte van wie de afstamming op basis van de geboorteakte is vastgesteld;
- Door de vrouw die het moederschap van het kind opeist.
Termijn voor het instellen van de vordering
De vordering dient ingesteld binnen het jaar van de ontdekking door de eiser van het leugenachtige karakter van de op basis van de geboorteakte vastgestelde moederlijke afstamming (art. 312, 2° lid B.W. zoals gewijzigd middels art. 367,1° van de wet van 27 december 2006). Deze termijn is geen verjaringstermijn. Het betreft een vervaltermijn, die in hoofde van het kind niet geschorst wordt tijdens de minderjarigheid.
Geen bezit van staat
Er mag geen bezit van de staat van het kind zijn dat overeenstemt met de vermelding in de geboorteakte. Indien dit toch het geval is is de vordering ontoelaatbaar.
De vaststelling van vaderschap binnen het huwelijk
De regel:
De vader is de mannelijke echtgenoot van de moeder
De uitzonderingen (art. 316bis B.W.)
vier categorieën van kinderen hebben bij de geboorte principieel niet langer de vader van de moeder tot de juridische vader:
-
het kind geboren meer dan 300 dagen na de beschikking van de voorzitter inkort geding die overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek in het kader van de voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten, de echtgenoten machtigde een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, of meer dan 300 dagen nadat de rechter de overeenkomst tussen de echtgenoten heeft bekrachtigd met betrekking tot het betrekken van een afzonderlijke verblijfplaats overeenkomstig artikel 1258 paragraaf twee Gerechtelijk Wetboek.
-
het kind geboren meer dan 300 dagen na de neerlegging van het verzoekschrift met het oog op een echtscheiding door onderlinge toestemming bedoeld in artikel 1288 bis Gerechtelijk Wetboek
-
het kind geboren meer dan 300 dagen na een door de vrederechter overeenkomstig artikel 223 B.W. uitgesproken vonnis waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken en minder dan 180 dagen na de datum waarop deze maatregel verstreken is, of nadat de echtgenoten feitelijk zijn herenigd.
-
het kind geboren meer dan 300 dagen na de datum waarop de echtgenoten blijkens het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister op het wachtregister, op verschillende adressen zijn ingeschreven, voor zover ze nadien niet opnieuw zijn ingeschreven op het zelfde adres.
Deze uitzonderingen zijn slechts toepasselijk op de kinderen die geboren werden na de inwerkingtreding van de wet van 01-07-06 (De nieuwe bepalingen betreffende de afstamming treden in werking op de door de Koning nader te bepalen datum en uiterlijk op 1 juli 2007). Op de kinderen geboren voor deze datum is deze uitzonderingsregel niet toepasselijk en is enkel de algemene regel van toepassing.
Deze uitzonderingen werken niet automatisch. De persoon die het kind komt aangeven bij de ambtenaren van de burgerlijke stand, zal de nodige bewijskrachtige stukken dienen voor te leggen waaruit blijkt dat één van deze uitzonderingen van toepassing is.
Het is denkbaar dat een geboorteakte zou worden opgesteld waarin de (voormalige) echtgenoot nog als vader vermeld wordt van het kind, precies omdat de aangever geen melding zou gemaakt hebben van de voormelde uitzonderingen.
Om deze vergissing dan recht te zetten kan dan enkel nog een vordering worden ingesteld tot verbetering van een akte van burgerlijke stand overeenkomstig artikel 1383-13 85 Gerechtelijk Wetboek. Er werd hierbij een ook een initiatiefrecht voorzien voor het Openbaar Ministerie.
De echtgenoten kunnen gemeenschappelijk deze uitzonderingsregel buiten spel zetten
Wanneer het kind voldoet aan een van de vier voormelde uitzondering voorwaarden, kunnen de beide echtgenoten gezamenlijk en dit uiterlijk op het tijdstip van de aangifte van de geboorte voor de ambtenaren van de burgerlijke stand een verklaring afleggen waarbij zij er voor kiezen dat de klassieke vaderschapregel zal blijven gelden, dus dat de echtgenoot van de moeder ook in de gevallen van de voorziene uitzonderingen de vader zal zijn. Deze verklaring kan zelfs tijdens de zwangerschap worden afgelegd.
Vorderingsrecht voor de uitgesloten vaders
In de vier gevallen waarin het vaderschap van de echtgenoot van de moeder uitgesloten wordt (zie hoger) is het nochtans mogelijk dat deze uitgesloten vader toch de genetische vader is. Het is niet omdat er een procedure gevoerd werd om omdat de echtgenoten afzonderlijk wonen dat er geen mogelijkheid bestaat op conceptie van een kind. Wanneer deze genetische vader zijn vaderschap toch gevestigd wenst te zien of wanneer de moeder of het kind dit vaderschap wensen te laten vaststellen, kunnen zij een vordering tot onderzoek van het vaderschap instellen volgens de gewone regels.
De betwisting van het vaderschap binnen het huwelijk
De vordering tot betwisting van het vaderschap kan worden ingesteld door:
- De juridische vader-echtgenoot (vordering in te stellen binnen het jaar van de geboorte, of binnen het jaar dat hij kennis krijgt van het ontbreken van de biologische band met zijn kind)
- De moeder van het kind (vordering dient ingesteld binnen het jaar na de geboorte art. 318 §2 1° lid BW)
- Diegene die voorhoudt de genetische vader te zijn (vordering in te stellen binnen het jaar van zijn ontdekking de genetische vader te zijn van het kind (art. 318 §2, 1° lid B.W.)
- Het kind (vordering in te stellen binnen een termijn van 10 jaar, ingaande op de twaalfde verjaardag en aflopend op de tweeëntwintigste verjaardag of binnen het jaar na de ontdekking van het kind dat de echtgenoot van zijn moeder zijn vader niet is)
De vordering tot op opeising van het vaderschap (artikel 318 §1 Burgerlijk Wetboek) door diegene die voorhoud de genetische vader te zijn
Deze vordering zal evenwel falen een volgende gevallen:
- indien het bewijs wordt geleverd dat het kind het bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoten;
- indien de eiser schuldig werd verklaard aan verkrachting van de moeder
- indien we het bewijs wordt geleverd dat de eiser niet de genetische vader is van het kind;
- Wanneer de moeder zich verzet tegen de vordering en de rechtbank vaststelt dat de afstammingsband kennelijk in strijd is met het belang van het kind (dit bewijs is uitzonderlijk moeilijk te leveren). Zolang het kind echter in geen jaren oud is kan de moeder zich hiertegen niet verzetten (art. 332 quinquies §2 B.W.). Vanzelfsprekend kan de moeder zich nog evenmin verzetten wanneer het kind meerderjarig geworden is.
- Wanneer het kind meerderjarig of ontvoogd is en zich verzet tegen het vaststellen van het vaderschap ten aanzien van de eiser. Het kind heeft in deze gevallen een vetorecht.
- Wanneer een minderjarig kind van minstens 12 jaar oud zich verzet tegen het vaststellen van het vaderschap en de rechtbank oordeelt dat deze afstammingsband kennelijk in strijd is met het belang van het kind.
- Indien de vordering niet tijdig wordt ingesteld en aldus vervallen verklaard is door het verstrijken van de termijn
Hij die een vordering instelt tot betwisting van het vaderschap op grond van de bewering zelf de genetische vader te zijn wordt vanzelfsprekend verondersteld nadien zijn verantwoordelijkheid als vader op te nemen.
Daarom bepaalt artikel 318 §5 Burgerlijk Wetboek dat het vonnis dat de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot inwilligt van rechtswege vaststelling meebrengt van de vaderlijke afstamming van het kind ten aanzien van de eisers die beweert de genetische vader te zijn.
In het huidige recht is het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot van de moeder een algemene grond van ontoelaatbaarheid bij de betwisting van vaderschap.
De vordering tot betwisting van vaderschap van de echtgenoot is niet ontvankelijk wanneer de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had een ware de verwerking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn (artikel 318 paragraaf vier burgerlijk wetboek).
Deze exceptie kan worden ingeroepen tegen elke partij in het geding met betrekking tot de betwisting van vaderschap (dus zowel ten aanzien van de echtgenoot, de moeder of de persoon die het vaderschap opeist).
Betwisting van vaderschap kan gebeuren op tegenbewijs voorzover de de echtgenoot van de moeder het bewijs levert dat hij niet de vader is van het kind (artikel drie onder de 18 paragraaf drie eerste lid burgerlijk wetboek).
de betwisting kan ook gebeuren zonder bewijsvoering:
1° indien de afstamming van moederszijde door
erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;
2° indien de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van
moederszijde is komen vast te staan.
Wetstechnische bespreking van de wijzigingen
wet van 01/07/2006 tot wijziging van de bepalingen
van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de
afstamming en de gevolgen ervan, alsook aanpassingen door de wet van
27/12/2007 houdende diverse bepalingen (I)
In het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006 (zesde editie)
verscheen de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van
het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de
afstamming en de gevolgen ervan.
Deze publicatie moet samen gelezen met de programmawet van 27/12/06
gelezen worden. De wet van 1 juli 2006 werd 'verbeterd' door de wet
houdende diverse bepalingen (I) van 27 december 2006 (artikelen 367
tot en met 374; Titel XVII - Justitie; Hoofdstuk I - Wijziging van
de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het
vaststellen van de afstamming).
De wet van 1 juli 2006 brengt enerzijds een aantal bepalingen van
het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de afstamming en de
gevolgen ervan in overeenstemming met de diverse arresten van het
Arbitragehof waarin het Hof heeft geoordeeld dat er een
discriminatie bestond en beoogt anderzijds het afstammingsrecht op
een aantal punten te verbeteren.
invoeging van een artikel 316bis B.W. Deze bepaling wijzigt
de aanvang van de termijn van 300 dagen na dewelke het vermoeden van
vaderschap van de echtgenoot niet meer van toepassing is indien de
echtgenoten niet meer samenwonen: voortaan geldt dat deze termijn
aanvangt op het moment de echtgenoten op verschillende adressen
ingeschreven staan in de registers van de burgerlijke stand. De
wetgever beoogt met deze aanpassing aan de realiteit een aantal
kunstmatige geschillen te vermijden.
wijziging artikel 319 B.W. voortaan voorziet deze bepaling
dat indien het vaderschap niet vaststaat krachtens het vermoeden van
vaderschap zoals bepaald in de artikelen 315 en 317 B.W., de vader
het kind kan erkennen onder de bij artikel 329bis B.W. bepaalde
voorwaarden (zie hieronder).
de invoeging van een artikel 329bis B.W. Deze bepaling
onderwerpt de regels van de erkenning door de vader en door de
moeder aan dezelfde voorwaarden onderwerpt.
De vordering tot erkenning van een meerderjarig of een ontvoogd
minderjarig kind is enkel ontvankelijk indien het kind daarin vooraf
toestemt (artikel 329bis § 1 B.W.).
Is het kind minderjarig, dan is de toestemming vereist van de ouder
wiens afstamming reeds vaststaat, en van het kind indien het ouder
is dan 12 jaar. Is er geen toestemming, dan kan de persoon die het
kind wil erkennen, een rechtszaak inspannen. De partijen worden dan
in raadkamer gehoord en de rechtbank poogt te partijen te verzoenen.
Bereiken de partijen geen verzoening, dan wordt het verzoek
verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader
of moeder is. Bovendien kan de rechtbank, als het verzoek een kind
betreft dat op het tijdstip van de indiening ervan één jaar oud of
ouder is, de erkenning weigeren als deze kennelijk strijdig is met de
belangen van het kind.
Bovendien zal de erkenning niet mogelijk zijn als de
kandidaat-erkenner is veroordeeld wegens verkrachting van de moeder
gedurende de periode van de verwekking (artikel 329bis , § 2 B.W.).
wijziging bij de bepalingen over de betwisting van de
afstamming.
(artikel 318 B.W. en artikel 330 B.W.) De voorwaarden
voor het betwisten van het vaderschap door de echtgenoot en het
betwisten van de afstamming door erkenning zijn thans identiek. In
alle situaties kan de afstamming worden betwist door de ouder van
het kind waarvan de afstamming vaststaat, door de echtgenoot of de
ex-echtgenoot, door de kandidaat of kandidate voor de erkenning en
door het kind.
De wet maakt een einde aan de discussie over het tijdstip waarop het
kind recht heeft om een rechtszaak te starten: het kind moet de
rechtszaak instellen ten laatste op de dag dat hij of zij de
leeftijd van 22 jaar bereikt heeft.
De verbeteringen in de wet van 27 december 2006 houdende diverse
bepalingen (I) van de wet van 1 juli 2006.
1. de vordering tot betwisting van het moederschap, moet thans net
als de vordering tot betwisting van het vaderschap, worden ingediend
binnen een jaar na de geboorte, en het recht om deze vordering in te
stellen wordt beperkt tot de vader, het kind, de vrouw ten
opzichte van wie de afstamming is vastgesteld, evenals de persoon
die het moederschap van het kind opeist.
2. de erkenning door de man van het kind vóór de geboorte van het
kind is opnieuw mogelijk. bezie artikel 328 bis burgerlijk
wetboek:
"de vordering bedoeld in artikel 329 bis paragraaf twee derde lid kan worden ingesteld voor de geboorte. Indien de moeder gehuwd is wordt het onderzoek van de zaak uitgesteld tot de geboorte"
Een man kan de een vordering instellen om een kind te erkennen wanneer hij niet de vereiste toestemming ontvangt van de moeder waarbij deze vordering reeds kan ingesteld worden voorafgaand aan de geboorte.
De beweerde biologische vader van de zwangere moeder
kan een vordering instellen tot betwisting van vaderschap
voorafgaand aan de geboorte.
3. de personen die rechten bezitten uit de bij wet van 1 juli 2006
afgeschafte artikelen 320 en 323 B.W. hebben nog de mogelijkheid
binnen het jaar na de inwerkingtreding van de wet een vordering in
te stellen.
De nieuwe bepalingen betreffende de afstamming treden in werking op
de door de Koning nader te bepalen datum en uiterlijk op 1 juli
2007.
ministeriële Circulaire (Belgisch Staatsblad 30 mei 2007 tweede editie) betreffende de wet van 7 mei 2007 van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan:
Aan de dames en heren Procureurs-generaal bij de
hoven van beroep;
Aan de dames en heren Ambtenaren van de burgerlijke stand van het
Rijk;
Ik vestig uw aandacht op de bepalingen van de wet van 1 juli 2006
tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met
betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen
ervan, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2006.
Het is belangrijk op te merken dat in het staatsblad van 28 december
2006 de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I)
werd gepubliceerd die de wet van 1 juli 2006 op een aantal punten
wijzigt (zie titel XVII - Justitie, Hoofdstuk 1 - Wijziging van de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het
vaststellen van de afstamming). Overeenkomstig artikel 26 van de wet
van 1 juli 2006, ingevoegd bij artikel 373 van de wet van 27
december 2006, zullen de bepalingen van de wet van 1 juli 2006, in
werking treden op 1 juli 2007. Krachtens artikel 374 van de wet van
27 december 2006 treden de wijzigingsbepalingen in werking op
dezelfde datum.
Deze circulaire strekt ertoe de ambtenaren van de burgerlijke stand
voor te lichten over de draagwijdte van de bepalingen die zij
mogelijkerwijze moeten toepassen in de uitoefening van hun ambt. Het
is geenszins de bedoeling de volledige hervorming van het
afstammingsrecht erin uitvoerig te bespreken.
I. Belangrijkste hervormingen
Vooreerst moet eraan worden herinnerd dat de nieuwe regelgeving
uiteraard slechts van toepassing is onder voorbehoud van de
bepalingen van het Wetboek van internationaal privaatrecht. Ik
verwijs ter zake naar de circulaire van 23 september 2004
betreffende de aspecten van de wet van 16 juli 2004 houdende het
Wetboek van internationaal privaatrecht die betrekking hebben op het
personeel statuut (Belgisch Staatsblad van 28 september 2004).
Daarenboven wordt de inhoud van de ministeriële circulaire van 22
mei 1987 betreffende de toepassing van de wet van 31 maart 1987 tot
wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming
(Belgisch Staatsblad van 27 mei 1987) in herinnering gebracht. Deze
nieuwe circulaire is slechts van toepassing op de nieuwe bepalingen.
De circulaire van 9 april 1990 betreffende de erkenning bij
notariële akte zal daarentegen niet meer van toepassing zijn vermits
deze betrekking had op de homologatie van de erkenning die ingevolge
de nieuwe wet wordt afgeschaft. Mijn diensten zullen in samenwerking
met de Koninklijke Federatie van Notarissen nagaan of specifieke
nieuwe instructies zich opdringen in verband met notariële
erkenningen.
Teneinde de lectuur van de wet te vergemakkelijken zal op de website
van mijn departement (www.just.fgov.be, Justitie van A tot Z, onder
het trefwoord afstamming) een officieuze gecoördineerde versie van
de nieuwe bepalingen ter beschikking worden gesteld.
Het eerste doel van de hervorming is om in de wet van 31 maart 1987
op de afstamming de discriminaties op te heffen die door de talrijke
arresten van het Arbitragehof aan het licht zijn gebracht. Het gaat
meer bepaald om de arresten in verband met de erkenning door de
vader, het onderzoek naar het vaderschap, de naam van een
buitenechtelijk kind, of nog het verbod op de vaststelling van de
afstamming tussen verwanten als het huwelijk waardoor het beletsel
is ontstaan nietig verklaard of ontbonden is.
De wet gaat echter verder en beoogt tevens het afstammingsrecht te
actualiseren en aan te passen aan de huidige maatschappelijke
evoluties.
De voornaamste wijzigingen zijn de volgende :
1. Wat betreft de moederlijke afstamming
Het is nog altijd de vrouw wiens naam in de akte van
geboorte vermeld staat, die als moeder moet beschouwd worden. De
termijnen en de hoedanigheden om het moederschap te betwisten worden
evenwel in overeenstemming gebracht met die voor de betwisting van
het vaderschap (artikel 312 van het Burgerlijk Wetboek zoals
gewijzigd door artikel 367 van de wet houdende diverse bepalingen).
Wanneer de naam van de moeder niet in de akte van geboorte vermeld
wordt, kan de moeder, net als vroeger, het kind erkennen. De regels
voor de erkenning door de moeder en door de vader zijn evenwel
eenvormig gemaakt. Ze zijn vermeld in het nieuwe artikel 329bis.
Wanneer de moederlijke afstamming noch door erkenning, noch door de
akte van geboorte vastgesteld wordt, kan een vordering tot onderzoek
naar het moederschap ingesteld worden. Het nieuwe artikel
332quinquies van het Burgerlijk Wetboek voorziet ook hier in gelijke
voorwaarden voor het onderzoek naar het moederschap en het onderzoek
naar het vaderschap.
2. Wat betreft de vaderlijke afstamming
a) vermoeden van vaderschap tijdens het huwelijk
Het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot geldt
nog altijd. Dat vermoeden wordt echter afgezwakt. De wetgever heeft
het aantal artificiële geschillen willen beperken door de
aanvangsdatum te wijzigen van de periode van 300 dagen, na het
verstrijken waarvan het wettelijk vermoeden van het vaderschap van
de echtgenoot, niet meer geldt behoudens gemeenschappelijke
verklaring van de ouders op het tijdstip van de aangifte van de
geboorte (nieuw artikel 316bis ). Dit is vooral het geval wanneer
het kind geboren wordt meer dan 300 dagen na de datum waarop de
ouders op verschillende adressen zijn ingeschreven.
Bovendien zal het vaderschap van de echtgenoot niet langer alleen
door de moeder, de echtgenoot of het kind kunnen worden betwist,
maar ook door de persoon die het vaderschap van het kind opeist (zie
ook infra punt 3).
b) erkenning
Wanneer het vaderschap niet vaststaat ingevolge het
huwelijk, kan de vader, net als vroeger, het kind erkennen. De
voorwaarden voor de erkenning zijn, net als voor de moederlijke
erkenning, vervat in artikel 329bis.
De toestemming van het meerderjarige of ontvoogde kind is nog altijd
vereist. Als het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de
toestemming vereist van de ouder van wie de afstamming vaststaat
alsook de toestemming van het kind indien het de volle leeftijd van
12 jaar heeft bereikt.
In geval van onenigheid kan de persoon die de erkenning aanvraagt
een gerechtelijke procedure opstarten. Het verzoek wordt verworpen
als de biologische afstamming niet vaststaat.
Indien de verzoeker inderdaad de biologische ouder is, voert de
rechtbank een opportuniteitscontrole uit maar dit enkel bij een
laattijdige erkenning, dat wil zeggen wanneer het kind de leeftijd
van een jaar heeft bereikt. De erkenning kan in dat geval worden
geweigerd indien zij kennelijk in strijd is met de belangen van het
kind.
Verder is de erkenning niet mogelijk als de verzoeker schuldig is
bevonden aan de verkrachting van de moeder tijdens de wettelijke
periode van verwekking.
Tot slot werd de homologatieprocedure ingeval van erkenning door een
gehuwde man van een kind dat is verwekt bij een vrouw van wie hij
niet de echtgenoot is, afgeschaft. De akte van erkenning moet net
als bij de moederlijke erkenning ter kennis gebracht worden van de
echtgenoot of echtgenote (artikel 319bis ).
c) onderzoek naar het vaderschap
Wanneer het vaderschap niet vaststaat noch op grond
van het huwelijk noch door erkenning kan het vaderschap gerechtelijk
worden vastgesteld. De procedure is geregeld door artikel
332quinquies.
3. Wat betreft de betwisting van de afstamming
De bepalingen betreffende de betwisting van de
afstamming werden gewijzigd om de regels inzake de betwisting van
het vaderschap van de echtgenoot en de betwisting van de afstamming
vastgesteld door erkenning en van de betwisting van het moederschap
vastgesteld door de geboorteakte, nader tot elkaar te brengen. De
wet van 1987 heeft de meeste vormen van discriminatie tussen
kinderen wat de gevolgen van de afstamming betreft, weggewerkt. Nu
is het de bedoeling om de verschillen in behandeling weg te werken
met betrekking tot het betwisten van de afstamming die niet met de
werkelijkheid overeenstemt. De wet van 1987 behield het recht om het
vaderschap van de echtgenoot te betwisten voor aan de moeder, de
echtgenoot (of de vorige echtgenoot) en het kind. De erkenning kon
daarentegen door iedere belanghebbende worden betwist. De nieuwe
artikelen 312, 318 en 330 leggen met betrekking tot de hoedanigheid
van de personen en de termijnen om de betwisting te vorderen
gelijkaardige voorwaarden op. In alle gevallen kan de afstamming
worden betwist door elk van de ouders ten aanzien van wie de
afstamming is vastgesteld (moeder, vader, echtgenoot en vorige
echtgenoot), door de persoon die de afstamming opeist en door het
kind.
De afstammingsband wordt beter beschermd. Enerzijds blijft het bezit
van staat behouden. Anderzijds kunnen andere derden niet meer
optreden. Ten slotte wordt, zoals reeds het geval was voor de
betwisting van het vaderschap van de echtgenoot, voorzien in een
korte vorderingstermijn (in principe van een jaar). Het aanvangspunt
van de termijn werd evenwel aangepast in functie van de persoon die
de vordering kan instellen (zie de aangehaalde artikelen).
Een andere belangrijke vernieuwing vindt men tot slot terug in de
nieuwe artikelen 318, § 5, en 330, § 3, B.W. : de vordering tot
betwisting van de afstamming die wordt ingesteld door de persoon die
beweert de biologische ouder te zijn is maar gegrond als de
afstamming van de verzoeker in de plaats komt van de betwiste
afstammingsband zodat voorkomen wordt dat het kind zonder
afstammingsband komt te staan.
4. Wijziging van de naamwetgeving (art. 335 B.W.)
De regels inzake de toekenning van de naam werden aangepast om
rekening te houden met de arresten van het Arbitragehof (cfr.
infra).
5. Wijziging van de artikelen 80bis en 328 B.W
Het artikel 80bis wordt gewijzigd teneinde ook de vermelding van de vader die niet gehuwd is met de moeder in de akte van aangifte van een levenloos geboren kind mogelijk te maken. Tegelijk wordt in artikel 328 voorzien in de mogelijkheid tot erkenning van een overleden kind zonder afstammelingen, voor zover de erkenning geschiedt binnen het jaar na de geboorte van het kind (cfr. infra)
6. Verbod tot vaststelling van de afstamming van een kind wegens het bestaan van een huwelijksbeletsel tussen de ouders.
In de diverse procedures tot vaststelling van de afstamming wordt,
ingevolge de arresten van het arbitragehof, het verbod geschrapt
wanneer het huwelijk waardoor het beletsel is ontstaan, nietig werd
verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding
(artikelen 313, 314, 321 en 325 B.W.).
II. Praktische richtlijnen voor de ambtenaren van de burgerlijke
stand
1. Opmaken van de akte van geboorte en toepassing van de « nieuwe »
vaderschapsregel (vermoeden van vaderschap)
a. Algemeen
Het beginsel van het « vermoeden van vaderschap » van de echtgenoot
zoals bedoeld in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek blijft
behouden. Enkel de toepassingsvoorwaarden ervan werden gewijzigd
teneinde tegemoet te komen aan de maatschappelijke evolutie, onder
andere de aanzienlijke stijging van het aantal scheidingen en
echtscheidingen.
In het nieuwe artikel 316bis van het Burgerlijk Wetboek is gesteld
dat, tenzij de echtgenoten op het tijdstip van de aangifte van de
geboorte een gemeenschappelijke verklaring hebben afgelegd, het in
artikel 315 bedoelde vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet
meer van toepassing is in de volgende gevallen :
1° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen nadat de rechter
de overeenkomst tussen de partijen heeft bekrachtigd in verband met
de aan de echtgenoten gegeven machtiging om een afzonderlijke
verblijfplaats te betrekken overeenkomstig artikel 1258, § 2, van
het Gerechtelijk Wetboek, of na de beschikking van de voorzitter
zitting houdend in kort geding die de echtgenoten machtigt om een
afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, of na neerlegging van het
verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van hetzelfde Wetboek (let
wel artikel 1258, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt vervangen
door artikel 1256 van hetzelfde Wetboek vanaf 1 september 2007,
datum van de inwerkingtreding van de wet betreffende de hervorming
van de echtscheiding);
2° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na de datum waarop
de echtgenoten, blijkens het bevolkingsregister, het
vreemdelingenregister of het wachtregister, op verschillende
adressen zijn ingeschreven, voor zover zij nadien niet opnieuw zijn
ingeschreven op hetzelfde adres;
3° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na een krachtens
artikel 223 door de vrederechter uitgesproken vonnis waarbij de
echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te
betrekken, en minder dan 180 dagen na de datum waarop deze maatregel
verstreken is, of nadat de echtgenoten feitelijk zijn herenigd. ».
b. Met betrekking tot 2°, begint de periode van 300 dagen te lopen
vanaf de dag na die waarop de echtgenoten op verschillende adressen
zijn ingeschreven in het bevolkingsregister (of in de andere
vermelde registers).
Ingeval een akte van geboorte wordt opgemaakt van een kind dat
geboren is uit een gehuwde vrouw of binnen 300 dagen na de
ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk moet de ambtenaar
van de burgerlijke stand bijgevolg stelselmatig nagaan of de moeder
en haar echtgenoot nog steeds op hetzelfde adres zijn ingeschreven.
Indien zulks niet het geval is, moet hij nagaan welke termijn
verstreken is sedert de inschrijving van de echtgenoten of
ex-echtgenoten op verschillende adressen.
De inschrijving in de registers telt, en niet het verzoek om
wijziging van inschrijving van de verblijfplaats.
Ingeval de echtgenoten zijn ingeschreven op hetzelfde adres of geen
300 dagen verstreken zijn sedert de dag waarop zij op verschillende
adressen werden ingeschreven (de dag van de inschrijving niet
meegerekend), is het vermoeden van vaderschap van toepassing. De
akte wordt onmiddellijk op naam van de vader en van de moeder
opgemaakt. Het kind draagt de naam van de vader (artikel 335 van het
Burgerlijk Wetboek).
Ingeval de echtgenoten sedert meer dan 300 dagen op verschillende
adressen zijn ingeschreven, moet de ambtenaar van de burgerlijke
stand de aangever ervan op de hoogte brengen dat door een
gemeenschappelijke verklaring het vermoeden van vaderschap kan
worden toegepast.
Desgewenst zal de ambtenaar van de burgerlijke stand beide
echtgenoten verzoeken samen te verschijnen om een gemeenschappelijke
verklaring af te leggen.
c. Met betrekking tot de gevallen bedoeld in artikel 316bis, 1° en
3°, geldt het vermoeden van vaderschap niet ingeval het kind meer
dan 300 dagen na de erin vermelde gevallen is geboren, te weten op
grond van de rechterlijke beslissingen of processen-verbaal die
tijdens de procedure zijn opgemaakt.
De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft in dit geval geen enkele
reden om de aangever specifiek vragen te stellen met betrekking tot
deze mogelijkheid. De aangever moet spontaan wijzen op het bestaan
van een gerechtelijke procedure. Deze situatie komt vrij vaak voor
(echtgenoten die verwikkeld zijn in een echtscheidingsprocedure,
ondervinden immers regelmatig moeilijkheden wanneer zij de
afstamming wensen vast te stellen van een kind dat de moeder draagt
ten gevolge van een nieuwe relatie).
De ambtenaar van de burgerlijke stand kan evenwel de aandacht van de
aangever trekken ingeval uit bepaalde aanwijzingen blijkt dat de
ontwrichting waarschijnlijk is (ingeval de moeder is ingeschreven op
een andere verblijfplaats dan haar echtgenoot sedert een bepaalde
tijd - hoe dan ook minder dan 300 dagen, in welk geval 2° van
toepassing is).
Opdat het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot niet in
aanmerking zou worden genomen, moet de aangever de in de nieuwe wet
bedoelde documenten voorleggen :
- artikel 316bis, 1° : een proces-verbaal van de rechtbank waarin de
overeenkomst tussen de partijen wordt vermeld om afzonderlijke
verblijfplaatsen vast te leggen overeenkomstig artikel 1258, § 2,
van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 1256 van het Gerechtelijk
Wetboek, vanaf 1 september 2007); of een beschikking in kort geding
die de echtgenoten machtigt om een afzonderlijke verblijfplaats te
betrekken; of een proces-verbaal bedoeld in artikel 1292 van het
Gerechtelijk Wetboek, te weten de eerste verschijning van de
echtgenoten voor de rechtbank in het kader van een echtscheiding
door onderlinge toestemming;
- artikel 316bis, 3° : een beschikking van de vrederechter waarin
afzonderlijke verblijfplaatsen worden vastgelegd krachtens artikel
223 van het Burgerlijk Wetboek.
Het lijkt aangewezen de aangever te verzoeken de originele stukken
voor te leggen, zoals ze hem door de griffier ter hand werden
gesteld. De ambtenaar van de burgerlijke stand zal er dan een
fotokopie van nemen en deze bij het dossier voegen.
In het geval van artikel 316bis, 3°, mag niet uit het oog worden
verloren dat de vrederechters vaak in een tijdsbeperking voorzien.
Er moet bijgevolg worden nagegaan of de termijn van 180 dagen niet
is verstreken sedert het einde van de werking van de door de
vrederechter bepaalde maatregelen.
In elk geval is de door de ambtenaar van de burgerlijke stand
verrichte controle formeel.
Ingeval het opmaken van de akte van geboorte niet overeenstemt met
de realiteit, beschikken de partijen in ieder geval over de
mogelijkheid het vaderschap van de echtgenoot te betwisten op grond
van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek (in het bijzonder artikel
318, § 3, krachtens welk de betwisting in de in artikel 316bis
bedoelde gevallen, behoudens tegenbewijs, gegrond wordt verklaard).
Ingeval het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot daarentegen
niet in aanmerking wordt genomen (bijvoorbeeld : de echtgenoten
leven sedert meer dan 300 dagen gescheiden en hebben nagelaten de
gemeenschappelijke verklaring af te leggen waardoor zij uitwerking
kunnen geven aan het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot), is
een erkenning door de echtgenoot steeds mogelijk.
Ten slotte meen ik dat de nieuwe bepaling van artikel 316bis ook kan
worden ingeroepen door echtgenoten of ex-echtgenoten die in het
buitenland wonen of die niet zijn ingeschreven in het bevolkings-,
vreemdelingen- of wachtregister. Het komt in dat geval aan
betrokkenen toe door alle wettelijke middelen te bewijzen dat zij
zich in een gelijkaardige situatie bevinden als de in artikel
316bis, 1° tot 3° bedoelde gevallen (bv. dat het kind geboren is
meer dan 300 dagen nadat zij in het kader van een in het buitenland
lopende echtscheidingsprocedure bij rechtelijke beschikking
gemachtigd werden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken of
nog dat het kind geboren is nadat zij sedert meer dan 300 dagen
ononderbroken en nog steeds op een verschillend adres wonen...). Het
is aan de betrokkenen om ter zake de nodige sluitende bewijsstukken
voor te leggen. Bij gebreke hiervan zal het vermoeden van vaderschap
worden toegepast.
2. Gemeenschappelijke verklaring
Zoals supra vermeld, wordt op grond van het nieuwe artikel 316bis in
bepaalde gevallen voorkomen dat het vermoeden van vaderschap van de
echtgenoot in aanmerking wordt genomen.
Het biedt de echtgenoten evenwel de mogelijkheid een
gemeenschappelijke verklaring in tegenovergestelde zin af te leggen.
Het gaat niet om een erkenning maar om een verklaring waardoor het
vermoeden van vaderschap van de echtgenoot uitwerking kan hebben.
In de praktijk kan de gemeenschappelijke verklaring worden afgelegd
door beide echtgenoten op het tijdstip van de aangifte van de
geboorte. In de akte van geboorte wordt dan uitdrukkelijk vermeld
dat de vader en de moeder gemeenschappelijk de aangifte van geboorte
hebben gedaan.
In bepaalde gevallen is het voor een van beide echtgenoten materieel
onmogelijk te verschijnen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand
om de verklaring af te leggen. Zulks is inzonderheid het geval
indien de moeder zich wegens haar gezondheidstoestand niet kan
verplaatsen of nog indien de vader in het buitenland verblijft. In
dergelijke gevallen moet het voor de niet-verschijnende echtgenoot
mogelijk zijn, zijn verklaring te doen opnemen in een akte opgemaakt
door een notaris of in het buitenland door de diplomatieke en
consulaire overheden in hun functie van ambtenaar van de burgerlijke
stand.
Daarenboven lijkt het mij dat, naar analogie met een erkenning, mag
worden aangenomen dat de bedoelde gemeenschappelijke verklaring door
de ouders ook voor de geboorte van het kind mag worden afgelegd. De
ambtenaar van de burgerlijke stand zal de ouders in dit geval
aanraden de verklaring bij voorkeur af te leggen voor de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de vermoedelijke geboorteplaats van het
kind opdat deze ambtenaar op het ogenblik van de opmaak van de
geboorteakte over deze informatie zou beschikken.
Ingeval de echtgenoten geen gemeenschappelijke verklaring afleggen
door nalatigheid of slechte informatie is het voor de echtgenoot
steeds mogelijk zijn kind later te erkennen.
3. Erkenning
3.1. Erkenningsvoorwaarden
Een van de voornaamste vernieuwingen van de wet is, zoals hoger
vermeld, de aanpassing van de voorwaarden voor de erkenning van
moederschap en de erkenning van vaderschap.
Met betrekking tot de erkenning van moederschap is in artikel 313,
zoals gewijzigd, van het Burgerlijk Wetboek het volgende gesteld : «
Indien de naam van de moeder niet in de akte van geboorte is vermeld
of bij ontstentenis van zulk een akte, kan zij het kind erkennen
onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden. »
Met betrekking tot de erkenning van vaderschap is in artikel 319,
zoals gewijzigd, van het Burgerlijk Wetboek het volgende gesteld : «
Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of
317, kan de vader het kind erkennen onder de bij artikel 329bis
bepaalde voorwaarden ».
Gelet op de nieuwe voorwaarden inzake de toepassing van het
vermoeden van vaderschap van de echtgenoot, zoals zij thans zijn
omschreven in het nieuwe artikel 316bis, heeft artikel 320 overigens
geen reden van bestaan meer en is het opgeheven.
Ten slotte zijn de artikelen 319bis, 321 en 328 gewijzigd.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de erkenning zowel van
moederschap als van vaderschap voortaan wordt geregeld door de
volgende regels :
- de vereiste toestemmingen zijn voortaan
a) de toestemming van het meerderjarige of het ontvoogde
minderjarige kind;
b) indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, de toestemming
van de ouder (vader of moeder) ten aanzien van wie de afstamming
vaststaat;
c) indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de
toestemming van de moeder;
d) de toestemming van het minderjarige kind dat niet ontvoogd is
indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, tenzij
het onbekwaam is verklaard of zich in een staat van verlengde
minderjarigheid bevindt, dan wel indien de rechtbank, op grond van
feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed
proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen
heeft;
e) eventueel van de wettelijke vertegenwoordiger, wanneer het kind
minderjarig is en niet ontvoogd en het geen bekende ouder heeft, of
de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat overleden dan
wel in de onmogelijkheid is zijn wil te kennen te geven (cfr.
artikel 329bis, § 3, dat in hoofdzaak het oude artikel 319, § 4,
overneemt maar de draagwijdte ervan uitbreidt tot de erkenning van
het moederschap - zie ook infra punt 3.2. betreffende de mededeling
van de erkenning indien de toestemming tot de erkenning niet vooraf
werd bekomen).
De personen die toestemming moeten geven, moeten hun eventuele
weigering niet verantwoorden bij de ambtenaar van de burgerlijke
stand.
Ingeval de persoon die het kind wenst te erkennen de vereiste
toestemmingen niet krijgt, kan hij, behalve in de gevallen bedoeld
in bovenstaande punten a) en e), voor de rechtbank van eerste aanleg
een rechtsvordering instellen tegen de personen die toestemming
moeten geven.
Ten slotte wordt erop gewezen dat, zoals reeds het geval was in het
kader van de circulaire van 22 mei 1987 betreffende de toepassing
van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van verscheidene
bepalingen betreffende de afstamming, de toestemming van de in
artikel 329bis bedoelde personen kan worden gegeven, hetzij in de
akte van erkenning (cf. art. 62, § 1, eerste lid, 3°, van het
Burgerlijk Wetboek), hetzij in een afzonderlijke akte opgemaakt door
een notaris, door de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte
van erkenning ontvangt of door de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de woon- of verblijfplaats van de persoon die zijn toestemming
moet geven.
- De artikelen 313, § 2, en 321 van het Burgerlijk Wetboek werden
aangevuld zodat het voortaan mogelijk is dat een erkenning
geschiedt, zelfs wanneer daaruit zou blijken dat tussen de moeder en
de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de Koning geen
ontheffing kan verlenen, ingeval het huwelijk nietig werd verklaard
of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding. Zo zou een
man bijvoorbeeld het kind van zijn schoondochter kunnen erkennen na
de echtscheiding of het overlijden van de echtgenoot van deze
laatste.
- Zoals thans reeds het geval is, kan de erkenning geschieden door
een onbekwame (artikel 328, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
- Zij kan ook altijd geschieden ten gunste van een verwekt kind, dan
wel van een overleden kind indien het afstammelingen heeft nagelaten
(artikel 328, tweede lid). Voortaan - en dit is nieuw - kan zij
evenwel ook geschieden ten gunste van een overleden kind zonder
afstammelingen, op voorwaarde dat de erkenning geschiedt binnen het
jaar dat volgt op de geboorte van het kind (artikel 328, tweede lid,
zoals gewijzigd).
Inzake de erkenning van vaderschap kan nog worden vermeld
- dat de formaliteit van homologatie door de rechtbank afgeschaft is
voor de erkenning door een gehuwde man van een kind dat is verwekt
bij een vrouw van wie hij niet de echtgenoot is. Bijgevolg moet niet
meer worden vermeld in de akte van erkenning dat zij is « opgemaakt
onder voorbehoud van homologatie ». Niettemin zal de ambtenaar van
de burgerlijke stand een afschrift van de akte, bij een per post
aangetekende brief, ter kennis moeten brengen van de echtgenoot van
de erkenner (zie infra).
- dat de erkenning niet kan plaatsvinden indien tegen degene die het
kind wenst te erkennen een strafvordering is ingesteld wegens
verkrachting op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke
periode van verwekking (artikel 329bis, § 2, nieuw vierde lid, van
het Burgerlijk Wetboek). Ingeval deze strafvordering leidt tot een
veroordeling wegens verkrachting kan de erkenning geenszins
plaatsvinden, ook niet via de rechtbank. Er moet worden onderstreept
dat het niet aan de ambtenaar van de burgerlijke stand is na te gaan
of een dergelijke strafvordering werd ingesteld. In zulk geval
weigert de moeder meestal haar toestemming en in voorkomend geval
wordt de vraag inzake de mogelijkheid van de erkenning voor de
rechtbank gesteld.
3.2. Mededeling van de erkenning
De door de ambtenaar van de burgerlijke stand te vervullen
formaliteiten inzake de mededeling van de erkenning zijn vermeld in
de artikelen 62, § 3, 313, § 3, 319bis en 329bis, § 3.
Artikel 62, § 3, dat niet werd gewijzigd, verplicht de ambtenaar van
de burgerlijke stand die een akte van erkenning opmaakt, daarvan
binnen drie dagen kennis te geven aan de echtgenoot van de erkenner.
De nadere regels inzake deze mededeling zijn omschreven in de
artikelen 313, § 3, en 319bis.
Artikel 313, § 3, dat betrekking heeft op het geval van de erkenning
van een kind door een gehuwde moeder werd niet gewijzigd. Gelet op
de geest van de wet moet de formaliteit van de mededeling verricht
worden ingeval de moeder gehuwd was op het tijdstip van de geboorte
van het kind, zelfs indien het huwelijk ondertussen werd ontbonden.
Zoals reeds het geval was in het kader van de circulaire van 22 mei
1987, moet de ambtenaar van de burgerlijke stand, ingeval de moeder
hertrouwt, de erkenning ter kennis brengen van de persoon waarmee de
moeder gehuwd was op het tijdstip van de geboorte.
In het nieuwe artikel 319bis, dat handelt over het geval van de
erkenning door een gehuwd man, is bepaald :
« Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat verwekt is bij
een vrouw van wie hij niet de echtgenoot is, moet die erkenning ter
kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht.
Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door de
ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris,
wordt een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post
aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een
Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische
notaris, wordt ze betekend per deurwaardersexploot op verzoek van de
vader, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.
Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet
worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de
kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent
en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. »
Er dient te worden opgemerkt dat ingevolge het nieuwe aangevulde
tweede lid van § 3 van artikel 335 de termijn van één jaar
waarbinnen een verklaring van naamsverandering kan worden afgelegd
begint te lopen op de dag die volgt op de in artikel 319bis, tweede
lid, bedoelde kennisgeving of betekening (zie infra). Alhoewel de
wet ter zake niets voorziet lijkt het, met het oog hierop, opportuun
om bedoelde datum in het zwart in de rand van de akte van erkenning
te noteren.
Artikel 329bis, § 3, neemt in hoofdzaak het oude artikel 319, § 4,
over en breidt de draagwijdte ervan uit tot de erkenning van
moederschap.
Daaruit volgt dat indien het kind een niet ontvoogde minderjarige is
en geen gekende ouder heeft, of indien de ouder (vader of moeder)
ten aanzien van wie de afstamming vaststaat overleden is, dan wel in
de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geoen, de ambtenaar
van de burgerlijke stand een letterlijk afschrift van de erkenning
ter kennis moet brengen van de wettelijke vertegenwoordiger van het
kind en van het kind zelf indien het de volle leeftijd van 12 jaar
heeft bereikt, tenzij zij evenwel vooraf in de erkenning hebben
toegestemd.
Binnen zes maanden te rekenen vanaf deze kennisgeving kunnen de
personen aan wie zij werd gedaan een vordering tot nietigverklaring
van de erkenning indienen bij de rechtbank. De griffier stelt de
ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte van erkenning heeft
opgemaakt, onmiddellijk hiervan in kennis.
Indien de in artikel 329bis, § 3, van het Burgerlijk Wetboek
vermelde personen niet hebben toegestemd in de erkenning, maar zich
niet ertegen hebben verzet binnen de termijn van zes maanden te
rekenen vanaf de kennisgeving, wordt daarvan melding gemaakt op de
kant van de akte van erkenning. Indien de vordering tot
nietigverklaring werd afgewezen bij een in kracht van gewijsde
gegaan vonnis of arrest wordt daarvan melding gemaakt op de kant van
de akte van erkenning.
4. De naam van het kind
In artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek worden diverse wijzigingen
aangebracht.
De eerste wijziging beoogt de kinderen van een gehuwde man die een
kind erkent dat tijdens het huwelijk bij andere vrouw dan zijn
echtgenote is verwekt, dezelfde rechten te geven inzake de naam. Het
gevolg daarvan is dat het kind van wie enkel de afstamming van
vaderszijde is vastgesteld of van wie de afstamming van vaderszijde
en de afstamming van moederszijde tegelijkertijd zijn vastgesteld,
altijd de naam van de vader draagt (artikel 335, § 1, van het
Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd).
Indien de afstamming langs vaderszijde wordt vastgesteld na de
afstamming van moederszijde, wordt geen enkele wijziging aangebracht
inzake de naam van het kind (artikel 335, § 3), behalve indien de
vader en de moeder samen, of een van hen, indien de andere overleden
is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte
akte verklaren dat het kind de naam van zijn vader zal dragen.
Voortaan vereist deze akte niet langer de instemming van de
echtgenote met wie hij gehuwd was op het tijdstip van de
vaststelling van de afstamming, aangezien § 3, tweede lid, werd
opgeheven.
Zoals thans het geval is, moet de verklaring worden gedaan binnen
een jaar te rekenen vanaf de dag waarop de aangevers kennis hebben
gekregen van de vaststelling van de afstamming en voor de
meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De nieuwe wet
verduidelijkt dat deze termijn van een jaar begint te lopen op de
dag die volgt op de in artikel 319bis, tweede lid, bedoelde
kennisgeving of betekening waardoor de erkenning ter kennis van de
echtgenoot of de echtgenote wordt gebracht (zie de aanvulling van §
3, derde lid, dat het tweede lid wordt ingevolge de opheffing van
het huidige tweede lid). Niets belet m.i. evenwel dat de verklaring
voor deze kennisgeving wordt gedaan. Verder spreekt het voor zich
dat deze precisering slechts geldt voor het geval dat ingevolge het
nieuwe artikel 319bis een kennisgeving of betekening van de
erkenning is vereist.
De tweede wijziging bestaat in de toevoeging van een nieuwe
paragraaf 4 aan artikel 335, luidende « indien de afstamming van een
kind wordt gewijzigd wanneer hij de meerderjarige leeftijd heeft
bereikt, mag er zonder zijn akkoord geen enkele verandering aan zijn
naam worden aangebracht ». Het gaat om een nieuwe regel die los moet
gelezen worden van de vorige paragrafen maar van toepassing is
ongeacht de wijze van vaststelling van de afstamming, onder
voorbehoud van bijzondere bepalingen (bijvoorbeeld de bijzondere
bepalingen die zouden kunnen gelden in geval van adoptie). De nieuwe
regel geldt inzonderheid in het geval van een meerderjarig kind dat
met succes het vaderschap heeft betwist en dientengevolge tot op
heden overeenkomstig artikel 335, § 2, de naam van zijn vader
verloor en de naam van zijn moeder verwierf. Voortaan zal in een
dergelijk geval de naam van het meerderjarig kind niet meer worden
gewijzigd zonder zijn uitdrukkelijk akkoord. Alhoewel de wet ter
zake niets voorziet lijkt het aangewezen een schriftelijk document
houdende het akkoord van het meerderjarig kind op te maken.
5. Doodgeboren kind
Ik vestig uw aandacht op de wijziging aangebracht in artikel 80bis
van het Burgerlijk Wetboek waardoor, met betrekking tot de
niet-gehuwde vaders, de vermeldingen worden aangevuld die de akte
van aangifte van een levenloos kind moet bevatten.
Voortaan moet deze akte tevens de in het tweede lid, 2°, opgesomde
gegevens vermelden, die betrekking hebben op de vader die niet
gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind heeft erkend,
overeenkomstig artikel 328. De naam, de voornamen en de woonplaats
van de vader die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekte
kind niet heeft erkend kunnen eveneens worden vermeld, op zijn
verzoek en met de toestemming van de moeder.
Het gaat in casu niet om de vaststelling van de afstamming (dit
blijft tot dusver onmogelijk voor het kind dat niet levend en niet
levensvatbaar wordt geboren), maar om de vermelding van de gehuwde
of niet-gehuwde vader in de akte van aangifte van een levenloos
kind.
Gelet op de geest van de wet moet in de akte van aangifte van een
levenloos kind eveneens melding worden gemaakt van de naam van de
met de moeder gehuwde vader die de voorwaarden vervult voor de
toepassing van artikel 316bis van het Burgerlijk Wetboek, ingeval de
ouders in staat zijn om de in dit artikel bedoelde gezamenlijke
aangifte te doen of voor de geboorte een gemeenschappelijke
verklaring hebben afgelegd, of nog wanneer wegens gegronde redenen
zoals hierboven aangegeven de verklaring werd opgenomen in een
afzonderlijke akte (zie punt II.2).
6. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
Zowel de wet van 1 juli 2006 als de wijzigingen ervan, opgenomen in
de wet van 27 december 2006, treden in werking op 1 juli 2007.
De wet heeft geen terugwerkende kracht.
Oplettendheid is geboden in het geval van het kind dat wordt geboren
voor de inwerkingtreding van de wet en van wie de aangifte van de
geboorte wordt gedaan na de inwerkingtreding ervan. In een dergelijk
geval moet de wet die geldt op het tijdstip van de geboorte van het
kind worden toegepast ter zake van de vaststelling van de
afstamming. Het nieuwe artikel 316bis is dus niet van toepassing op
dergelijke situaties.
De overgangsbepalingen bedoeld in de wet van 1 juli 2006, aangevuld
door de wet van 27 december 2006, hebben hoofdzakelijk betrekking op
de termijnen tijdens welke de betrokken personen in rechte kunnen
optreden teneinde hun rechten te doen gelden, hetzij op basis van de
nieuwe bepalingen, hetzij op grond van de vroegere wetgeving. Zij
hebben dus slechts onrechtstreeks betrekking op de ambtenaar van de
burgerlijke stand.
Ik zou het ten zeerste op prijs stellen, mocht u wat voorafgaat ter
kennis willen brengen van de Procureurs des Konings en ambtenaren
van de burgerlijke stand van uw rechtsgebied.
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
Hebt u nog een vraag?
Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.
Andere zoekopties
U kan onze website eveneens doorzoeken met deze opties:
- A-Z index
- Chronologische lijst van recente aanpassingen
- Doelgroepen
- De zoekfunctie op trefwoord (beta)
- Op kernwoorden
- Rechtsleer
- Rapport van alle bijdragen op deze site
- Rechtspraak
- Wetgeving
- Modellen
- RSS feeds
Aanvulling
Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.

