-A +A

aansprakelijkheid artikel 135 alinea 2 gemeentewet en 1384 BW daad derde en eigen fout

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet

legt de gemeentelijke overheid de verplichting op slechts veilige wegen open te stellen. Ingevolge genoemde wetsbepaling rust op verweerster op hoofdeis de verplichting tot het voorkomen, door aangepaste maatregelen, van ieder abnormaal gevaar, tenzij een vreemde oorzaak, die haar niet kan worden aangerekend, haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te komen (Cass. 26 mei 1994, R.W. 1994-95, 745).

Voor de aansprakelijkheid van de gemeente op grond van art. 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet moet de benadeelde niet het bewijs leveren dat de gemeente kennis had van de gevaarstoestand (L. Cornelis, Beginselen van het Belgisch buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, nrs. 132-133).

En wat betreft de vreemde oorzaak, die haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te leven, ligt de bewijslast bij de gemeentelijke overheid.

Dit alles neemt niet weg dat de gemeentelijke veiligheidsverplichting een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis is. De beoordeling gebeurt evident aan de hand van de concrete gegevens van de zaak.

Een belangrijk beoordelingselement in dat verband kan, naar gelang van de omstandigheden van de zaak, het tijdsverloop zijn. Wanneer het tijdsverloop tussen het feit dat het gebrek aan het wegdek heeft veroorzaak en het rioolrooster en het ongeval te kort is opdat de gemeentelijke overheid de tijd zou hebben gehad om kennis te krijgen van het in omvang niet zo opvallende euvel en iemand ter plaatse te sturen om het te verhelpen vervalt de gemeentelijke aanprakelijkheid.

Zelden zal een gebrek aan het wegdek een fout in de zin van art. 1382 B.W. uitmaken.

1384 B.W eerste lid

Wanneer de gemeentelijke aansprakelijkheid niet kan weeerhouden worden noch op grond van art. 135§2 van de nieuwe gemeentewet, noch op grond van art. 1382 B.W. kan de gemeentelijke toch nog worden aangesproken op grond van art.1384 eerste lid B.W. Artikel 135§2 van de nieuwe gemeentewet sluit deze aansprakelijkheid niet uit.

Om de aansprakelijkheid van Art. 1384, eerste lid, B.W. te weerhouden dient geen fout bewezen maar enkel het bestaan van een gebrek, bv. een voorwerp op de weg, een opengeklapt rioolrooster, modder, olie..

Van zodra het gebrek kan worden aangetoond heeft verweer door de gemente op dit punt nog verder weinig zin. Toch rest de gemeente alsdan nog een uitweg wanneer door een bevrijdende vreemde oorzaak in te roepen of een eigen fout in hoofde van het "slachtoffer".

De bevrijdende vreemde
 
oorzaak of daad van een

derde

De bevrijdende vreemde oorzaak, daad van een derde,  is de vreemde oorzaak of de daad van een derde die betrekking heeft op de schade zelf, niet op het gebrek, want het is precies dat gebrek dat ongeacht zijn oorsprong de aansprakelijkheid van de bewaarder van de zaak teweegbrengt (Cass. 13 mei 1993, R.W. 1994- 95, 1329; Hof Antwerpen 10 januari 1989, Verkeersrecht 89/142).

Wanneer de handeling van de derde het gebrek teweeg brengt en niet de schade, kan de vreemde oorzaak, weze het een fout van een derde niet resulteren in de bevrijding van de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid, B.W.

Vrijwaring aansprakelijke

derde

Wanneer aldus een fout van en derde geen bevrijding zou kunnen uitmaken, belet niets de verantwoordelijke derde in tussenkomst en vrijwaring te dagvaarden.

Deze derde is in heel wat gevallen gekend,bv. de aannemer die bepaalde werken uitvoerde en het wegdek gebrekkig achterliet, de landbouwer die modder op de weg achterliet, de transportfirma die een deel van haar lading verloor...

Maar deze aansprakelijkheid is geen objectieve aansprakelijkheid in die zin dat de fout van de derde dient bewezen te worden. Vaak is dit niet zo eenvoudig, maar terzake kan het bewijs door vermoedens uitweg bieden, immers wanneer de feiten vatbaar zijn voor bewijs door getuigen, kan de rechtbank het bewijs door vermoedens aannemen.

De artikelen 1349 en 1353 B.W. laten de beoordeling van feitelijke vermoedens over aan het oordeel en beleid van de feitenrechter, zonder dat een noodzakelijk logisch verband tussen het bekende en het te bewijzen feit of de uitsluiting van iedere andere mogelijkheid dienen aanwezig te zijn, met dien verstande dat alleen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in aanmerking komen (Cass. 18 mei 1981, R.W. 1981-82, 2471).

Eigen fout van het slachtoffer

Tenslotte kan de overheid bij wijze van verweer de eigen fout van het slachtoffer inroepen om aldus van een (deel) van haar aansprakelijkheid te worden ontslaan.

Hierbij kan zich de vraag stellen stellen of de voorkennnis van de gevaarstoestand tot een fout van het slachtoffer leidt. Een en ander is een feitenkwestie (B. Weyts, De fout van het slachtoffer in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2003, nr. 45).

Een arrest van het Hof van Beroep te Gent dat de vordering van een gevallen fietser afwees omdat de fout van de fietser – die geen rekening hield met het zichtbare en door hem gekende gebrek van de weg – de fout van de overheid doorbrak, werd door het Hof van Cassatie vernietigd. De voorkennis van het slachtoffer sluit de aansprakelijkheid van de overheid niet uit en de overheid kan aansprakelijk worden gesteld, ook al was de getroffen weggebruiker van de plaatselijke toestand op de hoogte (B. Weyts, o.c., nr. 46, met verwijzingen aldaar).

Zoals door de rechtspraak en en rechtsleer reeds dikwijls herhaald, kan de omstandigheid dat een weggebruiker een fout begaat door geen rekening te houden met de door hem gekende plaatsgesteldheid – in toepassing van de equivalentieleer – leiden tot een verdeling van de aansprakelijkheid, niet tot de opheffing van de aansprakelijkheid van de overheid (B. Weyts, o.c., nr. 47, met verwijzingen aldaar).

Verder maken opzet, of bijzonder zware fout (waarbij de bestuurder bijvoorbeeld met miskenning van signalisatie een voor alle verkeer gesloten weg zou berijden), omstandigheden uit die de eigen aansprakelijkheid van het slachtoffer kunnen meebrengen net zoals de vak ingeroepen niet-aangepaste snelheid.

Het Hof van Beroep te Antwerpen brengt in een arrest (waarin het gaat om een ongeval aan 80 km per uur op een betonweg in slechte staat met gaten in de rechterrijstrook) de vigerende criteria in herinnering.

Om een eigen (samenlopende) fout van de bestuurder van een voertuig die een ogeval oploopt op een gebrekkige weg aan te nemen, moet bewezen zijn:

1) dat het gebrek in kwestie vanop afstand zichtbaar was en
2) dat de schadelijder bij het zien van het gebrek in staat moest zijn geweest die te ontwijken zonder gevaar voor zichzelf of voor derden (de gewone criteria inzake voorzienbaarheid) (Hof Antwerpen, 12 maart 1998, T.A.V.W. 1999, 33).

Men mag hierbij niet vergeten dat, wanneer de schadelijder een (mede)-fout door onaangepaste snelheid wordt verwezen, er  haar een misdrijf ten laste wordt gelegd (overtreding van art. 10.1.1°en 3°, Wegverkeersreglement).

Dit impliceert dat om de eigen fout van de schadelijder te weerhouden als verweer van de aansprakelijke, deze verweerder dan een drievoudig bewijs moet leveren:

1) dat de bestanddelen van het misdrijf aanwezig zijn;
2) dat het misdrijf aan eiseres te wijten is;
3) dat de door haar aangevoerde rechtvaardigheidsgrond voor zover er geloof aan kan worden gehecht, niet bestaat (Cass. 4 december 1992, R.W. 1992-93, 883).

Hierbij dient ook aangemerkt dat de eventuele fout van de schadelijder moet worden beoordeeld in de ontstaanfase van het ongeval.

De graad (ernst) van de fout van het slachtoffer is bepalend voor het bepalen van het aandeel van de aansprakelijkheid van,het slachtoffer, zo zal bv. een lichte fout die slechts in mindere mate bijdroeg tot het ontstaan van het ongeval en van de schade, in billijkheid de eigen aansprakelijkheid kunnen beperken ten belope van één vijfde.

Voor een concreet toepassingsgeval, overigens bron van deze bijdrage, zie Politierechtbank Gent, 24 april 2006, RW 2009-2010, 756.

overige rechtspraak

• Cass. 25 januari 2005, R.W. 2005-06, 1540, noot T. Vansweevelt.

• Politierechtbank Brugge, 10 juni 2009, RW 2009-2010, 1573: lees de integrale tekst van dit vonnis met paswoord RW

Dat tweede verweerster bijna veertig jaar geleden bereid werd gevonden om riolering aan te leggen, maakt ook haar geen bewaarster van de weg in de zin van art. 1384, eerste lid, B.W. Terloops zij nog opgemerkt dat eiseres niet beweert dat de riolering gebrekkig is, maar de weg in zijn geheel, namelijk de combinatie van het riooldeksel met een verzakking in het wegdek van 15 cm. Hoewel tweede verweerster nog zou kunnen worden aangewezen als de bewaarster van de riolering, geldt dit zeker niet voor wat de private weg betreft waarlangs het ongeval zich voordeed.

Voor zover eiseres beide verweersters aanspreekt als bewaarsters van een gebrekkige zaak, in de zin als bedoeld in art. 1384, eerste lid, B.W. is haar vordering ongegrond.

Voorts beroept eiseres zich ten aanzien van tweede verweerster nog op art. 135, § 2, van de Gemeentewet.

Krachtens art. 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet heeft de gemeente tot taak te voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, namelijk te waken over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Aan het gezag van de gemeenten is toevertrouwd: alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, paden en pleinen.

Nog afgezien van de bedenking dat een dergelijke private weg die hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, bestemd is voor enkele aangelanden om naar hun garages te rijden achter hun eigendom, bezwaarlijk als een gebrekkige zaak kan worden beschouwd louter en alleen omdat het wegdek vervormd is en lager gelegen is dan een uitstekend riooldeksel, rijst nog de vraag in welke mate de gemeentelijke overheid moet of kan ingrijpen met het oog op een vlot en veilig verkeer. Zoals gezegd, gaat het in casu louter om een private dienstweg, waarvan inspecteur D. zegt dat hij «op dat moment» (waarmee hij bedoelt «binnen het kader van autowasdag») een openbaar karakter had. Aan de gemeente kan echter niet verweten worden om geen maatregelen te hebben genomen ten aanzien van een in hoofdzaak private weg, die alleen tijdelijk, uitzonderlijk en dan nog alleen door eigen optreden van de autowasorganisatoren (zonder toestemming gevraagd te hebben van de bewaarders van de weg: zie verklaring De.) in gebruik werd genomen. De zin en de betekenis van art. 135, § 2, Gemeentewet is dat de gemeente instaat voor de veiligheid van openbare wegen op haar grondgebied, en niet moet instaan voor de veiligheid op private wegen die sporadisch en dan nog zonder uitdrukkelijke toelating en hoogstens uit gedoogzaamheid van de private gebruikers, door anderen worden gebruikt dan door de normale gebruikers.

Ook in zoverre de eiseres zich beroept op de rechtsgrond van art. 135, § 2, Gemeentewet tegen tweede verweerster is haar vordering ongegrond.

• Politierechtbank te Gent, 8e Burgerlijke Kamer – 15 maart 2010, RW 2010-2011,1530 (De muur van Oosterzele)

Samenvatting:

Een gemeente komt tekort aan haar veiligheidsverplichting conform art. 135, § 2, Gemeentewet. Wanneer zij betonnen bloembakken gebruikt als snelheidsafremmers op de rijbaan plaatst die ze evenwel gaat placeren op volle breedte van een rijstrook en die aldus in het donker moeilijk waarneembaar zijn en die enkel worden gesignaleerd met een paar reflecterende plastieken paaltjes en een verkeersbord dat een wegversmalling aanduidt. Men zou door minder zich voor het hoofd stoten.

Uittreksel uit het vonnis:

...

Het geding gaat terug op een verkeersongeval te Oosterzele op 25 februari 2007.

Eerste eiseres vordert voor voertuig- en aanverwante schade een schadevergoeding van 12.075,95 euro.

Tweede eiseres vordert een schadevergoeding van 5.484,26 euro, zijnde de schadeloosstellingen die zij als burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeraar m.b.t. het voertuig van eerste eiseres betaalde aan de eigenares van een omliggende woning die door het ongeval schade opliep en aan de passagier in het voertuig van eerste eiseres.

Beide vorderingen worden vermeerderd met de interest.

A. Feitelijke gegevens

1. De materiële gegevens betreffende het ongeval maakten het voorwerp uit van een strafinformatie van het parket van de procureur des Konings te Gent.

Het ongeval leidde tot een strafrechtelijk geding, dat zijn beslag kreeg in een strafvonnis van deze rechtbank van 9 februari 2009 en waarover verder meer wordt gezegd.

2. Het ongeval gebeurde op 25 februari 2007 om 6u30 in de Reigerstraat te Oosterzele ter hoogte van huisnummer 82. Het voertuig van eerste eiseres werd bestuurd door de heer M.W.

3. Foto‘s in de strafinformatie tonen dat de Reigerstraat een betonweg is met twee rijvakken tussen verspreide bebouwing.

Op de rijbaan bevinden er zich drie snelheidsafremmers. Die snelheidsafremmers bestaan uit beton, hebben de vorm van een trapezium en zijn ingericht als grote bloembakken.

De bloembakken (snelheidsafremmers) waren ten tijde van het ongeval wit geschilderd, maar de foto‘s van dadelijk na het ongeval tonen dat zij zwart uitsloegen door bevuiling.

Ten tijde van het ongeval stonden er alleen een paar plastieken paaltjes met reflectoren in die bloembakken en een verkeersbord dat een wegversmalling aanduidt en één dat de voorrang van doorgang regelt.

4. Op het tijdstip van het ongeval was het donker. De verbalisanten geven aan dat het nog donker was toen zij ter plaatse kwamen.

De openbare verlichting brandde, maar de verbalisanten noteren dat de bloembakken niet goed zichtbaar waren. Die moeilijke waarneembaarheid van de bloembakken in het donker blijkt trouwens overtuigend uit foto 1 in de strafinformatie.

5. De foto‘s tonen voorts dat de bloembakken (snelheidsafremmers) de volle breedte van een rijstrook innemen en op enkele centimeters na tot aan de scheidingslijn van de rijvakken komen.

6. De bestuurder W. reed in de Reigerstraat richting N 42 aan een snelheid van ongeveer 50 km per uur. Dit is de ter plaatse toegelaten snelheid en de door de strafrechter aangestelde deskundige bevestigt dat de initiële snelheid van het voertuig rond de 50 km per uur lag.

Op een bepaald moment zag de bestuurder op de rijbaan een betonnen bloembak (snelheidsafremmer) staan. Hij trachtte die te vermijden door een uitwijking naar links, maar raakte de snelheidsafremmer met de rechter voorkant van het voertuig en kwam links van de rijbaan tot stilstand tegen een muur en een stenen omheining.

7. Bij de bestuurder W. werd een lichte alcoholintoxicatie vastgesteld. Er was echter geen enkele aanwijzing van dronkenschap of van aantasting van de geschiktheid tot sturen, zodat het ongeval geen enkel verband houdt met die alcoholintoxicatie.

B. Antecedenten en voorliggende procedure

1. Zoals al gezegd, maakte het ongeval het voorwerp uit van een strafgeding.

a) De bestuurder W. werd door het openbaar ministerie vervolgd voor overtreding van art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement (het niet te hebben kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis), onopzettelijke slagen of verwondingen (aan de passagier in zijn voertuig) en alcoholintoxicatie.

De burgemeester van de gemeente Oosterzele werd ten verzoeke van de bestuurder W. rechtstreeks gedagvaard voor onopzettelijke slagen of verwondingen aan de passagier van het voertuig.

Bij vonnis van 9 februari 2009 werd de bestuurder W. veroordeeld voor de (lichte) alcoholintoxicatie, maar vrijgesproken voor de overtreding van art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement en de onopzettelijke slagen of verwondingen. De burgemeester van Oosterzele werd op rechtstreekse dagvaarding vrijgesproken.

b) In het strafgeding was de gemeente Oosterzele burgerlijke partij tegen de bestuurder W.

De strafrechter verklaarde zich, gelet op de vrijspraak, onbevoegd om van die burgerlijke vordering kennis te nemen in de mate dat zij gebaseerd was op de overtreding van art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement en de onopzettelijke slagen of verwondingen, en verklaarde ze ongegrond in de mate dat de bestuurder W. werd vervolgd voor alcoholintoxicatie.

De strafrechter verklaarde zich om reden van de vrijspraak van de rechtstreeks gedaagde burgemeester eveneens onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vordering op rechtstreekse dagvaarding.

c) Het wordt niet betwist dat er tegen dat strafvonnis geen rechtsmiddel werd aangewend.

2. De thans voorliggende aansprakelijkheidsvordering tegen verweerster, de gemeente Oosterzele, wordt gebaseerd enerzijds op art. 1382-1383 BW (aquiliaanse fout en/of onzorgvuldigheid) en anderzijds op art. 135, § 2, van de Gemeentewet (gemeentelijke verplichtingen inzake veilig wegbeheer).

C. Voorafgaande punten in rechte

1. Het is evident dat de aansprakelijkheidsvraag moet worden beoordeeld op basis van de toestand van de plaats van het ongeval zoals die toestand was op het tijdstip van het ongeval.

2. Een tweede punt is de vraag naar het gezag van gewijsde van het strafvonnis en meer bepaald naar de tegenwerpelijkheid van dat strafvonnis aan verweerster en naar de draagwijdte van dat gezag van gewijsde.

a) De rechtbank hoeft hier niet in herhaling te vallen door het citeren van de thans overbekende evolutie in de rechtspraak. Samengevat kan een strafvonnis niet langer worden tegengeworpen aan een partij die geen partij was in het strafgeding of die, ook al was ze partij in het strafgeding, haar verdediging niet in alle vrijheid kon voordragen (wat dat laatste betreft, denkt men in eerste instantie aan de tussenkomende verzekeraar die bepaalde middelen niet kan laten gelden tegen zijn verzekerde).

De gemeente Oosterzele was als burgerlijke partij in het strafgeding betrokken en kon er vrij stelling nemen, zodat de tegenwerpelijkheid aan haar van het strafvonnis als zodanig geen probleem schept.

Hoewel de betwisting niet concreet daarover gaat, was het toch nuttig dat aspect even aan de orde te stellen.

b) Het gezag van gewijsde van dat strafvonnis strekt zich uit tot alles waarover de strafrechter noodzakelijkerwijze heeft beslist. Daartoe behoort de afwezigheid van fout van de (voor het ongeval vrijgesproken) bestuurder W., met inbegrip van de in de motivering van het strafvonnis vermelde dragende elementen voor die beoordeling (ook al was de aansprakelijkheidsvordering tegen de gemeente Oosterzele zelf in het strafgeding om evidente redenen niet gesteld). Het gezag van gewijsde van het strafvonnis strekt zich dus alleszins uit tot de essentiële motieven in het strafvonnis op het vlak van de aansprakelijkheidsbeoordeling.

3. Volledigheidshalve wijst de rechtbank erop dat de strafrechtelijke vrijspraak van de burgemeester enerzijds en de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering tegen de gemeente zelf anderzijds, op de gronden waarop zij thans wordt gesteld, van elkaar moeten worden onderscheiden.

Het inrichten en laten bestaan van een plaatsgesteldheid die een risico op ongevallen meebrengt, vormt een abnormaal gevaar dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de gemeente in het gedrang brengt. De burgemeester kan strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld op basis van een persoonlijke fout of nalatigheid (Pol. Brugge 18 december 2006, Corr. Brugge 22 juni 2007, Cass. 27 november 2007 en Corr. Kortrijk 12 september 2008, T.Pol. 2009, 10).

Uit het strafvonnis blijkt dat de burgemeester werd vrijgesproken op basis van de afwezigheid van persoonlijke fout of van onzorgvuldig handelen.

Wat hier nu aan de orde is, is de burgerlijke aansprakelijkheid van de gemeente.

D. De aansprakelijkheid

1. De rechtbank beoordeelt de vordering in eerste instantie op basis van art. 135, § 2, Gemeentewet.

2. Allereerst opnieuw volledigheidshalve een randopmerking. Verweerster werpt terecht niet op dat het om een blijvende of periodieke toestand zou gaan die de aansprakelijkheid van de gemeente zou uitsluiten. Die bepaling in art. 135, § 2, Gemeentewet heeft alleen betrekking op de politie over het wegverkeer, maar laat de gemeentelijke verplichtingen op het vlak van de veiligheid van de wegen, die een ander aspect zijn, onverlet (A. Van Oevelen, «De buitencontractuele aansprakelijkheid van de wegbeheerder» in Aansprakelijkheid van de wegbeheerder, Brugge, Vanden Broele, 2006, p. 89, met de aldaar vermelde cassatierechtspraak).

3. Art. 135, § 2, Gemeentewet legt de gemeentelijke overheid de verplichting op slechts veilige wegen open te stellen. Ingevolge genoemde wetsbepaling rust op verweerster de verplichting tot het voorkomen, door aangepaste maatregelen, van ieder abnormaal gevaar, tenzij een vreemde oorzaak, die haar niet kan worden aangerekend, haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te komen (Cass. 26 mei 1994, RW 1994- 95, 745). Voor de aansprakelijkheid van de gemeente art. 135, § 2, Gemeentewet moet de benadeelde niet het bewijs leveren dat de gemeente kennis had van de gevaarstoestand (L. Cornelis, Beginselen van het Belgisch buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, nrs. 132- 133). En wat de vreemde oorzaak, die haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te leven betreft, ligt de bewijslast bij de gemeentelijke overheid.

Dit alles neemt niet weg dat de gemeentelijke veiligheidsverplichting een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis is. De beoordeling gebeurt evident aan de hand van de concrete gegevens van de zaak.

Een belangrijk beoordelingselement in dat verband kan, naar gelang van de omstandigheden van de zaak, het tijdsverloop zijn. In verband met dit alles verwijst de rechtbank naar de meest recente cassatierechtspraak (hierna vermeld): wanneer het slachtoffer het bewijs levert van een abnormaal gevaar op een weg in de gemeente, dient in beginsel te worden aanvaard, behoudens tegenbewijs, dat de gemeentelijke overheid die gevaarssituatie behoorde te kennen en maatregelen vereist waren om het gevaar weg te werken. Om in dat geval niet aansprakelijk te worden gesteld, staat het aan de gemeentelijke overheid het bewijs te leveren dat zij de gevaarssituatie niet behoorde te kennen en niet kende, ofwel, gelet op het tijdsverloop, in de onmogelijkheid is geweest de nodige maatregelen te treffen om het abnormaal gevaar te onderkennen. Met het oordeel dat de gemeente niet aantoont dat de gevaarstoestand nog maar pas op de rijbaan was op het ogenblik van het ongeval en dat zij derhalve in de materiële onmogelijkheid was tijdig de nodige maatregelen te nemen, verantwoorden de rechters hun beslissing dat de gemeente aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval (Cass. 17 april 2008, T.Pol. 2008, 200; zie: G. Jocqué, «Het Hof van Cassatie verkent nieuwe wegen: de aansprakelijkheid van de gemeente voor haar wegennet volgens het arrest van 17 april 2008» in Liber amicorum Hubert Bocken, Brugge, die Keure, 2009, 117).

Zoals bekend, strekt de gemeentelijke aansprakelijkheid zich uit tot ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of verborgen (Cass. 12 januari 2001, TAVW 2001, 260).

Dat de aanwezigheid van de snelheidsafremmers (bloembakken) niet van recente aard was, is evident. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van de verkeersborden, zoals ze was op het tijdstip van het ongeval. En het zwart worden van de witte beschildering van de betonnen bakken is het resultaat van een evolutie over een zekere tijd. In casu levert de gemeente dus allerminst het bewijs van de haar niet toerekenbare vreemde oorzaak of van het ontoereikende tijdsverloop om de toestand te verhelpen.

4. Blijft de beoordeling van het abnormale gevaar. Het is niet het aanbrengen van de snelheidsafremmers als zodanig dat tot de aansprakelijkheid van de gemeente leidt. Op dat punt is verweersters conclusie naast de kwestie. Het gaat om het geheel van de concrete verkeerstoestand die tot het ongeval leidde.

De rechtbank is van oordeel dat er in casu sprake is van een abnormaal gevaar. Er was inderdaad een toestand die van aard was de weggebruiker te verrassen en waarbij iedere voorzichtige overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, tussenbeide zou komen om de toestand te verhelpen.

De rechtbank verwijst op dat punt naar de in het strafvonnis vermelde elementen en releveert in het bijzonder: de snelheidsafremmers namen een geheel rijvak in beslag en vormden aldus een hindernis waarvan vastgesteld wordt (1) dat ze in het donker zeer moeilijk waarneembaar was (foto en verklaring van verbalisanten), mede gelet op de omstandigheid dat ze zwart uitsloegen; (2) dat er alleen een paar plastieken paaltjes midden de bloembakken stonden als signalisatie; (3) dat de aanwezige verkeersborden niet de geëigende borden zijn om een gevaarstoestand die de hele weg blokkeert aan te duiden (het aanwezige bord duidt alleen een versmalling van de breedte van de weg aan) en (4) dat er ten slotte geen aangepaste aankondiging van het blokkeren van het rijvak stond op een nuttige afstand vóór de hindernis. Afwezigheid van signalisatie of een niet-aangepaste signalisatie van een dergelijk obstakel wordt als abnormaal gevaar aanvaard (A. Van Oevelen, o.c., in Aansprakelijkheid van de wegbeheerder, 54). Recente rechtspraak inzake een onverlichte inrichting: Pol. Brugge 26 december 2008, T.Pol. 2009, 189.

5. Om bovenstaande redenen concludeert de rechtbank tot de aansprakelijkheid van verweerster op basis van art. 135, § 2, Gemeentewet.

Omdat de tekortkoming aan de verplichtingen van art. 135, § 2, Gemeentewet een toereikende aansprakelijkheidsgrond is, hoeft geen ander foutelement in het raam van art. 1382-1383 BW meer beoordeeld te worden.

6. Het bovenstaande neemt niet weg dat ook de bestuurder W. een eigen samenlopende fout kan hebben begaan, die dan op basis van de equivalentieleer zou leiden tot een gedeelde aansprakelijkheid en niet tot de opheffing van de aansprakelijkheid van verweerster.

Op verweerster, die zich op de eigen fout van de bestuurder W. beroept, rust de bewijslast met betrekking tot die beweerde fout.

De rechtbank kan hier volstaan met te verwijzen naar de aan verweerster tegenwerpelijke beoordeling van de afwezigheid van fout van de bestuurder W. door de strafrechter.

Kort herhaald: om een eigen samenlopende fout van de bestuurder aan te nemen moet bewezen zijn (1) dat de snelheidsafremmer van op afstand zichtbaar was en (2) dat de bestuurder bij het zien ervan in staat moet zijn geweest die te ontwijken zonder gevaar voor zichzelf of voor derden (Hof Antwerpen 12 maart 1998, TAVW 1999, 33). Aangezien verweerster de bestuurder W. een misdrijf ten laste legt (het niet kunnen vermijden van de hindernis en dus overtreding van art. 10.1.1o, en art. 1.01.3o, Wegverkeersreglement is een misdrijf) moet verweerster in het raam van dit burgerlijke geding een drievoudig bewijs leveren: (1) dat de bestanddelen van het misdrijf aanwezig zijn; (2) dat het misdrijf aan de bestuurder te wijten is en (3) dat de door de bestuurder aangevoerde rechtvaardigingsgrond niet bestaat (Cass. 4 december 1992, RW 1992-93, 883). Gelet op de al besproken en door de verbalisanten vastgestelde moeilijke waarneembaarheid in het donker van de niet adequaat gesignaleerde zwart uitgeslagen snelheidsafremmer is dat bewijs – zoals door de strafrechter nog meer omstandig geanalyseerd – niet geleverd.

7. De rechtbank komt derhalve tot de slotconclusie dat de volledige aansprakelijkheid van verweerster betrokken is.

E. De gevorderde bedragen

[...]
 

rechtsleer:

A. Van Oevelen, «De buitencontractuele aansprakelijkheid van de wegbeheerder», in E. Empereur, G. Vandenwijngaert, I. Van Giel en A. Van Oevelen, Aansprakelijkheid van de wegbeheerder, Brugge, Vanden Broele, 2006, (45), 90- 94;

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 06/01/2010 - 15:10
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2011 - 21:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.