-A +A

Het optreden in rechte van een feitelijke vereniging in een proces

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een feitelijke vereniging kan slechts in rechte optreden door toedoen van al haar leden gezamenlijk (zie rechtbank Hasselt, 06.01.2000, AJT, 2000-2001, 48).

Tegen een feitelijke vereniging kunnen geen proceshandelingen als zodanig vermits deze geen rechtspersoon.

Elk lid slechts aansprakelijk is voor een deel

Het optreden in rechte van een feitelijke vereniging.

Een feitelijke vereniging heeft geen rechtspersoonlijkheid.

Dit betekent dat zij dient aanzien te worden als een verzameling van leden.

Aldus kan een feitelijke vereniging slechts in rechte optreden door toedoen van al haar leden gezamenlijk (zie rechtbank Hasselt, 06.01.2000, AJT, 2000-2001, 48).

Dit betekent ook dat er geen proceshandelingen kunnen gesteld worden tegen de feitelijke vereniging als zodanig vermits deze geen rechtspersoon is en dat elk lid slechts aansprakelijk is voor een deel (zie rechtbank Bergen, 10.01.1949, Pas., 1949, III, 84) aangezien er geen hoofdelijkheid tussen de leden van een vereniging bestaat (K. Mortier, toegang tot de rechter voor feitelijke verenigingen, NJW, 2008, 806 ev.)

Nu is het perfect mogelijk dat een lid van een feitelijke vereniging gedagvaard wordt en hierbij eerst volmacht heeft gekregen namens de andere leden om te worden gedagvaard.

In bepaalde gevallen kan dit wenselijk of nuttig zijn, maar in het merendeel van de gevallen mag men er van uit gaan dat niemand zomaar volmacht geeft om zicht te dagvaarden.

Wanneer dan de enige persoon in kwestie verschijnt dient het bewijs geleverd te worden dat deze persoon en deze persoon alleen zich schuldig gemaakt heeft aan een inbreuk (bijvoorbeeld artikel 1382-1383).

Voor een toepassingsgeval inzake een aansprakelijkheidsvordering bij het organiseren van een fietstocht door een feitelijke vereniging, zie Politierechtbank Turnhout, 26.03.2013, Tijdschrift van de Vrederechters, 2013, pagina 465.

 

 

 

Nog dit: 

Rechtpraak: Arbeidshof Brussel 03/04/2009, AR 50.747/W Juridat lees in pdf

Samenvatting

Een feitelijke vereniging kan als zodanig niet in rechte optreden 

Wanneer een feitelijke vereniging die geen rechtspersoonlijkheid heeft in eerste aanleg werd veroordeeld, moet ze nochtans tegen die veroordeling kunnen opkomen door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Een dergelijk hoger beroep is ontvankelijk. 

Onder dit voorbehoud wordt in het Belgisch recht zowel de actieve als de passieve procesbekwaamheid ontzegd aan entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid. 

Worden toch proceshandelingen verricht door of tegen een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid, dan zullen deze als ontoelaatbaar worden afgewezen 

De problematiek van het bestaan van rechtspersoonlijkheid raakt de openbare orde raakt, met als logisch gevolg dat middelen van niet-toelaatbaarheid met betrekking tot het bestaan van een rechtspersoon in elke stand van het geding en dus ook voor het eerst in graad van hoger beroep kunnen worden Ingeroepen. 

Uittreksel uit het arrest

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

In de zaak:

COPA, Comité van de Landbouworganisaties van de Europese Unie, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1040 Brussel, Wetenschapsstraat, 23-25, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep

Tegen :
Mevrouw P. Y.,

Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Arnauts loco Mters M. Denoo en L. Dehond, advocaten te 3200 Aarschot; 

Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 12 december 1995;
- het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 15 maart 1996;
- de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde partij neergelegd ter griffie, respectievelijk op 9 mei 2008 en 28 november 2008;
- de besluiten en synthesebesluiten voor appellante partij neergelegd ter griffie, respectievelijk op 30 september 2008 en 9 januari 2009;
- de voorgelegde stukken;

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 6 maart 2009; appellante partij legde haar bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd.

x x

1. FEITEN EN RECHTSPLEGING.
Mevrouw P. was sedert 1 oktober 1965 als bediende-dactylo in dienst van appellante. Zij werkte de laatste jaren deeltijds ten belope van 4 dagen per week, 16 dagen per maand.

Appellante is een feitelijke vereniging, opgericht op 6 september 1958 met het oog op de belangenverdediging van landbouwers in de EG; ze overkoepelt de landbouworganisaties van de lidstaten.

Op 16 december 1991 werd mevrouw P. ontslagen met dringende reden wegens :

- het herhaald afwezig zijn en te laat komen,
- het wegnemen uit de briefwisseling van een aangetekende aanmaningsbrief m.b.t. deze punten.

Op 26 augustus 1992 dagvaardde ze haar werkgever als feitelijke vereniging in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 72.870,28 te vermeerderen met intresten en kosten.

Bij tussenvonnis van 28 april 1995 beval de arbeidsrechtbank te Brussel de mededeling van de lijst van de leden van de vereniging en na een bijkomend tussenvonnis dd. 27 oktober 1995 in verband met de neerlegging van de bundels, velde de arbeidsrechtbank op 12 december 1995 een eindvonnis waarbij de dringende reden niet werd aanvaard, omdat ze onvoldoende zwaarwichtig was, zodat de vordering gegrond werd verklaard ten belope van een opzeggingsvergoeding van 24 maanden of 2.519.632 frank.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 15 maart 1996, tekende appellante hoger beroep aan en hield in eerste orde voor dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk was wegens gebrek aan rechtspersoonlijkheid in haren hoofde en in ondergeschikte orde, vroeg zij dat de vordering ongegrond zou worden verklaard of minstens dat de debatten zouden worden heropend wat betreft de grond van de zaak.

Geïntimeerde stelde op haar beurt dat het hoger beroep onontvankelijk is en tekende incidenteel beroep aan waarbij zij de voorlegging van de statuten beoogde, maar gelet op het feit dat deze statuten vrijwillig werden meegedeeld, gaat ze akkoord dat het incidenteel beroep zonder voorwerp is.

2. BEOORDELING.

2.1 Ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm.

Geïntimeerde houdt voor dat het hoger beroep onontvankelijk is, in de mate dat het standpunt van appellante zou gevolgd worden dat een feitelijke vereniging bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet op ontvankelijke wijze kan worden gedagvaard; volgens geïntimeerde kan appellante dan evenmin op ontvankelijke wijze hoger beroep aantekenen.

Wanneer echter een feitelijke vereniging die geen rechtspersoonlijkheid heeft door de eerste rechter werd veroordeeld, moet ze tegen die veroordeling kunnen opkomen door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald ( Cass., 13 september 1991,Arr. Cass., 1991-1992, 38; Pas. 1992, I, 33; R.W. 1991-‘92, 882, noot K. Broeckx en T.R.V. 1993, 72 noot D. Van Gerven; Gerechtelijk Recht, Artikelsgewijze Commentaar, artikel 17-62).

Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.

2.2 Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering.

Op 26 augustus 1992 dagvaardde mevrouw P. appellante als feitelijke vereniging.

Een feitelijke vereniging kan echter als zodanig niet in rechte optreden ( Cass., 12 november 1935, Pas. 1936, I, 49 met conclusie O.M.; Cass., 6 december 1977, R.W. 1977-78, 1688 en Cass., 11 januari 1979, Pas. 1979, I, 521 met conclusie O.M.).

Onder voorbehoud van wat hierboven werd gezegd in verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep, wordt in het Belgisch recht zowel de actieve als de passieve procesbekwaamheid ontzegd aan entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid.

Worden toch proceshandelingen verricht door of tegen een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid, dan zullen deze als ontoelaatbaar worden afgewezen.

Het optreden in rechte van een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid vereist in de regel een gezamenlijk optreden van alle leden, maar dit staat er niet aan in de weg dat een groepering zonder rechtspersoonlijkheid via een vertegenwoordiger in rechte kan optreden ( P. Dauw, Het optreden in rechte van de rechtspersoon, C.A.B.G., 2006/2, p. 7 e.v., nr. 6, zie vooral p. 9) .

Via de lastgeving werd een oplossing gevonden om de contractuele verhoudingen te regelen die aan de orde zijn bij een arbeidsovereenkomst van

een personeelslid met een feitelijke vereniging ( Cass., 6 november 1961, Pas. 1962, I, 278).

Een toepassing hiervan vindt men in Arbh. Antwerpen 5 mei 1998, Soc. Kron. 1998, 200, waarbij een dagvaarding tegen een feitelijke vereniging onmogelijk werd geacht, maar waarbij wel aanvaard werd dat bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst het gezag gedelegeerd werd aan een lasthebber van de feitelijke vereniging, die in die hoedanigheid kon worden gedagvaard.

Uit de voorgebrachte statuten volgt dat niet in een uitdrukkelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid werd voorzien.

In deze zaak wordt door de partijen geen geschreven arbeidsovereenkomst voorgebracht, maar wel blijkt uit de stukken dat de ontslagbrief van mevrouw P. ondertekend werd door A. B. als administrateur-directeur en door A. H. als secretaris-generaal.

In hoeverre deze personen aldus gemandateerd waren om o.m. in rechte op te treden in verband met de arbeidsovereenkomst van mevrouw P., dient hier niet verder te worden nagegaan, nu zij niet werden gedagvaard.

Met betrekking tot de representatieve werknemersorganisaties oordeelde het Hof van Cassatie dat de wetten, die aan dergelijke organisaties het recht verlenen om in rechte op te treden, van strikte interpretatie zijn en de openbare orde raken (Cass., 28 april 1966, Pas. 1966, I, 1087; R.C.J.B. 1968, 34 noot L. François; J. T. 1966, 544 noot M. Taquet en P. Denis).

Daaruit wordt afgeleid dat de problematiek van het bestaan van rechtspersoonlijkheid de openbare orde raakt, met als logisch gevolg dat middelen van niet-toelaatbaarheid met betrekking tot het bestaan van een rechtspersoon in elke stand van het geding en dus ook voor het eerst in graad van hoger beroep kunnen worden ingeroepen (vgl. Cass., 15 mei 1951, Pas. 1951, I, 623; Cass., 30 mei 1960, Pas. 1960, I, 1124 ; zie ook conclusie Advocaat-generaal J. Velu voor Cass. 11 januari 1979, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen niet-toelaatbaarheid als gevolg van een nietigheid of een onregelmatigheid in verband met de vertegenwoordiging enerzijds en 
de niet- toelaatbaarheid als gevolg van het niet bestaan van een partij of haar onbekwaamheid om in rechte op te treden anderzijds, 
in welk laatste geval de niet-toelaatbaarheid ambtshalve kan worden opgeworpen; zie ook P. Taelman, Het optreden in rechte van privaatrechtelijke entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciële rechtscolleges in Rechtspersonenrecht, PUC W. Delva, ed. W. Van Eeckhoutte, Gent, 1999, p. 36, nr. 2).

Aangezien mevrouw P. noch de leden van de feitelijke vereniging, noch de lasthebber(s) die het werkgeversgezag kon(den) uitoefenen, heeft gedagvaard, maar zich rechtstreeks heeft gericht tot de feitelijke vereniging zelf, is de oorspronkelijke vordering onontvankelijk (Arb.rb. Brussel, 28 april 2003, A.R. 27.073/00 inzake X. / Copa, bevestigd door Arbh. Brussel, 16 november 2004).

De verwijzing door geïntimeerde naar administratieve rechtspraak, naar de vermeldingen in het arbeidsreglement, naar de zogenaamde flexibiliteit en naar de billijkheid kunnen hieraan geen afbreuk doen.

Het hoger beroep is op dit punt gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering onontvankelijk.

Veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten,
deze aan de zijde van appellante begroot op
rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 165,10
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 3000,00
totaal euro 3165,10
en aan de zijde van geïntimeerde, voor zover als nodig, begroot op euro 3.492,59

Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 25/12/2013 - 18:22
Laatst aangepast op: wo, 25/12/2013 - 18:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.