-A +A

Aangetekende brieven waartegen geen protest scheppen geen recht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Heel wat burgers en zelfs ondernemingen zijn in de vaste overtuiging dat wanneer zij een aangetekende brief sturen naar een bepaalde persoon waarin eisen worden geformuleerd of verplichtingen worden opgelegd, deze kunnen afgedwongen worden wanneer hierop niet gereageerd wordt. Ten onrechte.

Enige uitzondering bestaan uit briefwisseling inzake handelsverbintenissen, zoals zeker een aangetekend factuurprotest. Wordt op een factuurprotest niet gereageerd dan wordt het factuurprotest als aanvaard aanzien.

Er kan niet, bij wijze van algemene regel, worden aangenomen dat ten aanzien van handelaars of handelsvennootschappen, het bewijs van het bestaan van een verbintenis geleverd wordt door het gebrek aan protest tegen een brief. Daarvoor bestaat geen wettelijke grondslag.

Naar burgerlijk bewijsrecht geldt dat een geschrift geen bewijs kan opleveren ten voordele van degene die het geschreven heeft (art. 1331 BW). Het – soepeler – bewijsrecht in handelszaken wijkt daar enigzins van af. Aldus geldt dat boeken van kooplieden bewijs opleveren tegen hen (art. 1330 BW).

Art. 25, tweede lid, W.Kh. bepaalt dat koop en verkoop bewezen kunnen worden door middel van een aanvaarde factuur. De regel dat de aanvaarde factuur het bewijs oplevert van de overeenkomst, geldt enkel voor de handelskoop. Voor andere handelsverrichtingen kan de rechter uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis (Cass. 24 januari 2008, RABG 2008, 931). Aangenomen wordt bovendien dat, inzake handelsverrichtingen, de aanvaarding van de factuur, waaruit het voormelde vermoeden wordt geput, kan blijken uit het gebrek aan protest.

Art. 25 W.Kh. bepaalt verder: “Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan (...).”

Volgens algemeen geldende rechtsleer en rechtspraak wordt in handelszaken, omwille van een vlot en efficiënt rechtsverkeer, algemeen aangenomen dat op een handelaar de verplichting rust om op brieven te reageren wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan (zie: E. Dirix en G.L. Ballon, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, p. 169, nr. 336).

Deze rechtspraak en rechtsleer is niet relevant wanneer het niet gaat over handelsverbintenissen zoals een aansprakelijkheidsvordering gaat. Handelsverbintenissen kunnen niet gelijkgeschakeld worden met een vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding.

Wanneer een handelaar aanvoert dat een schuldenaar ermee ingestemd zou hebben dat zij schadevergoeding verschuldigd is, omdat zij niet geantwoord zou hebben op een brief, dan vergist deze handelaar zich. Een brief, uitgaande van een partij, kan op zichzelf ten aanzien van haar wederpartij geen bewijs aanbrengen, noch een bron van verbintenissen zijn. Het is enkel de aanvaarding die het mogelijk maakt aan dit eenzijdige geschrift bewijswaarde te verlenen.

Het stilzwijgen is in beginsel dubbelzinnig. De aanvaarding kan slechts blijken uit het stilzwijgen, indien er omstandigheden zijn die deze dubbelzinnigheid opheffen, zodanig dat daaruit redelijkerwijze enkel nog een aanvaarding kan worden afgeleid. Ook ten aanzien van handelaars is het stilzwijgen op zichzelf geen bron van verbintenissen. Het is enkel een omstandig stilzwijgen dat een aanvaarding van een aanspraakbevestiging kan opleveren.

Anderzijds:

Overeenkomstig art. 1146 BW is schadevergoeding op grond van een contractuele wanprestatie dan eerst verschuldigd wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen.

Het loutere feit dat een schuldenaar zijn verbintenissen niet nakomt, volstaat niet opdat men mag stellen dat een schuldeiser op zijn recht zal staan. Een partij is slechts in gebreke wanneer zij nalaat de overeenkomst uit te voeren nadat zij daartoe door de wederpartij in gebreke is gesteld. Dit betekent dat, wanneer in een contractuele rechtsverhouding een schuldeiser de sancties wil toegepast zien, die aan de niet-uitvoering van de verbintenis verbonden zijn, hij de wederpartij eerst in gebreke moet stellen. Alleen daarmee geeft hij te kennen dat hij de uitvoering van de verbintenissen door de wederpartij eist.

Aan de schuldenaar moet nog een laatste respijttermijn gegund worden, waarna hij, indien hij niet ingaat op de ingebrekestelling, in gebreke is.

Ingebrekestelling is trouwens steeds vereist, ongeacht de bron of het voorwerp van de verbintenis. Het betreft een algemeen rechtsbeginsel (Cass. 9 april 1976, Arr.Cass. 1976, 921).

 

Rechtspraak

• Hof van Beroep Gent 22 september 2010, RW 20111-2012, 232

• Rechtbank van Koophandel Antwerpen Afdeling Antwerpen, 12/04/2016, RW 2016-2017, 915

NV B.T. t/ NV G.M.A.

1. De feiten

Op 20 september 2012 wordt er in het filiaal van verweerster, gelegen (...) te Antwerpen een bestelwagen (...) van eiseres binnengebracht voor het uitvoeren van een herstelling.

Op 24 september 2012 komt een werknemer van eiseres materiaal uit de bestelwagen halen, en stelt daarbij vast dat er werkmateriaal verdwenen is. Hiervan wordt aangifte gedaan bij de lokale politie te Antwerpen, die een vereenvoudigd proces-verbaal opstelt van diefstal uit het voertuig: “(...) Toen hij vandaag het aanwezige materiaal wilde overladen in een andere bestelwagen, bleek de inhoud van de laadruimte ontvreemd. Het voertuig stond buiten op de parking naast de garage geparkeerd, sinds vorige donderdag 20 september 2012. De diefstal werd vandaag om 13.00 u vastgesteld. Wij kunnen geen nuttige sporen treffen op het voertuig. Geen sporen van braak vast te stellen. Een inventaris zal worden opgesteld aangaande het verdwenen materiaal. De verantwoordelijke van de garage, de genaamde B.Y., was de oproeper van de feiten. Benadeelde is de firma S. (...). Vermelden nog dat de parking vrij toegankelijk is vanaf de straat. Geen vermoedens nopens de dader(s).”

Op 4 maart 2013, zijnde zes maanden na de diefstal, wordt door eiseres een lijst van de gestolen goederen bezorgd, met het verzoek deze door te sturen aan de verzekeraar van verweerster. Deze lijst bevat een opsomming van goederen met een totale waarde van 22.546,73 euro.

Bij e-mail van 23 april 2013 laat de h. B., werkzaam bij verweerster, weten dat de verzekering niet zal tussenkomen: “Wij hebben dit voorgelegd aan onze directie; daar onze verzekering niet tussenbeide komt zal deze kost door ons gedragen moeten worden. Normaal gaat onze directie met u contact opnemen om dit te komen bespreken. (...)”

Bij brief van 28 november 2013 wordt verweerster door eiseres in gebreke gesteld het schadegeval door te geven aan de diefstalverzekeraar en werd wederom de lijst met gestolen goederen meegezonden.

Bij gebreke aan betaling werd op 3 november 2016 dagvaarding uitgebracht.

2. De vorderingen

Eiseres vordert verweerster te veroordelen tot het betalen van een bedrag van 22.546,73 euro, vermeerderd de wettelijke interesten vanaf 4 maart 2013 tot de volledige betaling en verweerster te veroordelen tot de kosten van de procedure. (...)

Verweerster verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren (...).

3. Ten gronde

3.1. Eiseres beroept zich op art. 25 titel IV van het Wetboek van Koophandel om verweerster aansprakelijk te stellen voor de schade die zij leed ten aanzien van de goederen die werden gestolen uit haar bestelwagen. Zij meent dat het gebrek aan reactie op de ontvangst van de lijst van de verdwenen goederen dient begrepen te worden als de bereidheid om deze schade ook te vergoeden. Voorts baseert eiseres zich ook op een e-mail die een medewerker van verweerster verzond en waarin werd gesteld dat zij zelf dient tussen te komen, daar de diefstalverzekeraar had laten weten geen dekking te zullen verlenen.

Art. 25 W.Kh. bepaalt: “Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan (...).”

Volgens algemeen geldende rechtsleer en rechtspraak wordt in handelszaken, omwille van een vlot en efficiënt rechtsverkeer, algemeen aangenomen dat op een handelaar de verplichting rust om op brieven te reageren wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan (zie: E. Dirix en G.L. Ballon, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, p. 169, nr. 336).

Deze rechtspraak en rechtsleer zijn niet relevant voor de voorliggende zaak, nu het in casu om een diefstal en een aansprakelijkheidsvordering gaat en niet om een handelsverbintenis. Handelsverbintenissen kunnen niet gelijkgeschakeld worden met een vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens een diefstal. Voorts kan een factuur ook niet worden gelijkgesteld met een lijst van gestolen goederen die werd toegezonden.

3.2. Vervolgens is eiseres ten onrechte van oordeel dat de bewarings- en teruggaveplicht die rust op de garagehouder ten aanzien van de bestelwagen naar analogie moet worden toegepast op de goederen die zich in de bestelwagen bevinden en dat de restitutieplicht dus niet alleen van toepassing is op de bestelwagen zelf, maar ook op de inhoud.

De rechtbank volgt deze stelling niet. De bewaarnemer (hier de garagehouder) heeft twee verplichtingen. Hij moet de wagen teruggeven op eerste verzoek van de bewaargever. Daarnaast moet de bewaarnemer de wagen zorgvuldig bewaken. Hij moet dit doen op dezelfde manier als hij zijn eigen goederen zou bewaken. Er wordt in casu geen fout van verweerster aangetoond. Zij heeft immers onmiddellijk na de feiten als een goede huisvader de politie verwittigd en klacht neergelegd. Het feit dat er geen braaksporen zijn teruggevonden, betekent niet dat verweerster het voertuig niet slotvast had achtergelaten. De bestelwagen stond op de openbare weg en werknemers van eiseres konden dus ook de wagen openen. Op het ogenblik dat de diefstal wordt gemeld, was er nota bene een medewerker van eiseres materiaal aan het nemen in de bestelwagen.

Voorts kan het gestolen materiaal, dat een waarde vertegenwoordigde van 22.546,73 euro en dat goederen bevat van verschillende pagina’s, bezwaarlijk worden beschouwd als een accessorium van het voertuig.

Ten slotte is er tevens de onzorgvuldigheid/fout van eiseres zelf door een bestelwagen achter te laten, geladen met materiaal van een grote waarde gedurende verschillende dagen zonder verweerster hiervan in kennis te stellen. Voorts is het opmerkelijk dat zij zelf een half jaar wacht om een lijst door te sturen met goederen, waarvan niet kan gecontroleerd of geverifieerd worden dat deze goederen zich wel in de bestelwagen bevonden. Een servicelijst die zich normaliter in het voertuig dient te bevinden en die een opsomming bevat van goederen die zich in het voertuig bevinden, wordt niet voorgelegd. Alsdan had gecontroleerd kunnen worden welke goederen werden ontvreemd.

Verweerster voert dan ook terecht aan dat noch de diefstal, noch een fout van haar, noch de omvang van de schade, noch het causaal verband tussen fout en schade wordt bewezen, zodat de vordering van eiseres ongegrond is.
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: za, 17/09/2011 - 10:02
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 13:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.